• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 21 juli 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:3854
  • Zaaknummer: C/05/318357 / HZ RK 17-17

Rb, deelgeschil: maandelijks voorschot toegekend wegens gemiste pgb’s voor zorg voor kinderen

Verzoek om voorschot wegens verlies van arbeidsvermogen, onder meer door het missen van pgb’s. Benadeelde heeft 4 kinderen met autisme, voor wie hij vóór het ongeval de zorg had en waarvoor hij pgb’s ontving. Na het ongeval kon hij geen zorgtaken meer verrichten en ontving hij minder aan pgb’s. 1. De rechtbank stelt voorop dat het wettelijk systeem van de pgb’s met zich brengt dat de geïndiceerde zorg per definitie ‘bovengebruikelijke’ zorg betreft, hetgeen met zich brengt dat de vergoeding voor deze verrichte zorg – ook indien door een ouder verricht – moet worden aangemerkt als inkomen voor verrichte arbeid. De rechtbank oordeelt dat voldoende is dat benadeelde aannemelijk maakt dat zijn schade groter is dan de reeds verstrekte voorschotten en is nadere informatie op dit punt niet noodzakelijk. Bovendien is door de Sociale Verzekeringsbank reeds getoetst of de aan benadeelde verstrekte bedragen uit de pgb’s zijn gegrond op een met hem gesloten zorgovereenkomst en voldoen aan de afgegeven indicatie. De rechtbank veroordeelt verzekeraar om van september 2016 tot juli 2017 maandelijks een voorschot van € 2.000,00 te betalen. 2. Kosten deelgeschil: € 8.614,81.

ECLI:NL:RBGEL:2017:3854

 

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 21-07-2017
Datum publicatie01-08-2017 Zaaknummer C/05/318357 / HZ RK 17-17

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Verzoek om maandelijks voorschot voor bepaalde periode toegewezen. Verlies aan verdienvermogen van ouder door deels niet meer in staat te zijn de werkzaamheden uit te voeren in het kader van ten behoeve van de kinderen verstrekte pgb-gelden.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

  .   .beschikking

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Zutphen

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/05/318357 / HZ RK 17-17

 

 

 

 

Beschikking van 21 juli 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [naam eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. F.C. Schirmeister te Amsterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de naamloze vennootschap

 

UNIGARANT N.V.,

 

gevestigd te Hoogeveen,

 

verweerster,

 

advocaat mr. A.J.J. le Poole te Hoogeveen.

 

 

 

 

Partijen worden hierna [eiser] en Unigarant genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift

 

de brief van 9 mei 2017 van mr. Schirmeister met producties

 

de brief van 21 juni 2017 van mr. Schirmeister met een productie

 

de brief van 7 juli 2017 van mr. Le Poole met daarin de mededeling dat zij mondeling verweer zal voeren ter zitting, alsmede de punten die Unigarant in haar verweer aan de orde zal stellen

 

de mondelinge behandeling op 11 juli 2017.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

[eiser] reed op 11 augustus 2014 op zijn racefiets op het fietspad op de Doesburgseweg te Zevenaar. Een bestuurder van een bij Unigarant verzekerde auto sloeg rechtsaf en heeft [eiser] – die rechtdoor op dezelfde weg reed – daarbij geen voorrang verleend. Om een aanrijding te voorkomen heeft [eiser] hard geremd, waarbij hij twee maal over de kop is geslagen en met zijn hoofd en rug op het wegdek terecht is gekomen.

 

2.2.

[eiser] heeft door het ongeval een wond aan zijn kin opgelopen. Verder ondervond hij hoofdpijn, nek- en rugklachten en concentratiestoornissen. Uit later onderzoek is gebleken dat sprake was van een wervelfractuur ter hoogte van L1.

 

 

2.3.

Bij brief van 26 augustus 2014 heeft Unigarant aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het ongeval erkend.

 

 

2.4.

Ten tijde van het ongeval was [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam bij Stichting Iriszorg (hierna te noemen: Iriszorg) als toezichthouder voor 32 uur per week en als groepswerker voor 4 uur per week. Iriszorg is een instelling voor verslavingszorg.

 

 

2.5.

 

[eiser] was na het ongeval niet meer in staat de overeengekomen werkzaamheden bij Iriszorg te verrichten en heeft zich ziek gemeld.

