• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 28 april 2016
  • ECLI:NL:RBDHA:2016:4718
  • Zaaknummer: C/09/505796 / HA RK 16-88

Rb, deelgeschil: recht afslaande auto aansprakelijk voor schade recht doorgaande scooter, discrepantie in verklaringen

Ongeval tussen rechtdoor gaande scooter (verzoeker) en rechts afslaande auto (verweerder). 1. De rechtbank constateert een discrepantie tussen de door verweerder tegenover de politie afgelegde verklaring en de verklaring die hij driekwart jaar ná het ongeval heeft afgelegd. Hiervoor is geen uitleg gegeven. De rechtbank stelt op grond van de verklaringen die verweerder en verzoeker direct na het ongeval tegenover de politie hebben afgelegd, en die in essentie gelijkluidend zijn, dat verweerder rechtsaf is geslagen zonder zich ervan te vergewissen of zich kruisend verkeer op het fietspad bevond en acht verweerder aansprakelijk. 2. Geen eigen schuld scooter. 3. Kosten deelgeschil: € 6.033,- (aantal uren teruggebracht van 28,5 tot 18; uurtarief € 250,-).

ECLI:NL:RBDHA:2016:4718

 

Instantie Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak 28-04-2016

Datum publicatie 03-05-2016 Zaaknummer C/09/505796 / HA RK 16-88

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Verkeersongeval scooter en automobilist. Betwisting aansprakelijkheid door verzekeraar o.b.v. lezing verzekerde. Die lezing komt niet overeen met verklaring direct na ongeval bij politie. Aansprakelijk. Geen eigen schuld. BIK begroot.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

..beschikking

 

RECHTBANK DEN HAAG

 

 

Team handel

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/09/505796 / HA RK 16-88

 

 

 

 

Beschikking van 28 april 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoeker],

 

wonende te [woonplaats 1] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. U. Arslan te Den Haag,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

  1. de naamloze vennootschap

 

 

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

 

gevestigd te Den Haag,

 

  1. [verweerder2],

 

 

wonende te [woonplaats 2] ,

 

verweerders,

 

advocaat mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven te Amsterdam.

 

 

 

 

Verzoeker zal hierna “ [verzoeker] ” worden genoemd en verweerders zullen hierna gezamenlijk “Nationale Nederlanden c.s.” (meervoud) en ieder afzonderlijk respectievelijk “Nationale Nederlanden” en “ [verweerder2] ” worden genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de verwijzingsbeschikking van de kantonrechter van 10 februari 2016 (met zaaknummer 4440851 RP VERZ 15-50602) en de daarin genoemde gedingstukken;

 

de brief van 16 februari 2016 van de zijde van [verzoeker] , met productie 18;

 

de brief van 18 maart 2016 van de zijde van Nationale Nederlanden c.s. (die door Nationale Nederlanden c.s. per abuis naar team kanton, met het kenmerk voor kantonzaken, is gefaxt; die opnieuw op 30 maart 2016 ter attentie van team Kanton, met het kenmerk voor kantonzaken, is gefaxt naar team handel en uiteindelijk op 11 april 2016 per e-mail aan team handel is gestuurd).

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 5 april 2015 omstreeks 19:00 uur heeft op de kruising van de Parallelweg met de Fruitweg te Den Haag een aanrijding plaatsgevonden tussen een snorscooter, merk Piaggio, met het kenteken [kenteken 1] , bestuurd door [verzoeker] , en een personenauto, merk Citroën, met het kenteken [kenteken 2] , bestuurd door [verweerder2] (hierna: het ongeval).

 

 

2.2.

 

Van het ongeval heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt, waarbij [verweerder2] als verdachte is aangemerkt. In het proces-verbaal van 5 april 2015 is – onder meer – opgenomen:

 

“Vermoedelijke toedracht

 

Betrokkene 1 [verweerder2] , reed als bestuurder in een personenauto van het merk Citroen,

 

type Cl, voorzien van kenteken [kenteken 2] , op de Parallelweg te Den Haag. Hij kwam uit de

 

richting van de Heemstraat en reed in de richting van station Hollands Spoor. Ter

 

hoogte van de kruising met de Fruitweg te Den Haag, sloeg betrokkene 1 rechtsaf de

 

Fruitweg op waarbij hij betrokkene 2 over het hoofd zag.

 

 

 

 

Betrokkene 2 [verzoeker] , reed als bestuurder op een snorscooter van het merk Piaggio,

 

type Zip, voorzien van kenteken [kenteken 1] , op de Parallelweg op het fietspad parallel

 

aan de rijbaan waar betrokkene 1 op reed. Betrokkene 2 kwam uit de richting van de

 

Heemstraat en reed in de richting van station Hollands Spoor. Ter hoogte van de

 

kruising met de Fruitweg was betrokkene 2 voornemens om rechtdoor te rijden.

 

Betrokkene 1 sloeg rechtsaf en blokkeerde hierbij de doorgang van betrokkene 2.

 

Betrokkene 2 kon een aanrijding niet voorkomen en reed met de voorzijde tegen de

 

rechter zijde van betrokkene 1.

 

 

 

 

De kruising Parallelweg met de Fruitweg te Den Haag betreft een gelijkwaardige

 

kruising. De verkeerslichten voor beide betrokkenen straalde groen licht uit.

 

Betrokkene 1 had het rechtdoorgaande verkeer voor moeten laten gaan. (…)”

 

 

 

2.3.

 

In de bijlagen bij het proces-verbaal is – onder meer – opgenomen:

 

“ verhoor verdachte [ [verweerder2] , rechtbank]

 

 

 

 

De verdachte verklaarde [op 5 april 2015 om 19:25 uur, rechtbank]:

 

(…)

 

“Ik reed op de Parallelweg, in een auto van het merk Citroen, type Cl, grijs van

 

kleur en voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Ik kwam uit de richting van de

 

Heemstraat en reed in de richting van station Hollandspoor. Ter hoogte van de

 

kruising met de Fruitweg wilde ik rechtsaf de Fruitweg oprijden. Toen ik afsloeg

 

hoorde ik het geluid van een blokkerend wiel en ik stapte gelijk op de rem. Ik

 

hoorde een harde klap tegen de rechter achterzijde van de auto waarin ik zat.

 

Ik zag dat er een scooter tegen mij was aangereden. Die scooter heb ik eerder zien

 

rijden op de Parallelweg. Hij reed in dezelfde richting als ik. Hij reed op het

 

fietspad. Tijdens het afslaan heb ik de scooter niet gezien.”

 

 

 

 

(…)

 

 

 

 

De benadeelde [ [verzoeker] , rechtbank] verklaarde [op 6 april 2015 om 16:00 uur, rechtbank]:

 

 

 

 

“Op zondag 5 april 2015, omstreeks 18:30 uur, reed ik als bestuurder op een zwarte snorscooter van het merk Piaggio type Zip. (…) Ik reed op de Parallelweg te Den Haag, ik kwam uit de richting van de Heemstraat en reed in de richting van station Hollands Spoor. Ter hoogte van de kruising met de Fruitweg reed ik ongeveer 25 kilometer per uur op het fietspad. Het verkeerslicht dat voor mij bestemd was stond op groen. Ik wilde rechtdoor rijden in de richting van station Hollands Spoor. Ik zag dat een auto rechtsaf wilde slaan doordat de auto met de neus in de richting van de kruising draaide. Deze auto bevond zich links van mij en moest mij voorrang verlenen. (…) Ik kon niet meer remmen en drukte nog op mijn toeter. Ik zag dat de auto nog versnelde, waarschijnlijk probeerde hij voor mij langs te gaan. Dit lukte niet en ik reed met de voorzijde van de scooter tegen de rechter zijde van de auto. Hierdoor viel ik heel hard op de grond en voelde gelijk een enorme pijn in mijn lijf. (…)”

 

 

 

2.4.

