• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 9 juni 2015
  • ECLI:NL:RBGEL:2015:8301
  • Zaaknummer: 3887736

Rb, deelgeschil: gemeente aansprakelijk voor letsel racefietser na val over onverlichte bussluis, 25% eigen schuld na billijkheidscorrectie

Racefietser komt ten val over bussluis. De kantonrechter acht de gemeente Groesbeek aansprakelijk ex art 6:174 BW. Het gaat hier om een bussluis in landelijk gebied waar deze nog minder dan in het centrum van een grote stad te verwachten valt. De gemeente moest er rekening mee te houden dat de bussluis in het donker veilig gepasseerd zou kunnen worden. Tegen deze achtergrond bezien voldeed de reflecterende bebording en belijning niet. De op enige afstand voor de sluis geplaatste waarschuwingsborden borden waarschuwen voor het concrete, uitzonderlijke gevaar van de bussluis. Dit zou anders kunnen zijn indien de bussluis door straatverlichting zou zijn verlicht, maar dit was niet het geval. Eigen schuld fietser: Causale bijdrage van de fouten van de fietser worden op 50% bepaald. Vergoedingsplicht gemeente 75% na billijkheidscorrectie, vanwege ernst wederzijdse fouten, feit dat gemeente verzekerd is en ernst letsel.

ECLI:NL:RBGEL:2015:8301

 

 

Instantie Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak 09-06-2015

Datum publicatie 03-02-2016 Zaaknummer 3887736

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie: Deelgeschil. Letselschade. Fietser rijdt in bussluis. Gebrekkige opstal. Aansprakelijkheid, eigen schuld en billijkheidscorrectie.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

beschikking

 

 

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Nijmegen

 

 

 

 

zaakgegevens 3887736 \ AZ VERZ 15-7 \ 490 \ 413

 

uitspraak van 9 juni 2015

 

 

 

 

beschikking

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoeker]

 

wonende te [woonplaats]

 

verzoekende partij

 

gemachtigde mr. L.M.M. Rohof

 

 

 

 

en

 

 

 

 

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Groesbeek

 

zetelend te Groesbeek

 

verwerende partij

 

gemachtigde mr. M.A. Bosman

 

 

 

 

Partijen worden hierna [verzoeker] en de gemeente genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het verzoekschrift van 17 februari 2015

 

– het verweerschrift van 9 april 2015

 

– de mondelinge behandeling van het verzoek. Daarbij zijn verschenen [verzoeker] , vergezeld van mr. Rohof voornoemd, en mr. Bosman voornoemd. Mr. Rohof heeft het standpunt van [verzoeker] mede aan de hand van een pleitnota uiteengezet, aan welke nota twee producties zijn gehecht die ook tot de processtukken behoren.

 

 

 

2 De feiten

 

 

 

2.1.

In de avond van donderdag 25 oktober 2012 is [verzoeker] op zijn racefiets ten val gekomen op de Cranenburgsestraat te Groesbeek, een door de gemeente beheerde klinkerweg in het buitengebied. [verzoeker] reed toen vanuit Duitsland, waar de Cranenburgsestraat Hettsteeg heet, Nederland in. In het wegdek bevond zich daar, ter hoogte van nummer 107 , een zogenoemde bussluis, een langgerekte drempel met twee uitsparingen in de lengterichting en ook een diep liggende uitsparing in het middendeel, tussen de op- en afrit van de drempel. Oogmerk hiervan is aan personenauto’s feitelijk de doorgang te belemmeren omdat deze, of met de onderkant op de drempel stuiten als door de uitsparingen in de lengterichting wordt gereden, of met het rechter of linker voorwiel in de uitsparing in het middendeel terechtkomen als links respectievelijk rechts wordt gehouden in de sluis. Vrachtauto’s en landbouwvoertuigen kunnen de drempel gewoon nemen omdat vanwege de bredere wielbasis van dit verkeer de linkerwielen de linkeruitsparing in de drempel aan de linkerkant passeren en de rechterwielen de rechteruitsparing rechts. Aan de rechterzijde van de bussluis bevond zich een onbelemmerde smalle doorgang voor fietsers en andere tweewielers. Straatverlichting was ter plaatste afwezig. Onderstaande foto geeft de situatie van destijds weer.

 

2.2.

Bezien vanuit de richting van de Hettsteeg is voor de bussluis achtereenvolgens de volgende reflecterende bebording in de berm aangebracht: een waarschuwingsbord voor een rijbaanversmalling aan de linkerzijde, een verbodsbord voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen “uitgezonderd tractoren”, en, zichtbaar op bovenstaande foto, een waarschuwingsbord met uitroepteken met onderbord “slecht wegdek”, ter hoogte van het begin van de bussluis een reflecterende zuil met daarop een bord met een pijl naar rechts waar die zuil moet worden gepasseerd, en naast de bussluis een paal met op een hoogte van ongeveer twee meter een bord met de tekst “Let op Bussluis!” en een auto die zich heeft vastgereden, met daaronder een bord met de tekst “uitgezonderd” en de beeltenis van een tractor. In het wegdek is belijning aangebracht bestaande uit een smalle en een brede strook lichtgekleurde klinkers, gedeeltelijk op de foto zichtbaar, klaarblijkelijk met de bedoeling het tweewielerverkeer uit Duitsland rechts langs de verkeerszuil te leiden. De bussluis is opgenomen in een ANWB-fietsroute.

 

 

2.3.

Op de betreffende avond was het donker toen [verzoeker] met ingeschakelde verlichting op de bussluis af fietste. Hij heeft niet de fietsdoorgang genomen maar is over de oprit van de drempel van de sluis en vervolgens in de uitsparing in het middendeel gereden en op straat gevallen. Daarbij heeft hij, ondanks het dragen van een valhelm, verwondingen aan het gezicht opgelopen. Het ambulancerapport vermeldt forse wonden aan het gelaat, onder het rechter oog, aan de bovenlip, een inscheuring van de onderlip, gebroken tanden en bloedverlies in de mond. [verzoeker] is die avond op de afdeling spoedeisende hulp van UMC St Radboud behandeld. De volgende dag kon hij weer naar huis. [verzoeker] is na het ongeval een tandprothese aangemeten. In 2014 heeft nog een operatie aan het gezicht plaatsgevonden. Het gevoel in zijn gelaat is verdoofd en bij de neus heeft hij last van ontstekingen.

 

 

2.4.

Bij brief van 21 november 2012 heeft [verzoeker] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de letselschade die hij door het ongeval heeft opgelopen. De gemeente en haar verzekeraar hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen. Verdere onderhandelingen tussen partijen hebben niets opgeleverd.

 

 

3 Het verzoek en het verweer

 

 

 

3.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de kantonrechter op de voet van artikel 1019w Rv voor recht zal verklaren:

 

– dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [verzoeker] ten gevolge van het ongeval op 25 oktober 2012 geleden schade, en

 

– dat [verzoeker] geen eigen schuld toekomt voor de door hem ten gevolge van het ongeval geleden schade,

 

met begroting van de proceskosten van [verzoeker] , veroordeling van de gemeente tot betaling daarvan, en veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

 

 

3.2.

[verzoeker] baseert aansprakelijkheid van de gemeente op artikel 6:174 BW. De gemeente heeft de bussluis onvoldoende met waarschuwingsborden en verlichting beveiligd. De bussluis is daarom gebrekkig en de gemeente is als bezitter van deze opstal aansprakelijk voor de schade, die tussen de € 5.000,00 en € 15.000,00 bedraagt, aldus [verzoeker] .

 

 

3.3.

De gemeente voert verweer. Zij bepleit afwijzing van de verzoeken op grond van artikel 1019z Rv, betwist aansprakelijkheid en beroept zich op eigen schuld van [verzoeker] in de zin van artikel 6:101 BW.

 

 

4 De beoordeling

 

 

 

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat de gemeente , anders dan in het verweerschrift, ter zitting na kennisname van de toen in het geding gebrachte producties, heeft aangegeven ervan te willen uitgaan dat [verzoeker] , zoals hij stelt, letselschade aan zijn hoofd heeft geleden omdat hij in de uitsparing in het midden van de bussluis is gereden. De kantonrechter zal daarvan dan ook uitgaan, zoals overigens uit de hierboven weergegeven feiten volgt.

 

 

4.2.

Het op artikel 1019z Rv geënte verweer, inhoudende dat beslissing van de verzoeken vanwege een disbalans tussen de kosten en baten onvoldoende kan bijdragen aan een vaststellingsovereenkomst, is gebaseerd op de noodzaak van instructie ter zake van de toedracht van het ongeval. Nu deze instructie gelet op het voorgaande achterwege kan blijven, en de kantonrechter zoals hierna zal blijken ook anderszins geen instructie nodig acht, wordt het verweer verworpen.

 

 

4.3.

Ter zake van de aansprakelijkheid geldt het volgende. Niet in geschil is dat de gemeente destijds bezitter was van de bussluis en dat de bussluis een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de bussluis, zoals [verzoeker] stelt en de gemeente betwist, niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, zodat gevaar voor personen ontstond. In dat verband is het volgende van belang.

 

 

4.4.

Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op de — naar objectieve maatstaven te beantwoorden — vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155).

 

 

4.5.

De gemeente heeft met het opwerpen van de bussluis als fysieke hindernis ter wering van bepaald verkeer, welbewust een gevaarlijke verkeerssituatie in het leven geroepen; niet alleen voor personenauto’s en hun bestuurders maar ook voor (race)fietsers als [verzoeker] die op zichzelf niet bedacht hoeven te zijn op een dergelijk gevaarlijk obstakel op de rijbaan. Op de gemeente rust dan de verplichting door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor zorg te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij de gemeente mede in aanmerking heeft te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten (HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547, waarin weliswaar een vordering uit onrechtmatige daad aan de orde was, maar welke normen, zoals ook de gemeente heeft aangenomen, op dit geval toepasbaar zijn).

 

 

4.6.

De gemeente betwist dat zij, zoals [verzoeker] stelt, met de reflecterende bebording en belijning in het wegdek niet afdoende tegen het gevaar van de bussluis heeft gewaarschuwd. Daarover overweegt de kantonrechter het volgende. Het gaat hier om een bussluis in landelijk gebied waar deze nog minder dan in het centrum van een grote stad te verwachten valt. De gemeente moest er verder rekening mee te houden dat de bussluis in het donker veilig ‘genomen’ c.q. gepasseerd zou kunnen worden, ook door (race-)fietsers die ter plaatste niet bekend zijn. Tegen deze achtergrond bezien voldeed de reflecterende bebording en belijning naar het oordeel van de kantonrechter niet. De op enige afstand voor de sluis geplaatste borden (waarschuwing voor een rijbaanversmalling, verbod voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen “uitgezonderd tractoren”, en waarschuwing voor slecht wegdek), noch het gebodsbord op de zuil, waarschuwen voor het concrete, uitzonderlijke gevaar van de bussluis, aan de linkerzijde van de zuil. Het enige bord dat daarvoor wel concreet waarschuwt is ter hoogte van de sluis en op een hoogte van twee meter gemonteerd. De gemeente moest voorzien dat een in het donker naderende fietser, wiens koplamp op het wegdek voor de fiets is gericht en niet op een bord op twee meter hoogte, en van wie, zo volgt uit het voorgaande, niet kan worden aangenomen dat hij steeds de nodige voorzichtigheid, zoals matiging van de snelheid, en oplettendheid betracht, door dit bord of de belijning in het wegdek niet zo tijdig voor de bussluis wordt gewaarschuwd dat hij het daarvan uitgaande specifieke en ernstige gevaar nog zou kunnen ontwijken, door te remmen, uit te wijken naar de doorgang voor fietsers, of te passeren door één van de uitsparingen in de lengterichting of via één van de zijkanten van de drempel. De gemeente kon kortom niet verwachten dat de beveiligingsmaatregelen in de omstandigheden zoals hier aan de orde, zouden leiden tot een handelen of nalaten waardoor het gevaar op de bussluis ten val te komen zou worden vermeden.

 

 

4.7.

Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien de bussluis door straatverlichting zou zijn verlicht, zodat in het donker van een grotere afstand voor fietsers (veel duidelijker) zichtbaar zou zijn geweest welk specifiek en ernstig gevaar dreigde. Dergelijke verlichting was er echter, volgens [verzoeker] ten onrechte, niet. In dit verband heeft de gemeente opgeworpen dat van haar niet kan worden gevergd kostbare straatverlichting aan te brengen om zeldzame ongelukken als de onderhavige te voorkomen en voorts dat zij beleidsvrijheid heeft ter zake van de besteding van haar beperkte financiële middelen en er dus voor heeft kunnen kiezen geen verlichting aan te leggen. [verzoeker] heeft dit betwist. De gemeente heeft haar standpunt niet verder toegelicht. Integendeel, ter zitting heeft zij desgevraagd laten weten dat zij het betreffende beleidsplan dat als toelichting zou hebben kunnen dienen vanwege de omvang ervan bewust niet in het geding heeft gebracht. Dit mocht echter, gelet op HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368, wel van de gemeente worden verwacht. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken dient dan als vaststaand te worden aangenomen dat de aanleg van verlichting redelijkerwijs van de gemeente kon worden gevergd. Bovendien had de gemeente , zo volgt uit het in punt 4.5. aangehaalde arrest, van de aanleg van de bussluis moeten afzien indien de veiligheid niet voldoende kon worden gewaarborgd.

 

 

4.8.

Dat een ongeval als het onderhavige volgens de gemeente ( [verzoeker] heeft dit weersproken) relatief zeldzaam is maakt het voorgaande niet anders. Vanwege de voorzienbaarheid van ongevallen, met name in het donker, de ernst van de potentiële gevolgen daarvan, met name voor fietsers, en de relatieve eenvoud van adequate veiligheidsmaatregelen, namelijk tijdige waarschuwing met borden voor het specifieke gevaar van een bussluis en, gelet op het voorgaande, verlichting van de sluis, dient de bussluis niettemin als gebrekkig te worden beoordeeld.

 

 

4.9.

De getroffen beveiligingsmaatregelen voldeden derhalve naar het oordeel van de kantonrechter niet. Dit heeft gevaar voor personen of zaken opgeleverd, welk gevaar zich in de avond van 25 oktober 2012 heeft verwezenlijkt. De gemeente is dan ook op de voet van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de letselschade die [verzoeker] bij het ongeval heeft opgelopen. De daartoe strekkende verklaring voor recht is toewijsbaar.

 

 

4.10.

Ter zake van de vraag of de schadevergoedingsplicht van de gemeente moet worden verminderd vanwege eigen schuld van [verzoeker] geldt het volgende. Volgens de gemeente , op welke partij in dit verband stelplicht en zo nodig bewijslast rusten, heeft [verzoeker] door de route via de sluis te kiezen niet zo veel als mogelijk rechts gehouden en het gebodsbord op de zuil genegeerd. Als [verzoeker] deze overtredingen niet zou hebben begaan zou het ongeval niet zijn gebeurd, aldus de gemeente . De kantonrechter stelt vast, [verzoeker] heeft dit ter zitting verklaard, dat [verzoeker] de zuil heeft waargenomen toen hij de bussluis naderde en dat hij welbewust links van de zuil langs is gereden omdat hem dat het veiligst leek. Of hij het gebodsbord op de zuil heeft gezien kan [verzoeker] zich niet meer herinneren, aldus [verzoeker] ter zitting. Dat ligt echter zeer voor de hand omdat het bord vlak boven de zuil was gemonteerd. De kantonrechter neemt daarom met de gemeente aan dat [verzoeker] ondanks de duisternis ook het gebodsbord heeft waargenomen, althans heeft kunnen en moeten waarnemen. Door vervolgens welbewust links van het bord te passeren heeft [verzoeker] een verkeersovertreding begaan die hem kan worden toegerekend. De schade is daarvan mede een gevolg. [verzoeker] heeft door de zuil bewust links te passeren bovendien niet steeds zo veel mogelijk rechts gehouden. Ook hierin is een toerekenbare verkeersfout gelegen. De mate waarin de aan [verzoeker] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen vallen, anders dan de gemeente heeft bepleit, niet in het niet bij de rol die het ontbreken van verlichting en de inadequate bebording in het ontstaan van het ongeval heeft gespeeld. Aangenomen dient te worden dat het ongeval niet zou zijn gebeurd, zowel de aan de gemeente als de aan [verzoeker] toerekenbare omstandigheden weggedacht. Deze omstandigheden hebben dan ook in gelijke mate aan de schade bijgedragen. De causale bijdrage van de fouten van [verzoeker] dient derhalve op 50% te worden bepaald.

 

 

4.11.

In geschil is verder of dit percentage, zoals [verzoeker] stelt en de gemeente betwist, (tot nihil) moet worden verlaagd omdat de billijkheid dat eist. In dit verband geldt dat de kantonrechter de ernst van de fouten van de gemeente groter acht dan die van [verzoeker] . En ook dat de gemeente is verzekerd tegen schade zoals de onderhavige. Ten slotte is van belang dat [verzoeker] fors en gedeeltelijk ook blijvend aangezichtsletsel heeft opgelopen. Indien deze omstandigheden in aanmerking worden genomen resteert een vergoedingsplicht 75%. Voor het geheel in stand laten van deze plicht zijn zij niet toereikend. De in dit verband verzochte verklaring voor recht zal in deze zin worden toegewezen.

 

 

4.12.

 

De kosten aan de zijde van [verzoeker] bij de behandeling van dit verzoek worden begroot zoals verzocht. De gemeente heeft zich in dit verband aan het oordeel van de kantonrechter gerefereerd en het verzochte bedrag, € 5.771,70, vermeerderd met € 78,00 aan griffierecht, komt de kantonrechter niet onredelijk voor.

 

Nu de gemeente voor de schade aansprakelijk is zal de gemeente tot betaling van 75% van dit bedrag (zie HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624, NJ 2008/241) aan [verzoeker] worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling, die [verzoeker] ook nog heeft gevraagd, bestaat geen aanleiding, reeds niet nu artikel 289 Rv dat daarvoor de grondslag zou moeten zijn, in artikel 1019aa lid 3 Rv buiten toepassing is verklaard.

 

 

5 De beslissing

 

 

 

 

De kantonrechter,

 

 

 

 

verklaart voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [verzoeker] ten gevolge van het ongeval op 25 oktober 2012 geleden schade,

 

 

 

 

verklaart voor recht dat [verzoeker] 25% eigen schuld heeft aan de door hem ten gevolge van het ongeval geleden schade,

 

 

 

 

begroot de kosten aan de zijde van [verzoeker] bij de behandeling van dit verzoek op en bedrag van € 5.849,70 en veroordeelt de gemeente tot betaling van 75% daarvan zijnde een bedrag van € 4.387,275,

 

 

 

 

wijst het anders of meer verzochte af.

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.