 

Iriszorg heeft een passende functie voor [eiser] in het leven geroepen, in die zin dat [eiser] vanaf 1 februari 2016 voor 21 uur per week als gastheer werkt. De werkzaamheden worden door [eiser] uitgevoerd van 16.00 uur tot 23.00 uur.

 

 

 

2.6.

 

In het kader van de WIA-aanvraag heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Het UWV acht de aangepaste werkzaamheden door [eiser] bij Iriszorg niet gangbaar op de arbeidsmarkt, zodat de daaruit voor [eiser] voortvloeiende verdiensten niet kunnen dienen om de mate van arbeidsongeschiktheid op te baseren. Het UWV acht [eiser] niet geschikt voor maatgevende arbeid en heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de WIA per 10 augustus 2016 vastgesteld op 80-100%.

 

Vanaf 10 oktober 2016 ontvangt [eiser] een WIA-uitkering van € 1.145,27 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

 

 

 

2.7.

[eiser] is getrouwd en heeft vier kinderen, die allen een autisme-spectrum-stoornis hebben. Het gaat om een dochter, geboren op 4 november 1997 met het syndroom van Asperger, een zoon, geboren op 31 maart 1999 met een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO, type Multiple complex Developmental Disorder (McDD), een dochter geboren op 31 juli 2003 met klassiek autisme en een zoon geboren op 4 februari 2006 met een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO. Alle vier de kinderen hebben een persoonsgebonden budget (hierna: pgb).

 

 

2.8.

In de jaren voorafgaand aan zijn ongeval fungeerde [eiser] als zogenaamde informele zorgverlener ten behoeve van zijn kinderen. [eiser] nam onder meer de vervoerstaken voor zijn rekening. Voor de uitvoering van de zorgtaken ontving [eiser] betalingen uit de (door zijn echtgenote als budgethouder beheerde) aan zijn kinderen toegekende pgb-gelden.

 

 

2.9.

In januari 2015 hebben partijen gezamenlijk besloten een arbeidsdeskundige in te schakelen die onderzoek zou verrichten naar de schadepost verlies aan arbeidsvermogen van [eiser] . In de rapportage van Radar van 22 april 2015 is onder meer het volgende opgenomen:

 

 

 

“(…)  6. Gesprek met betrokkene

 

6.1

 

Taken van betrokkene in het kader van de pgb’s

 

Voor datum ongeval

 

Betrokkene gaf aan dat hij voor het u regarderende ongeval van 11 augustus 2014 voornamelijk belast was met de individuele begeleiding (bijvoorbeeld bij de uitoefening van hobby’s) en vervoer van alle kinderen. Als voorbeeld gaf hij aan vervoer naar de zorgboerderij en verschillende vrijetijdsbestedingen van de kinderen, zoals zwemmen, paardrijden en vissen. Ook het vervoer naar afspraken met behandelaars (bijvoorbeeld de psychiater) en de begeleiding bij deze afspraken, behoorden tot het takenpakket van betrokkene. Betrokkene springt ook in als er sprake is van calamiteiten, bijvoorbeeld op school. Van een vast gestructureerd ‘takenpakket’ is vanwege de vele ad hoc situaties geen sprake. 

 

 

 

 

Op een kalender houdt betrokkene bij wat hij in het kader van de pgb’s gedaan heeft en hoeveel uren hij daarmee kwijt was. Dat is naar zijn zeggen qua uren veel meer dan hij uiteindelijk declareert. Zijn uren zijn de ‘sluitpost’ binnen de urenverantwoording aan de Sociale Verzekeringsbank en komen op papier gemiddeld uit op 28 uur per week: omgerekend ongeveer in totaal € 3000,- per maand. 

 

 

 

 

Eerst worden alle externe partijen betaald (zoals de verschillende begeleiders en de zorgboerderij), legde de echtgenote van betrokkene uit. Wat dan nog resteert van de te besteden budgetten, wordt op naam van betrokkene gedeclareerd. 

 

(…)

 

Desgevraagd gaf betrokkene aan dat de ‘kalenderverantwoording’ volstaat voor de diverse instanties die de besteding van de pgb’s controleren. (…)

 

 

 

 

Na datum ongeval

 

Sinds 11 augustus 2014 is betrokkene naar zijn zeggen niet meer in staat om in het kader van de 4 pgb’s taken c.q. zorgfuncties te verrichten, vanwege de klachten die hij ervaart. (…)

 

Het is onmogelijk om precies aan te geven wie welke uren heeft overgenomen, omdat (zoals eerder gesteld) er geen sprake is van een vast, gestructureerd takenpakket vanwege de vele ad hoc situaties. Inzicht in de aangepaste contracten met externe zorgverleners zal slechts een indicatie geven, maar niet meer dan dat, aldus betrokkene. (…)” 

 

 

 

 

3 Het verzoek en het verweer

 

3.1.

[eiser] heeft verzocht dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

– primair: Unigarant zal veroordelen om met ingang van 1 september 2016 bij wege van voorschot maandelijks een bedrag van € 2.000,00 per maand te voldoen, tot aan het moment dat partijen een eindregeling hebben bereikt, dan wel vanaf en tot aan een zodanig moment als de rechtbank in goede justitie meent te moeten bepalen, met de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen voor zover deze niet op de eerste dag van de verschenen maand zijn voldaan, dan wel Unigarant zal veroordelen tot betaling van een voorschot als de rechtbank meent te moeten bepalen;

– subsidiair: voor recht zal verklaren dat [eiser] heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting omtrent zijn schade en dat geen sprake is van schending door hem van zijn schadebeperkingsverplichting, zodat er geen grond is voor Unigarant om de onderhandelingen thans te staken;

– Unigarant zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 5.902,09;

– Unigarant zal veroordelen in de kosten van de procedure en deze zal begroten op een bedrag van 24,5 uur à € 250,00 exclusief btw + 5% kantoorkosten, te vermeerderen met de betaalde griffierechten.

 

3.2.

 

[eiser] legt – bezien in het licht van de vastgestelde feiten – zakelijk weergegeven het volgende aan zijn verzoek ten grondslag.

 

[eiser] verzoekt de rechtbank zich uit te spreken over zijn verlies aan verdienvermogen en Unigarant te veroordelen tot het betalen van voorschotten die in overstemming zijn met de maandelijkse schade die [eiser] in dit verband lijdt.

 

In de periode voor het ongeval verleende [eiser] (meer dan) 28 uur per week zorg aan zijn kinderen waarvoor hij betaald kreeg uit de pgb’s van de kinderen. Na het ongeval is [eiser] niet meer in staat al de door hem voor het ongeval verrichte zorgtaken uit te voeren, waardoor hij minder inkomen uit de pgb’s ontvangt. [eiser] heeft Unigarant alle benodigde informatie verstrekt, waaronder de indicatiebesluiten en de fiscale aangiften en aanslagen. Tot september 2016 heeft Unigarant op grond van deze informatie een bedrag van ruim € 80.000,00 bevoorschot. Voor [eiser] is volstrekt onduidelijk op grond waarvan Unigarant vanaf dat moment is gestopt met het betalen van voorschotten. Naar de mening van [eiser] heeft Unigarant daarvoor geen goede gronden.

 

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn in redelijkheid gemaakt, terwijl ook de hoogte van de kosten redelijk zijn. Dat betekent dat Unigarant deze kosten aan hem dient te vergoeden. Hetzelfde geldt voor de kosten van het deelgeschil, zodat ook deze kosten voor vergoeding door Unigarant in aanmerking komen.

 

 

 

3.3.

 

Unigarant heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Zakelijk weergegeven heeft Unigarant daartoe het volgende aangevoerd.

 

Unigarant vindt de zaak niet geschikt om in een deelgeschil te behandelen, omdat de zaak daarvoor te complex is en er nadere bewijslevering nodig is.

 

Unigarant heeft voorts aangevoerd dat het verlies aan verdienvermogen van [eiser] met betrekking tot de pgb’s onvoldoende is onderbouwd en aangetoond. Voorts heeft Unigarant aangevoerd dat er op medisch vlak onvoldoende duidelijkheid bestaat. Verder heeft Unigarant vraagtekens geplaatst bij het feit dat er nog steeds geen nieuwe indicatiebeschikkingen van de gemeente zijn. Ten slotte heeft Unigarant aangevoerd dat de door [eiser] gemaakte berekeningen onjuist zijn.

 

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

Unigarant heeft vooreerst aangevoerd dat de zaak niet geschikt is voor een deelgeschil. De zaak is volgens haar te complex en onduidelijk. Er dient volgens Unigarant nadere bewijslevering plaats te vinden door middel van het overleggen van schriftelijke bescheiden, het horen van getuigen en het inschakelen van deskundigen. Bovendien zal de gevraagde beslissing partijen niet helpen bij de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, aldus Unigarant. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

 

 

4.2.

De vraag is of er sprake is van een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv. Op grond van dat artikel moet het gaan om een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering. In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechter het verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure dan wel, indien dat niet het geval is, of het verzoek moet worden afgewezen.

 

 

4.3.

Voor zover Unigarant heeft willen betogen dat een beslissing op een verzoek tot toekenning van een voorschot niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, wordt zij daarin door de rechtbank niet gevolgd. Uit de Parlementaire Geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade volgt dat het verzoek kan zien op vaststellingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, terwijl het ook gericht kan zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Onder deze laatste categorie, aspecten van het schaderegelingsproces, valt een beslissing over de toekenning van een (aanvullend) voorschot. De aard van de deelgeschilprocedure brengt evenwel met zich dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit stelt dus andere eisen aan de beoordeling van een verzoek over een (aanvullend) voorschot dan indien een voorschot in kort geding of provisionele eis in een bodemprocedure zou worden gevorderd (waarin alsdan voorlopige oordelen worden geformuleerd). Dit betekent dat op basis van de thans in het geding gebrachte stukken vastgesteld moet kunnen worden dat [eiser] een aanspraak heeft op schadevergoeding ter zake van verschenen schade die de reeds door Unigarant betaalde voorschotten overstijgt. In zoverre leent de zaak zich voor behandeling in deelgeschil.

 

 

4.4.

[eiser] heeft gesteld dat zijn schade groter is dan de tot nu toe door Unigarant betaalde voorschotten. [eiser] heeft bij zijn verzoekschrift een schadestaat overgelegd. Hij heeft zijn totale schade tot 11 mei 2017 becijferd op een bedrag van € 120.888,26. Unigarant heeft de schadeposten met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen uit de pgb’s betwist.

 

 

4.4.1.

 

Bij de beoordeling van het verzoek met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen stelt de rechtbank het volgende voorop. De vraag of [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zo’n vergelijking komt het aan op een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen. Daarbij geldt tevens dat aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van schade wegens het derven van arbeidsinkomsten die hij in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan, in dit geval, [eiser] de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

 

Bij de vaststelling van het hypothetische inkomen moet dus een inschatting worden gemaakt van goede en kwade kansen over hoe de toekomst er uit zou hebben gezien indien het ongeval niet zou zijn gebeurd. Hoewel er dus geen strenge eisen mogen worden gesteld ten aanzien van het bewijs, moet het standpunt van [eiser] op dit onderdeel wel voldoende aannemelijk zijn. In dit kader geldt veelal als aanknopingspunt de situatie zoals die feitelijk was op het moment van het ongeval. Partijen verschillen van mening over het peiljaar voor de vaststelling van het inkomen van [eiser] voor het ongeval. [eiser] maakt bezwaar tegen het door Unigarant gekozen peiljaar 2013, omdat hij in dat jaar in verband met ziekte van zijn vrouw zorgverlof heeft opgenomen, waardoor zijn inkomen lager dan gebruikelijk was. [eiser] heeft de voorkeur uitgesproken om 2012 als peiljaar te nemen. Het komt de rechtbank geraden voor om bij de beoordeling van het verzoek uit te gaan van het gemiddelde inkomen van [eiser] in de drie aan het ongeval voorafgaande jaren (2011, 2012 en 2013).

 

 

 

4.4.2.

 

Ten aanzien van het verlies aan verdienvermogen met betrekking tot Iriszorg bestaat tussen partijen geen discussie. Volgens de voorlopige schadestaat van [eiser] beloopt deze schade vanaf het ongeval tot 11 mei 2017 een bedrag van € 10.186,86, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

 

De discussie tussen partijen betreft het verlies aan verdienvermogen ten aanzien van de zorgtaken die [eiser] ten behoeve van zijn kinderen verrichtte en waarvoor hij werd betaald uit de aan zijn kinderen toegekende pgb’s.

 

De rechtbank stelt – voor zover op dit punt tussen partijen discussie mocht bestaan – in dit verband het volgende voorop. Het wettelijk systeem van de persoonsgebonden budgetten brengt met zich dat de in de besluiten vastgestelde geïndiceerde zorg (waaronder individuele begeleiding en vervoer) per definitie ‘bovengebruikelijke’ zorg betreft, hetgeen met zich brengt dat de vergoeding voor deze verrichte zorg – ook indien door een ouder verricht – moet worden aangemerkt als inkomen voor verrichte arbeid. De geïndiceerde zorg is daarmee altijd zorg die uitgaat boven de gebruikelijke zorg die van een ouder mag worden verwacht.

 

 

 

4.4.3.

Op de belastingaangiften/fiscale rapporten over de jaren 2011 tot en met 2016 die in het geding zijn gebracht, is te zien welk inkomen [eiser] jaarlijks uit de pgb’s van zijn kinderen ontving. Hieruit valt ten opzichte van de jaren voor het ongeval in 2014 een aanzienlijke achteruitgang in inkomen af te leiden. Over de jaren 2011 tot en met 2013 ontving [eiser] gemiddeld een bedrag van € 40.945,00 bruto per jaar. In 2015 was dit een bedrag van € 19.274 bruto en in 2016 een bedrag van € 20.060,00 bruto. Unigarant heeft ten aanzien van de door [eiser] op basis van deze belastingaangiften gemaakte berekeningen aangevoerd dat die niet juist zijn omdat de vrijstellingen niet zijn meegenomen. Unigarant heeft nagelaten te stellen op welke vrijstellingen zij het oog heeft. Voorts is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onduidelijk wat het effect op de berekening van de inkomensachteruitgang zou zijn, indien de door Unigarant bedoelde vrijstellingen wél in de berekening zouden zijn betrokken. Aan dit bezwaar gaat de rechtbank dan ook voorbij.

 

 

4.4.4.

Unigarant heeft de stelling van [eiser] in twijfel getrokken dat hij voor het ongeval 28 uur per week zorgtaken verrichtte die voor vergoeding uit de pgb’s in aanmerking kwamen. Unigarant heeft de uitleg die hiervoor door [eiser] is gegeven echter niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. [eiser] heeft immers aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden bij Iriszorg met name ’s nachts verrichtte. Bij thuiskomst om zeven uur in de ochtend, hielp hij met het ochtendritueel totdat de kinderen naar school waren om dan vervolgens van half negen tot drie uur te slapen. Als de kinderen ’s middags uit school kwamen, kon hij zijn zorgtaken weer oppakken, aldus [eiser] . Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het welhaast onmogelijk was (hetgeen Unigarant suggereert) dat [eiser] naast het werk bij Iriszorg 28 uur per week aan zorgtaken voor zijn kinderen besteedde.

 

 

4.4.5.

Unigarant heeft voorts aangevoerd dat het niet uitgesloten is dat de teruggang na het ongeval in pgb-inkomen van [eiser] het gevolg is van de invoering van de Wet langdurige zorg en/of dat andere factoren hierop van invloed zijn geweest. Niet valt in te zien op grond waarvan de invoering van de Wet langdurige zorg van invloed is geweest op de inkomensteruggang van [eiser] in de periode na het ongeval tot heden. Vast staat immers dat de pgb’s van de kinderen zijn gebaseerd op de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en dat steeds ambtelijke verlengingen hebben plaatsgevonden van de onder de AWBZ geldende indicaties, omdat de gemeente Doetinchem met betrekking tot de kinderen van [eiser] tot op heden geen nieuwe indicaties heeft afgegeven. De invoering van nieuwe wetgeving kan aldus tot op heden geen invloed hebben gehad op de inkomensteruggang van [eiser] . Ten aanzien van mogelijke andere factoren waarover Unigarant rept, heeft zij geen concrete stellingen ingenomen, zodat dit verweer als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen.

 

 

4.4.6.

 

Unigarant heeft voorts aangevoerd dat aan haar geen inzicht wordt gegeven in de urenverantwoording. Zij wil weten wat er is gedaan, door wie en waar. Voor zover Unigarant hiermee heeft willen betogen dat zij de zorgovereenkomsten van de overige zorgaanbieders (naast of in plaats van [eiser] ) wil zien, heeft Unigarant niet aangevoerd op grond waarvan de zorgovereenkomsten met de overige zorgaanbieders relevant zijn voor de beoordeling van de vraag hoeveel inkomen [eiser] na het ongeval feitelijk uit de pgb’s genereert en hoeveel inkomen hij uit de pgb’s had kunnen genereren in de hypothetische situatie dat het ongeval niet had plaatsgevonden.

 

Ten aanzien van de urenverantwoording overweegt de rechtbank het volgende. In het rapport van Radar valt te lezen dat [eiser] zijn uren bijhield op een kalender. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat er loonstroken zijn waarop te zien is hoeveel pgb-inkomen hij heeft gegenereerd. In het kader van de schaderegeling komt het de rechtbank geraden voor dat [eiser] inzage verleent in zijn administratie op dit punt. Ter zitting heeft [eiser] in dat verband aan Unigarant het aanbod gedaan tot inzage in de pgb-administratie.

 

Zoals reeds is overwogen, is voor de beoordeling van het thans voorliggende verzoek voldoende dat [eiser] aannemelijk maakt dat zijn schade groter is dan de reeds verstrekte voorschotten en is nadere informatie op dit punt niet noodzakelijk. Bovendien is door de Sociale Verzekeringsbank reeds getoetst of de aan [eiser] verstrekte bedragen uit de pgb’s zijn gegrond op een met hem gesloten zorgovereenkomst en voldoen aan de afgegeven indicatie.

 

 

 

4.4.7.

 

Unigarant heeft voorts nog vraagtekens gezet bij het feit dat er een bedrag van € 10.148,00 aan pgb-gelden moest worden terugbetaald. Unigarant heeft daarbij opgemerkt dat een verlaging van de pgb’s niet als verlies aan verdienvermogen van [eiser] kan worden aangemerkt. Ter zitting heeft [eiser] over de terugbetaling van het bedrag van € 10.148,00 een adequate verklaring afgelegd, inhoudende dat dit te maken had met het feit dat in de eerste maanden na het ongeval een aantal vaste mensen voor het gezin heeft gewerkt, die uit de pgb’s konden worden betaald. Alle overige taken die door [eiser] niet konden worden verricht, zijn opgevangen door vrienden en familieleden. Omdat met deze laatstgenoemden geen zorgovereenkomsten zijn gesloten, konden zij niet uit de pgb’s worden betaald en moesten deze pgb-gelden worden terugbetaald. Unigarant heeft deze toelichting niet weersproken, zodat de rechtbank het ervoor zal houden dat de terugbetaling van de pgb-gelden niet kan worden aangemerkt als verlaging van de pgb’s.

 

 

 

4.4.8.

 

Unigarant heeft voorts nog gesteld dat uit de belastingaangiftes volgt dat de voor aftrek in aanmerking komende bedragen “reiskosten ivm verzorging” na het ongeval niet zijn afgenomen. Kennelijk verbindt Unigarant hieraan de conclusie dat [eiser] – nu zijn zorgtaken voornamelijk zagen op het vervoeren van de kinderen – na het ongeval evenveel taken heeft verricht als voor het ongeval, althans dat van een achteruitgang geen sprake is, waardoor van een inkomensverlies evenmin sprake zou zijn.

 

Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat bij een nacontrole door de belastingdienst is gebleken dat dat hij over de jaren 2014 en 2015 een te laag bedrag per kilometer had berekend. Dat heeft geleid tot een nabetaling van de belastingdienst, waardoor de bedragen van 2014 en 2015 hoger uitkomen. Unigarant heeft deze, door de rechtbank aannemelijk geachte, toelichting niet weersproken, zodat aan hetgeen Unigarant in dit verband heeft aangevoerd verder zal worden voorbij gegaan.

 

 

 

4.4.9.

Overige oorzaken die een achteruitgang van inkomen zouden kunnen verklaren na het ongeval, zijn door Unigarant niet gesteld en evenmin gebleken. Daarbij komt dat ten aanzien van de werkzaamheden bij Iriszorg als onweersproken vast staat dat [eiser] zijn eigen werkzaamheden ten gevolge van het ongeval niet meer kan uitvoeren, hetgeen met zich brengt dat het evenzeer aannemelijk is dat [eiser] zijn zorgtaken in het kader van de pgb’s niet meer onverkort kan uitoefenen.

 

 

4.5.

 

Vaststaat dat Unigarant op 5 augustus 2016 een laatste voorschot van € 5.000,00 aan [eiser] heeft betaald. Vanaf september 2016 is Unigarant opgehouden te bevoorschotten, volgens haar eigen verklaring vanwege het uitblijven van een nieuwe pgb-indicatiestelling en de verwachting dat op basis van die nieuwe indicatie de aanspraak van de kinderen [eiser] – en daarmee het potentiële inkomen van [eiser] – zou verminderen. Bij het bekend worden van de nieuwe pgb-indicaties zou Unigarant bereid zijn de bevoorschotting te hervatten, zo heeft zij in een eerder stadium jegens [eiser] alsook ter zitting verklaard.

 

Zoals hiervoor reeds is overwogen zal de rechtbank in het kader van dit deelgeschil beoordelen of in de periode van 1 september 2016 tot en met 31 juli 2017 recht op een nader voorschot bestaat.

 

Ten aanzien van Iriszorg heeft [eiser] gesteld dat zijn inkomensachteruitgang van 16 augustus 2016 tot 10 oktober 2016 € 424,78 netto per maand bedraagt en van 10 oktober 2016 tot heden een bedrag van € 470,41 netto per maand, hetgeen door Unigarant niet is betwist. Ten aanzien van de pgb’s volgt uit hetgeen in rechtsoverweging 4.4.3 is overwogen, dat het verlies aan verdienvermogen een bedrag van € 1.773,17 per maand bedraagt. Dat de inkomensachteruitgang vanaf 1 september 2016 per maand minimaal € 2.000,00 bedraagt, is daarmee komen vast te staan.

 

De stelling van Unigarant dat het voor 1 september 2016 reeds bevoorschotte totaalbedrag van € 87.500,00 mede ziet op het verlies aan verdienvermogen van zowel Iriszorg als pgb over de hiervoor bedoelde periode, is door haar onvoldoende geconcretiseerd onderbouwd en de rechtbank evenmin anderszins gebleken. Van Unigarant mag immers verwacht worden dat zij duidelijk maakt op welke momenten, welke bedragen ter zake waarvan zijn uitbetaald, te meer omdat Unigarant daarbij de stelling inneemt dat het verlies aan verdienvermogen voor de periode van 1 september 2016 tot en met 31 juli 2017 reeds is bevoorschot. Daar komt nog bij dat het de rechtbank ambtshalve bekend dat in het bedrag van € 87.500,00 in ieder geval een bedrag van € 13.025,21 aan buitengerechtelijke kosten is begrepen.

 

De rechtbank zal Unigarant veroordelen tot betaling van een voorschot van € 2.000,00 per maand vanaf 1 september 2016 tot en met 31 juli 2017. De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen is niet weersproken en zal als op de wet gegrond worden toegewezen, zoals in het dictum vermeld.

 

 

 

4.6.

[eiser] heeft subsidiair een verklaring voor recht verzocht. Gelet op het feit dat het primaire verzoek van [eiser] zal worden toegewezen, wordt aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek niet meer toegekomen.

 

 

4.7.

[eiser] heeft verzocht Unigarant te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.902,09. Unigarant heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van deze kosten. Het verzoek van [eiser] zal – als op de wet gegrond – worden toegewezen.

 

 

4.8.

 

Op grond van artikel 1019aa Rv dienen de kosten van het deelgeschil begroot te worden. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten gemaakt zijn en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is.

[eiser] heeft verzocht Unigarant te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. [eiser] heeft deze kosten begroot op een bedrag van € 7.781,81 (24,5 uur x € 250,00 + 5% kantoorkosten en 21% btw), alsmede een bedrag van € 833,00 aan griffierecht.

 

Unigarant heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het aantal uren of de hoogte van het tarief. De rechtbank acht het aantal uren gelet op de complexiteit en de omvang van het dossier redelijk, hetgeen evenzeer geldt voor de hoogte van het uurtarief. De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil dan ook begroten op een bedrag van € 8.614,81 (€ 7.781,81 + € 883,00 aan griffierecht)

 

Omdat Unigarant aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het ongeval heeft erkend, zal Unigarant tevens worden veroordeeld tot betaling van deze kosten aan [eiser] .

 

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

veroordeelt Unigarant om met ingang van 1 september 2016 bij wege van voorschot maandelijks aan [eiser] een bedrag van € 2.000,00 te voldoen tot en met 31 juli 2017, vermeerderd met de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen voor zover deze niet op de eerste dag van de verschenen maand zijn voldaan,

 

 

5.2.

veroordeelt Unigarant tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 5.902,09,

 

 

5.3.

begroot de kosten van dit deelgeschil op een bedrag van € 8.614,81 en veroordeelt Unigarant tot betaling van dit bedrag aan [eiser] ,

 

 

5.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.

 

 

 

 

mt/mk/st