• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 5 april 2017
  • ECLI:NL:RBDHA:2017:5213
  • Zaaknummer: C/09/521080

Rb, deelgeschil: gemeente niet aansprakelijk voor val voetganger over hekje

Voetganger valt over dwars op de looprichting geplaatst hekje in de binnenstad. 1. De rechtbank oordeelt dat de gemeente niet aansprakelijk is ex art 6:174 BW. De rechtbank acht de situatie ter plaatse niet zodanig gevaarzettend dat sprake is van een onrechtmatige situatie, althans een gebrekkige opstal. Daartoe is van belang dat het hekje door de gemeente in het kader van haar beleidstaken als wegbeheerder juist is geplaatst in verband met het verhogen van de veiligheid van de voetgangers. Voorts is onbetwist gebleven dat het hekje er al jaren staat en dat dichtbij het hekje een lantaarnpaal staat die ook daadwerkelijk brandde op het moment van het voorval. 2. Kosten deelgeschil: € 3.931.

ECLI:NL:RBDHA:2017:5213

Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 05-04-2017 Datum publicatie 22-05-2017 Zaaknummer C/09/521080

Rechtsgebieden Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

 

letselschade door val over hekje; Gemeente niet aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW

VindplaatsenRechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2017-0471

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .beschikking

 

RECHTBANK DEN HAAG

 

 

Team handel

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/09/521080 / HA RK 16-560

 

 

 

 

Beschikking van 5 april 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoekster] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoekster,

 

advocaat mr. S.C. de Leede te Utrecht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon

 

 

GEMEENTE ZOETERMEER,

 

zetelende te Zoetermeer,

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

MANDATIS B.V., handelende onder de naam Melior Verzekeringen,

 

gevestigd te Oldenzaal,

 

verweerders,

 

advocaat mr. I.I. Asssink te Enschede.

 

 

 

 

Verzoekster wordt hierna aangeduid als [verzoekster] en verweerders afzonderlijk als de gemeente Zoetermeer en Melior en gezamenlijk als de gemeente c.s.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 2 november 2016, met producties;

 

– het op 21 februari 2017 ingekomen verweerschrift, met producties;

 

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 februari 2017 en de daarin genoemde stukken.

 

 

 

1.2.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

 

Op de late zaterdagavond van 6 juni 2015 bevond [verzoekster] , die zelf in [woonplaats]

 

woont, zich in het centrum van Zoetermeer. Zij was die dag in Zoetermeer naar een

 

bluesfestival geweest. Toen zij vanuit het dorpscentrum samen met haar (inmiddels overleden)

 

echtgenoot en haar broer terug liep naar de parkeergarage, is zij omstreeks 23.45 uur op het

 

trottoir van de Leidsewallen ter hoogte van huisnummer 31 ten val gekomen. Zij heeft bij die

 

val haar rechter enkel gecompliceerd gebroken.

 

 

 

2.2.

 

Op het trottoir ter hoogte van de vallocatie bevindt zich een hekje dat vanuit de gevel

 

van de daar aanwezige woning haaks op het trottoir staat. Het hekje is 64 cm hoog en 64 cm

 

breed en is voorzien van een bruine kleur. De gemeente Zoetermeer is bezitter van het trottoir

 

en het daarop geplaatste hekje. Op korte afstand van het hekje bevindt zich voor de woning

 

met nummer 31 tevens een “antiek model” lantaarnpaal, die die avond in werking was. Aan de

 

lantaarnpaal bevond zich ten tijde van het ongeval een ronde bloembak met daarin

 

hanggeraniums.

 

 

 

2.3.

 

Bij brief van 16 juni 2015 heeft [verzoekster] de gemeente Zoetermeer aansprakelijk

 

gesteld voor de gevolgen van het ongeval, stellend dat zij over het hekje op de stoep is

 

gevallen. De gemeente Zoetermeer heeft bij brief van 17 september 2015 aansprakelijkheid

 

afgewezen.

 

 

 

2.4.

 

Melior is de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente Zoetermeer; de

 

gemeente Zoetermeer heeft de aansprakelijkstelling bij haar verzekeraar gemeld, waarna ook

 

Melior de aansprakelijkheid heeft afgewezen.

 

 

 

 

3 Het verzoek

 

 

 

3.1

 

[verzoekster] verzoekt de rechtbank, kort samengevat,

 

  1. te verklaren voor recht dat de gemeente Zoetermeer aansprakelijk is voor haar schade ten

 

gevolge van het ongeval op 6 juni 2015;

 

  1. de gemeente Zoetermeer te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 10.000;

 

III. de kosten van het deelgeschil te begroten;

 

  1. de gemeente Zoetermeer te veroordelen tot betaling van de begrote kosten;

 

  1. Melior te veroordelen tot betaling van het voorschot en de kosten van het deelgeschil op

 

grond van artikel 7:954 BW.

 

 

 

3.2.

 

[verzoekster] voert daartoe aan dat de gemeente Zoetermeer aansprakelijk is, nu zij

 

ernstige letselschade heeft opgelopen als gevolg van een val over een door de gemeente

 

Zoetermeer gevaarlijk geplaatst hekje.

 

Melior wordt daarnaast aangesproken als aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente

 

Zoetermeer op grond van artikel 7:954 BW.

 

 

 

3.3

 

De gemeente c.s. voert gemotiveerd verweer. De stellingen en weren van partijen

 

zullen hierna zover van belang worden besproken.

 

 

 

 

4 De beoordeling

 

 

 

4.1.

Allereerst dient te worden beoordeeld of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure. De gemeente c.s. meent dat dat niet het geval is, omdat naar haar zeggen de toedracht van het ongeval niet vaststaat en mogelijk nog getuigen moeten worden gehoord, waarvoor een deelgeschil zich niet leent. De rechtbank verwerpt dit verweer. Anders dan de gemeente c.s. is de rechtbank van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat [verzoekster] is gevallen doordat zij tijdens het lopen met haar been in aanraking is gekomen met het hekje, waardoor zij is gevallen en haar enkel heeft gebroken. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is bestreden dat [verzoekster] precies ter hoogte van het hekje ten val is gekomen en blijkens de overgelegde ziekenhuisgegevens ook tegenover de artsen door [verzoekster] is aangegeven, dat zij met haar been tegen het hekje is aangestoten en vervolgens ten val is gekomen. De blote stelling van de gemeente c.s. dat [verzoekster] mogelijk onder invloed van alcohol ten val zou zijn gekomen wordt gepasseerd, nu de ziekenhuisgegevens geen alcoholgebruik vermelden en [verzoekster] zelf ter zitting heeft aangegeven die dag geen alcohol te hebben genuttigd. De vraag of [verzoekster] over het hekje is gevallen of door de aanraking met het hekje uit balans is geraakt en vervolgens (opzij) is gevallen acht de rechtbank voor de verdere beoordeling niet relevant, nu de rechtbank als vaststaand aanneemt dat het contact van het been van [verzoekster] met het hekje de directe oorzaak is geweest van de val.

 

 

4.2.

[verzoekster] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat de weginrichting ter plaatse gevaarzettend is. Zij voert daartoe aan dat het lage hekje dwars op de looproute is geplaatst en bovendien een donkere en onopvallende kleur heeft, waardoor het in nachtelijke uren bij slechte verlichting gemakkelijk over het hoofd kan worden gezien door wandelaars op het voetpad. Daarmee is de kans op letsel aanzienlijk, terwijl simpele maatregelen dat risico hadden kunnen voorkomen. Nu het letselrisico zich bij [verzoekster] heeft verwezenlijkt is aansprakelijkheid van de gemeente Zoetermeer op grond van artikel 6:174 juncto 6:162 BW gegeven, aldus [verzoekster] .

 

 

4.3.

De gemeente bestrijdt dat sprake is van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW dan wel onrechtmatige gevaarzetting in de zin van artikel 6:162 BW. Volgens haar voldoet het trottoir en het zich daarop bevindende hekje aan de eisen die men daaraan naar objectieve maatstaven mag stellen. Het hekje is wel degelijk goed zichtbaar, mede door voldoende schijnsel van de lantaarnpaal. Het hekje staat er al vele jaren zonder enig probleem en heeft ook een belangrijke publieke functie. Het hekje beoogt namelijk niet alleen de bewoners van nummer 31 een veilige uitgang te bieden, maar ook de veiligheid van voetgangers te bevorderen, nu het hekje het moeilijker maakt voor fietsers via het voetpad het aanpalende verkeerslicht te omzeilen, aldus de gemeente c.s.

 

 

4.4.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente in dit geval niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van [verzoekster] . Anders dan [verzoekster] acht de rechtbank de situatie ter plaatse niet zodanig gevaarzettend dat sprake is van een onrechtmatige situatie, althans een gebrekkige opstal. Daartoe is allereerst van belang dat niet gemotiveerd is bestreden dat het hekje door de gemeente in het kader van haar beleidstaken als wegbeheerder juist is geplaatst in verband met het verhogen van de veiligheid van de voetgangers. Voorts is onbetwist gebleven dat het hekje er al jaren staat. De gemeente heeft in dat kader nog betoogd dat zich nimmer eerder een ongeval met het hekje heeft voorgedaan en ter onderbouwing van die stelling een selectie van een uitdraai van het meldingensysteem van de gemeente overgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding aan die informatie te twijfelen. Het enkele feit dat het onderhavige ongeval op de selectielijst niet staat vermeld is daartoe onvoldoende, nu dat immers, zoals de advocaat van de gemeente c.s. ook ter zitting naar voren heeft gebracht, kan worden verklaard uit het feit dat dit ongeval reeds bij partijen bekend was, en dus niet in de selectie behoefde te worden opgenomen.

 

 

4.5.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [verzoekster] dat het hekje niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, omdat het minimaal 70 cm hoog had moeten zijn. Van het bestaan van een dergelijke absolute hoogtenorm is niet gebleken. Het enkele feit dat de gemeente Eindhoven voor nieuw straatmeubilair 70 cm als maatstaf in een richtlijn heeft opgenomen is daarvoor onvoldoende. Bovendien staat vast dat ook 64 cm een hoogte is die ruimschoots boven de knie uitkomt, zodat niet valt in te zien dat een hek van 70 cm minder risico met zich brengt en het onderhavige ongeval bij die hoogte was voorkomen.

 

 

4.6.

Voorts is van belang dat vaststaat dat dichtbij het hekje een lantaarnpaal staat die ook daadwerkelijk brandde op het moment van het voorval. De stelling van [verzoekster] dat die lantaarnpaal door de zich eronder bevindende bloembak onvoldoende licht uitstraalde om het hekje te kunnen zien, wordt door de rechtbank verworpen. De als productie 3 door [verzoekster] overgelegde foto van de situatie na het ongeval onderbouwt dat standpunt niet, terwijl productie 4 dermate onduidelijk is, dat daaruit geen conclusies te trekken vallen. Het heeft er alle schijn van dat die foto een afdruk betreft van een met een telefoon gemaakte slechte opname. Productie 6 maakt naar het oordeel van de rechtbank bovendien duidelijk dat in de directe omgeving meer lichtbronnen beschikbaar waren dan alleen de betreffende lantaarnpaal.

 

 

4.7.

Ook de kleur van het hekje is onvoldoende voor aansprakelijkheid. Weliswaar is het hekje donker gekleurd, maar terecht heeft de gemeente c.s. erop gewezen dat die kleur substantieel afwijkt van de kleur van de bestrating ter plaatse, zoals ook blijkt uit de door de gemeente c.s. overgelegde foto’s. Daarmee is onder de gegeven omstandigheden voldoende contrast aanwezig. De rechtbank tekent daarbij aan dat in een karakteristieke straat als de onderhavige met “antieke” lantaarns door de gemeente Zoetermeer kennelijk is beoogd met het donkere hek aan te sluiten bij het authentieke karakter van de omgeving.

 

 

4.8.

Het enkele feit dat [verzoekster] tegen het hekje is opgelopen en daarbij letsel heeft opgelopen maakt een en ander niet anders. Het heeft er overigens alle schijn van dat [verzoekster] aanzienlijk onoplettend is geweest toen zij tegen het hekje opliep, omdat zij werd afgeleid. Daartoe is van belang dat vast staat dat haar man en haar broer schuin voor haar op de rijbaan liepen en ter zitting gebleken is dat ook de auto van haar zus en zwager stapvoets naast haar reed op de rijbaan. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het alleszins aannemelijk dat de aandacht van [verzoekster] (meer) op haar familie naast en schuin voor haar gericht is geweest dan op haar eigen voetpad, waardoor zij onvoldoende heeft opgelet op mogelijk aanwezige obstakels op het door haar belopen trottoir. De rechtbank tekent in dat kader nog aan dat juist van voetgangers in een oud stadscentrum kan en mag worden gevergd dat zij bedacht zijn op obstakels, nu die daar veelvuldig voorkomen.

 

 

4.9.

De slotsom is dat de gemeente Zoetermeer niet aansprakelijk is en het verzoek jegens haar zal worden afgewezen, waardoor ook het verzoek jegens Melior niet toewijsbaar is.

 

 

4.10.

Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat die laatste situatie zich voordoet is gesteld noch gebleken.

 

 

4.11.

 

[verzoekster] heeft verzocht de kosten te begroten op basis van een uurtarief van

 

€ 222,50 exclusief 6% kantoorkosten en 21 % BTW. Het aantal gewerkte uren beloopt volgens opgave tot aan de zitting 11.30 uur, waarbij met de zittingstijd nog geen rekening is gehouden. De gemeente c.s. betwist dat [verzoekster] kosten verschuldigd is nu zij een toevoeging heeft en heeft voorts gesteld dat de gevorderde kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan.

 

 

 

4.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding de kostenbegroting achterwege te laten vanwege de toevoeging. Daargelaten dat het [verzoekster] vrijstaat alsnog af te zien van de toevoeging, zal een eventuele latere schade uitkering met zich kunnen brengen dat de toevoeging achteraf wordt ingetrokken, zodat [verzoekster] belang heeft bij begroting. De rechtbank ziet evenmin aanleiding tot vermindering van het aantal uren of aanpassing van het tarief, nu die de rechtbank niet bovenmatig voorkomen. Met inachtneming van nog 2 uur extra voor de zitting worden de advocaatkosten dan ook in redelijkheid begroot op € 3.852. Vermeerderd met het griffierecht ad € 79 leidt dat tot een bedrag van € 3.931.

 

 

4.13.

De verzochte veroordeling tot betaling van deze kosten zal worden afgewezen nu de aansprakelijkheid niet vast staat. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van de gemeente Zoetermeer alsnog (in rechte) komt vast te staan.

 

 

 

5 De beslissing

 

 

 

 

De rechtbank

 

 

 

5.1.

wijst de verzoeken af;

 

 

5.2.

begroot de kosten van de deelgeschilprocedure op € 3.931.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.1

 

 

 

1

type: 1790 coll: