• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • ECLI:NL:RBGEL:2015:1227
  • Zaaknummer: 270479

Rb, deelgeschil: botsing auto met uitgestapte bestuurder na slippartij op snelweg, geen eigen schuld art 185 WVW

Benadeelde raakt bij gladheid op de snelweg in slip en botst op vangrail. Zij stapt uit en loopt letsel op, als gedaagde met zijn auto tegen de stilstaande auto botst, die daardoor doorschiet en tegen benadeelde botst. Tussen partijen staat vast dat art 185 WVW van toepassing is;
zij verschillen van mening over vraag of verzekeraar meer dan 50% moet vergoeden (50%-regel). Verzekeraar stelt dat sprake is van eigen schuld, a. omdat benadeelde een slippartij heeft veroorzaakt en b. omdat zij na de botsing heeft verzuimd om zich in veiligheid te brengen. De rechtbank verwerpt deze verweren. Gelet op de plotseling opgetreden extreme gladheid kan niet worden geoordeeld dat benadeelde zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Benadeelde kan niet kan worden verweten dat zij niet onmiddellijk de tegenwoordigheid van geest heeft gehad om direct achter de vangrail te gaan staan. Kosten deelgeschil € 4.302,95 (uurtarief € 165,-).

ECLI:NL:RBGEL:2015:1227


Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

29-01-2015

Datum publicatie

25-02-2015

Zaaknummer

270479

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Artikel 185 WVW, beroep op eigen schuld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

http://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=73dcd624-eefa-448d-a807-c0ff8d523cf4http://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=5d4b3f39-3853-4273-a770-69cebdf1c77ebeschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/270479 / HA RK 14-133

Beschikking van 29 januari 2015

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te Renkum,

verzoekster,

advocaat mr. M. Mampel te Nijmegen,

tegen

de naamloze vennootschap N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816, SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Oudkarspel,

verweerster,

advocaat mr. H. van Katwijk te Oudkarspel.

Partijen worden hierna [verzoekster] en Noordhollandsche genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het verzoekschrift,

·        

het verweerschrift,

·        

de mondelinge behandeling. Verschenen zijn: mevrouw [verzoekster] (met echtgenoot), mr. Mampel voornoemd, de heer [naam] (bedrijfsjurist van Noordhollandsche) en mr. Van Katwijk voornoemd.

2 De beoordeling

2.1.

[verzoekster] is op 1 februari 2011 omstreeks 19:30 uur betrokken geweest bij een verkeersongeval op de A12 (de doorgaande snelweg richting Utrecht) ter hoogte van Velp, alwaar een maximum snelheid gold van 100 kilometer per uur. [verzoekster] is met haar auto (een Ford Focus) door plotseling optredende gladheid als gevolg van ijzel in een slip geraakt en vervolgens tegen de linker vangrail (op het midden van de snelweg) gebotst. De auto is als gevolg van de botsing met de vangrail schuin op de linker rijbaan (rijbaan 1) tot stilstand gekomen, met de achterkant richting de vangrail en de voorkant richting de vluchtstrook. [verzoekster] is na de botsing via de linker voordeur aan de bestuurderszijde uit de auto gestapt.

2.2.

De heer[naam] (hierna:[naam]), wiens auto (merk Volvo) ingevolge de WAM verzekerd was bij Noordhollandsche, is ter hoogte van Duiven de A12 richting Utrecht opgereden. Bij hem in de auto was ook aanwezig de heer [naam] (hierna: [naam]).[naam] reed met zijn auto aanvankelijk op de rechter rijbaan van de doorgaande snelweg richting Utrecht (rijbaan 2). Voor hem reed een vrachtwagen (bestuurd door de heer [naam] (hierna: [naam]) en met als bijrijder de heer [naam] (hierna: [naam]).[naam] is op enig moment de vrachtwagen links gaan inhalen. Toen[naam] op de linker rijbaan kwam te rijden is hij tegen de rechterzijkant van de aldaar stilstaande auto van [verzoekster] gebotst. De auto van [verzoekster] is daardoor naar voren geschoven en tegen [verzoekster] zelf aan gebotst, die op dat moment naast haar auto stond (aan de linkerzijde, tussen haar auto en de vangrail). [verzoekster] is ten gevolge van die botsing in de lucht geslingerd, over de vangrails geslagen en vervolgens met haar hoofd terecht gekomen op de vangrail. De heer [naam] (hierna: [naam]), ook rijdend op de A12, heeft het ongeval tussen de auto’s van [verzoekster] en[naam] zien gebeuren.

2.3.

Na de botsing tussen de auto’s van [verzoekster] en[naam] is de heer[naam] (hierna: [naam]) met zijn auto (merk Seat) eveneens tegen de auto van [verzoekster] gebotst.[naam]

2.4.

[naam], [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam] hebben tegenover de politie Gelderland-midden verklaringen afgelegd. Uit de processen-verbaal van verhoor (welke dateren van 2 en 3 februari 2011) wordt als volgt geciteerd:

[naam]:

“(…) Ik heb niet gemerkt dat het glad was, tevens had ik de radio uitstaan, dus ik wist niet dat het zo glad was. Ik heb ook niet via de media meegekregen dat het vanaf 18:00 uur glad zou worden in o.a. de provincie Gelderland.

Vervolgens zijn wij bij Duiven de oprit opgegaan, de snelweg A12. (…) Ik heb vervolgens voorgesorteerd naar de linker rijstrook.(…) Toen ik vervolgens ingevoegd was, reed ik op de 1ste rijstrook. Ik zag vervolgens dat er een auto, zonder personen erin, dwars op twee rijstroken stond. Ook zag ik dat de bestuurdersportier open stond. Ik zag dat de neus van de personenauto in de richting van het fietspad stond. De personenauto stond dwars en schuin op de weg. Voor mijn gevoel kon ik niet naar de tweede of rechterrijstrook toe, omdat er iets achter mij een andere auto reed. Ik ben vervolgens gaan remmen, ik heb niet gemerkt dat de ABS in werking werd gesteld. Ik schrok heel erg van de auto die daar dwars en schuin op de weg stond. Ik heb de rem dan ook volop ingetrapt, tot op de bodem. Echter door de gladheid kon ik niet meer tijdig remmen om een aanrijding te voorkomen.

(…)

Ik denk dat ik ongeveer 70 km/uur heb gereden. Ik vermoed dit omdat ik net de snelweg was ingevoegd, dus ik was nog bezig met het wisselen van rijstroken en het maken van snelheid. Ik weet niet wat de maximum snelheid daar is, ik dacht 100 km/uur. Op het moment dat ik begon te remmen, voelde ik dat ik twee tellen grip had, maar vervolgens begon de auto te glijden. Ik zou u niet kunnen vertellen hoeveel afstand er was toen ik begon te reageren en te remmen. Ik heb nog geprobeerd tegen te sturen, echter kon ik een aanrijding niet meer voorkomen. Vervolgens ontstond er een aanrijding tussen mij en de personenauto, welke dwars op de weg stond. Ik zou u niet kunnen vertellen met wat voor snelheid ik tegen de andere personenauto gebotst ben. Ik heb niets of niemand nabij de auto gezien. Ik raakte de personenauto met mijn linkervoorzijde. Ik heb de Ford Focus in de flank geraakt en dit betreft dan de rechterzijde, dus de passagierszijde. Voor mijn gevoel had ik nog niet veel snelheid kunnen verminderen, omdat de auto aan het glijden was en ik geen grip op de weg meer had. (…) Toen wij de auto uitstapten toen merkte ik pas echt hoe glad het was. (…) Ook werden wij niet gewaarschuwd door middel van de matrixborden die boven de weg hangen. Nadat de aanrijding was gebeurd zag ik dat de matrixborden aanstonden en er een snelheid van 50 km/uur erop kwam te staan. (…)”

[naam]:

“(…) Wij zijn omstreeks 19.30 uur, tijdstip weet ik niet precies, richting de snelweg A12 gereden vanuit Duiven. (…) Wij zijn vervolgens de toerit opgereden van de A12 in de richting van Arnhem. (…) Op het moment dat wij boven op de brug waren zijn wij naar links gegaan om de A12 verder te volgen. Wij reden dus vanaf de middenberm gezien op de tweede rijstrook. Vervolgens zag ik dat [naam] (toevoeging rb:[naam]) een voertuig wilde inhalen. Doordat er een voertuig voor ons reed hadden wij geen goed zicht op de weg in die zin dat we niet in de verte konden kijken. Ik weet niet meer wat voor een voertuig voor ons reed.

Net nadat wij een zijdelingse beweging maakte naar links zag ik personenauto midden op de weg stilstaan. Ik kan mij nog herinneren dat [naam] aan het accelereren was. Dus ik denk dat wij ongeveer 60 km/h reden maar, dit weet ik niet zeker. Ik weet niet hoeveel afstand tussen ons en de stilstaande auto was op het moment dat ik de auto opmerkte. Ik weet niet meer of wij al geheel op de linkerrijstrook reden. Ik zag dat de personenauto stilstond op de linkerrijstrook en deels op de tweede rijstrook. (…) Vervolgens zag ik dat wij recht op de auto afreden en vervolgens de auto raakte in de rechterflank. Ik was gefocust op de auto waar we op afreden. Ik weet daarom niet meer hoe [naam] hierop heeft gereageerd. Ik hoorde [naam] later zeggen dat hij wat hij ook probeerde om de auto te ontwijken het niet hielp omdat de auto gewoon rechtdoor reed door de gladheid.

(…)

V (toevoeging rb: verbalisant): Was u en [naam] op de hoogte van het weeralarm?

G (toevoeging rb: getuige): Nee, ik was hier niet van op de hoogte. Ik heb [naam] er ook niet over gehoord. Ik weet niet of [naam] daarvan op de hoogte was.

(…)

V: Weet u met wat voor een snelheid jullie de auto hebben geraakt?

G: Dat zou ongeveer met 60 km/h zijn geweest omdat ik niet het idee hadden dat wij snelheid minderde. Ik moet erbij zeggen dat ik als passagier in de auto zat en de snelheid moeilijk kan inschatten. (…)”

[naam]:

“(…) Mijn snelheid bedroeg ongeveer 100 km per uur.

Opeens zag ik op ongeveer 300 meter voor mij diverse auto remmen cq stilstaan. Ik reageerde door het gas los te laten en rustig bij te remmen.

Op ongeveer 200 meter van mij vandaan zag ik schuin op de rijbaan een personenauto staan.

Deze stond ongeveer 45 graden schuin in de rijrichting.

Ik zag dat er een vrouw achter de personenauto stond. Zij stond vermoedelijk te kijken of er nog schade aan haar auto was. Ik kreeg niet de indruk dat ze zich zorgen maakte om haar eigen veiligheid omdat ze eigenlijk gewoon bleef staan kijken.

Op ongeveer 150 meter toen ik al stapvoets reed, kwam er links of rechts van mij, dat weet ik echt niet meer zeker een donker kleurige stationwagen hevig slingerend voorbij rijden. Ik kreeg de indruk dat de bestuurder probeerde zijn auto onder controle te krijgen om een aanrijding te voorkomen. Ik schat de snelheid van deze auto ongeveer 100 km per uur.

Vervolgens zag ik dat de donker kleurige stationwagen met de voorzijde schuin de linkerflank van de stilstaande auto botste.

Ik zag dat de vrouw die even te voren was uitgestapt, als een lappen pop door de lucht vloog en tussen de vangrail op de grond terecht kwam.(…)”

[naam]:

“(…) Ik zag dat voor ons twee vrachtauto’s reden. Ik zag dat ze beiden remde. Ik zag de remlichten oplichten. Ik zag dat een van twee vrachtauto’s een uitwijkmanoeuvre maakte. Ik zei tegen [naam] (toevoeging rb: [naam]) dat hij moest remmen wat hij deed. Wij reden op dat moment op de 3e baan gezien vanaf de vluchtstrook. Ik zag op de meest linker rijbaan een auto schuin over de rijbaan staan met de neus in de rijrichting. De vrachtauto’s remde ter hoogte van de stilstaande auto. Ik zag dat uit de stilstaande auto een persoon uit de linker voorportier stapte. Ik voelde dat [naam] steeds verder afremde. Ik zag dat wij vervolgens links gepasseerd werden door een donker kleurige station auto. Ik zag dat wij op ongeveer 3 tot vier auto lengtes van de stilstaande auto reden. Ons voertuig reed op dat moment stapvoets. De auto die ons passeerde deed dat met een snelheid van ongeveer 80-100 km/h. Ze reden in ieder geval behoorlijk sneller dan [naam] en ik. Ik zag dat de donker kleurige stationauto remde en een stuurbeweging naar rechts maakte. Ik zag dat de auto de stilstaande auto schuin in de rechterflank raakte. Ik zag vervolgens dat de persoon die uitgestapt was, net iets hoger dan de stilstaande auto door de lucht vloog als een lappen pop. Ik zag dat de persoon tussen de vangrail op de grond terecht kwam.(…)”

[naam]:

“(…) Ik reed op de afslag richting Velperbroek. Ik reed op de meest rechter rijstrook. Dus rijstrook twee vanaf de middenberm gezien. De snelheid die ik reed was ongeveer zeventig kilometer per uur. De snelheid die ik reed baseer ik op de vrachtwagen waar ik op dat moment achter reed, die trok niet snel op. (…) De vrachtwagen heeft op een gegeven moment van rijstrook gewisseld. De vrachtwagen ging naar links. Hierdoor kreeg ik vrij baan.

Vervolgens zag ik dat er ongeveer vijftig á zestig meter voor mij drie personenauto’s reden. Ik zag dat de drie personenauto’s voor mij begonnen te glijden. Ik denk dat dit door de gladheid kwam. Doordat ik begon te remmen voelde ik dat ik begon te glijden. Ik heb de drie personenauto’s kunnen ontwijken.

Vervolgens zag ik dat er een personenauto dwars op de rechterrijstrook stond, dit met de neus richting de vluchtstrook. Ik heb getracht de personenauto te ontwijken, dit lukte echter niet. Hierop is een aanrijding tussen onze beide voertuigen ontstaan. Ik weet dat de personenauto die ik geraakt heb van het merk Ford was.(…)

Voordat het aanrijding plaats vond stonden de MATRIX borden boven het wegdek niet aan. Ik zag dat de MATRIX borden na de aanrijding wel aanstonden. (…) Ik heb de gladheid pas gevoeld op het moment dat ik moest remmen. (…)”

[naam]:

“(…) Ik reed op de 3e rijbaan (gezien vanaf de middenberm). (…) Ik had op het nieuws gehoord dat het glad zou worden en paste ik mijn snelheid aan, maar bleef wel met het verkeer meerijden. Ik reed ongeveer tussen de 70 en 85 kilometer per uur. Dit is een schatting. Ik weet dat daar een maximum snelheid van 100 kilometer per uur geldt. Ik reed een stuk langzamer.

Ik zag een donkerkleurige Volvo stationwagen hard voorbij rijden, in ieder geval harder dan de rest van het verkeer reed. Ik schat dat dit voertuig een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur had. (…) Ik zag een eindje voor mij een voertuig halfschuin op de weg staan, dit was op rijbaan 1. Ik zag vervolgens de Volvo, die ik daarvoor voorbij had zien komen, de auto raken, waarnaar deze naar voren geduwd werd. Ik zag meerdere voertuigen voor mij remmen. Het ging allemaal erg snel. Ik heb me volledig geconcentreerd op het ontwijken van alle voertuigen. Zigzaggend ben ik overal langsop gegaan. Ik heb hierbij geen voertuigen geraakt. Ik drukte op de rem maar merkte dat dit ook weinig effect had. (…)

Over de weersomstandigheden kan ik het volgende verklaren:

Ik had die dag op het nieuws gehoord dat het glad zou worden. Hierdoor had ik mijn snelheid wel iets aangepast. Ik heb voor de brug niets gemerkt van de gladheid. Het was al donker en de matrixborden gaven niets aan. Pas later zag ik, toen ik bij de vrouw stond, dat de matrixborden aan gingen.”

2.5.

Verbalisanten [naam] en [naam] hebben als volgt verklaard over de bevindingen ten tijde en ter plaatse van het ongeval:

“Wij verbalisanten [naam] en [naam] voelden dat het wegdek daar ter plaatse zo glad was dat je te voet nog erg goed moest uitkijken niet ten val te komen.”

2.6.

Uit het Verkort Proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse van 22 februari 2011 wordt het volgende geciteerd:

1.4.1 Verkeersmaatregelen ter plaatse

Wij zagen het volgende:

·        

Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 100 km/h.

·        

Boven de rijbaan van de Rijksweg A-12 zijn matrixboren aangebracht. (Blijkens informatie van de Verkeerscentrale Noord- en Oost Nederland Rijkswaterstaat Oost-Nederland, dhr. [naam], werd op dat moment van het ongeval geen andere maximum snelheid dan de daar geldende 100 km/h aangegeven middels de matrixborden.)

(…)

2. Conclusie

Het omschreven verkeersongeval vond plaats op dinsdag, 01 februari 2011 en werd op of omstreeks 19.41 uur gemeld bij de regiopolitie Gelderland-Midden.

De locatie was de linker rijbaan van de Rijksweg A-12 ter hoogte van hectometeraanduiding 134.9 gelegen buiten de bebouwde kom van Velp, gemeente Rheden.

Omschrijving van de toedracht:

Alle betrokken bestuurders hebben met hun respectievelijke auto’s direct voorafgaande aan het ongeval gereden over de linker rijbaan van de Rijksweg A-12, komende uit de richting Duiven en gaande in de richting van Utrecht.

De bestuurster van de Ford heeft daarmee, direct voorafgaande aan het ongeval, gereden over rijstrook 1 van die rijbaan van de Rijksweg A-12. Blijkens informatie uit de processen-verbaal van verhoor van de betrokkenen uit het BVH van politieregio Gelderland-Midden heeft de Ford kort voor het ongeval stil gestaan op rijstrook 1 van die rijbaan, met de voorzijde in de richting van de vluchtstrook. Kennelijk is bestuurster van de Ford verrast door plotselinge gladheid, met haar voertuig in een slip geraakt en met de linkerzijde van de Ford de links van rijstrook 1 gelegen geleiderail gebotst. Daarbij ontstonden waarschijnlijk de parallel lopende krassen, gemarkeerd met gele pijlen in foto 9310.

Waarschijnlijk is de bestuurster van de Ford vervolgens uitgestapt en heeft zij aan de linkerzijde van haar voertuig/de Ford gestaan op het moment dat de Volvo met de voorzijde tegen de rechterzijde van de Ford botste. Door de botsing werd de Ford met kracht verplaatst in de rijrichting van de Volvo en werd de naast de Ford staande bestuurster door haar eigen auto over de geleiderail geworpen waarna zij op de genoemd stalen roosters terecht kwam. Daarbij ontstond waarschijnlijk de deuk in het linker achterportier werd de ruit in dat portier vernield. De Ford is vervolgens naar de vluchtstrook doorgerold, danwel gegleden.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen, dat de Seat en de Ford elkaar eveneens hebben geraakt. Gezien de positie van de aangetroffen sporen is dit geweest na de botsing tussen de Ford en de Volvo. Het precieze moment wanneer de Seat de Ford heeft geraakt hebben wij uit de aangetroffen sporen niet kunnen achterhalen. (…)”

2.7.

[verzoekster] heeft Noordhollandsche bij brief van 16 juni 2011 aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van het ongeval geleden schade. Noordhollandsche heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend. Tussen partijen is – onder meer – gecorrespondeerd of, en zo ja in welke mate, er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster].

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt:

1.    voor recht te verklaren (primair) dat de schadevergoedingsverplichting van Noordhollandsche ter zake het ongeval van 1 februari 2011 niet dient te worden verminderd als gevolg van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster], dan wel (subsidiair) een eigen schuldpercentage vast te stellen dat minder is dan 50%;

2.    de kosten van deze deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv te begroten op een bedrag van € 5.733,05 en Noordhollandsche te veroordelen tot betaling daarvan en zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na afgifte van de beschikking.

3.2.

[verzoekster] heeft het navolgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Zij acht Noordhollandsche gehouden tot vergoeding van 100% van haar schade, welke zij heeft geleden als gevolg van het haar overkomen ongeval op de A12 op 1 februari 2011. Volgens [verzoekster] is aan haar zijde geen sprake van eigen schuld (artikel 6:101 BW). [verzoekster] voert aan te zijn overvallen door de plotseling optredende ijzel. Zij is in een slip geraakt en vervolgens tegen de vangrail tot stilstand gekomen. Zij is toen in een shocktoestand uit haar auto gestapt om zichzelf achter de vangrail in veiligheid te brengen. Op dat moment is de auto van[naam], die ook in een slip raakte, tegen haar auto gebotst, waardoor zij zelf tegen de vangrail is geslingerd. Daarvan kan haar rechtens geen enkel verwijt worden gemaakt, aldus [verzoekster]. Zij heeft dan ook geen bijdrage gehad aan het haar overkomen ongeval. Voor zover al sprake zou zijn van eigen schuld, dan brengt overigens de billijkheidscorrectie, wegens de ernstige gevolgen van het ongeval, met zich dat Noordhollandsche ook in dat geval voor 100% aansprakelijk is, aldus – kort samengevat – [verzoekster].

Ter zitting heeft [verzoekster] (in verband met de mogelijke toepasselijkheid van de zogenaamde 50% regel, waarover hierna meer) nog aangevoerd dat zij het[naam] (de verzekerde van Noordhollandsche) verwijt dat hij niet goed heeft geanticipeerd. Hij heeft kunnen en moeten zien dat het verkeer om hem heen vaart minderde en hij had daarom zijn snelheid moeten aanpassen. Hij heeft de verkeerssituatie niet goed ingeschat, met de botsing met de auto van [verzoekster] tot gevolg.

3.3.

Noordhollandsche heeft verweer gevoerd. Volgens haar heeft [verzoekster] causaal bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (eigen schuld). Zij heeft immers de eerste slippartij veroorzaakt waardoor zij met haar auto dwars op de snelweg is komen te staan. Bovendien heeft zij zich vervolgens niet (snel genoeg) in veiligheid gebracht door achter de vangrail te gaan staan. In dat kader heeft Noordhollandsche verwezen naar de getuigenis van [naam] (r.o. 2.4.). Voor zover [verzoekster] de slippartij niet kan worden verweten, kan ook[naam] daarvan geen verwijt worden gemaakt. Hij heeft, anders dan [verzoekster] stelt, niet kunnen anticiperen op de verkeerssituatie voor zich. Hij bevond zich immers achter vrachtwagens zodat hij geen vrij uitzicht had op de verkeerssituatie. Bovendien verminderden de vrachtwagens voor hem vaart doordat zij hun gas loslieten, waardoor geen sprake was van oplichtende remlichten. Ook hij is bij zijn inhaalmanoeuvre overvallen door de gladheid en door de auto van [verzoekster] die zich dwars op de rijbaan voor hem bevond.

Deze afwegingen brengen mee dat de combinatie van de eigen schuld in het kader van de afweging van de fouten, gecombineerd met een eventuele billijkheidscorrectie, niet leidt tot een hoger percentage aansprakelijkheid dan 50%, ook indien daarbij het letsel en het verzekeringsaspect worden betrokken, aldus Noordhollandsche.

4 De beoordeling

4.1.

Het partijdebat spitst zich toe op de vraag of Noordhollandsche gehouden is meer dan 50% van de schade van [verzoekster] te vergoeden. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop. Tussen partijen staat vast dat[naam] aansprakelijk is voor de door het verkeersongeval aan [verzoekster] toegebrachte schade op de voet van artikel 185 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: Wvw), en Noordhollandsche vervolgens op basis van de artikelen 3 en 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (verder: Wam). Noordhollandsche heeft geen beroep op overmacht gedaan. Dat leidt in beginsel tot 100% aansprakelijkheid van (de verzekeraar van)[naam]. Kern van het geschil is de vraag of de vergoedingsplicht van Noordhollandsche op de voet van artikel 6:101 BW verminderd moet worden en zo ja, in hoeverre. Uit de stellingen van Noordhollandsche volgt dat zij zich op het standpunt stelt dat haar vergoedingsplicht met 50% moet worden verminderd. Volgens [verzoekster] dient deze volledig in stand te blijven. In dit verband wordt het volgende vooropgesteld.

4.2.

Wanneer de eigenaar van het motorrijtuig in beginsel krachtens artikel 185 Wvw aansprakelijk is, omdat hij niet overmacht aannemelijk heeft gemaakt, doch er wel een fout van de fietser of voetganger is, zonder dat evenwel sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, eist de billijkheid bij de verdeling van deze schade over de betrokkenen dat tenminste 50 procent van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Dit brengt mede dat deze eigenaar in ieder geval aansprakelijk is voor de helft van de schade van de fietser of voetganger. Ten aanzien van de andere helft is in beginsel beslissend in hoeverre de — foutieve — gedragingen van de eigenaar en de fietser of voetganger tot de schade hebben bijgedragen (HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566) (de zogenaamde 50% regel). Ingevolge dat arrest — zoals dit moet worden verstaan — zal vervolgens nog moeten worden nagegaan of wellicht naar de maatstaven van artikel 6:101 BW meer dan 50% van de schade ten laste van (de verzekeraar van)[naam] moet worden gebracht, hetzij omdat zijn gedragingen in verhouding tot die van [verzoekster] voor meer dan 50% tot de schade hebben bijgedragen, hetzij omdat de in artikel 6:101 lid 1 BW bedoelde billijkheid, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een zodanige verdeling eist dan wel eist dat de schade geheel ten laste van (de verzekeraar van)[naam] komt.

4.3.

Niet in geschil is dat geen sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van [verzoekster]. Kortom, beoordeeld moet worden of [verzoekster] een fout heeft gemaakt. Indien dat het geval is dan dient Noordhollandsche in ieder geval de helft van de schade van [verzoekster] te vergoeden, maar kan dat percentage hoger (tot 100%) zijn indien aan[naam] toe te rekenen omstandigheden, in verhouding tot die welke aan [verzoekster] zijn toe te rekenen, voor meer dan de helft tot de schade hebben bijgedragen, of indien de billijkheid dat eist.

4.4.

De eerste vraag die dus beantwoord moet worden is de vraag of de schade van [verzoekster] mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoekster] kan worden toegerekend, en pas in het verlengde daarvan – als sprake is van een fout van [verzoekster] – de vraag of toepassing/invulling van de 50% regel dan met zich brengt dat Noordhollandsche voor meer dan 50% jegens [verzoekster] vergoedingsplichtig is. Voordat aan die laatste vraag wordt toegekomen dienen dus eerst de verwijten van Noordhollandsche te worden beoordeeld.

4.5.

In artikel 6:101 BW is bepaald dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat nog een billijkheidscorrectie kan plaatsvinden.

Toepassing van het artikel komt slechts aan de orde wanneer de schade in causaal verband staat zowel met de gebeurtenis op grond waarvan de aangesprokene aansprakelijk gesteld kan worden als met een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. De benadeelde dient zich anders te hebben gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou doen (TM, Parl. Gesch. 6, p. 351.). De bewijslast daarvan rust op de aansprakelijke partij (HR 11 juni 2010, LJN BM1733).

4.6.

Noordhollandsche heeft [verzoekster] twee verwijten gemaakt die volgens haar eigen schuld opleveren. Het eerste verwijt is het veroorzaken van de eerste slippartij, waardoor [verzoekster] met haar auto tegen de vangrail is gebotst en op de linker rijbaan van de snelweg tot stilstand is gekomen, en het tweede verwijt is dat zij na de botsing heeft verzuimd om zich in veiligheid te brengen.

4.7.

Ten aanzien van het eerste verwijt (de slippartij) wordt als volgt overwogen. Uit diverse getuigenverklaringen en het Verkort Proces-verbaal Verkeers Ongeval analyse blijkt dat ten tijde van het ongeval, rond 20.00 uur, op de boven de snelweg aanwezige matrixborden geen andere snelheid dan de daar geldende maximumsnelheid van 100 km/h werd aangegeven. Getuige [naam] heeft verklaard dat voor hem drie personenauto’s begonnen te glijden en dat hij bij het remmen ook begon te glijden. Hij heeft de gladheid pas gevoeld op het moment dat hij moest remmen. Hij heeft drie personenauto’s kunnen ontwijken en is vervolgens op de auto van [verzoekster] gebotst (uit het Verkort Proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse volgt dat dat gebeurd is nadat[naam] op de auto van [verzoekster] was gebotst). [naam] heeft verklaard dat hij wilde remmen maar dat dit weinig effect had. De (extreme) gladheid wordt ook bevestigd door de verbalisanten [naam] en [naam], die ter plaatse zijn geweest (r.o. 2.5.). Noordhollandsche heeft terzake ook geen andere concrete feiten en/of omstandigheden gesteld. Gelet op het voorgaande, gegeven de vaststaande weersomstandigheden en de plotseling opgetreden extreme gladheid, en bij gebreke van een andere oorzaak voor de slippartij, kan niet worden geoordeeld dat [verzoekster] zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Anders gezegd, dat sprake is geweest van een (bestuurders)fout aan de zijde van [verzoekster] is niet gebleken.

4.8.

Dan resteert de stelling van Noordhollandsche dat er langere tijd is verstreken tussen de slippartij en de aanrijding door[naam] en dat [verzoekster] zich na de slippartij ten onrechte niet in veiligheid heeft gebracht. Noordhollandsche heeft zich in dit kader gebaseerd op de getuigenverklaringen, waaruit blijkt dat geen van de getuigen de eerste slippartij en botsing hebben gezien, en op de getuigenis van [naam] waar hij zegt: Ik zag dat er een vrouw achter de personenauto stond. Zij stond vermoedelijk te kijken of er nog schade aan haar auto was. Ik kreeg niet de indruk dat ze zich zorgen maakte om haar eigen veiligheid omdat ze eigenlijk gewoon bleef staan kijken.

Noordhollandsche heeft voorts aangevoerd dat, ook als er vanuit wordt gegaan dat er tussen het moment van uitstappen uit de auto en de aanrijding door[naam] slechte enkele seconden heeft gelegen (zoals [verzoekster] stelt en Noordhollandsche betwist), ook dan de conclusie moet zijn dat [verzoekster] niet meteen de veiligheid van de vangrail heeft opgezocht. In enkele seconden is immers een afstand van 5 meter te voet eenvoudig af te leggen (een gemiddelde rijstrook is ongeveer 3,5 meter breed), aldus Noordhollandsche.

4.9.

[verzoekster] heeft het voorgaande betwist. Zij heeft aangegeven dat zij van het ongeval zelf niets meer weet. Zij heeft aangegeven dat het zo moet zijn gegaan dat zij na de eerste botsing in een shocktoestand uit de auto is gestapt met het doel om zich in veiligheid te brengen. Luttele seconden daarna is zij vervolgens aangereden door[naam]. [verzoekster] heeft voorts de betrouwbaarheid van de getuigenis van [naam] in twijfel getrokken.

4.10.

Vast staat dat de slippartij en de aanrijding door[naam] op 1 februari 2014 rond 20:00 uur hebben plaatsgevonden en dat er – blijkens de diverse getuigenverklaringen – redelijk veel verkeer op de snelweg aanwezig was. Daaruit mag worden afgeleid dat tussen de eerste slippartij, het uitstappen van [verzoekster] en de daarop volgende aanrijding door[naam] niet heel veel tijd kan hebben gelegen en dat die gebeurtenissen zich vrij kort na elkaar moeten hebben voltrokken. [verzoekster] is via het bestuurdersportier (dus aan de linkerkant van de auto) uit de auto gestapt en heeft de vangrail niet bereikt, voordat de auto van[naam] tegen haar auto botste. Van de eerste slippartij en het uitstappen door [verzoekster] uit haar auto zijn geen getuigen (althans dat is gesteld noch gebleken) en ook [verzoekster] zelf heeft daar geen herinneringen aan. Verder staat vast dat het op het moment van de aanrijding door[naam] donker was en dat slechts twee van de zes getuigen [verzoekster] vóór die aanrijding hebben waargenomen. Van die twee getuigen heeft alleen [naam] verklaard dat hij vermoedt dat [verzoekster] stond te kijken naar de schade aan haar auto en dat hij de indruk kreeg dat ze zich geen zorgen maakte over haar eigen veiligheid, omdat ze eigenlijk gewoon bleef staan kijken. De verklaring van [naam] betreft met andere woorden een eigen interpretatie/invulling van deze feitelijke toestand. Deze interpretatie wordt echter op geen enkele wijze door andere feiten of omstandigheden en/of getuigenverklaringen ondersteund. Voor de stelling dat er langere tijd heeft gelegen tussen het uitstappen van [verzoekster] en de aanrijding door[naam] zijn er dan ook te weinig aanknopingspunten die dat onderbouwen. De feiten en omstandigheden die Noordhollandsche in dat kader inroept kunnen die stelling – gelet op de hiervoor weergegeven vaststaande feiten – in ieder geval niet dragen.

4.11.

Noordhollandsche stelt verder dat, ook als er tussen het uitstappen van [verzoekster] en de aanrijding door[naam] slechts enkele seconden heeft gelegen, [verzoekster] verweten kan worden dat zij niet meteen de veiligheid van de vangrail heeft opgezocht.

4.12.

[verzoekster] is naar eigen zeggen met een snelheid van 70 à 80 kilometer per uur in een slip geraakt, zodat moet worden aangenomen dat zij met een forse klap tegen de vangrail zal zijn gebotst. Noordhollandsche stelt dat de snelheid van [verzoekster] niet vaststaat, maar als [verzoekster], zoals Noordhollandsche niet uitsluit, harder heeft gereden, dan zal de klap alleen maar groter zijn geweest. De rechtbank overweegt dat, als [verzoekster] na het uitstappen daadwerkelijk even naast haar auto heeft gestaan, haar, gezien de omstandigheden (de plotseling optredende gladheid, de slippartij en de botsing tegen de vangrail), niet kan worden verweten dat zij niet onmiddellijk de tegenwoordigheid van geest heeft gehad om direct achter de vangrail te gaan staan. Op grond daarvan kan niet geoordeeld worden dat [verzoekster] zich in de gegeven omstandigheden anders heeft gedragen dan een redelijk handelend mens in diezelfde omstandigheden zou hebben gedaan.

4.13.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van eigen schuld van [verzoekster] in de zin van artikel 6:101 BW. Er bestaat dan ook geen aanleiding de vergoedingsplicht van[naam] (en daarmee van Noordhollandsche) te verminderen. Dat betekent dat Noordhollandsche volledig aansprakelijk is voor de door [verzoekster] als gevolg van de aanrijding door[naam] geleden en nog te lijden schade. De primair verzochte verklaring voor recht is dus toewijsbaar.

4.14.

Ter zake van de kosten van deze procedure geldt het volgende.

Uit het voorgaande volgt dat het indienen van het onderhavige verzoekschrift niet volstrekt onterecht of overbodig was. Daarom wordt overgegaan tot begroting op de voet van artikel 1019 aa Rv.

[verzoekster] voert in dit verband de kosten op van de door haar advocaat verrichte werkzaamheden tegen een uurtarief van € 165,00, exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw. Tegen dit tarief, dat niet onredelijk voorkomt, heeft Noordhollandsche zich niet verzet.

[verzoekster] wenst in totaal 19 uren aan werkzaamheden van haar advocaat begroot te zien: 12 uren ter zake van het opstellen van het verzoekschrift, 1 uur ter zake van de bestudering van het verweerschrift, 2 uur ter zake van de voorbereiding van de zitting en 4 uren ter zake van de mondelinge behandeling, inclusief reistijd. Noordhollandsche heeft aangevoerd dat een tijdsbesteding van 15 uur volstaat. Dat verweer wordt verworpen. [verzoekster] heeft de werkzaamheden deugdelijk gespecificeerd. Waar het efficiënter kon heeft Noordhollandsche niet concreet aangegeven. De rechtbank acht een tijdsbesteding van 19 uur redelijk. Het totaal te begroten bedrag komt uit op € 4.302,95 (inclusief griffierecht). Nu haar aansprakelijkheid vaststaat zal Noordhollandsche worden veroordeeld het verzochte bedrag aan [verzoekster] te voldoen.

5 De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de schadevergoedingsverplichting van Noordhollandsche ter zake van het ongeval op 1 februari 2014 niet dient te worden verminderd als gevolg van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster];

5.2.

begroot de kosten bij de behandeling van dit verzoek aan de zijde van [verzoekster] op € 4.302,95 en veroordeelt Noordhollandsche tot betaling van dit bedrag aan [verzoekster].

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2015.