• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Amsterdam
  • 23 november 2017
  • ECLI:NL:RBAMS:2017:8165
  • Zaaknummer: C/13/628907 / HA RK 17-142

Rb, deelgeschil: botsing inhalende motor en linksaf slaande auto: 40%-60%

Een links inhalende motorrijder (verzoeker) komt in botsing met een links afslaande autobestuurder (verzekerde). 1. De rechtbank komt tot het oordeel dat verzekerde een verkeersfout heeft gemaakt en dat verzoeker eigen schuld heeft aan het ongeval. De stelling dat er sprake is van 100% eigen schuld aan de zijde van verzoeker faalt, omdat uit het deskundigenrapport niet volgt dat verzekerde verzoeker onmogelijk kon zien. Het betoog dat de schadevergoedingsplicht van verzekerde volledig in stand moet blijven faalt ook, omdat niet is komen vast te staan dat verzekerde geen richting aan heeft gegeven. 2. Gelet op de snelheid van verzoeker bij het inhalen, heeft hij voor 60% eigen schuld aan het ongeval. Verweerster moet 40% van de schade en van de kosten van het deelgeschil vergoeden. 3. Kosten deelgeschil: € 3.442,20.

ECLI:NL:RBAMS:2017:8165

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

23-11-2017

Datum publicatie

07-12-2017

Zaaknummer

C/13/628907 / HA RK 17-142

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Een links inhalende motorrijder (verzoeker) komt in botsing met een links afslaande autobestuurder (verzekerde). De rechtbank komt in dit deelgeschil tot het oordeel dat verzekerde een verkeersfout heeft gemaakt en dat verzoeker eigen schuld heeft aan het ongeval. De stelling dat er sprake is van 100% eigen schuld aan de zijde van verzoeker faalt, omdat uit het deskundigenrapport niet volgt dat verzekerde verzoeker onmogelijk kon zien. Het betoog dat de schadevergoedingsplicht van verzekerde volledig in stand moet blijven faalt ook, omdat niet is komen vast te staan dat verzekerde geen richting aan heeft gegeven.

Gelet op de snelheid van verzoeker bij het inhalen, heeft hij voor 60% eigen schuld aan het ongeval. Verweerster moet 40% van de schade en van de kosten van het deelgeschil vergoeden.

Verzekerde hoeft op grond van artikel 7:954 BW lid 7 niet opgeroepen te worden, omdat de WAM verzoeker een eigen recht op schadevergoeding toekent.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

 

 

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

 

zaaknummer / rekestnummer: C/13/628907 / HA RK 17-142

 

Beschikking van 23 november 2017

 

in de zaak van

 

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. R.A.I. Thuys te Diemen,

 

tegen

 

de vereniging

NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGVERZEKERAARS,

gevestigd te Rijswijk,

verweerster,

advocaat mr. E. Bos-van den Berg te Zwolle.

 

1

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, met producties,

het verweerschrift, met producties,

de mondelinge behandeling.

1.2.

Partijen hebben in verband met schikkingsonderhandelingen verzocht om aanhouding. Vervolgens is om een beschikking gevraagd, die is bepaald op heden.

 

1.3.

De rechtbank zal geen acht slaan op de bij brief van 5 oktober 2017 namens verzoeker aan de rechtbank toegezonden stukken. Verweerster heeft niet de gelegenheid gehad om te kunnen reageren op deze stukken en voor de beslissing in dit deelgeschil zijn de stukken ook niet relevant.

 

2

De feiten

2.1.

Op 4 augustus reed [naam 1] over de [straat] in [plaats] . Hij minderde snelheid en achter hem reden nog enkele auto’s. [naam 1] sloeg vervolgens links af om te kunnen parkeren. Verzoeker reed op een motor en is [naam 1] en de achter [naam 1] rijdende auto’s (links) gaan inhalen. Verzoeker en [naam 1] hebben elkaar aangereden. Verzoeker is gewond geraakt. [naam 1] heeft de Duitse nationaliteit en is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij een Duitse verzekeraar. Een Nederlandse verzekeraar, Achmea, treedt in deze procedure op als correspondent voor de Duitse verzekeraar. Verweerster is de formele procespartij.

 

2.2.

In opdracht van Achmea heeft verkeersongevallendeskundige [naam 2] een rapport opgesteld. In het rapport staat:

 

2. Snelheid Opel: [ [naam 1] , rechtbank]

Zoals gezegd is de snelheid waarmee de Opel de afslaande beweging tot de botsplaats maakte een medebepalende factor voor de positie van de Yamaha op enig moment. Wat betreft deze snelheid geeft de Opelbestuurder in zijn laatste verklaring aan, dat zijn snelheid voor het afslaan zo tussen de 10 en 20 km/h was; er werd in de 2e versnelling gereden. […] Gezien de vermelding van de Opelbestuurder dat er in de 2e versnelling werd gereden hecht ik er waarde aan om uit te gaan van deze 10 km/h […].

 

3. Snelheid Yamaha: [verzoeker, rechtbank]

Voor wat betreft de snelheid van de Yamaha zie ik in het door of vanwege de Yamahabestuurder ingevulde SAF een snelheid van 50 km/h vermeld. Daar zal ik vanuit gaan.

 

[…]

C. Beschouwing gedraging Opelbestuurder:

[…]

Wat betreft het richting aangeven kan ik vanuit technische zin geen uitspraak doen. Een optie was geweest om dit direct na de aanrijding aan de unit van het achter knipperlicht te onderzoek; dit is kennelijk niet gebeurd, althans heb ik geen informatie in het dossier aangetroffen.

 

[…]

Uit het voorgaande volgt dat de Opelbestuurder zo’n 2,5 seconde voor de botsing afsloeg. Nu dit moment mijns inziens ook de te beoordelen gedraging binnen het begrip “afslaan” is, is het zaak om te bezien waar de Yamaha zich ± 2,5 seconde voor de botsing bevond (de Yamaha kwam immers gelijk met de Opel bij de botsing). Terugkijkend vanuit de botsing is er gekeken hoeveel tijd er nodig was voor afleggen van de meter zonder aftekening (tussen botsing en einde blokkeerspoor), de geblokkeerde remming en het opbouwen van de remkracht; de resterende tijd binnen die 2,5 seconde heb ik aangehouden als een gelijke snelheid van 50 km/h (daarmee de lezing van de Yamahabestuurder volgend). Daaruit volgde, dat de Yamaha zo’n 34 meter van de botsplaats was verwijderd toen de Opelbestuurder afsloeg. […]

 

 

 

Binnen dit kader wijs ik toch ook nog eens naar de afbeelding hiernaast, waarbij ik 3 auto’s achter de (rode) Opel heb gepositioneerd. Hoewel ik hier willekeurige voertuigen en posities heb aangenomen, valt wel te zien, dat het mogelijk is, dat de Yamaha zich op deze afstand nog achter het laatste voertuig van de rij auto’s bevond (geel omkaderd). Het kan aldus zijn, dat de Yamaha zich daar al op de linkerrijstrook

bevond (zoals het model daar staat). Het zou ook kunnen zijn dat de Yamaha daar nog bezig was met het wisselen van de rechter naar de linkerrijstrook (blauwe pijl) en nog niet

zichtbaar was voor de Opelbestuurder (omdat de Yamaha door de rij auto’s werd afgeschermd). In dat geval is het mogelijk, dat de Opelbestuurder wel heeft gespiegeld, maar de Yamaha nog niet kon zien, hetgeen een verklaring geeft voor de lezing van de Opelbestuurder, dat hij wel heeft gespiegeld maar geen motorrijder had gezien.

 

C. Beschouwing gedraging Yamahabestuurder:

 

Zoals eerder aangekondigd heb ik ook beschouwd of een aanrijding vermijdbaar was geweest indien de Yamahabestuurder het inhalen met een lagere snelheid had uitgevoerd. Daaruit volgde dat deze mogelijkheid er al was geweest bij een snelheid van 40 km/h. Dan was wel nog een remming nodig met een gemiddelde vertraging van 5 m/s2, zijnde goed uitvoerbaar en niet zijnde een noodremming. Daarbij geldt ook dat er niet tot stilstand geremd hoefde te worden, omdat de Opel al voorlangs was toen de Yamaha de plaats van conflict zou bereiken; […]. Uit de simulatie volgt verder dat indien de Yamahabestuurder de rij voertuigen met een snelheid van 30 km/h had ingehaald, dat hij dan zonder af te moeten remmen achterlangs de afslaande Opel had kunnen rijden. Onder deze omstandigheid had de Yamahabestuurder geen hinder van de afslaande Opel ondervonden. […]

 

2.3.

Bij brief van 22 december 2016 schreef een medewerker van Achmea in een brief aan de advocaat van verzoeker (onder meer):

 

[…] Wij vinden dat beiden betrokkenen in gelijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van dit ongeval en gaan de schade van [verzoeker] voor 50% voldoen. […]

 

2.4.

Op 20 maart 2017 schreef Achmea (in een e-mail) aan de advocaat van verzoeker (onder meer):

 

[…] Hoewel begrijpelijk, stel ik vast [dat] uw cliënt het door ons gedane aanbod om de schade voor 50% te vergoeden, niet aanvaard. Om die reden, mede gezien het feit dat u de kwestie aan de deelgeschillenrechter wilt voorleggen, dien ik te noteren dat Achmea het aanbod intrekt. […]

 

3

Het deelgeschil

3.1.

Verzoeker verzoekt (bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad):

 

3.1.1.

een verklaring voor recht dat [naam 1] volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat verzoeker op 4 augustus 2016 is overkomen en dat verweerster aldus gehouden is de volledige schade van [verzoeker] die het gevolg is van het ongeval te voldoen;

 

3.1.2.

de kosten van de procedure in de zin van artikel 1019 aa Rv te begroten op € 3.155,20 te vermeerderen met het griffierecht en te bepalen dat verweerster deze kosten betaalt.

 

3.2.

Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [naam 1] artikel 18 RVV heeft overtreden door verzoeker geen voorrang te verlenen. [naam 1] heeft niet op achteropkomend verkeer gelet en is afgeslagen zonder richting aan te geven. Verzoeker heeft daarom ook geen eigen schuld aan het ongeval, aldus – steeds – verzoeker. Verweerster heeft ook erkend dat [naam 1] ten minste 50% schuld heeft aan het ongeval.

 

3.3.

Verweerster voert als verweer dat als getuigen moeten worden gehoord over de vraag of [naam 1] richting aan heeft gegeven, het verzoek niet geschikt is voor een deelgeschilprocedure. [naam 1] is niet aansprakelijk voor het ongeval: verzoeker reed niet dicht achter hem, zodat artikel 18 RVV niet overtreden is. Als [naam 1] al aansprakelijk is, is er sprake van (volledige) eigen schuld bij verzoeker. Het aantal uren dat is gerekend voor het opstellen van het verzoek (7) is ook onredelijk veel, aldus – steeds – verweerster.

 

4

De beoordeling

4.1.

Over een minnelijke regeling is geen overeenstemming bereikt. De passage waarop verzoeker een beroep doet, moet gelezen worden in de context van de correspondentie tussen een verzekeraar en de advocaat van de wederpartij. Hoewel er geen voorbehoud is gemaakt, hebben partijen bij die correspondentie toch over en weer in redelijkheid mogen begrijpen dat het hier ging om een aanbod om 50% van de schade te vergoeden en niet om een erkenning van 50% schuld. Dat aanbod is niet aanvaard en is vervolgens ook ingetrokken. Verzoeker kan aan dit aanbod nu dan ook geen rechten meer ontlenen. De rechtbank zal beslissen over de mate van aansprakelijkheid, omdat het geschil zich leent voor behandeling als deelgeschil.

 

4.2.

Op grond van artikel 7:954 BW lid 7 is niet vereist dat [naam 1] in deze deelgeschilprocedure wordt betrokken. De WAM kent verzoeker immers een eigen recht op schadevergoeding toe.

 

4.3.

[naam 1] heeft een verkeersfout gemaakt. Op grond van artikel 18 RVV diende [naam 1] verkeer dat zich dicht achter hem bevond, zoals verzoeker, voorrang te verlenen.

Verweerster stelt dat verzoeker maximaal 30 meter achter [naam 1] reed, toen [naam 1] afsloeg. Anders dan verweerster betoogt, betekent dat dat verzoeker zich dicht achter [naam 1] bevond. [naam 1] had dus verzoeker voor moeten laten gaan en dat heeft hij niet gedaan.

 

4.4.

Aan de zijde van verzoeker is er echter sprake van eigen schuld. Zijn snelheid heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade en die omstandigheid kan aan verzoeker worden toegerekend. Op grond van artikel 19 RVV dient hij in staat te zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Hij had gezien dat de auto’s voor hem vaart minderden en heeft, kennelijk zonder te kunnen zien welke reden dat had, een inhaalmanoeuvre ingezet, met een snelheid van – volgens zijn eigen verklaring – 50 km/u, terwijl de auto’s die hij inhaalde aanzienlijk langzamer reden. Toen [naam 1] links afsloeg, kon verzoeker de botsing niet meer voorkomen. Dat wil zeggen dat, naar het oordeel van de rechtbank, de snelheid van verzoeker gelet op de verkeerssituatie te hoog is geweest.

 

4.5.

Verzoeker betoogt dat [naam 1] volledig aansprakelijk moet zijn voor de schade. Daarbij besteedt verzoeker ook veel aandacht aan de vraag of [naam 1] richting heeft aangegeven. De rechtbank overweegt als volgt over de verdeling van de aansprakelijkheid.

 

4.6.

Aan de zijde van [naam 1] was het ongeval vermijdbaar geweest. Uit de door verweerster overgelegde rapportage blijkt dat het mogelijk is dat verzoeker zich nog op de rechterrijbaan (achter [naam 1] ) bevond toen [naam 1] zijn afslag inzette. Dat is een beroep van verweerster op volledige eigen schuld van verzoeker (indien verweerster aansprakelijk zou worden geacht) of op overmacht aan de zijde van [naam 1] (zodat verzoekster dus niet aansprakelijk zou kunnen worden geacht). Omdat beroep te kunnen honoreren is echter vereist dat vast komt te staan dat verzoeker voor [naam 1] niet zichtbaar was voordat [naam 1] zijn afslag inzette. Dat de mogelijkheid daartoe bestond is niet voldoende. Verzoeker heeft verklaard dat hij geruime tijd op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden. De verklaringen van [naam 1] en het deskundigenrapport laten die mogelijkheid ook open. Op basis hiervan valt niet te concluderen dat [naam 1] verzoeker onmogelijk kon zien, voordat [naam 1] zijn afslag inzette. Verweerster heeft het door haar gestelde feitencomplex in het licht van de betwisting onvoldoende onderbouwd zodat haar beroep op bovenstaande rechtsgevolgen faalt.

 

4.7.

Verzoeker stelt dat [naam 1] volledig aansprakelijk is omdat [naam 1] geen richting aangaf en niet goed gekeken heeft. Dit is een beroep (nu van verzoeker) op feiten waarvan de stelplicht en (bij voldoende betwisting) de bewijslast op verzoeker rusten. Niet is vast komen te staan dat [naam 1] geen richting heeft aangegeven: de verklaring van verzoeker dat hij niet heeft kunnen waarnemen dat [naam 1] richting aan had gegeven, is daarvoor niet voldoende. De mogelijkheid dat [naam 1] wel richting heeft aangegeven, maar dat verzoeker dit niet heeft gezien, blijft immers open. Meer of ander bewijs is niet aangeboden. [naam 1] verklaart dat hij wel richting heeft aangegeven en er is geen technisch bewijs dat dit weerspreekt. Evenmin is er bewijs dat [naam 1] bijzonder onachtzaam of onoplettend is geweest bij het afslaan: de mogelijkheid dat [naam 1] verzoeker niet kon zien, is immers ook niet uitgesloten. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat [naam 1] zijn snelheid had teruggebracht tot maximaal 20 km/u, voordat verzoeker begon met inhalen.

 

4.8.

De rechtbank komt tot het volgende oordeel. [naam 1] heeft een verkeersfout gemaakt, maar verzoeker heeft in belangrijke mate eigen schuld gehad aan het ongeval. Hij heeft de auto’s voor hem die snelheid minderden links ingehaald, zonder dat hij wist waarom de auto’s langzamer waren gaan rijden. Het ongeluk is vervolgens ontstaan doordat verzoeker niet tijdig heeft gezien dat [naam 1] wilde afslaan en doordat [naam 1] verzoeker niet tijdig heeft gezien. Daarbij speelt een grote rol dat de snelheid van verzoeker (onder die omstandigheden) te hoog was, waardoor voor beide partijen de tijd die zij hadden om het ongeluk te voorkomen (te) kort is geworden.

 

4.9.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat verzoeker voor 60% eigen schuld heeft aan het ongeval en dat verweerster daarom gehouden is 40% deel van de schade van verzoeker te vergoeden. De verzochte verklaring voor recht zal dan ook slechts gedeeltelijk worden toegewezen.

 

4.10.

Ter zake van de verzochte kostenbegroting en -veroordeling overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten, ook als het verzoek (gedeeltelijk) wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Van deze laatste situatie is in het onderhavige geval geen sprake.

 

4.11.

Bij de begroting van de kosten dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. De advocaat van verzoeker heeft zijn kosten begroot op € 3.155,20 inclusief btw. Bij deze begroting dient het betaalde griffierecht van € 287,00 te worden opgeteld. Tegen het aantal uren is bezwaar gemaakt, maar de rechtbank verwerpt dat verweer. De hoogte van het uurtarief en het aantal gewerkte uren kunnen naar het oordeel van de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil dan ook op € 3.442,20.

 

4.12.

De rechtbank overweegt dat, indien de schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW evenredig met de mate van eigen schuld van de benadeelde wordt verminderd, ook de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate verminderd dient te worden. Dit geldt ook voor de kosten van de behandeling van het deelgeschil, nu deze op grond van artikel 1019aa Rv hebben te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Gelet op het hiervoor vastgestelde percentage eigen schuld van 60% komt 40% van de kosten van het deelgeschil, derhalve € 1.376,88, voor vergoeding door verweerster in aanmerking. De vordering zal op onderstaande wijze worden toegewezen.

 

5

De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

verklaart voor recht dat [naam 1] voor 40% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat verzoeker op 4 augustus 2016 is overkomen en dat verweerster aldus gehouden is 40% van de schade van verzoeker die het gevolg is van het ongeval te voldoen;

 

5.2.

begroot de kosten van het deelgeschil op € 3.442,20 en veroordeelt verweerster tot betaling van € 1.376,88 daarvan aan verzoeker;

 

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017.1

1

type: EJvV coll: