• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 13 oktober 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:5470
  • Zaaknummer: 301795 / HA RK 16-62

Rb, deelgeschil: manege voor 75% aansprakelijk voor letsel door val van paard

Verzoekster, destijds 14 jaar, valt tijdens paardrijles van paard, als het paard weigert over een hindernis te springen. De manege is aansprakelijk voor het opgelopen letsel ex art 6:179 jo 6:181 BW. 1. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat verzoekster vrijwillig krachtens een overeenkomst met toestemming van de eigenaar het paard heeft bereden, niet met zich brengt dat de uit artikel 6:179 BW voortvloeiende aansprakelijkheid geheel vervalt. 2. Eigen schuld. De rechtbank komt gezien de omstandigheden tot een causale weging 2/3-1/3. Na toepassing van de billijkheidscorrectie stelt de rechtbank de vergoedingsplicht van de manage op 75%. Relevante factoren zijn o.a. dat verzoekster geen ongevallenverzekering had en de manage wel een WA-verzekering en de ernst van het letsel (6% b.i.). 3. Kosten deelgeschil: € 4332,52.

ECLI:NL:RBGEL:2016:5470

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

13-10-2016

Datum publicatie

24-03-2017

Zaaknummer

301795 / HA RK 16-62

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Art. 6:179 BW. Aansprakelijkheid manege, eigen schuld berijdster. Kosten deelgeschil in relatie tot eigen schuld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

https://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=d2d7b022-26f0-4eea-83cc-6048f1df0946https://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=6939d94a-8575-4508-acd2-4b44397448a9beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rekestnummer: 301795 / HA RK 16-62

Beschikking van 13 oktober 2016

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te Haarlem,

verzoekster,

advocaat mr. R. van den Berg,

tegen

1 De vennootschap onder firma [verweerder sub 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [verweerder sub 2] ,

3. [verweerder sub 3]

beiden vennoten van verweerster sub 1,

4. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerders,

advocaat mr. B.M. Stroetinga.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerder] . worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het verzoekschrift

·        

het verweerschrift

·        

de mondelinge behandeling.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op 29 januari 1995, heeft op 31 juli 2009 op grond van een met de manege gesloten (mondelinge) overeenkomst, tegen een commercieel tarief, een paardrijles gevolgd bij [verweerder sub 1] . Tijdens deze les, waarin over hindernissen werd gesprongen, reed [verzoekster] op paard [paard] , dat eigendom is van [verweerder sub 1] . De les werd gegeven door [verweerder sub 2] -Haarhuis. Bij het springen over een van de hindernissen weigerde [paard] over de hindernis te springen. In plaats over de hindernis te springen, bewoog [paard] vlak voor de hindernis naar links. [verzoekster] is daarbij van het paard gevallen.

2.2.

Door de val van het paard heeft [verzoekster] rugletsel opgelopen.

2.3.

[verweerder sub 1] is tegen aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea.

2.4.

Op verzoek van partijen heeft dr. [orthopeed] (hierna te noemen: [orthopeed] ), orthopeed, een onafhankelijke medische expertise uitgevoerd. In het rapport van 26 maart 2013 is onder meer het volgende opgenomen:

CONCLUSIE

Betrokkene liep een corpus L1 factuur op zich concentrerend in de voorste pijler met uiteindelijk een hoogteverlies van 25% zonder secundaire aantasting van de discus T12-L1. Er resteren ondanks uitgebreide conservatieve therapie wat klachten en beperkingen. Op basis van het medisch dossier alsook de auto- en het heteroanamnese mag worden vastgesteld dat betrokkene voor het onderhavige ongeval geen enkele beperking heeft ervaren van de wervelkolom, noch bij participatie in sport, no[ch] bij arbeid. De resterende klachten en beperkingen kunnen gecorreleerd worden aan het onderhavige ongeval.”

Op de vragen heeft [orthopeed] de volgende antwoorden geformuleerd:

Antwoord 1g

“Thans ..(…)

Antwoord 2a

“Op orthopedisch (…)

Antwoord 4a

“Inderdaad is er bij betrokkene sprake van een blijvende invaliditeit op orthopedisch vakgebied. (…) Bijgevolg kan er geconcludeerd worden tot een restinvaliditeit van 6% gerekend naar de gehele persoon.”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] heeft verzocht dat de rechtbank bij beschikking, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal verklaren voor recht dat [verweerder sub 1] volledig (dus 100%), althans voor meer dan 50% aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade die [verzoekster] lijdt en in de toekomst nog zal lijden, als gevolg van haar valpartij op het aan de manege toebehorende paard [paard] tijdens de springles op 31 januari 2009, waarbij het de rechtbank vrij staat om in goede justitie een ander percentage aansprakelijkheid c.q. schulddeling toe te passen indien dat de rechtbank billijk voorkomt;

b. zal verklaren voor recht dat de beide vennoten van [verweerder sub 1] , te weten [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] volledig (dus 100%, althans voor meer dan 50% aansprakelijk zijn voor alle materiële en immateriële schade die [verzoekster] lijdt en in de toekomst nog zal lijden, als gevolg van haar valpartij op het aan de manege toebehorende paard [paard] tijdens de springles op 31 juli 2009, waarbij het de rechtbank vrij staat om in goede justitie een ander percentage aansprakelijkheid c.q. schulddeling toe te passen indien dat de rechtbank billijk voorkomt;

c. voor recht zal verklaren dat Achmea, als verzekeraar van [verweerder sub 1] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] , gehouden is overeenkomstig het door de rechtbank in het onderhavige deelgeschil vastgestelde percentage aansprakelijkheid c.q. schulddeling, de schadepenningen aan [verzoekster] uit te keren ex artikel 7:954 BW;

d. de kosten voor de behandeling van het verzoek c.q. deelgeschil zal begroten ex artikel 1019aa Rv op het bedrag zoals vermeld op de ter mondelinge behandeling overgelegde conceptdeclaratie en urenspecificatie en dit te vermeerderen met een bedrag gelijk aan het aan [verzoekster] in rekening gebrachte griffierecht dan wel een ander in goede justitie door de rechtbank te begroten bedrag;

d. [verweerder sub 1] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de kosten van het deelgeschil zoals door de rechter begroot, aan [verzoekster] te vergoeden c.q. te betalen, door overmaking op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Wolf Advocaten.

3.2.

[verzoekster] heeft in het licht van de vastgestelde feiten zakelijk weergegeven het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

De val van het paard is veroorzaakt door de eigen energie van het dier. [verzoekster] heeft door de val van het paard rugletsel opgelopen en lijdt als gevolg daarvan schade. De schade bestaat uit vermogensschade en ander nadeel. [verweerder sub 1] is als eigenaar en als bedrijfsmatig gebruiker van het paard, aansprakelijk jegens [verzoekster] . Op grond van het bepaalde in artikel 7:954 BW maakt [verzoekster] aanspraak op rechtstreekse uitkering van de verzekeringspenningen.

Op de manege rust een risico-aansprakelijkheid op grond van het bepaalde in artikel 6:181 BW. De manege gebruikte het paard immers in de uitoefening van het bedrijf. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE7010, [namen] ) zal er eerst sprake kunnen zijn van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] indien noch de manege noch [verzoekster] enige onzorgvuldigheid te verwijten valt. Daarvan is in dit geval geen sprake. De manege valt wel degelijk een verwijt te maken, aldus [verzoekster] . Zo heeft de manege [verzoekster] laten deelnemen aan een springles voor ervaren rijdsters en haar op een ongeschikt paard laten rijden. Volgens [verzoekster] volgt uit de wetgeschiedenis, literatuur en jurisprudentie dat de ernst van het letsel, de jonge leeftijd van de berijdster, de vraag of de benadeelde verzekerd was tegen de schadelijke gevolgen van het ongeval, de omstandigheid dat een commercieel tarief gevraagd wordt waarmee een verzekering kan worden betaald en het toewijzen van een ongeschikt paard, omstandigheden zijn die in ruime mate aan de bedrijfsmatige gebruiker van het dier worden toegerekend.

In dit geval heeft [verweerder sub 1] [verzoekster] mee laten rijden in een rijles voor gevorderde springruiters terwijl zij een beginner was. Voorts heeft [verweerder sub 1] paard [paard] toegewezen aan [verzoekster] . [verzoekster] heeft door het ongeval ernstig blijvend letsel opgelopen. [verzoekster] was ten tijde van het ongeval nog maar 14 jaar. [verzoekster] was niet verzekerd tegen de schadelijke gevolgen van het ongeval, terwijl [verweerder sub 1] wel een deugdelijke verzekering heeft afgesloten. De premies voor deze verzekering kunnen worden betaald uit de inkomsten die [verweerder sub 1] verwerft uit de contributie die door de deelnemers aan de lessen wordt betaald.

Een en ander leidt volgens [verzoekster] tot de conclusie dat [verweerder sub 1] voor 100%, althans voor meer dan 70% aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade.

Subsidiair heeft [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerder sub 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij heeft door haar te laten deelnemen aan een gevorderdenklas in combinatie met het toewijzen van een gevaarlijk paard onzorgvuldig gehandeld en in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Ten slotte rustte op de manege de inspanningsverplichting om er voor te zorgen dat de paardrijlessen veilig zouden verlopen en dat de aan de zorg van de manege toevertrouwde kinderen weer heelhuids thuis zouden komen. In deze verbintenis is de manege tekort gekomen, zodat eveneens sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een op de manege rustende verbintenis uit overeenkomst.

3.3.

[verweerder] . heeft verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Op de inhoud van het verweer zal, indien nodig in het navolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade geldt op grond van artikel 1019x lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) dat de rechter bevoegd is die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt.

[verweerder sub 1] is gevestigd in [plaats] en het schadetoebrengende feit heeft zich eveneens in [plaats] voorgedaan. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, is dan ook bevoegd om op het verzoek in deze deelgeschilprocedure te beslissen.

4.2.

Vraag is vervolgens of sprake is van een deelgeschil als bedoeld in de wet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1019w lid 1 Rv moet het gaan om een geschil over of in verband met een deel van hetgeen ter zake de aansprakelijkheid voor schade door dood en letsel als rechtens geldt tussen de benadeelde en degene die aansprakelijk wordt gehouden en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering van de benadeelde. In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechter het verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3.

Het verzoek leent zich naar het oordeel van de rechtbank voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Beoordeling van het verzoek ten aanzien van de verdeling van de aansprakelijkheid en de mate van eigen schuld kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.4.

In geschil is het antwoord op de vraag in welke mate [verweerder] . aansprakelijk is voor het aan [verzoekster] overkomen ongeval. Vast staat dat de val van het paard is veroorzaakt door de eigen energie van het paard, terwijl het paard door [verweerder] . bedrijfsmatig werd gebruikt. Op grond van het bepaalde in artikel 6:179 jo. 6:181 BW rust de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van het onberekenbare gedrag van een paard in beginsel op [verweerder] .

4.5.

[verweerder] . heeft aangevoerd dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] . Onderzocht zal daarom moeten worden of de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan [verzoekster] kunnen worden toegerekend. Vertrekpunt voor de beoordeling van de eigen schuld van [verzoekster] ontleent de rechtbank aan het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE7010).

“3.4 Indien degene die een paard van een ander berijdt, schade lijdt ten gevolge van onberekenbaar gedrag van het paard als door het Hof bedoeld, is het enkele feit dat de benadeelde het paard uit vrije wil berijdt en met toestemming van de eigenaar, dus krachtens overeenkomst met deze, niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat uit art. (…) 6:179 BW voortvloeiende aansprakelijkheid van de eigenaar van het paard geheel vervalt. Of en zo ja in hoeverre om die reden sprake is van een omstandigheid die in de risicosfeer van de berijder ligt en daarom aan hem moet worden toegerekend, hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval.(…)”

4.6.

Het voorgaande impliceert dat het enkele feit dat [verzoekster] vrijwillig krachtens een overeenkomst met toestemming van de eigenaar het paard heeft bereden, niet met zich brengt dat de uit artikel 6:179 BW voortvloeiende aansprakelijkheid van [verweerder] . geheel vervalt. Of er sprake is van omstandigheden die in de risicosfeer van [verzoekster] liggen, hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval. Ten aanzien van het beroep op eigen schuld ligt het op de weg van [verweerder] . om feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen die aan het beroep op eigen schuld ten grondslag liggen. Het is vervolgens aan [verzoekster] feiten en omstandigheden te stellen die toepassing van de billijkheidscorrectie in haar voordeel kunnen rechtvaardigen.

4.7.