 

EMN Expertise heeft op 15 januari 2016 een onderzoek naar de toedracht van het ongeval verricht door de ongevalslocatie te bezoeken en van [verweerder2] te vernemen hoe het ongeval heeft plaatsgevonden.

 

In het onderzoeksrapport van 18 januari 2016 is – onder meer – opgenomen:

 

“Informatie van verzekerde:

 

Op 15 januari 2016 is door de verzekerde het volgende medegedeeld:

verzekerde reed als bestuurder van de Citroen over de Parallelweg en met kruising met de Fruitweg was hij voornemens om rechtsaf de Fruitweg op te rijden.

 

voor hem reed een andere personenauto. De afstand bedroeg bij benadering ongeveer 14 meter.

 

verzekerde reed bij groen licht de kruising op.

 

op het moment dat verzekerde rechtsaf de Fruitweg opreed, zag hij geen verkeer op het rechts van de Parallelweg gelegen fietspad.

 

verzekerde reed vervolgens de Fruitweg op maar moest vervolgens stoppen voor een voertuig dat voor hem was gestopt. Hij weet niet meer de reden waarom dit voertuig is gestopt.

 

verzekerde stond enkele tellen stil toen hij hoorde dat een voertuig slipte.

 

verzekerde keek om zich heen maar kon niet direct waarnemen waar het geluid vandaan kwam.

 

vervolgens reed de Piaggio tegen de rechterachterzijde van de Citroen.

 

 

(…)

de politie is ter plaatse gekomen en heeft foto’s van de situatie genomen.

 

er was alleen schade aan het rechterachterwiel. Naast de beschadiging aan de wieldop was het rechterachterwiel nog iets ontzet hetgeen verzekerde later oploste door een nieuwe achterband te monteren en een verbogen onderdeel te vervangen.

 

er was geen schade aan het carrosserie.

 

volgens verzekerde was de Piaggio tegen het rechterachterwiel gegleden.

 

 

(…)

 

– verzekerde is van mening dat de bestuurder van de Piaggio makkelijk achter langs de Citroen had kunnen rijden om een aanrijding te voorkomen. Verzekerde baseert dit mede op dat alleen schade is ontstaan aan het rechterachterwiel.

 

(…)”

 

 

 

3 Het verzoek

 

3.1.

Voor de inhoud van het verzoek van [verzoeker] en het – zakelijk weergegeven – verweer van Nationale Nederlanden c.s. verwijst de rechtbank naar hetgeen is opgenomen onder 2.1 tot en met 2.4 van de voornoemde beschikking van de kantonrechter.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

Allereerst constateert de rechtbank dat [verzoeker] geen belang meer heeft bij zijn verzoek tot een verklaring voor recht dat [verweerder2] is betrokken bij het onderhavige ongeval. Tot de aanvang van de onderhavige deelgeschilprocedure heeft Nationale Nederlanden de betrokkenheid van [verweerder2] bij het ongeval ontkend omdat [verweerder2] – volgens Nationale Nederlanden – het ongeval niet bij haar had gemeld. Bij haar verweerschrift heeft zij echter erkend dat de betrokkenheid van [verweerder2] inmiddels vaststaat.

 

 

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat een aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure dient vervolgens te worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. De rechtbank is – met [verzoeker] – van oordeel dat de onderhavige aansprakelijkheidsvraag zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, nu deze op basis van de thans beschikbare stukken kan worden beantwoord en nadere bewijslevering door middel van getuigen niet noodzakelijk is. Het meer subsidiaire verweer van Nationale Nederlanden c.s. wordt derhalve verworpen. De rechtbank overweegt daartoe – en in samenhang daarmee inhoudelijk – als volgt.

 

 

4.3.

