• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Overijssel
  • 25 oktober 2016
  • ECLI:NL:RBOVE:2016:4149
  • Zaaknummer: 5101211 HA VERZ 16-72

Rb, deelgeschil: instructie niet in vreemde taal, werkgever aansprakelijk voor arbeidsongeval

Hongaarse uitzendkracht heeft bij werkzaamheden op de slachtbaan van slachterij letsel opgelopen. 1. De kantonrechter gaat aan de betwisting van de ongevalstoedracht voorbij. Het had op de weg van de werkgever gelegen concreet te maken dat er sprake is van een andere toedracht. 2. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet heeft voldaan aan haar zorgplicht. Uit de toepasselijke richtlijnen in samenhang met art. 7:658 BW volgt dat op werkgever niet alleen de verplichting rust om te zorgen voor een veilige werkplek (inclusief geschikte noodstopvoorziening en beschermingsmiddelen) maar ook dat haar werknemers, met inbegrip van tijdelijke arbeidskrachten, voldoende zijn geïnstrueerd. De voorlichting dient goed afgestemd te zijn op de doelgroep en dus ook geschikt voor medewerkers die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Zo nodig dient de voorlichting en instructie in een vreemde taal te geschieden. Dat werkgever aan deze verplichtingen heeft voldaan is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. 3. Kosten deelgeschil: € 5.121,66.

ECLI:NL:RBOVE:2016:4149

 

Instantie Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak 25-10-2016

Datum publicatie 28-10-2016

Zaaknummer 5101211 HA VERZ 16-72

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Verweerder & zn. als werkgever van verzoeker heeft niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval dat verzoeker is overkomen. Verweerder & zn. is derhalve gehouden de dientengevolge door verzoeker geleden en nog te lijden schade te vergoeden

VindplaatsenRechtspraak.nl

AR-Updates.nl 2016-1209

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

RECHTBANK OVERIJSSEL

 

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Zwolle

 

 

 

Zaaknummer : 5101211 HA VERZ 16-72

 

 

 

 

Beschikking van de kantonrechter van 25 oktober 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [verzoeker] ,

 

wonende te Deventer, doch feitelijk verblijvende te Magyar út 36, 3922 [plaats 1] ,

 

verzoekende partij, verder te noemen [verzoeker] ,

 

gemachtigde: mr. S. van der Linden, advocaat, toegevoegd d.d. 6 augustus 2015 onder nummer 2FC0702,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de besloten vennootschap

 

 [verweerders & zn] ,

 

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,

 

verwerende partij, verder te noemen [verweerders & zn] ,

 

gemachtigde: mr. M. van der Bent, advocaat.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend – ontvangen op 25 mei 2016 – ingevolge artikel 1019w Rv. Bij brief van 14 juni 2016 heeft [verzoeker] het verzoekschrift aangevuld.

 

 

1.2.

[verweerders & zn] heeft een verweerschrift ingediend, ontvangen op 5 september 2016.

 

 

1.3.

Bij brief van 8 september 2016 heeft [verzoeker] een aanvullende productie in het geding gebracht.

 

 

1.4.

Het verzoek is behandeld op 13 september 2016.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

[verzoeker] is op 2 september 2013 bij Oranje Personeelsdiensten in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden. Na afloop van de overeenkomst is [verzoeker] zijn werkzaamheden blijven verrichten. Aanvankelijk werd hij uitgeleend aan een bedrijf te Epe (Gosschalk) waar hij zich bezig hield met het verpakken en vacuüm trekken van vleesproducten.

 

2.2.

Oranje Personeelsdiensten heeft [verzoeker] medio februari 2015 bericht dat hij zou worden uitgeleend aan [verweerders & zn] [verzoeker] is verzocht een nieuwe arbeidsovereenkomst te tekenen met Invicta B.V.

 

2.3.

[verweerders & zn] is een vleesverwerkingsbedrijf waar ook zelfstandig runderen worden geslacht.

 

 

2.4.

In eerste instantie heeft [verzoeker] bij [verweerders & zn] dezelfde werkzaamheden verricht als hij voorheen bij Gosschalk uitvoerde. Op enig moment is [verzoeker] ook werkzaamheden gaan uitoefenen op de slachtbaan.

 

2.5.

Op 8 april 2015 is [verzoeker] een bedrijfsongeval overkomen op de slachtbaan waardoor hij letsel aan zijn linkerarm heeft opgelopen. [verzoeker] is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. De behandelend chirurg B.S.A. Schwencke-König rapporteert hierover in zijn brief van 31 augustus 2015:

 

“Sinds 08-04-2015 zie ik bovengenoemde patiënt wegens een diepe verwoning van de linker onderarm. Hij kwam op de Eerste Hulp nadat een gebruikt slagersmes diep is ingeschoten in de linker onderarm, waardoor zenuwletsel.

 

Diezelfde avond werd patiënt geopereerd, waarbij de nervus ulnaris middels loupevergroting werd gehecht. Daarnaast heeft hij ook een prik gehad in de arteria ulnaris. Ook dit kon met loupe vergroting worden gehecht.”

 

Tot op heden ervaart [verzoeker] (pijn)klachten. Er is nog geen sprake van een medische eindtoestand.

 

 

 

2.6.

Bij brief van 10 augustus 2015 heeft (de advocaat van) [verzoeker] zowel Invicta, formeel werkgever, als [verweerders & zn] , materieel werkgever, aansprakelijk gesteld voor het bedrijfsongeval. Invicta bleek niet verzekerd te zijn voor aansprakelijkheid. [verweerders & zn] heeft de aansprakelijkstelling overhandigd aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar Goudse Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Goudse).

 

 

2.7.

In opdracht van Goudse heeft de heer [A] van GRM Expertises een onderzoek verricht naar de toedracht van het ongeval. De uitkomst van dit onderzoek is neergelegd in een rapportage van 31 maart 2016. In de rapportage is onder de situatiebeschrijving onder meer het volgende opgenomen:

 

“Het voorval geschiedde in de positie waarbij de borst moest worden doorgezaagd. Betrokkene heeft het borstbeen met de hydraulische zaag van boven naar beneden doorgezaagd. Daarvoor maakte hij eerst een inkeping met het mes. Toen is de slokdarm doorgesneden om het bloed te laten wegvloeien en zijn de afgeknipte poten schoongemaakt. Er zat bij het rund een abces aan een voorpoot. Op het moment dat betrokkene dat probeerde weg te snijden, bewoog de transportbaan weer om het rund automatisch verder te transporteren. Op dat moment heeft hij zich in de linker onderarm gesneden.

 

De heer [verzoeker] deed die werkzaamheden op het moment van het ongeval vanaf week 11 van het jaar 2015. Het voorval gebeurde in week 15 van hetzelfde jaar.

 

Op het zaagbordes, waar de heer [verzoeker] stond, is een stopknop aanwezig. Die knop kan desgewenst door de medewerker in werking worden gesteld. Hij kan de knop ook gebruiken als er extra tijd nodig is. Mocht er sprake zijn van materiaalpech, dan kan dat worden gemeld aan de voorman in de slachtbaan. Vanwege het defect kan de stopknop worden gebruikt. Het transport gaat pas weer lopen als de medewerker of de voorman de baan heeft vrijgegeven. De heer [verzoeker] blijkt geen gebruik te hebben gemaakt van de stopknop.”

 

 

2.8.

Per e-mailbericht van 28 april 2016 heeft Goudse aansprakelijkheid afgewezen.

 

2.9.

Het ongeval is pas in latere instantie is gemeld bij de arbeidsinspectie. De bevindingen van de arbeidsinspectie zijn thans nog niet bekend.

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

 

[verzoeker] verzoekt:

 

  1. voor recht te verklaren dat [verweerders & zn] aansprakelijk gehouden moet worden voor de door het litigieuze ongeval bij [verzoeker] berokkende materiële en immateriële schade,

 

  1. [verweerders & zn] te veroordelen in de volledige kosten van de onderhavige procedure,

 

III. de vorderingen onder I en II uitvoerbaar bij voorraad te bepalen.

 

 

 

3.2.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek gesteld dat [verweerders & zn] op grond van artikel 7:658 jo 7:611 jo 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van het ongeval op 8 april 2015 heeft geleden omdat [verweerders & zn] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. [verzoeker] heeft daartoe gesteld dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft en de Nederlandse taal niet machtig is. Zonder enige opleiding of ervaring op het gebied van slachten en zonder noemenswaardige instructie is hij door [verweerders & zn] tewerkgesteld op de slachtbaan. Meer in het bijzonder heeft [verzoeker] geen mesvaardigheidstraining en geen veiligheids- of werkinstructies gehad voor het gebruik van een mes op de werkplaats. Evenmin heeft hij uitleg gehad over het bestaan en de wijze van gebruik van de stopknop.

 

 

3.3.

[verweerders & zn] voert als verweer dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] . Daartoe betwist [verweerders & zn] de gestelde ongevalstoedracht en stelt zij aan haar zorgplicht te hebben voldaan. Volgens [verweerders & zn] beschikte [verzoeker] over ruime en relevante ervaring alvorens hij werkzaamheden op de slachtbaan is gaan verrichten. Ten tijde van het ongeval had hij inmiddels ruime ervaring opgedaan met een vleesmes, dat hij ook dagelijks sleep. [verzoeker] is door een (Poolse) collega op de slachtbaan voorgedaan wat hij op de voor hem bestemde positie moest doen. Het betrof de eenvoudigste en lichtste werkzaamheden die op de slachtbaan worden uitgevoerd. [verzoeker] had zijn eigen beschermde werkplek, beschikte over beschermingsmiddelen en hoefde niet onder druk te werken. Op de werkzaamheden van [verzoeker] werd dagelijks toezicht gehouden, zoals op alle werknemers in de slachthal werd toegezien, en [verzoeker] heeft laten zien dat hij de werkzaamheden beheerste. Dat sprake was van een abces aan een voorpoot betwist [verweerders & zn] In ieder geval was het niet de taak van [verzoeker] om een abces weg te snijden en heeft hij daarvoor geen instructie gehad. De stopknop was duidelijk aanwezig pal achter het bordes waar [verzoeker] op stond. Er is altijd de mogelijkheid om de transportbaan stop te zetten en dat is [verzoeker] ook duidelijk gemaakt door de (Poolse) collega die hem de werkzaamheden heeft geleerd.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

[verzoeker] is ontvankelijk in zijn verzoek. [verweerders & zn] heeft op dit punt ook geen verweer gevoerd.

 

 

4.2.

Daarmee komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. De vraag die moet worden beantwoord is of [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden en in het verlengde daarvan of [verweerders & zn] gehouden is die schade te vergoeden. Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

 

 

4.3.

Op basis van de hiervoor onder 2 vermelde feiten, meer in het bijzonder de specialistenbrief van 31 augustus 2015 en de situatiebeschrijving van GRM Expertises, concludeert de kantonrechter dat [verzoeker] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden op 8 april 2015 een bedrijfsongeval is overkomen. Aan de betwisting van [verweerders & zn] van de ongevalstoedracht gaat de kantonrechter voorbij. Het had op de weg van [verweerders & zn] gelegen concreet te maken dat er sprake is van een andere ongevalstoedracht c.q. oorzaak voor het letsel/de klachten van [verzoeker] , hetgeen zij heeft nagelaten. [verweerders & zn] heeft de door [verzoeker] gestelde ongevalstoedracht aldus onvoldoende gemotiveerd betwist. Voor zover [verzoeker] zou zijn afgeweken van de werkzaamheden die hem zijn opgedragen, voegt de kantonrechter hier nog aan toe dat dit in beginsel niet tot gevolg heeft dat moet worden geoordeeld dat de schade niet is geleden bij de uitoefening van het werk.

 

 

4.4.

Nu gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] , staat de kantonrechter vervolgens voor de vraag of [verweerders & zn] aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

 

 

4.5.

In artikel 56 van de ten tijde van het ongeval toepasselijke Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Vleessector is bepaald:

 

 

 

“In de vleessector is door sociale partners een Arbocatalogus afgesproken over arbeidsomstandigheden in de brede zin en onderwerpen Machineveiligheid, Mesveiligheid en RSI en werkdruk in het bijzonder. De onderwerpen zijn uitgewerkt in richtlijnen en arbeidsomstandigheden in brede zin zijn uitgewerkt in goede praktijken. De Arbocatalogus is goedgekeurd door de Arbeidsinspectie en is terug te vinden op www.arbocatalogus-vlees.nl. Er is een branche RIE ontwikkeld, welke eveneens terug te vinden is op www.arbocatalogus-vlees.nl. (…)”

 

 

 

 

Op de genoemde website wordt een overzicht gegeven van alle toepasselijke in de sector afgesproken richtlijnen, waaronder de richtlijn inzake “Mesveiligheid/Messen”.

 

 

 

 

Voorts zijn van belang die richtlijnen die de arbeidsinspectie heeft uitgevaardigd, te weten de handleiding “Taal en veiligheidsrisico’s” die geldt naast de handleiding “Voorlichting en onderricht” en de handleiding “Uitzendkrachten”.

 

 

 

 

In de risico-inventarisatie en evaluatie van [verweerders & zn] d.d. 4 november 2014 zijn de afspraken zoals neergelegd in genoemde richtlijnen onderkend.

 

 

 

4.6.

Uit de richtlijnen in samenhang met artikel 7:658 BW volgt dat op [verweerders & zn] niet alleen de verplichting rust om te zorgen voor een veilige werkplek (inclusief geschikte noodstopvoorziening en beschermingsmiddelen) maar ook dat haar werknemers, met inbegrip van uitzendkrachten en tijdelijke arbeidskrachten, voldoende zijn geïnstrueerd en getraind in mesvaardigheid alsmede voldoende zijn voorgelicht omtrent veilig werken met messen. Bij die voorlichting gaat het om onderwerpen als: mesvaardigheid afgestemd op werkpositie, mesgebruik bij verplaatsingen, slijpen en onderhoud van messen, gevaren bij mesgebruik, verplicht gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en overige werkvoorschriften. De voorlichting, instructie en begeleiding op het gebied van arbeidsomstandigheden dient goed afgestemd te zijn op de doelgroep en dus ook geschikt voor medewerkers die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Zo nodig dient de voorlichting en instructie in een vreemde taal te geschieden. Dat [verweerders & zn] aan deze verplichtingen heeft voldaan is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. Het moge zo zijn dat de arbeidsplaats voldoet aan de veiligheidseisen die daarvoor in genoemde richtlijnen zijn gesteld, dat [verweerders & zn] gelet op de aard van de werkzaamheden heeft kunnen volstaan met een “training on the job” en dat [verzoeker] heeft laten zien dat hij die werkzaamheden beheerste, dat [verzoeker] voldoende is voorgelicht over veilig werken met een mes afgestemd op de door hem uit te voeren werkzaamheden op de slachtbaan en rekening houdend met de bestaande taalbarrière is de kantonrechter niet gebleken. Voor zover in de stellingen van [verweerders & zn] ligt besloten dat het ontbreken van die voorlichting noch de taalbarrière causaal is geweest voor het uitschieten van het mes, volgt de kantonrechter [verweerders & zn] daarin niet. Niet uit te sluiten valt immers dat als [verzoeker] een veiligheids- en/of werkinstructie voor het gebruik van het mes zou hebben gehad, toegesneden op zijn werkzaamheden aan de lopende transportbaan en in een voor hem begrijpelijke taal, het ongeval niet zou zijn voorgevallen. Met betrekking tot de vraag of [verzoeker] instructie heeft ontvangen over het al dan niet wegsnijden van aan runderen voorkomende abcessen en over het gebruik van de stopknop wordt geoordeeld dat die vraag in het midden kan blijven, nu een eventuele mondelinge instructie afkomstig van een Poolse medewerker in het geval van [verzoeker] , die de Hongaarse nationaliteit heeft en de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, als ontoereikend moet worden beschouwd.

 

 

4.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verweerders & zn] als werkgever van [verzoeker] niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval dat [verzoeker] is overkomen. [verweerders & zn] is derhalve gehouden de dientengevolge door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade te vergoeden. De kantonrechter zal de verzochte verklaring voor recht toewijzen.

 

 

4.8.

De kantonrechter zal bepalen dat de volledige proceskosten van [verzoeker] voor rekening van [verweerders & zn] komen en zal deze ook begroten. Nu aansprakelijkheid van [verweerders & zn] is komen vast te staan, zal de kantonrechter [verweerders & zn] bovendien veroordelen tot betaling van de proceskosten aan [verzoeker] .

 

 

4.9.

 

[verweerders & zn] heeft zich niet verzet tegen het door [verzoeker] gestelde bedrag aan salaris advocaat (een bedrag van € 5.042,66 incl. BTW). Het honorarium komt de kantonrechter gelet op de uitgevoerde werkzaamheden zoals vermeld op productie 4 die bij brief van

 

8 september 2016 door [verzoeker] in het geding is gebracht niet onredelijk voor. De kantonrechter zal dit bedrag daarom overnemen. [verweerders & zn] zal ook worden veroordeeld in het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 79,00. Uit een en ander volgt dat de totale proceskosten van [verzoeker] worden begroot op het bedrag van € 5.121,66.

 

 

 

4.10.

[verzoeker] heeft verzocht dat de verklaring voor recht en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De kantonrechter ziet hiervoor geen aanleiding omdat een verklaring voor recht niet vatbaar is voor een uitvoerbaar bij voorraad verklaring en omdat tegen een beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil geen hogere voorziening openstaat (artikel 1019bb Rv) en het verzoek om vergoeding van proceskosten ook geen geschilpunt is betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen (1019cc Rv).

 

 

 

5 De beslissing

 

5.1.

verklaart voor recht dat [verweerders & zn] aansprakelijk gehouden moet worden voor de door het bedrijfsongeval op 8 april 2015 bij [verzoeker] berokkende materiële en immateriële schade,

 

5.2.

veroordeelt [verweerders & zn] tot betaling van € 5.121,66 aan [verzoeker] ,

 

5.3.

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Willemse, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.