[verweerder] . heeft in dit verband de volgende omstandigheden aangevoerd die volgens haar aan [verzoekster] zijn toe te rekenen:

– [verzoekster] heeft zelf gekozen om op paard [paard] te rijden. Dat is niet door [verweerder sub 1] voorgeschreven,

– [verzoekster] is tussen de zesde en zevende (de één-na-laatste en de laatste) hindernis steeds harder gaan rijden en heeft de instructies van [verweerder sub 2] -Haarhuis om zachter te gaan rijden genegeerd,

– [verzoekster] heeft er zelf voor gekozen om deel te nemen aan de springlessen,

– [verzoekster] was ingedeeld op haar eigen niveau en zij heeft nooit aangegeven dat zij het niveau van de groep waarin zij les kreeg te hoog voor haar vond,

– [verzoekster] heeft er voor gekozen zich zelf niet tegen schade als gevolg van een ongeval te verzekeren door middel van een ongevallenverzekering, terwijl zij dat eenvoudig had kunnen doen.

4.8.

[verzoekster] heeft de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd die enerzijds een betwisting van de stellingen van [verweerder] . inhouden en anderzijds in haar voordeel moeten worden meegewogen bij toepassing van de billijkheidscorrectie. Volgens [verzoekster] leidt dit ertoe dat [verweerder sub 1] voor 100% maar in ieder geval voor meer dan 50% aansprakelijk is:

– [verzoekster] had weliswaar ervaring met dressuur rijden maar niet met springen over hindernissen. Op het moment van het ongeval had zij ongeveer 8 à 10 springlessen gehad.

– [verzoekster] heeft niet specifiek voor springlessen gekozen; deze springlessen maakten deel uit van het pakket (4 lessen per maand, waarvan 1 springles).

– [verzoekster] heeft niet zelf voor paard [paard] gekozen. Zij mocht haar voorkeur aangeven, maar [verweerder sub 2] -Haarhuis besliste.

– [verzoekster] was al twee keer eerder tijdens de springlessen van [paard] gevallen. In beide gevallen weigerde [paard] de hindernis te nemen. [paard] stond er om bekend dat hij bij de laatste hindernis te hard ging.

– Het was bij [verweerder sub 1] gebruikelijk dat amazones tijdens de springlessen van het paard vielen. [verzoekster] durfde – onder meer onder invloed van groepsdruk – niet te zeggen dat zij niet goed durfde te springen met [paard] . Zij was van de groep ruiters het slechtst in springen.

– [verzoekster] heeft geprobeerd de aanwijzingen van [verweerder sub 2] om het paard langzamer te laten rijden op te volgen, maar dat is haar niet gelukt.

– [verzoekster] was ten tijde van het ongeval pas 14 jaar oud. Zij verdiende daarom extra bescherming.

– Er is sprake van ernstig blijvend letsel.

4.9.

Ten aanzien van de keuze van het paard heeft [verweerder sub 3] aangevoerd dat er in de groep waarin [verzoekster] reed, altijd veel verzoeken kwamen om op een bepaald paard te mogen rijden. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij in die keuze mee ging als zij de combinatie van ruiter en paard verantwoord vond. In andere gevallen werd door [verweerder sub 3] op de leslijst vermeld wie op welk paard zou rijden, maar ook in dat geval mochten cursisten met haar instemming ruilen van paard. In beide gevallen behoorde de eindbeslissing op welk paard er werd gereden dan ook bij [verweerder sub 1] . In zoverre heeft de (mogelijk eigen) keuze voor het paard [paard] dan ook niet als omstandigheid te gelden die aan [verzoekster] kan worden toegerekend.

4.10.

[verzoekster] heeft weersproken dat zij [paard] harder heeft laten rijden voor de laatste hindernis en dat zij de instructies van [verweerder sub 3] heeft genegeerd. [verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat [paard] er om bekend stond dat hij aan het eind van het parcours altijd ‘heet’ werd en harder ging lopen. Zij heeft – onweersproken – aangevoerd dat zij heeft geprobeerd [paard] zachter te laten lopen, maar dat dat haar niet lukte. [verweerder sub 3] heeft ter zitting verklaard dat zij zich enkel het laatste stukje van het ongeval nog kan herinneren. Zij heeft opgemerkt dat zij heeft geroepen dat [verzoekster] vaart moest minderen, maar zij heeft niet betwist dat [verzoekster] dat heeft geprobeerd of anderszins een verklaring gegeven op dit punt. In zoverre kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van een aan [verzoekster] toe te rekenen omstandigheid waardoor de schade mede is ontstaan. Zo is door [verweerder sub 1] niet betoogd dat [verzoekster] [paard] heeft aangespoord om harder te gaan lopen. De rechtbank zal het er dan ook voor houden dat de snelheid van [paard] voor de laatste hindernis is voortgekomen uit de eigen energie van het dier.

4.11.

[verzoekster] heeft weersproken dat zij bewust voor de springlessen had gekozen. Zij volgde springlessen, omdat deze lessen haar in een pakket met dressuurlessen werden aangeboden

In feite is deze omstandigheid voor de mate van aansprakelijkheid op zich zelf genomen niet relevant. [verzoekster] heeft immers een overeenkomst gesloten met [verweerder] . om zowel dressuurlessen als springlessen te volgen. Wel is in het kader van de causaliteit de vraag relevant of gelet op het gebrek aan ervaring van [verzoekster] met springlessen de keuze voor [paard] verantwoord is geweest. Vaststaat dat [verzoekster] twee jaar ervaring had met dressuur en buitenritten toen zij bij [verweerder sub 1] ging rijden. Qua dressuur is niet gebleken dat sprake is geweest van een groep met een te hoog niveau. Zij heeft ter zitting verklaard dat [paard] met dressuur een fijn paard was en dat ze een ‘klik’ had met [paard] . Derhalve wordt geoordeeld dat het op dit punt verantwoord was om haar op [paard] in de betreffende groep te laten rijden.

Met betrekking tot het springen gold [paard] als een enthousiast paard, hetgeen blijkt uit de informatie op de website van [verweerder sub 1] en uit verschillende verklaringen. [verzoekster] heeft verklaard dat zij eerder tijdens de springlessen van [paard] is afgegleden/gevallen. Hierop heeft [verweerder sub 3] medegedeeld dat zij zich dat niet kon herinneren, maar de stelling niet betwist. Gelet op het gebrek aan ervaring van [verzoekster] met springen en het bekende enthousiasme van [paard] met name bij het springen wordt geoordeeld dat de toedeling van [paard] bij het springen niet verantwoord was.

Dat [verzoekster] ten tijde van de springlessen niet heeft aangegeven dat zij zich niet prettig voelde of het niveau te hoog vond, kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan [verzoekster] worden toegerekend. Hierover heeft zij ter zitting verklaard dat ze niet durfde te zeggen dat ze bij springen niet graag op [paard] reed. Zij was ten tijde van het ongeval slechts veertien jaar, zodat een dergelijke assertieve houding van haar niet verwacht hoefde te worden tegenover een deskundige en ervaren manegehoudster.

Het voorgaande leidt tot een causale verdeling van 2/3 voor [verweerder] . en 1/3 voor [verzoekster] .

4.12.

In het kader van de billijkheidscorrectie heeft [verweerder] . onder meer aangevoerd dat het gebruikelijk is een ongevallenverzekering af te sluiten bij het beoefenen van gevaarlijke sporten (zoals bijvoorbeeld bij skiën). Aan [verweerder] . kan worden toegegeven dat tegenwoordig wellicht vaker een ongevallenverzekering wordt afgesloten bij het beoefenen van gevaarlijke sporten, maar [verweerder] . heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit destijds ten tijde van het ongeval (in 2009) ook het geval was. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [verweerder] . [verzoekster] bij het aangaan van de overeenkomst uitdrukkelijk op die mogelijkheid heeft gewezen. Dat betekent dat het ontbreken van een ongevallenverzekering naar het oordeel van de rechtbank geen rol speelt. Wel een rol speelt het feit dat [verweerder] . zelf is verzekerd voor deze aansprakelijkheid. Voorst slaagt het beroep van [verzoekster] op de ernst van het letsel. Vast staat dat sprake is van rugletsel en een blijvende invaliditeit van 6%.

Alle voorgaande omstandigheden in aanmerking genomen leidt dit naar het oordeel van de rechtbank ertoe dat de vergoedingsplicht van [verweerder] . moet worden vastgesteld op 75%.

4.13.

Dat betekent dat voor recht zal worden verklaard dat [verweerder sub 1] voor 75% aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële geleden en nog te lijden schade van [verzoekster] . Omdat [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] als vennoten van de vennootschap aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma, zal het verzoek jegens hen eveneens worden toegewezen met inachtneming van de hiervoor genoemde percentages.

4.14.

Op grond van artikel 7:954 BW is Achmea als verzekeraar van [verweerder sub 1] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] , gehouden op verlangen van de benadeelde, de schadepenningen aan [verzoekster] te betalen. Aangezien Achmea geen verweer heeft gevoerd tegen dit onderdeel van het verzoek, zal het worden toegewezen.

4.15.

Tot slot dienen op grond van artikel 1019aa Rv de kosten begroot te worden. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten gemaakt zijn en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is. Dat betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

4.16.

[verzoekster] heeft haar kosten begroot op een bedrag van € 7.097,68. (25 uur en 24 minuten x € 210,00 per uur, te vermeerderen met BTW, kantoorkosten en verschotten). [verweerder] . heeft verweer gevoerd tegen de opgevoerde kosten, met name ten aanzien van het aantal opgevoerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift en het bestuderen van literatuur en jurisprudentie.

Uit de urenspecificatie blijkt onder meer dat in totaal negen uur is besteed aan het aan het opstellen van het verzoekschrift, en 2 uur en 18 minuten aan het bestuderen van literatuur en jurisprudentie.

Gelet op de omvang en de moeilijkheidsgraad van het deelgeschil, komt de rechtbank het aantal opgevoerde uren, met name de uren voor het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig voor. Bovendien was door de advocaat van [verzoekster] in een eerder stadium reeds een concept-dagvaarding opgesteld, zodat daarop kon worden voortgebouwd. In redelijkheid begroot de rechtbank de kosten van de deelgeschilprocedure op 20 uur. Omdat het uurtarief van € 210,00 redelijk voorkomt, zal daarvan worden uitgegaan. Dit betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 5.334,00 (21% inclusief btw en 6% kantoorkosten). Tevens zal een bedrag van € 79,00 aan griffierecht en een bedrag van € 2,65 aan verschotten in aanmerking worden genomen.

4.17.

Ten slotte resteert de vraag of deze uit te spreken veroordeling in de kosten van het deelgeschil evenredig met de mate van eigen schuld van [verzoekster] moeten worden verminderd. [verzoekster] heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2016:912), betoogd dat het naar evenredigheid van het percentage eigen schuld verminderen van de kosten van het deelgeschil, betekent dat de drempel om een deelgeschil te starten en tot een schikking te komen wordt verhoogd, hetgeen in strijd is met het doel van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Juist voor de deelgeschilprocedure geldt dat is beoogd om aan dit bezwaar tegemoet te komen door niet het liquidatietarief te berekenen voor de proceskosten in deelgeschil, maar de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Zowel in de beoordeling van de redelijkheid van de kosten als in de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW kan op afdoende wijze met de omstandigheden van het geval rekening worden gehouden. In deze context heeft [verzoekster] haar stellingen niet geplaatst. Bovendien zijn de expertisekosten volledig door Achmea vergoed, en is de korting enkel toegepast op de kosten van de advocaat. De rechtbank zal de veroordeling van [verweerder] . in de kosten van het deelgeschil daarom evenredig verminderen met het percentage van de eigen schuld van [verzoekster] .

Een en ander betekent dat [verweerder] ., nu zij aansprakelijkheid heeft aanvaard, zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.332,52 aan kosten voor de deelgeschilprocedure.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [verweerder sub 1] voor 75% aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade die [verzoekster] lijdt en in de toekomst nog zal lijden, als gevolg van haar valpartij op het aan de manege toebehorende paard [paard] tijdens de springles op 31 januari 2009;

5.2.

verklaart voor recht dat ieder van de beide vennoten van [verweerder sub 1] , te weten [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] voor 75% aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade die [verzoekster] lijdt en in de toekomst nog zal lijden, als gevolg van haar valpartij op het aan de manege toebehorende paard [paard] tijdens de springles op 31 januari 2009;

5.3.

verklaart voor recht dat Achmea, als verzekeraar van [verweerder sub 1] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] gehouden is om overeenkomstig het in deze beschikking vastgestelde percentage aansprakelijkheid, de schadepenningen aan [verzoekster] uit te keren ex artikel 7:954 BW;

5.4.

begroot de kosten van het deelgeschil ex artikel 1019aa Rv op een bedrag van

€ 4.332,52 inclusief BTW en veroordeelt [verweerder] ., hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van deze kosten;

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.