• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 18 januari 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:4129
  • Zaaknummer: c/05/290791 / HA RK 15-156

Rb, deelgeschil: fietser valt over betonnen randje, zaak vanwege bewijslevering niet geschikt voor deelgeschil

Benadeelde stapt bij wegafzetting van fiets, komt ten val over een betonnen randje en breekt haar bekken. Zij stelt de gemeente aansprakelijk ex art 6:174 BW. 1. De rechtbank overweegt dat doorslaggevend bewijs omtrent de situatie niet voorhanden is. Beide partijen hebben hun standpunt met foto’s toegelicht, die niet eenzelfde beeld van de situatie ter plaatste. Zonder nadere instructie, waarschijnlijk in de vorm getuigenverhoren, kunnen daarom de door benadeelde gestelde omstandigheden waaronder zij is gevallen niet worden vastgesteld. De met dergelijke instructie gepaard gaande tijd en moeite staan naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de kans dat een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen. Het verzoek stuit daarom af op artikel 1019z Rv. 2. Kosten deelgeschil begroot op € 4.677,23 (gevorderd: € 8.455,97).

ECLI:NL:RBGEL:2017:4129

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

18-01-2017

Datum publicatie

04-08-2017

Zaaknummer

c/05/290791 / HA RK 15-156

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Fietser valt bij wegwerkzaamheden. Aansprakelijkheid gemeente als wegebeheerder. Verzoek afgewezen op grond van art. 1019z Rv.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

 

 

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Arnhem

 

zaaknummer / rekestnummer: C/05/290791 / HA RK 15-156

 

Beschikking van 18 januari 2016

 

in de zaak van

 

[Verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

 

tegen

 

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EDE,

zetelend te Ede,

verweerster,

advocaat mr. M.A. Bosman te Rotterdam.

 

De partijen zullen verder [Verzoekster] en de gemeente worden genoemd.

 

1

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift

het verweerschrift

de brief met bijlagen van de zijde van [Verzoekster] d.d. 2 december 2015

de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [Verzoekster] vergezeld van mr. Quispel voornoemd, en L.M.E. Redder, adviseur verzekeringen van de gemeente, vergezeld van mr. Bosman voornoemd. Van de zijde van [Verzoekster] is tijdens de mondelinge behandeling een foto overgelegd. Deze foto maakt deel uit van de processtukken.

2

De beoordeling

2.1.

In het najaar van 2014 werd in Ede, daar waar de Nieuwe Maanderbuurtweg overgaat in de Hakselseweg, in opdracht van onder meer de gemeente gewerkt aan de aanleg van een tunnel onder het spoor, ter vervanging van de gelijkvloerse kruising.

 

2.2.

Op 16 oktober 2014 was [Verzoekster] fietsend op weg naar haar (vrijwilligers)werk. Daarvoor moest zij, komend vanuit de Nieuwe Maanderbuurtweg, de spoorwegovergang passeren en haar weg over de Hakselseweg vervolgen. Verkeer vanuit de Nieuwe Maanderbuurtweg werd toen echter na het passeren van het spoor, ter hoogte van de Noorder Parallelweg, de verdere doorgang over de Hakselseweg met hekwerk versperd. Fietsverkeer werd omgeleid. Na het spoor, op de Hakselseweg, werd het fietspad over een lengte van enkele meters door een opstaand betonnen randje van enige centimeters hoog afgescheiden van de rijbaan. [Verzoekster] is, in een poging de afzetting links te passeren en haar weg over de Noorder Parallelweg te vervolgen, ten val gekomen ter hoogte van het betonnen randje in de weg. Daarbij heeft zij een bekkenfractuur opgelopen. [Verzoekster] is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht en daar 12 dagen opgenomen geweest. Na maanden van revalidatie, gebruik van een rollator en van krukken, kan [Verzoekster] thans weer zonder hulpmiddelen lopen. Tot juli 2015 is [Verzoekster] onder fysiotherapeutische behandeling geweest. De verwachting is thans dat zij restloos zal genezen.

 

2.3.

Bij brief van 16 maart 2015 heeft [Verzoekster] de gemeente aansprakelijk gesteld, op de voet van artikel 6:174 BW. De gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

 

2.4.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank de op de voet van artikel 1019w Rv zal bepalen dat de gemeente op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor het ongeval op 16 oktober 2016 en voorts dat de gemeente gehouden is om de schade die [Verzoekster] als gevolg van het ongeval heeft geleden aan haar te vergoeden, met veroordeling van de gemeente in de kosten zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv, in totaal door [Verzoekster] begroot op een bedrag van € 8.455,97, vermeerderd met de wettelijke rente.

 

2.5.

Volgens [Verzoekster] is zij, zoals de aanwezige bebording voorschreef, in de nabijheid van het hekwerk van haar fiets gestapt om de weg over te steken in de richting van de Noorder Parallelweg, maar heeft haar linkervoet daarbij het betonnen randje geraakt en is zij als gevolg daarvan gevallen. De gemeente had zich moeten realiseren dat weggebruikers niet steeds de nodige voorzichtigheid betrachten en had daarom concreet voor de opstaande rand, die op de voorgeschreven route lag, moeten waarschuwen, de opstaande rand aan weerszijden moeten ‘afvlakken’ om struikelen te voorkomen of de rand meteen moeten weghalen. Omdat zij dit niet heeft gedaan was de weg gevaarlijk. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. De gemeente is derhalve op de voet van artikel 6:174 BW aansprakelijk, aldus [Verzoekster] .

 

2.6.

De gemeente voert verweer. Zij heeft, met foto’s ondersteund, betwist dat de Hakselseweg destijds ter plaatste van het ongeval onvoldoende veilig was. De opstaande rand was duidelijk zichtbaar en fietsverkeer vanuit de Nieuwe Maanderbuurtweg is afdoende gewaarschuwd voor de bijzondere verkeerssituatie en toereikend over het passeren van het werk geïnstrueerd. Voor het hekwerk ter afscheiding van de bouwplaats was een zogenoemd schrikhek geplaatst, een rood/wit gestreept dranghek, met daarop een zogenoemd C1 bord (weg in beide richtingen voor voertuigen gesloten) en een geel bord met de tekst ‘fietsers afstappen’ en daaronder een pijl naar rechts. Afgestapte fietsers konden het werk rechts over voetpad passeren. Voor afstappen was voldoende ruimte. Fietsers die, zoals [Verzoekster] , hun weg naar links, over de Noorder Parallelweg wilden vervolgen, zoals een ander geel bord met ‘fietsers afstappen’ en een pijl naar links aangaf, konden die weg bereiken door achter het schrikhek en voor het hekwerk langs te lopen, zonder over een opstaande randje heen te hoeven stappen. De weg was derhalve niet gebrekkig, aldus de gemeente. Zij betwist verder dat [Verzoekster] van haar fiets is gestapt en werpt op dat van de zijde van de aannemer en van diverse andere getuigen is vernomen dat [Verzoekster] heeft geprobeerd over de opstaande rand heen te fietsen. Ten slotte beroept de gemeente zich op eigen schuld. [Verzoekster] heeft volgens de gemeente verkeersborden genegeerd en is onvoldoende oplettend en voorzichtig geweest.

 

2.7.

De rechtbank zal de standpunten van partijen hierna voor zover van belang bespreken.

 

2.8.

Niet in geschil is dat de gemeente ervoor moest zorgen dat de Hakselseweg in goede staat verkeerde en dat de gemeente op de voet van artikel 6:174 BW aansprakelijk is indien deze weg niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, de weg daardoor gevaar voor personen of zaken opleverde en dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. Vast staat verder dat er werkzaamheden plaatsvonden op de Hakselseweg ter hoogte van de plaats van het ongeval toen [Verzoekster] is gevallen, en ook dat voor fietsverkeer een voorziening was getroffen om het werk te kunnen passeren. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de weg, bezien tegen deze achtergrond, adequaat met hekwerk, bebording en andere voorzieningen was beveiligd en, zo niet, of [Verzoekster] is gevallen als gevolg van deze gebrekkige beveiliging en of sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. In dit verband is het volgende van belang.

 

2.9.

Beide partijen hebben hun standpunt met fotomateriaal toegelicht. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is geconstateerd geven deze foto’s niet eenzelfde beeld van de situatie ter plaatste, in het bijzonder niet wat betreft de aanwezigheid en positie van een schrikhek met bebording. Doorslaggevend bewijs is niet voorhanden. Zonder nadere instructie, waarschijnlijk in de vorm getuigenverhoren, kunnen daarom de door [Verzoekster] gestelde omstandigheden waaronder zij is gevallen niet worden vastgesteld. Dat geldt ook voor de wijze waarop zij stelt te zijn gevallen. Voor de beoordeling van de vraag of de Hakselseweg voldeed, en zo niet, van de vraag of [Verzoekster] als gevolg van een gebrek aan beveiliging is gevallen en, bij bevestigende beantwoording, de vraag of de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [Verzoekster] kan worden toegerekend, is dan ook nadere instructie nodig. Bij deze stand van zaken kan niet tot een beslissing op het verzoek worden gekomen zonder bewijsopdracht en het horen van getuigen. De met dergelijke instructie gepaard gaande tijd en moeite staan naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de kans dat een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen, mede in aanmerking genomen dat [Verzoekster] , ook desgevraagd ter zitting, (de omvang van) de schade niet concreet heeft kunnen duiden. Het verzoek stuit daarom af op artikel 1019z Rv.

 

2.10.

Ter zake van de kosten van deze procedure geldt het volgende. De redelijkheid van de hoogte van de door de advocaat van [Verzoekster] gehanteerde uurtarieven van € 185,00 en € 240,00, exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw, heeft de gemeente niet betwist. De rechtbank zal van deze tarieven uitgaan. De aard van de ter begroting voorgelegde uren, alsmede de redelijkheid van het aantal daarvan heeft de gemeente wel betwist. In dat verband geldt het volgende.

 

2.11.

[Verzoekster] voert blijkens de specificatie kosten van werkzaamheden van haar advocaat op vanaf 5 maart 2015. Pas vanaf 17 september 2015 kan echter worden vastgesteld dat de werkzaamheden zien op de behandeling van het onderhavige verzoek, in de zin van artikel 1019aa Rv. In punt 30 van het verzoekschrift schemert door dat [Verzoekster] ook vergoeding wenst van andere werkzaamheden van haar advocaat dan die welke met de behandeling van dit verzoek verband houden. Een daartoe strekkend verzoek heeft zij echter in het petitum van het verzoekschrift noch nadien gedaan. De kosten van deze werkzaamheden, 10,4 uur, blijven hier dan ook buiten beschouwing.

 

2.12.

De na indiening van het verzoekschrift tot aan de zitting verrichte werkzaamheden heeft [Verzoekster] nog gespecificeerd opgegeven. Het gaat om 2½ uur tegen € 185,00 per uur, exclusief kantoorkosten en btw. De nadien te verrichten advocaatwerkzaamheden heeft [Verzoekster] geschat op in totaal 9 uur, naar de rechtbank aanneemt ook tegen € 185,00 per uur. Voor de begroting komen dan 17,2 uren (5,7 plus 2,5 plus 9) in aanmerking. Dat is aanzienlijk minder dan de 30 uur waarvan de gemeente in haar verweerschrift is uitgegaan. Dit aantal uren komt de rechtbank in deze zaak niet onredelijk voor.

 

2.13.

De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [Verzoekster] bij de behandeling van het verzoek aldus op € 4.677,23 (5,7 maal € 240,00 plus 6% kantoorkosten en 21% btw, vermeerderd met 11,5 maal € 185,00 plus 6% kantoorkosten en 21% btw, is € 4.483,33 aan advocaatkosten, vermeerderd met € 115,90 aan onbetwiste verschotten (€ 76,90 ter zake van medische informatie van het ziekenhuis en € 39,00 aan kosten van medische informatie van de fysiotherapeut) en € 78,00 aan griffierecht.) Nu niet vast staat dat de gemeente voor de schade aansprakelijk is zal de gemeente niet tot betaling van het aldus begrote bedrag worden veroordeeld.

 

3

De beslissing

De rechtbank

 

3.1.

begroot de kosten van [Verzoekster] bij de behandeling van dit verzoek op € 4.677,23,

 

3.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2016.