 

Met betrekking tot de toedracht van het ongeval staat vast dat [verweerder2] in een personenauto op de Parallelweg te Den Haag reed, komende uit de

 

richting van de Heemstraat en gaande in de richting van station Hollands Spoor. [verzoeker] reed op een scooter op het parallel aan de rijweg gelegen fietspad in dezelfde richting. Ter hoogte van de kruising met de Fruitweg, wilde [verweerder2] rechtsaf afslaan en [verzoeker] rechtdoor rijden. De verkeerslichten voor zowel [verweerder2] als [verzoeker] straalden groen licht uit. In deze situatie was [verzoeker] voorrangsgerechtigd.

 

 

 

4.4.

In de lezing van de toedracht van [verzoeker] is [verweerder2] rechtsaf geslagen zonder zich ervan te vergewissen of er rechtdoorgaand verkeer op het fietspad aanwezig was, waardoor hij plotseling de weg voor [verzoeker] blokkeerde en [verzoeker] een aanrijding – ondanks hard remmen – niet meer kon vermijden.

 

 

4.5.

In het verweerschrift betwisten Nationale Nederlanden c.s. deze lezing onder verwijzing naar het in 2.4 genoemde rapport van EMN Expertise. [verweerder2] is de kruising rechts afslaand opgereden terwijl hij geen verkeer zag op het naastgelegen fietspad. Doordat de auto die voor hem reed op de Fruitweg stilstond, moest [verweerder2] ook stilstaan en pas toen hij al paar tellen stilstond is [verzoeker] tegen de achterkant van zijn auto aangereden. Dat betekent dat [verweerder2] geen verkeersfout heeft gemaakt. Daarentegen heeft [verzoeker] zijn rijgedrag onvoldoende aangepast aan de omstandigheden ter plaatse door de kruising niet met voldoende aangepaste snelheid te naderen en de kruising op te rijden zonder te controleren of deze daadwerkelijk vrij was, aldus Nationale Nederlanden c.s.

 

 

4.6.

Ten tijde van het indienen van het verweerschrift en de mondelinge behandeling waren partijen nog niet in het bezit van de bijlagen bij het proces-verbaal met – onder meer – het verhoor door de politie van [verweerder2] op 5 april 2015 (zie 2.3). Deze bijlagen heeft [verzoeker] na de mondelinge behandeling van de politie verkregen en overgelegd bij brief van 16 februari 2016. De rechtbank constateert – met [verzoeker] – dat de toedracht zoals [verweerder2] die aan de rapporteur van EMN Expertise heeft verteld, inhoudelijk in belangrijke mate afwijkt van de direct na het ongeval bij de politie door [verweerder2] (als verdachte, na de cautie te hebben gekregen) afgelegde verklaring. Uit de politieverklaring volgt dat [verweerder2] de scooter (met [verzoeker] ) wel degelijk eerder op het fietspad heeft zien rijden terwijl beide voertuigen naar de verkeerslichten reden. [verweerder2] verklaart bij de politie niet over een auto die voor hem zou hebben gereden, laat staan voor hem zou hebben stilgestaan waardoor hij zich genoodzaakt zou hebben gevoeld de kruising voor fietsers/scooters te blokkeren. Integendeel, [verweerder2] heeft verklaard dat hij rechts afsloeg, een geluid hoorde van een blokkerende rem en vervolgens zelf op de rem is gaan staan. Daarna hoorde hij een harde klap tegen de rechterachterzijde van de auto en zag dat de scooter (met [verzoeker] ) tegen de auto aan was gereden.

 

 

4.7.

De rechtbank constateert verder dat de verklaring van [verweerder2] tegenover EMN Expertise driekwart jaar ná het ongeval is afgelegd, toen [verweerder2] wist dat hij door [verzoeker] aansprakelijk was gesteld en hij ook wist dat Nationale Nederlanden c.s. in verband met deze aansprakelijkstelling meermalen met hem contact gezocht, op welke verzoeken hij – om hem moverende redenen – niet had gereageerd. Nationale Nederlanden c.s. hebben geen enkele uitleg gegeven voor de discrepantie tussen beide verklaringen van [verweerder2] . In de schriftelijke reactie op het door [verzoeker] overgelegde proces-verbaal hebben Nationale Nederlanden c.s. volstaan met een volharding van hetgeen in het verweerschrift is vermeld en herhaald dat [verweerder2] heeft gekeken voordat hij rechtsaf is geslagen en [verzoeker] daarbij niet heeft gezien. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de betwisting door Nationale Nederlanden c.s. van de toedracht zoals door [verzoeker] – mede aan de hand van de politieverklaring van [verweerder2] – gesteld, onvoldoende gemotiveerd.

 

 

4.8.

De rechtbank stelt dan ook op grond van de verklaringen die [verweerder2] en [verzoeker] direct na het ongeval tegenover de politie hebben afgelegd, en die in essentie gelijkluidend zijn, dat [verweerder2] bij de onderhavige kruising rechtsaf is geslagen zonder zich ervan te vergewissen of zich kruisend verkeer op het fietspad bevond. Vervolgens heeft hij pas geremd nadat hij het geluid hoorde van een blokkerend wiel en hij een harde klap hoorde tegen de rechter achterzijde van de auto. Het ongeval is dan ook veroorzaakt doordat [verweerder2] aan [verzoeker] geen voorrang heeft verleend, zodat [verweerder2] aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval. Het primaire verweer van Nationale Nederlanden c.s. faalt.

 

 

4.9.

Daarmee komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verweer van Nationale Nederlanden c.s. dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] , waarmee Nationale Nederlanden betwist dat zij gehouden is diens schade (geheel) te vergoeden.

 

 

4.10.

Voor een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW is allereerst vereist dat de door [verzoeker] geleden schade niet slechts het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor [verweerder2] aansprakelijk is te houden, maar ook is veroorzaakt door een gebeurtenis, die aan hemzelf is toe te rekenen. Voor het oorzakelijke verband tussen deze laatste gebeurtenis en de schade is ten minste vereist dat de schade zonder die gedraging hetzij in het geheel niet zou zijn ingetreden, hetzij lager zou zijn uitgevallen dan in werkelijkheid is geleden. In genoemd geval wordt de schade over beide personen verdeeld in eerste instantie naar rato van de mate waarin de aan ieder van de betrokken partijen toe te rekenen omstandigheden aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Voor wat betreft de feiten en omstandigheden van een gebeurtenis die aan [verzoeker] zou zijn toe te rekenen, hebben Nationale Nederlanden c.s. de stelplicht en de bewijslast.

 

 

4.11.

Ter zake stellen Nationale Nederlanden c.s. dat [verzoeker] de maximaal toegestane snelheid van 25 km/u heeft gereden en niet meer kon remmen. Dat betekent dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 19 RVV, te weten dat de bestuurder in staat moet zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Voort heeft [verzoeker] zijn rijgedrag onvoldoende aangepast aan de omstandigheden ter plaatse, aldus Nationale Nederlanden c.s.

 

 

4.12.

Nationale Nederlanden c.s. hebben hun standpunt dat [verzoeker] in strijd heeft gehandeld met artikel 19 RVV gekoppeld aan de lezing dat [verweerder2] al een paar tellen stilstond op de kruising doordat een auto vóór hem op de weg stilstond. Volgens Nationale Nederlanden c.s. had [verzoeker] in die situatie een ongeval kunnen voorkomen door bij nadering van de kruising, in het zicht van [verweerder2] ’s auto op de kruising, tijdig te remmen. Zoals in 4.7 en 4.8 reeds overwogen, volgt de rechtbank Nationale Nederlanden c.s. niet in deze lezing. Vast staat dat [verzoeker] en [verweerder2] richting de kruising zijn gereden terwijl de respectieve verkeerslichten op enig moment voor beiden groen licht uitstraalde, zonder dat één van beiden eerst diende te stoppen voor het verkeerslicht (althans dat is niet gesteld of gebleken), waarna vervolgens [verweerder2] zonder te kijken rechtsaf is geslagen en met zijn auto de weg voor [verzoeker] ineens blokkeerde. Dat (en waarom) [verzoeker] in deze situatie zijn snelheid nog zodanig had kunnen aanpassen dat hij het ongeval óf had kunnen voorkomen óf met een val – ondanks aanpassing van zijn snelheid – minder letsel/schade zou hebben opgelopen, hebben Nationale Nederlanden c.s. niet toegelicht en is overigens ook niet gebleken. De rechtbank verwerpt aldus het beroep op eigen schuld.

 

 

4.13.

Het voorgaande betekent dat [verweerder2] volledig aansprakelijk is voor het ontstaan van het onderhavige ongeval en Nationale Nederlanden – als diens WAM-verzekeraar – gehouden is de volledige door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade te vergoeden. Het door [verzoeker] gedane verzoek zoals opgenomen onder 2.1 1 van de beschikking van de kantonrechter van 10 februari 2016 zal dan ook in zoverre worden toegewezen.

 

 

4.14.

Mr. Arslan verzoekt de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te begroten op een bedrag van € 7.125, te vermeerderen met 7% kantoorkosten, BTW en het door [verzoeker] betaalde griffierecht. Daarbij is hij, onder verwijzing naar de als productie 7 overgelegde specificatie, uitgegaan van een tijdsbesteding van 28,5 uur en een uurtarief van € 250.

 

 

4.15.

Nationale Nederlanden c.s. maken bezwaar tegen het gestelde aantal aan de zaak bestede uren. Zij achten een vergoeding van 16,6 uur redelijk, waarbij zij voor het opstellen van het verzoekschrift 4,5 uur aanhouden, voor de correspondentie met de rechtbank 0,2 uur en voor de overige uren vanaf 1 februari 2016 11,9 uur.

 

 

4.16.

Ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

 

 

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt, nu deze zijn gemaakt om een tussen partijen gerezen geschilpunt te laten beslechten zodat zij buitengerechtelijk tot een vergelijk kunnen komen.

 

 

4.18.

De rechtbank is – met Nationale Nederlanden c.s. – van oordeel dat het aantal opgevoerde uren, gezien de omvang en inhoud van het verzoekschrift en de mate van complexiteit van het deelgeschil, bovenmatig is. Wel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat mr. Arslan in deze zaak meer dan gemiddeld tijd heeft moeten besteden aan correspondentie met zijn cliënt, Nationale Nederlanden en de politie vanwege de aanvankelijke weigering van Nationale Nederlanden de zaak in behandeling te nemen – omdat [verweerder2] de zaak niet heeft gemeld bij Nationale Nederlanden – en vervolgens de weinig meewerkende houding van Nationale Nederlanden tot het indienen van het verzoekschrift. Immers, pas na het indienen van het verzoekschrift is Nationale Nederlanden de zaak gaan onderzoeken en heeft zij contact opgenomen met haar eigen cliënt, [verweerder2] . De rechtbank acht het redelijk om het aantal aan de zaak bestede uren te matigen tot 18 uur in totaal. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten begroten op een totaalbedrag van € 6.033 (18 uur x € 250), vermeerderd met een kantooropslag van 7% en BTW van 21% en voorts vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 207).

 

 

4.19.

Nu, zoals hiervoor is overwogen, [verweerder2] – en Nationale Nederlanden als zijn WAM-verzekeraar – volledig aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval, komen de kosten van dit deelgeschil voor rekening van Nationale Nederlanden c.s. Het door [verzoeker] gedane verzoek zoals opgenomen onder 2.1 2 van de beschikking van de kantonrechter van 10 februari 2016 is dan ook toewijsbaar.

 

 

 

5 De beslissing

 

 

 

 

De rechtbank

 

 

 

5.1.

verklaart voor recht dat Nationale Nederlanden volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] op 5 april 2015 is overkomen;

 

 

5.2.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op een bedrag van € 6.033 en veroordeelt Nationale Nederlanden c.s. tot betaling van deze kosten aan [verzoeker] ;

 

 

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.1

 

 

 

1

type: 1555