• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 1 maart 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:4228
  • Zaaknummer: C/05/312030 / HA RK 16-244

Rb: gordelkwestie niet geschikt voor deelgeschil vanwege bewijslevering, kosten deelgeschil voor 100% toegewezen

Benadeelde verzoekt verklaring voor recht dat de verzekeraar volledige aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval; verzekeraar beroep zich op eigen schuld wegens het niet dragen van de gordel. 1. De rechtbank oordeelt dit zonder bewijslevering niet is vast te stellen. Gezien de tijd en kosten die met bewijslevering gepaard zullen gaan zijn, is het verzoek niet geschikt voor een deelgeschil. 2. Indien de rechtbank ervan uitgaat dat verzoeker de gordel niet droeg, kan niet worden geoordeeld dat de billijkheid eist dat verzekeraar de schade toch volledig dient te vergoeden. Daarvoor vormt het niet dragen van de autogordel een te ernstig verwijt. 3. Kosten deelgeschil: € 7.534,69 (uurtarief € 270,- niet onredelijk). Kosten voor 100% toegewezen, ook al is mogelijk schade van eigen schuld. De rechtbank acht hierbij van belang dat de wetgever met art. 1019aa Rv heeft beoogd de financiële drempel voor de benadeelde te verlagen.

ECLI:NL:RBGEL:2017:4228

Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 01-03-2017 Datum publicatie 16-08-2017 Zaaknummer C/05/312030 / HA RK 16-244

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Verkeersongeval. Aansprakelijkheid erkend. Eigen schuld vanwege niet dragen autogordel? Nader onderzoek vereist. Afwijzen op voet art. 1019z Rv. Volledige kostenveroordeling verzekeraar.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .beschikking

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Arnhem

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/05/312030 / HA RK 16-244 / 103 / 512

 

 

 

 

Beschikking van 1 maart 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoeker] ,

 

wonende te Leerdam,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. S. de Lang te Amersfoort,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de naamloze vennootschap

 

GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

gevestigd te Gouda,

 

verweerster,

 

advocaat mr. M. van der Bent te Middelburg.

 

 

 

 

De partijen worden verder [verzoeker] en Goudse genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift

 

het verweerschrift

 

de mondelinge behandeling. Daar zijn verschenen enerzijds [verzoeker], vergezeld van zijn echtgenote M. [verzoeker] en zijn belangenbehartiger [belangenbehartiger], bijgestaan door mr. C. van der Roest en haar kantoorgenoot mr. De Lang voornoemd, en anderzijds [schadebehandelaar], schadebehandelaar van Goudse, bijgestaan door mr. Van der Bent voornoemd. Mr. Van der Roest heeft het standpunt van [verzoeker] mede aan de hand van schriftelijke aantekeningen uiteengezet.

 

 

 

2 De beoordeling

 

2.1.

Op 25 november 2008 is [verzoeker] slachtoffer geworden van een eenzijdig verkeersongeval op de N848 ter hoogte van Heukelum. Hij zat achterin een personenauto die als gevolg van gladheid van de weg is geraakt en ondersteboven is terechtgekomen in de naast de weg gelegen sloot. [verzoeker] was samen met bestuurder [bestuurder] en bijrijder [bijrijder] op weg naar zijn werk in Rotterdam. [bestuurder], een goede vriend van [verzoeker], is aan de gevolgen van het ongeval overleden. [verzoeker] heeft zijn werk als lasser na het ongeval niet hervat. Ter zake van het huishouden en zijn hobby’s voetballen en fitnessen ervaart hij sinds het ongeval beperkingen. De auto was ingevolge de WAM bij Goudse verzekerd. Zij heeft aansprakelijkheid erkend voor de schadelijke gevolgen van het ongeval voor [verzoeker].

 

 

2.2.

Over de ongevalsgevolgen bestaat geen overeenstemming tussen partijen. [verzoeker] heeft bij het ongeval zijn rechterpols gebroken. Hij ervaart blijvende pijnklachten aan deze pols. Op verzoek van beide partijen heeft orthopedisch chirurg [naam chirurg] over de ongevalsgevolgen op dit gebied gerapporteerd. Na het ongeval ervaart [verzoeker] tevens psychische klachten waarvoor hij onder (psychiatrische) behandeling is komen te staan. Bij beschikking van 26 mei 2016 (zaaknummer/rekestnummer: C/05/298697 / HA RK 16-50) heeft deze rechtbank op verzoek van [verzoeker] een voorlopig deskundigenbericht door psychiater [naam psychiater] bevolen naar de ongevalsgevolgen op dit gebied. Partijen verschillen voorts van standpunt over of [verzoeker] aan zijn schade heeft bijgedragen door niet de autogordel te dragen.

 

 

2.3.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van art. 1019w e.v. Rv voor recht zal verklaren dat Goudse volledige (100%) aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] op 25 november 2008 is overkomen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoger percentage dan 75%, met begroting van en veroordeling in de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker].

 

 

2.4.

Goudse voert verweer.

 

 

2.5.

De rechtbank zal hierna voor zover van belang de standpunten van partijen bespreken.

 

 

2.6.

Vast staat dat Goudse aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] die gevolg is van het ongeval. Aan de orde is of deze schadevergoedingsverplichting van Goudse (met 25%) verminderd moet worden omdat [verzoeker] in de zin van art. 6:101 BW eigen schuld heeft aan het ontstaan van deze schade, nu [verzoeker], zoals Goudse stelt en [verzoeker] betwist, in strijd met art. 59 RVV 1990 niet de aanwezige autogordel heeft gedragen ten tijde van het ongeval.

 

 

2.7.

Goudse wijst ter onderbouwing van haar stelling dat [verzoeker] ten tijde het ongeval de autogordel niet droeg erop dat:

 

– [bijrijder] voornoemd volgens de door Goudse ingeschakelde expert tegenover deze expert heeft verklaard dat [verzoeker] normaal geen gordel aandoet, omdat hij meestal gaat slapen en dus ook nu wel geen gordel zal hebben aangedaan,

 

– [verzoeker] volgens de door Goudse ingeschakelde expert tegenover deze expert heeft verklaard dat hij niet sliep maar niet helemaal meer zeker weet of hij een gordel heeft aangedaan en niet meer precies weet hoe hij uit de auto is gekomen,

 

– uit technisch onderzoek van de politie is gebleken dat op het moment van botsing de autogordels van [bestuurder] en [bijrijder] voornoemd werden gedragen terwijl op de autogordels bestemd voor de passagiers achterin geen sporen werden aangetroffen,

 

– volgens de door Goudse ingeschakelde verkeersongevallenanalist ing. [naam verkeersongevallenanalist] uit de omstandigheid dat door de politie geen sporen zijn aangetroffen op de voor [verzoeker] bestemde gordel achterin volgt dat deze tijdens het ongeval door hem niet werd gedragen,

 

– een belangenbehartiger van [verzoeker] in 2010 het standpunt heeft ingenomen dat diens schade niet het gevolg is geweest van het niet dragen van de autogordel door [verzoeker], althans dat [verzoeker] de gordel vlak voor het ongeval heeft losgemaakt.

 

 

2.8.

[verzoeker] betwist dat hij de gordel niet heeft gedragen. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaard dat hij wel een gordel droeg. [verzoeker] heeft verder, onder verwijzing naar het rapport van [naam], aangevoerd dat hij, indien hij geen gordel gedragen zou hebben, aanzienlijk ernstiger (hoofd)letsel zou hebben opgelopen dan het pols- en psychische letsel waaraan hij thans lijdt.

 

 

2.9.

Bij deze stand van zaken, waarbij zowel stelling als betwisting voldoende zijn gemotiveerd, kan de rechtbank zonder bewijslevering niet vaststellen dat [verzoeker] de gordel niet droeg. De tijd en kosten die met dergelijke bewijslevering, waarschijnlijk in de vorm van getuigenbewijs, gepaard zullen zijn, zijn dusdanig dat de rechtbank van oordeel is dat deze beslissing onvoldoende bijdraagt aan een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 1019z Rv. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen ook twisten over welke invloed een eerdere breuk van de rechter pols en pre-existente rugklachten op de schade hebben.

 

 

2.10.

Indien de rechtbank veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat [verzoeker] de gordel niet droeg, geldt dat zonder bewijslevering door Goudse, dan wel – na de door Goudse bepleite toepassing van de omkeringsregel – tegenbewijslevering door [verzoeker], niet kan worden vastgesteld dat de schade ook zou zijn ontstaan als [verzoeker] de gordel wel zou hebben gedragen, zoals [verzoeker] opwerpt. In ieder geval ten aanzien van het polsletsel heeft [verzoeker] daarvoor onvoldoende overtuigende aanknopingspunten verschaft. Ook in dit verband staat art. 1019z Rv daarom aan toewijzing van het verzoek in de weg.

 

 

2.11.

Indien de rechtbank veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat [verzoeker] de gordel niet droeg en bovendien dat deze omstandigheid aan de schade heeft bijgedragen, kan, anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd, niet worden geoordeeld dat de billijkheid eist dat Goudse de schade toch volledig dient te vergoeden. Daarvoor vormt het niet dragen van de autogordel een te ernstig verwijt. Aan het, subsidiair gevorderde, door de rechtbank vaststellen van een percentage eigen schuld (kleiner dan 25%) staat thans in de weg dat mogelijk niet komt vast te staan dat [verzoeker] de gordel niet droeg, in welk geval het beroep van Goudse op eigen schuld zonder meer zou falen.

 

 

2.12.

De slotsom is dan ook dat het verzoek op de voet van art. 1019z Rv dient te worden afgewezen.

 

 

2.13.

Ter zake van de kosten is het volgende van belang. [verzoeker] maakt aanspraak op vergoeding van de kosten van werkzaamheden van zijn advocaten. Verzocht is, exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw, 15 uur à € 270,00 en 8 uur à € 200,00 te begroten. Goudse heeft enkel tegen de hoogte van het uurtarief van € 270,00 bezwaar gemaakt. Gemiddeld is een uurtarief van € 246,00 gehanteerd. Een dergelijk tarief komt de rechtbank in deze zaak niet onredelijk hoog voor. Het verweer wordt verworpen. Inclusief het verschuldigde griffierecht van € 288,00 sluit de begroting dan op een bedrag van € 7.534,69 (15× € 270,00 + 8 × € 200,00 + 6% + 21% + € 288,00). Goudse is voor de schade aansprakelijk en kan dan ook in beginsel worden veroordeeld de aldus begrote kosten aan [verzoeker] te voldoen.

 

 

2.14.

Zoals hiervoor is gebleken staat thans niet vast dat sprake is van eigen schuld. Indien echter veronderstellenderwijs met Goudse wordt aangenomen dat toepassing van art. 6:101 BW in dit geval zou leiden tot een vergoedingsplicht van 75% van de schade, geldt het volgende.

 

 

2.15.

Wanneer een schadevergoedingsplicht op de voet van artikel 6:101 BW wordt verminderd, wordt ook de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden, in beginsel in dezelfde mate verminderd (HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624, NJ 2008/241). Dit uitgangspunt geldt ook voor de kosten van de behandeling van het deelgeschil, nu deze kosten op grond van artikel 1019aa lid 2 Rv hebben te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. [verzoeker] heeft bepleit dat op dit uitgangspunt in dit geval een uitzondering wordt gemaakt, gelet op het doel van de deelgeschilprocedure. Goudse heeft dit betwist.

 

 

2.16.

In dit verband acht de rechtbank van belang dat de wetgever met artikel 1019aa Rv heeft beoogd de financiële drempel te verlagen voor de benadeelde om een oordeel van de rechter te vragen, door uit te sluiten dat de benadeelde in de proceskosten wordt veroordeeld en door voor te schrijven dat zijn proceskosten niet forfaitair maar volledig in aanmerking worden genomen. Dit past bij de deelgeschilprocedure als onderdeel van afwikkeling buiten rechte, aldus de wetgever. (Vergelijk TK 2007–2008, 31 518, nr. 3, p. 4, 12/13, 18/19 en nr. 13.) Het verzoek was erop gericht ten behoeve van de afwikkeling buiten rechte duidelijkheid te verkrijgen over de eigen schuldvraag. Zover kon het niet komen. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond eist de billijkheid dan dat verplichting van Goudse om de kosten die [verzoeker] heeft gemaakt om dit geschil door de rechter beslist te krijgen te vergoeden, niet wordt verminderd. Dus ook indien wordt aangenomen dat de schadevergoedingsplicht van Goudse vanwege het niet dragen van de gordel door [verzoeker] tot 75% verminderd is, dient Goudse de proceskosten van [verzoeker] geheel te dragen.

 

 

 

3 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

3.1.

begroot de kosten aan de zijde van [verzoeker] bij de behandeling van het verzoek op een bedrag van € 7.534,69 en veroordeelt Goudse om dit bedrag aan [verzoeker] te betalen,

 

 

3.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.