• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 23 november 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:7736
  • Zaaknummer: C/16/415812 / HA RK 16-101

Rb, deelgeschil: niet onrechtmatig noch disproportioneel gehandeld door agenten

Het breken van de arm van een ander is in beginsel onrechtmatig. De feiten en omstandigheden van het concrete geval kunnen dit echter anders maken. De verklaringen van agenten zijn in lijn met de direct na de aanhouding, opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, die uitgebreid de feiten en omstandigheden rond de aanhouding beschrijven. Uit de verklaring van een omstander blijkt dat de politie vooraf heeft gewaarschuwd. Benadeelde hoefde niet mee naar het bureau maar moest dan wel direct weggaan, wat hij niet deed. Niet is komen vast te staan dat de politie bij de aanhouding onrechtmatig en disproportioneel heeft gehandeld, in die zin dat daarbij meer geweld is gebruikt dan nodig was.

Instantie Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak 23-11-2016
Datum publicatie 04-07-2017
Zaaknummer C/16/415812 / HA RK 16-101
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie deelgeschil. door toedoen van agent is arm van verzoeker gebroken. verklaring voor recht mbt aansprakelijkhweid afgewezen. niet gebleken dat onrechtmatig en disproportioneel zou zijn gehandeld.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/415812 / HA RK 16-101

Beschikking van 23 november 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. C. van Scherpenzeel te Utrecht,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon
LANDELIJK POLITIEKORPS,
zetelend te Den Haag,
2. CENTRAAL BEHEER ACHMEA,
gevestigd te Apeldoorn,
verweerders,
advocaat mr. M.A. Bosman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] , de Politie en Centraal Beheer worden genoemd.

1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift met 13 producties,
– het verweerschrift met 5 producties,
– de mondelinge behandeling, waar partijen hun standpunten hebben toegelicht en waarvan aantekening is gehouden door de griffier.
1.2. Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 De feiten
2.1. In de nacht van 14 op 15 oktober 2011 heeft [verzoeker] op het Zandpad in Utrecht onenigheid gekregen met een prostituee, waarna de Politie is gebeld. Dat was rond 5.30 uur in de ochtend. Drie noodsurveillance-eenheden zijn naar het Zandpad gegaan.

2.2. Eén van de agenten die naar het Zandpad waren gegaan heeft [verzoeker] vastgepakt en zijn arm op zijn rug gedraaid. Daarbij is de rechterbovenarm van [verzoeker] gebroken.

2.3. [verzoeker] is meegenomen naar het politiebureau, waar hij is bezocht door een arts. Rond 9.00 uur is hij naar de locatie Oudenrijn van het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht gebracht, waar röntgenfoto’s de bovenarmbreuk bevestigden.

2.4. Op 15 oktober 2011 hebben brigadier [A] (hierna: agent [A] ), hoofdagent [B] (hierna: agent [B] ), brigadier [C] (hierna: agent [C] ) en hoofdagent [D] (hierna: agent [D] ) afzonderlijk van elkaar een proces-verbaal van bevindingen opgesteld.

2.5. Agent [A] heeft op 15 oktober 2011 het volgende proces-verbaal van bevindingen opgesteld:

“Wij, verbalisanten, zagen dat de man kennelijk heel boos op de vrouw was, want hij nam een dreigende houding naar haar aan en beledigde haar met de woorden: “Je bent een vieze kanker buitenlander en een vieze hoer. Ik wil mijn geld terug of je anders hard neuken” of woorden van gelijke strekking.
Vervolgens lieten wij, verbalisanten, de vrouw aan het woord en zij verklaarde in een gebrekkige Engelse taal, dat de man vijftig euro’s had betaald voor 20 minuten seks met haar. Hij was in de 20 minuten niet klaar gekomen tijdens de gemeenschap, waarop zij de gemeenschap stopte en hem vertelde, dat zijn tijd op was en dat hij de woonboot moest verlaten. Hier werd hij zo boos om, dat hij haar begon uit te schelden en haar bedreigde met de dood. Zij verklaarde, dat hij haar meerdere malen bedreigd had, en dat hij haar met zijn vrienden in de woonboot dood zou maken en als dit niet lukte, zou hij haar buiten de boot opwachten en haar buiten dood maken.”

2.6. Agent [B] heeft op 15 oktober 2011 het volgende proces-verbaal van bevindingen opgesteld:

“Ik hoorde collega [D] tegen [verzoeker] zeggen dat hij van het Zandpad weg moest gaan omdat hij hier verder niets meer te zoeken had. Ik hoorde [verzoeker] zeggen dat hij niet van het Zandpad weg zou gaan. Ik hoorde [verzoeker] zeggen dat hij dan maar met de politie mee moest. Ik zag dat collega [D] het rijbewijs van [verzoeker] aan hem terug wilde geven. Ik zag dat [verzoeker] het rijbewijs niet aan wilde pakken. Ik zag dat collega [C] bij collega [D] stond. Ik hoorde collega [D] tegen [verzoeker] zeggen dat hij hem vorderde van het Zandpad weg te gaan. Ik hoorde [verzoeker] zeggen dat hij niet weg zou gaan. Ik hoorde hierop collega [D] tegen [verzoeker] zeggen dat hij was aangehouden voor het niet voldoen aan bevel op vordering. Ik zag dat collega’s [C] en [D] naar [verzoeker] liepen en hem mee wilden nemen naar het dienstvoertuig. Ik zag dat [verzoeker] niet mee wilde werken. Ik zag dat hij zijn lichaam in een andere kant op bewoog als dat de collega’s met hem op wilden lopen. Ik zag dat [verzoeker] ongecontroleerde bewegingen met zijn armen en lichaam maakte waardoor ik de indruk kreeg dat hij zich los probeerde te trekken. Ik zag dat er een drietal jongens mijn kant op kwamen lopen. Ik hoorde ze met luide stem roepen dat het niet eerlijk was, twee tegen een. Ik zag dat zij in de richting van collega’s [C] en [D] wilden lopen. Ik ben samen met collega [A] voor de drie jongens gaan staan en heb ze gezegd dat ze afstand moesten houden. Ik zag dat ze door wilden lopen. Ik heb ze toen een duw op de borst gegeven en nogmaals gezegd dat ze afstand moesten houden. Ik deed dit om mijn woorden kracht bij te zetten. Ik zag dat de drie jongens op afstand bleven staan. Ik zag vervolgens dat collega’s [C] en [D] met [verzoeker] naar het dienstvoertuig liepen. Ik zag, bij het dienstvoertuig, dat [verzoeker] niet in het voertuig wilde stappen. Ik zag dat hij zich nog steeds verzette. Ik zag dat collega [C] [verzoeker] in het dienstvoertuig kon plaatsen.
Ik ben vervolgens samen met collega [C] naar het politiebureau Paardenveld gegaan. Ik hoorde [C] zeggen dat hij de indruk had dat hij de arm van [verzoeker] had gebroken. Ik hoorde dat [C] zei dat hij hoorde en voelde dat de arm een krakend geluid en beweging maakte. Ik hoorde [C] zeggen dat dit gebeurde toen [verzoeker] zich verzette bij zijn aanhouding. Ik hoorde [C] zeggen dat hij de arm van [verzoeker] in een richting wilde bewegen en dat [verzoeker] zijn arm de andere kant op bewoog.
(…)
Toen wij de transportboeien af hadden gedaan bij [verzoeker] hoorde ik [verzoeker] tegen [C] zeggen dat hij met zijn rechterarm niet kon slaan maar wel met zijn linkerarm. Ik zag dat [verzoeker] met zijn lichaam naar voren bewoog, in de richting van [C] . Het leek alsof [verzoeker] [C] probeerde te slaan. Wij hebben [verzoeker] vervolgens naar de grond gebracht en hebben de transportboeien weer omgedaan bij [verzoeker] .”

2.7. Agent [C] heeft op 15 oktober 2011 het volgende proces-verbaal van bevindingen opgesteld:

“Ik heb de verdachte herhaaldelijk gezegd dat hij mee moest werken en moest kalmeren. Ik hoorde dat collega [D] dit eveneens deed. Ik zag en voelde dat hieraan op geen enkele wijze door verdachte gevolg werd gegeven. Ik hoorde de verdachte nog immer roepen dat hij niet van het Zandpad weg zou gaan voordat hij die hoer geneukt had of zijn geld terug had. Plots voelde ik dat de verdachte zich met zijn arm uit mijn greep trachtte los te trekken. Ik voelde dat hij zijn arm met kracht van mij weg bewoog. Hieruit concludeerde ik dat hij zich trachtte te onttrekken aan de aanhouding.
De mentale toestand waarin de verdachte zich bevond heeft ons doen besluiten om, uit oogpunt van veiligheid, de van dienstwege verstrekte transportboeien bij de verdachte aan te leggen.
(…)
Ter hoogte van de vuilcontainers voelde ik dat de verdachte zich wederom uit onze greep trachtte te bevrijden. Ik zag dat collega [D] de verdachte om de schouders vasthad. Ik zag dat de verdachte zich met zowel zijn hoofd alsook zijn bovenlichaam in mijn richting draaide. Ik zag dat de verdachte zijn linkerarm met abrupte bewegingen bewoog.
Wij besloten de verdachte naar de grond te brengen en hem op deze wijze onder controle te brengen. Ik zei tegen de verdachte dat hij zich moest omdraaien en op zijn knieën moest gaan zitten. Ik zag dat verdachte hieraan geen enkel gevolg gaf.
Ik had de rechterarm van de verdachte vast met beide handen. Ik had met mijn linkerhand de bovenarm van de verdachte vast en met mijn rechterhand de onderarm van de verdachte nabij zijn rechter pols.
Ik trachtte het bovenlijf van de verdachte van mij weg te draaien en op deze wijze de rechterarm van de verdachte op de rug te brengen teneinde deze onder controle te krijgen. Plots hoorde ik een knakkend geluid en voelde dat de verdachte niet langer zijn arm in tegengestelde richting trachtte te bewegen dan de richting welke ik hiervoor heb beschreven. Ik dacht dat zijn arm misschien wel gebroken kon zijn. Ik schrok hiervan. Ik zag dat de verdachte, in tegenstelling tot zijn rechterarm, zijn linkerhand ongecontroleerd en met krachtige bewegingen bewoog.
Toch zag en hoorde ik echter dat de verdachte op geen enkele wijze enig teken van pijn of zelfs ongemak gaf. Ik hoorde dat de verdachte nog altijd door schreeuwde over het feit dat hij zijn geld terug wilde of die hoer nog zou neuken.
Ik zag en voelde dat de verdachte zich onverstoorbaar bleef verzetten tegen zijn aanhouding. Nadat de transportboeien waren aangelegd heb ik, verbalisant, de verdachte overeind geholpen en hem in de richting van het dienstvoertuig bewogen. Aangekomen bij het dienstvoertuig voelde ik dat de verdachte zich weg van dit voertuig wilde bewegen.”

2.8. Agent [D] heeft op 15 oktober 2011 het volgende proces-verbaal van bevindingen opgesteld:

“Ter hoogte van de vuilcontainers voelde ik dat verdachte [verzoeker] met zijn armen krachtig begon te bewegen. Ik voelde dat ik mijn grip op verdachte [verzoeker] verloor. Ik voelde dat verdachte [verzoeker] zich in tegenovergestelde richting bewoog dan ik verdachte [verzoeker] wilde bewegen. Ik heb tegen verdachte [verzoeker] meerdere malen geroepen, dat hij zich rustig moest gedragen. Ik zag en voelde dat mijn woorden geen effect hadden op verdachte [verzoeker] . Daar ik mijn grip op verdachte [verzoeker] verloor heb ik mijn linkerarm over de schouders van verdachte [verzoeker] geslagen en trok deze naar achter toe. Dit ten einde verdachte [verzoeker] in onbalans te brengen en de transportboeien aan te slaan. Ik voelde dat verdachte [verzoeker] zich verzette tegen de aanhouding, door krachtige bewegingen te maken met zijn lichaam in tegenovergestelde richting dan wij verdachte [verzoeker] wilden bewegen. Ik trok hierop verdachte [verzoeker] naar achter toe, waardoor deze met zijn knieën op de grond kwam. Hierbij hield ik verdachte [verzoeker] in een hals/nek controle. Ik zag dat collega [C] verdachte [verzoeker] aan zijn rechterkant vast had, teneinde verdachte [verzoeker] te boeien.
Ik zag dat verschillen de omstanders onze richting op kwamen lopen. Ik hoorde deze omstanders roepen: “Durven jullie wel met ze tweeën. Ik zag dat deze omstanders op afstand werden gehouden door de collega’s [B] en [A] . Terwijl dit gebeurde hield ik verdachte [verzoeker] vast. Ik voelde dat de linkerarm van verdachte [verzoeker] verschillende krachtige bewegingen bleef maken.
Ineens hoorde ik collega [C] zeggen: “Ik geloof dat zijn arm is gebroken”. Dat verbaasde mij. Ik hoorde namelijk verdachte [verzoeker] geen enkele pijnkreet geven of andere signalen geven van een eventuele verwonding. Ik voelde dat verdachte [verzoeker] zich bleef verzetten.”

2.9. Bij brief van zijn raadsman van 3 januari 2012 heeft [verzoeker] de Politie aansprakelijk gesteld voor zijn schade. Onderlinge Verzekeringen Overheid U.A. (een rechtsvoorgangster van Achmea Schadeverzekeringen N.V., hierna: Achmea), de verzekeraar van de Politie, heeft de aansprakelijkheid afgewezen bij brief aan de raadsman van [verzoeker] van 19 maart 2012:

“Op 15 oktober 2011 kreeg de politie de melding om naar het Zandpad te gaan, aangezien aldaar een persoon weigerde bootje [cijfer] , plank [cijfer] te verlaten. Ter plaatse aangekomen zag de politie uw cliënt in het desbetreffende bootje. Daar de situatie in het bootje escaleerde, omdat uw cliënt agressief was, dreigde, schreeuwde en wilde armbewegingen maakte, heeft de politie uw cliënt uit het bootje gehaald, op straat gebracht en aldaar staande gehouden. Op straat aangekomen bleef uw cliënt zich agressief gedragen.

Toen duidelijk was dat uw cliënt niet hoefde te worden aangenomen, heeft de politie uw cliënt meermaals gevorderd het Zandpad te verlaten. Uw cliënt heeft aan deze vorderingen geen gehoor gegeven. Hierop heeft de politie besloten uw cliënt alsnog aan te houden. Tijdens deze aanhouding verzette uw cliënt zich hevig. Gedurende dit verzet is de arm van uw cliënt hoogstwaarschijnlijk gebroken.

Gezien het bovenstaande achten wij het handelen van de politie rechtmatig. Ook hebben wij geen aanwijzingen aangetroffen waaruit zou moeten blijken dat de politie disproportioneel heeft gehandeld. de gevolgen van het feit dat uw cliënt zich hevig verzette door krachtige bewegingen te maken, kunnen de politie in alle redelijkheid niet toegerekend worden.”

2.10. Op 24 mei 2012 heeft de heer [E] (hierna: [E] ) een verklaring ondertekend. Op 28 mei 2012 heeft de heer [F] (hierna: [F] ) eenzelfde verklaring ondertekend. Deze beide verklaringen luiden als volgt:

“Hierbij verklaar ik dat er bij de aanhouding van [verzoeker] op 15 oktober 2011 geen sprake was van gewelddadigheid of een andere vorm van agressie door [voornaam van verzoeker] . Dit verklaar ik enkel en alleen, omdat ik op dat moment samen met [voornaam van verzoeker] was en zeker weet dat dit klopt. Wat ik heb gezien/gehoord is:
• dat [voornaam van verzoeker] in conflict was met een mevrouw,
• dat zowel [voornaam van verzoeker] als de mevrouw geen geweld gebruikte bij het oplossen van het probleem,
• dat later door beiden besloten is om de politie te bellen,
• dat de politie arriveerde,
• dat [voornaam van verzoeker] apart genomen werd om gegevens te noteren,
• dat de agent [voornaam van verzoeker] wegstuurde met de woorden: “We nemen je niet mee, maar dan moet je nu weg”(Of iets in die richting. Het kwam tenminste op hetzelfde neer)
• dat [voornaam van verzoeker] dit weigerde en wilde dat de mevrouw en hijzelf mee naar het bureau gingen om een echte oplossing te vinden,
• dat [voornaam van verzoeker] dit op een “normale” manier zei,
• dat op het moment dat [voornaam van verzoeker] dit zei, hij hardhandig werd beetgehouden door twee agenten en dat die zijn arm op zijn rug draaide,
• dat [voornaam van verzoeker] het uitschreeuwde van de pijn,
• dat [voornaam van verzoeker] in de politieauto werd “gegooid”.

Ik vind dat de agenten die [voornaam van verzoeker] hebben aangehouden hun werk niet goed hebben verricht. Er is te veel geweld gebruikt, terwijl dit absoluut niet nodig was.”

2.11. Desgevraagd heeft Achmea, de rechtsopvolgster van Onderlinge Verzekeringen Overheid U.A., aan [verzoeker] laten weten dat deze verklaringen niet hadden geleid tot een ander standpunt met betrekking tot de aansprakelijkheid.

2.12. Eind 2014 heeft [verzoeker] een deelgeschil aanhangig gemaakt tegen de Politie en Achmea. Dat verzoek is op 13 januari 2015 behandeld ter zitting. In het proces-verbaal van die zitting is het volgende opgenomen:

“Partijen hebben ieder een bij monde van hun advocaat hun standpunten nader toegelicht. Daarna is op verzoek van de rechter door verweerders een video opname getoond van een deel van de gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld op 15 oktober 2011.
De rechter heeft vervolgens de mondelinge behandeling onderbroken.

Namens [verzoeker] heeft mr. Van Scherpenzeel zijn verzoek ingetrokken. Mr. Bosman heeft daarmee namens verweerders ingestemd.”

2.13. De in het proces-verbaal genoemde video-opname is in de nacht van 14 op 15 oktober 2011 gemaakt door beveiligingscamera’s. Partijen zijn het erover eens dat de beelden erg donker zijn, dat niet het gehele voorval in beeld is en dat geluid bij de opname ontbreekt.

2.14. Op verzoek van [verzoeker] heeft de rechtbank vervolgens een voorlopig getuigenverhoor gelast. Op 7 juli 2015 zijn zeven personen gehoord: [verzoeker] , zijn vrienden [E] en [F] , en agent [D] , agent [C] , agent [B] en agent [A] .

2.1.5 [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor het volgende verklaard:

“(…)
3. Het incident is als volgt verlopen: ik had rond drie of vier uur ’s nachts een conflict met een mevrouw op het Zandpad. Wij zijn er niet uitgekomen en hebben toen beiden de politie gebeld en die is gekomen. De politieagenten hebben ons verhaal aangehoord en zij hebben vervolgens gezegd dat ik niet aangehouden zou worden, maar dat ik wel weg moest. Ik was het daar niet mee eens, want ik wilde een echte oplossing. Ik heb gevraagd of wij naar het bureau konden samen, zodat wij het samen op het bureau konden uitpraten. Een politieman heeft vervolgens mijn rechterarm op mijn rug gedraaid. Daarna kwam er een andere agent bij. Ik weet niet precies wie mij heeft vastgehouden. Ik was niet onder invloed die avond, ik was dus nuchter.
4. (…)
5. Ik had direct door dat mijn arm gebroken was. Ik voelde dit. Ik heb dit aangegeven aan de agenten die mij aanhielden, ook toen ik in de auto zat. Ik werd toen naar het politiebureau gebracht (…). Ik heb ook daar weer aangegeven dat ik pijn had aan mijn arm en dat die gebroken was. Een paar uur later kwam er een dokter en ik ben om ongeveer negen uur naar het ziekenhuis gebracht.
6. (…)
7. Tijdens het conflict met de mevrouw die op het Zandpad werkte, ben ik niet agressief geweest. Alles verliep rustig totdat mijn arm op mijn rug werd gedraaid.
8. U leest mij de alinea op pagina 2 van het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaal nummer PL 0910 2011233478-8 die begint met “terwijl” voor. Dat is niet juist wat daar verklaard wordt door de betrokken agent.
9. U leest mij de alinea uit het hiervoor genoemde proces-verbaal op pagina 3 voor, welke alinea begint met “Op het moment”. Ook die verklaring klopt niet.
10. Ik heb mij niet verzet tegen de aanhouding, daarvoor ging het allemaal te snel. Het kan zo zijn dat ik weerstand heb geboden met mijn rechterarm om letsel te voorkomen.

Op vragen van mr. C. van Scherpenzeel antwoord ik als volgt:
1. Nadat wij van de boot waren afgegaan, heb ik ongeveer een kwartiertje voor de boot staan praten met de politie. Ik stond daar heel normaal met de politie. Er werd heen en weer gelopen door de agenten om de verhalen met elkaar te vergelijken. Er is niks bijzonders gebeurd in die periode. Ik was op dat moment heel ontspannen.”

2.16. [E] heeft blijkens het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor het volgende verklaard:

“(…)
3. Ik zag op enig moment dat [verzoeker] een conflict had met een mevrouw, ik wist niet waar dat conflict over ging. Uiteindelijk kwam de politie er bij (…). [verzoeker] en de mevrouw waarmee hij een conflict had, werden apart genomen. Ik heb een politieagent tegen [verzoeker] horen zeggen dat hij niet mee naar het bureau hoefde. Wel moest hij direct weggaan. [verzoeker] was het er niet mee eens, hij wilde samen met de mevrouw naar het politiebureau, en toen hebben de politieagenten geweld tegen hem gebruikt. Eén van de politieagenten pakte zijn arm ruw beet en ik zag hoe die arm op zijn rug werd gedraaid en [verzoeker] werd tegen de politieauto aangegooid en daarna in de auto gegooid.
4. Ik heb niet gezien dat de heer [verzoeker] zich heeft verzet tegen de aanhouding. Hij was voor de aanhouding ook niet agressief tegen de mevrouw of de agenten. Daarna is hij meegenomen.”

2.17. [F] heeft blijkens het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor het volgende verklaard:

“(…)
3. Ik weet niet precies hoeveel agenten er waren. Naar mijn idee waren er best veel politieagenten. Het zou best kunnen dat er drie politiewagens waren. Ik mocht niet dichterbij komen van de politie, dus wij stonden nog steeds op een afstandje. Ik hoorde [verzoeker] zeggen dat hij naar het bureau wilde om het daar op te lossen. De politie deel heel agressief tegen [verzoeker] . Het was volgens mij niet de juiste manier van iemand meenemen naar de politieauto. Ik heb niet gezien dat [verzoeker] zich verzette tegen de aanhouding.

Op vragen van mr. C. van Scherpenzeel antwoord ik als volgt:
1. De houding van [verzoeker] was dat hij het probleem wilde oplossen. Zijn houding was niet vreemd. De politieagenten waren erg streng. Wij mochten bijv. niet dichterbij komen. ik vond niet dat de politieagenten [verzoeker] op een professionele manier hebben aangehouden. [verzoeker] had namelijk veel pijn en achteraf bleek dat zijn arm was gebroken. Zijn gedrag voorafgaand aan de aanhouding gaf volgens mij geen aanleiding voor een dergelijke hardhandige bejegening.”

2.18. Agent [D] heeft blijkens het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor het volgende verklaard:

“(…)
2. Volgens mij was ik als eerste ter plaatse op het Zandpad. Ik weet het niet meer zeker. Het is namelijk al vier jaar geleden. (…) Ik was samen met collega [A] , wij hadden een melding binnengekregen dat er onregelmatigheden waren. Wij zijn een boot in gegaan die aan de rechterzijde van het Zandpad, gezien in de richting van Maarssen lag. Daar troffen wij de heer [verzoeker] en een prostituee aan. De heer [verzoeker] was druk en schreeuwde veel. Wij hebben de prostituee en [verzoeker] gescheiden. Collega [A] heeft het verhaal van de prostituee aangehoord en ik het verhaal van [verzoeker] . Hij wilde de diensten afmaken waar hij voor betaald had. Ik ben naar buiten gegaan met meneer. Op enig moment kwamen ook de collega’s aan. [verzoeker] was in mijn beleving agressief.
3. In het begin was [verzoeker] heel druk en was er geen land met hem te bezeilen. Zijn agressie richtte zich op dat moment voornamelijk tegen de prostituee. Hij wilde dat de dienstverlening zou worden voltooid en wilde weer de boot in. Hij was recalcitrant en bleef tegenstribbelen en schreeuwen en gebruikte daarbij de bewoordingen zoals opgenomen in het (…) proces-verbaal van bevindingen. Zoals gezegd wilde [verzoeker] terug naar de boot. Hij heeft niet daadwerkelijk geprobeerd mij van de loopplank te duwen, maar ik heb wel lichte dwang gebruikt om hem in de richting van de geparkeerde auto’s te duwen. Die lichte dwang was noodzakelijk, omdat hij niet bereid was om geheel vrijwillig de boot te verlaten. Op een gegeven moment kwam mijn collega naar buiten en zei dat de prostituee geen aangifte wilde doen. Dat heb ik tegen [verzoeker] gezegd en ik heb geprobeerd hem zijn rijbewijs terug te geven. Hij bleef volharden in de eerdere teksten.
4. [verzoeker] probeerde op enig moment mijn handboeien te pakken en dreigde mij te slaan. Er kwamen twee mannen aanlopen, waarvan ik er één herkende als de heer [E] . [verzoeker] bleef schreeuwen en druk bewegen en een agressieve houding aannemen. Tegen [verzoeker] werd door zijn kennissen gezegd dat hij zich rustig moest houden en hij antwoordde daarop dat hij dan niet zou doen. Er kwamen ook omstanders op de situatie af en er ontstond wat wij aanduiden als een wanordelijkheid. Wij hebben toen een vordering gedaan aan [verzoeker] om zich te verwijderen. Toen heeft hij gezegd, dan moet je mij maar aanhouden. Hij zei: ik ga niet weg. Op een gegeven moment hebben wij voor de tweede keer hem gevorderd weg te gaan en toen hij dat niet deed hebben wij hem aangehouden. De heer [C] en ik pakten hem beet. Ik hield hem beet aan zijn linkerzijde, terwijl de heer [C] hem aan zijn rechterzijde vasthield. [verzoeker] bleef zich verzetten en probeerde zich aan onze greep te onttrekken. Ik merkte dat mijn grip minder werd, ik heb toen een hals/nekgreep aangebracht om hem op zijn knieën te zetten, zodat wij hem konden boeien. Ik hoorde mijn collega zeggen dat hij dacht dat de arm van de heer [verzoeker] was gebroken. Ik vond dat vreemd, want hij heeft geen krimp gegeven en tijdens deze wijze van aanhouding vonden er volgens mij ook geen plotselinge of hevige bewegingen plaats die het voor mij begrijpelijk konden maken dat zijn arm gebroken was. Wij hebben [verzoeker] constant gemaand en gewaarschuwd dat hij zich niet tegen zijn aanhouding moest verzetten. Hij heeft daar geen gevolg aan gegeven en is zich blijven verzetten tegen onze pogingen om hem te boeien en aan te houden. Dat verzet bestond er uit dat hij bleef tegenstribbelen en zich middels draaiende bewegingen probeerde te onttrekken aan onze grip. Hij maakte daarbij ook slaande bewegingen.
5. Wij hebben vervolgens [verzoeker] afgeboeid. Hij bleef zich verzetten en bleef agressief over het conflict met de prostituee. Ook naar ons toe bleef hij agressief en werd hij beledigend.

Op de vraag van mr. C. van Scherpenzeel antwoord ik als volgt:
1. [verzoeker] bleef agressief gedurende de gehele periode vanaf het moment dat ik hem uit de boot begeleidde tot en met de aanhouding. Ik vond hem druk en opgefokt.

Op de vraag van mr. M.A. Bosman antwoord ik als volgt:
1. Meteen na de aanhouding heb ik het eerder genoemde proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Ik weet dat wij dat afzonderlijk van elkaar hebben gedaan, met elkaar bedoel ik de andere betrokken politieagenten, omdat wij wisten dat er vragen gesteld zouden worden naar aanleiding van de gebroken arm.”

2.19. Agent [C] heeft blijkens het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor het volgende verklaard:

“(…)
2. Ik was niet als eerste ter plaatse op het Zandpad. Er was onrust tussen een prostituee en [verzoeker] . Ik weet niet meer waar iedereen was toen ik aankwam. Het was einde nachtdienst. Ik weet nog wel dat [verzoeker] gevorderd is te vertrekken en daarna weet ik dat ik hem samen met collega [D] heb aangehouden en dat daarbij zijn rechterarm is gebroken. Ik weet nog goed dat ik zijn rechterarm vasthield en bezig was om die op zijn rug te draaien. Ik had daartoe mijn linkerhand om zijn bovenarm en met mijn rechterhand zijn pols beet. Terwijl ik zijn arm omdraaide merkte ik dat hij zich verzette tegen de aanhouding. Ik voelde hem kracht zetten. Ik voelde en hoorde een kraak. Dat was in de beweging naar achteren toe. Zijn rechterarm hing er bij, maar zijn agressie en verzet tegen de aanhouding ging echter onverminderd door en dat vond ik heel merkwaardig. Ik kon nergens uit afleiden dat hij wist dat zijn arm gebroken was of dat hij daar hevige pijn aan had. Ik heb toen tegen collega [D] gezegd dat ik dacht dat de arm van [verzoeker] gebroken was.
3. Ik meen mij te herinneren dat er een arts is komen kijken op het bureau en dat [verzoeker] daarna naar het ziekenhuis is vervoerd. Ik weet niet of er op enig moment onderzoek is verricht naar de vraag of hij onder invloed van middelen was ten tijde van de aanhouding.
4. [verzoeker] verzette zich tegen zijn aanhouding en was verbaal agressief. Hij heeft mij onder meer ‘kanker kale’ genoemd. Ik had op dat moment geen hoofdhaar.
5. (…)
6. (…)
7. De beweging om een arm op de rug te draaien leren wij om te gebruiken tijdens onze opleiding. Ik kan mij geen specifieke details herinneren over de wijze van instructie die ik heb gehad over deze beweging.
8. Wij zijn doorgegaan met het afboeien van [verzoeker] , omdat hij zich met zijn linkerarm bleef verzetten.”

2.20. Agent [B] heeft het volgende verklaard:

“(…)
2. Ik kan mij weinig concreets herinneren van de situatie waar het hier over gaat. Het was een rommelige en hectische situatie, in mijn beleving waren er veel mensen op straat en was het druk om ons heen.
3. Ik kan mij nu niet herinneren of de persoon die toen aangehouden werd dat lijdzaam onderging of dat hij zich verzet heeft.”

2.21. Agent [A] heeft het volgende verklaard:

“(…)
2. Ik werkte toen nog niet erg lang in Utrecht pas sinds september 2011, ik kwam uit het buitengebied. Voor mij was alles nieuw, ook het prostitutiegebied in Utrecht. Die bewuste dienst was er een conflict ontstaan tussen [verzoeker] en een prostituee. Toen ik daar aankwam, waren er volgens mij al twee of drie eenheden ter plaatse.
3. Ik kan mij herinneren dat ik toen [verzoeker] werd aangehouden in de afscherming stond, dat wil zeggen dat ik de mensen op afstand hield. Ik heb de aanhouding zelf niet gezien. Toen hij in het dienstvoertuig zat zei hij dat zijn arm pijn deed en hij vroeg mij om de boeien af te doen. Op het bureau hebben wij zijn boeien afgedaan. Ik heb toen ook aangegeven bij mijn collega’s op het bureau dat zij een arts moesten laten komen.”

3 Het geschil
3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om in dit deelgeschil voor recht te verklaren dat de Politie en Centraal Beheer volledig en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het op 15 oktober 2011 aan [verzoeker] toegebrachte letsel, en de Politie en Centraal Beheer hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, die door [verzoeker] worden begroot op € 3.495,69. 3.2. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt [verzoeker] dat de Politie, als werkgever van de agenten die hem hebben aangehouden, aansprakelijk jegens hem is op grond van het bepaalde in artikel 6:170 BW, en Centraal Beheer op grond van de in artikel 7:954 BW neergelegde directe actie van slachtoffer jegens verzekeraar. [verzoeker] wijst erop dat in artikel 7 Politiewet 2012 is bepaald dat agenten slechts geweld mogen gebruiken ingeval a) het daarmee beoogde doel dit rechtvaardigt, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, en b) dat doel niet op een andere manier kan worden bereikt. Bovendien moet aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing voorafgaan en moet het geweld in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd zijn. Volgens [verzoeker] hebben de agenten bij zijn aanhouding echter onrechtmatig en disproportioneel gehandeld, in die zin dat zij meer geweld hebben gebruikt dan nodig was en bovendien zonder voorafgaande waarschuwing.

3.3. [verzoeker] stelt verder dat hij als gevolg van de bovenarmbreuk fysieke en mentale problemen heeft gekregen, die hebben geleid tot studievertraging (hij volgt een hbo-opleiding, die hij na de bovenarmbreuk enige tijd heeft onderbroken). Daardoor kan [verzoeker] later dan verwacht op hbo-niveau gaan werken en derft hij dus inkomsten. [verzoeker] is van mening dat een vergoeding daarvoor op zijn plaats is, evenals voor zijn medische kosten (vooral fysiotherapie), zijn extra reiskosten en extra telefoon- en portokosten. Vanwege de aanhoudende fysieke en mentale herinnering aan de armbreuk is daarnaast een vergoeding van smartengeld geïndiceerd, aldus [verzoeker] , die in dat verband nog toelicht dat hij bang is geworden nog eens een botbreuk op te lopen, en daardoor ook is gestopt met het uitoefenen van zijn hobby kickboksen. De precieze omvang van de schade staat nog niet vast, maar [verzoeker] verwacht dat die groter zal zijn dan € 25.000,00.

3.4. De Politie en Centraal Beheer concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] , onder andere omdat Centraal Beheer geen rechtspersoon is, maar een handelsnaam van Achmea. Zij wijzen erop dat niet Centraal Beheer maar Achmea de drager is van de rechten en plichten uit de verzekeringsovereenkomst. Overigens concluderen de Politie en Centraal Beheer tot afwijzing van zijn verzoek, met begroting van de proceskosten op een manier die de rechtbank goeddunkt.

4 De beoordeling
ontvankelijkheid
4.1. De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure is bedoeld ter vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De beslissing door de rechter in de deelgeschilprocedure dient derhalve bij te dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, in die zin dat zijn oordeel een eventuele impasse in de onderhandelingen die tot die overeenkomst zouden moeten leiden, kan doorbreken. Voor het verkrijgen van dit rechterlijk oordeel is echter niet per definitie noodzakelijk dat partijen ook daadwerkelijk in onderhandeling zijn. In een geschil als het onderhavige is verder onderhandelen pas zinvol als partijen het eens zijn over de aansprakelijkheid. Een rechterlijk oordeel daarover kan de vereiste duidelijkheid verschaffen en aldus de ontstane patstelling doorbreken. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.

4.2. Met betrekking tot de ontvankelijkheid jegens verweerder sub 2 overweegt de rechtbank dat [verzoeker] ter zitting heeft erkend dat het verzoek gericht had moeten worden tegen Achmea in plaats van tegen Centraal Beheer. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat het dossier bij Achmea in behandeling is, dat Achmea de onderhandelingen met [verzoeker] zal hervatten als het rechterlijk oordeel in dit deelgeschil daartoe noopt, en dat verweerders zich ook niet verzetten tegen een beslissing van de rechtbank om Achmea te beschouwen als verweerder sub 2. De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen en [verzoeker] ontvankelijk verklaren jegens zowel de Politie als Centraal Beheer/Achmea.

aansprakelijkheid

4.3. Vooropgesteld wordt dat het ongewenst en vervelend is dat de rechterbovenarm van [verzoeker] is gebroken. Dat is ook door de Politie erkend. Het breken van de arm van een ander is in beginsel onrechtmatig. De feiten en omstandigheden van het concrete geval kunnen dit echter anders maken. Hier dient te worden beoordeeld of daarvan sprake was bij de aanhouding van [verzoeker] . Daarbij is van belang of de Politie onrechtmatig en disproportioneel heeft gehandeld, in die zin dat meer geweld is gebruikt dan nodig en bovendien zonder voorafgaande waarschuwing.

4.4. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan [verzoeker] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen – en bij betwisting te bewijzen – ter onderbouwing van zijn standpunt dat onrechtmatig en disproportioneel is gehandeld. De verklaringen die [verzoeker] , [E] en [F] tijdens het voorlopig getuigenverhoor hebben afgelegd, komen hierop neer dat [verzoeker] rustig was en zich niet heeft verzet tegen de aanhouding. In een dergelijke situatie zou het toegepaste geweld bij de aanhouding disproportioneel zijn. Deze verklaringen zijn echter uitgebreid gemotiveerd weersproken in de verklaringen die (met name) agent [D] en agent [C] tijdens dit voorlopig getuigenverhoor hebben afgelegd. De verklaringen van agent [D] en agent [C] zijn bovendien in lijn met de op 15 oktober 2011, direct na de aanhouding, opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, die uitgebreid de feiten en omstandigheden rond de aanhouding beschrijven, en in deze beslissing onder de feiten zijn weergegeven. De enkele, niet onderbouwde, opmerking van [verzoeker] dat de verklaringen in de processen-verbaal van bevindingen niet juist zijn, zijn onvoldoende om te kunnen oordelen dat de Politie onrechtmatig en disproportioneel zou hebben gehandeld. Uit deze verklaringen komt naar voren dat [verzoeker] recalcitrant was, schreeuwde en geen gevolg gaf aan de opdracht zich te verwijderen. Toen hij daarop werd aangehouden heeft hij zich verzet en bleef hij zich verzetten. Niet blijkt dat de agenten bij het onder controle brengen van de arm onnodig en disproportioneel hebben gehandeld. Verder blijkt uit de verklaring van [E] blijkt dat de Politie [verzoeker] , anders dan hij stelt, wel degelijk vooraf heeft gewaarschuwd: “Ik heb een politieagent tegen [verzoeker] horen zeggen dat hij niet mee naar het bureau hoefde. Wel moest hij direct weggaan. [verzoeker] was het er niet mee eens (…).” Zowel [E] als [F] heeft dit trouwens ook verklaard in mei 2012: “(…) • dat de agent [voornaam van verzoeker] wegstuurde met de woorden: “We nemen je niet mee, maar dan moet je nu weg”(Of iets in die richting. Het kwam tenminste op hetzelfde neer), • dat [voornaam van verzoeker] dit weigerde (…)”.

4.5. Het had daarom op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn standpunt in dit deelgeschil nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door de verklaringen in het geding te brengen van derden, bijvoorbeeld van de arts die hem heeft bezocht in het politiebureau, of van zijn behandelaars in het ziekenhuis, waaruit blijkt of hij op dat moment rustig en nuchter was. Dat heeft hij echter nagelaten. [verzoeker] heeft wel bewijs aangeboden door middel van de videobeelden van de aanhouding, maar daar gaat de rechtbank aan voorbij, niet alleen omdat de onderhavige procedure zich minder leent voor bewijslevering, maar ook omdat partijen de videobeelden reeds hebben bekeken tijdens het eerste door [verzoeker] aanhangig gemaakte deelgeschil, waarna [verzoeker] dit heeft ingetrokken.

4.6. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Politie bij de aanhouding van [verzoeker] onrechtmatig en disproportioneel heeft gehandeld, in die zin dat daarbij meer geweld is gebruikt dan nodig was en bovendien zonder voorafgaande waarschuwing. Als gevolg daarvan kan de aansprakelijkheid ook niet worden vastgesteld en moet het verzoek worden afgewezen.

kosten

4.7. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Hiervoor dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat de kosten van een procedure in deelgeschil in het geheel niet voor vergoeding in aanmerking komen, indien die procedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, bijvoorbeeld ingeval misbruik wordt gemaakt van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv.

4.8. De Politie en Achmea hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren en het gehanteerde tarief. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren in overeenstemming met de omvang en de complexiteit ervan. Ook het gehanteerde tarief acht de rechtbank toelaatbaar. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op het gevorderde bedrag van € 3.495,69. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1. wijst het verzoek af,

5.2. begroot de kosten van het deelgeschil, inclusief griffierechten, kantoorkosten en btw, op € 3.495,69.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.1 1
type: coll: