• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 8 februari 2017
  • ECLI:NL:RBDHA:2017:2624
  • Zaaknummer: 5506876 RP VERZ 16-50768

Rb, deelgeschil: feiten bedrijfsongeval staan niet vast, deelgeschil volstrekt onnodig ingesteld

Werknemer heeft snijwond opgelopen tijdens zijn werkzaamheden in slagerij. Hij stelt werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW, omdat deze niet de vereiste veiligheidsmaatregelen zou hebben getroffen. 1. De kantonrechter is van oordeel dat de onderhavige kwestie zich niet leent voor een beoordeling in deelgeschil, omdat de relevante feiten nog niet vast staan. Partijen twisten over de toedracht. Nader feitenonderzoek is dus nodig. Los daarvan verschillen partijen ook van mening over het verband tussen het ongeval en de schade en de omvang van de schade. De kantonrechter wijst het verzoek af. 2. Kosten deelgeschil afgewezen. 2. Kosten deelgeschil afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde vordering.

ECLI:NL:RBDHA:2017:2624

 

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-02-2017
Datum publicatie 21-03-2017
Zaaknummer5506876 RP VERZ 16-50768

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Zorgplicht ex artikel 7:658 BW. Toedracht staat niet vast. Geen begroting van de kosten.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

RECHTBANK DEN HAAG

 

 

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

 

 

 

 

CK

 

Zaak-/rolnummer: 5506876 RP VERZ 16-50768

 

8 februari 2017

 

 

 

 

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

 

 

 

 

 [verzoeker] 

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

 

gemachtigde: mr. H. Solstad,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 de naamloze vennootschap Amlin Europe N.V.,

 

 

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amstelveen,

  1. de besloten vennootschap J.F. Luiten Vleeswaren B.V.

 

statutair gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende te Zoetermeer,

verwerende partij,

 

gemachtigde: mr. P.C. Knijp.

 

 

Partijen worden aangeduid als [verzoeker] enerzijds en Amlin en Luiten Vleeswaren anderzijds.

 

 

 

 

1 Procedure

 

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 11 november 2016, met producties;

 

het op 9 januari 2017 ingekomen verweerschrift, met producties;

 

 

1.2.

Op 11 januari 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] in persoon met een tolk bijgestaan door mr. P. Barendregt namens de gemachtigde alsmede namens Luiten Vleeswaren: de heren [RE] , [functie] , en B. van ’t Hoofd, [functie] , en namens Amlin mevrouw [MP] , [functie] , bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Ter zitting is door (de gemachtigde van) [verzoeker] een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

 

 

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

 

 

2.1.

Op 18 april 2014 heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] letsel heeft opgelopen. [verzoeker] was toen via Inforcontracting B.V. werkzaam bij Luiten Vleeswaren als [functie] .

 

 

2.2.

[verzoeker] was de dag van het ongeval samen met een collega, [DT] , werkzaam aan één productietafel. Op de productietafel van zo’n drie meter lang werd het vlees door [verzoeker] en [DT] uitgebeend/schoongemaakt voor verdere verwerking ervan. Tussen [verzoeker] en [DT] bevond zich een kist. Daarin diende zowel [verzoeker] als [DT] het uitgebeende/schoongemaakte vlees te leggen. Op enige moment heeft het mes dat door [DT] werd gebruikt een snijwond veroorzaakt in de rechterhand van [verzoeker] . De verwonding is direct behandeld door een medewerker, met een BHV opleiding, van Luiten Vleeswaren. [verzoeker] heeft vervolgens zijn werkzaamheden voortgezet en is, op voorstel van Luiten, de volgende dag (een week eerder dan gepland) met vakantie gegaan naar Polen.

 

 

2.3.

Na het ongeval is de snijwond gaan ontsteken. [verzoeker] heeft zes dagen na het snijincident de ontsteking laten behandelen door een arts in Polen.

 

 

2.4.

Bij brief van 22 april 2015 heeft [verzoeker] Luiten Vleeswaren aansprakelijk gesteld voor het ongeval en de geleden en nog te lijden schade. Bij brief van 1 juli 2015 heeft Amlin, de verzekeraar van Luiten Vleeswaren, de aansprakelijkheid afgewezen.

 

 

 

3 Het geschil

 

 

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat Luiten Vleeswaren aansprakelijk is jegens [verzoeker] voor de gevolgen van het ongeval en voorts te bepalen dat Amlin gehouden is alle schade als gevolg van het ongeval aan [verzoeker] te vergoeden, met begroting van de kosten.

 

 

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Luiten Vleeswaren heeft als werkgever niet de vereiste veiligheidsmaatregelen getroffen om [verzoeker] te beschermen tegen een ongeval en daarmee heeft Luiten Vleeswaren niet voldaan aan haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW. Het letsel is het gevolg van een slordige werkroutine die Luiten Vleeswaren heeft laten bestaan. [DT] is een ervaren werknemer wiens handelingssnelheid erg hoog ligt hetgeen risico’s met zich brengt. Luiten Vleeswaren had erop moeten toezien dat een ervaren werknemer rekening houdt met de minder ervaren werknemer. Doordat [DT] het vlees aan het mes prikte en met het mes in de kist gooide is voorts een gevaarscheppende arbeidssituatie ontstaan. Luiten Vleeswaren heeft veel hygiëne- en veiligheidsvoorschriften, maar geen veiligheidsvoorschrift voor het werken met messen aan de productietafel. Het aanwezig zijn van waarschuwingsborden en veiligheidsstickers is niet in alle situaties voldoende omdat daar door de werknemer op een gegeven moment geen acht meer op wordt geslagen. Tot slot was de wondverzorging niet adequaat en had [verzoeker] door de BHV’er moeten worden doorverwezen naar een (huis)arts, hetgeen niet is gebeurd.

 

 

3.3.

Luiten Vleeswaren en Amlin hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

 

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

 

 

 

Behandeling van het geschil in een deelgeschilprocedure

 

 

 

4.1.

Bij beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv stelt de kantonrechter voorop dat indien een beslissing op het verzoek niet direct zal leiden tot een vaststellingsovereenkomst, dit niet maakt dat het verzoek reeds daarom niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Van belang is dat partijen door de verzochte beslissing de buitengerechtelijke onderhandelingen kunnen voortzetten. Voorts dient de verzochte beslissing een voldoende bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst om op te kunnen wegen tegen de kosten en het tijdsverloop van deze procedure.

 

 

4.2.

De kantonrechter is van oordeel dat de onderhavige kwestie zich niet leent voor een beoordeling in deelgeschil. Daartoe is allereerst van belang dat zowel uit de stukken als op zitting duidelijk is geworden dat de relevante feiten in deze zaak nog niet vast staan. Partijen twisten over de toedracht. Volgens [verzoeker] was hij bezig met het sluiten van de kist toen [DT] een aan zijn mes geprikt stuk vlees in de kist wilde leggen waarbij het mes in de hand van [verzoeker] terecht is gekomen, terwijl volgens Luiten Vleeswaren [verzoeker] met een collega aan het kletsen was waarbij hij met zijn (onbeschermde) rechterhand leunde op de rand van de kist en het mes van [DT] de hand van [verzoeker] heeft aangetikt toen [DT] een stuk vlees in de kist gooide, terwijl hij in zijn rechterhand nog zijn mes vasthield. Nader feitenonderzoek is dus nodig. Los daarvan verschillen partijen ook van mening over het verband tussen het ongeval en de schade en de omvang van de schade; Luiten Vleeswaren heeft aangevoerd dat de ontsteking niet is ontstaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden en verder dat de gestelde schade op geen enkele wijze is onderbouwd.

 

 

4.3.

Aangezien naar de feiten in deze zaak op meerdere punten nog nader onderzoek dient te worden gedaan, leent het verzoek [verzoeker] zich niet voor beoordeling in deelgeschil en zal het verzoek op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen. De bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst weegt op grond van het bovenstaande niet op tegen de kosten en het tijdverloop van deze procedure.

 

 

4.4.

Overigens heeft de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling al kenbaar gemaakt dat, wanneer de door [verzoeker] gestelde toedracht juist zou zijn, dit onder de gegeven omstandigheden geen schending van de zorgplicht van Luiten Vleeswaren met zich brengt, zodat Luiten Vleeswaren niet aansprakelijk is voor de door [verzoeker] gestelde schade. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Luiten Vleeswaren ook correct gehandeld naar aanleiding van het snijincident en de wond op de juiste wijze verzorgd, en was het de eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] om adequaat te handelen toen de wond niet op de gewenste wijze genas. Uit de medische documentatie leidt de kantonrechter af dat [verzoeker] niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van hem kan worden verwacht door te laat medische zorg in te schakelen toen de wond begon te ontsteken. De daardoor veroorzaakte schade komt voor zijn eigen rekening en risico.

 

 

 

Kosten deelgeschil

 

 

 

4.5.

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van deze procedure dient te begroten. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

 

 

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure in dit geval sprake is. Reeds in voornoemde brief van 1 juli 2015 maar ook in de latere correspondentie, in het bijzonder de brief van Amlin van 19 augustus 2015, blijkt dat Luiten Vleeswaren een andere lezing van het ongeval heeft. Dit is sindsdien niet veranderd, terwijl de lezing van [verzoeker] op dat punt ook onveranderd is gebleven. De beslissing op dit punt lag naar het oordeel van de kantonrechter daarmee zo voor de hand dat het indienen van het verzoek volstrekt onnodig en onterecht dient te worden geoordeeld. De kosten van de behandeling van het verzoek komen, gelet op het voorgaande, niet voor vergoeding in aanmerking. Begroting van deze kosten kan derhalve achterwege blijven.

 

 

 

Beslissing

 

 

 

 

De kantonrechter:

 

 

 

 

– wijst het verzochte af.

 

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2017.