• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 11 oktober 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:7165
  • Zaaknummer: C/05/300449 / HA RK 16-80

Rb, deelgeschil: bezitter aansprakelijk voor letsel door onstuimige hond, geen eigen schuld

Verzoekster wordt omver gelopen door de hond van gedaagde, die met zijn aan het spelen was en loopt letsel op. 1. De rechtbank acht verweer aansprakelijk ex art 6:179 BW. De rechtbank verwerpt het beroep op risicoaanvaarding. 2. De rechtbank oordeelt dat evenmin sprake is van eigen schuld. Gesteld noch gebleken is dat eiseres bekend was met het wilde gedrag van de hond. Gesteld is slechts dat gedaagde in algemene zin aan eiseres heeft aangegeven dat hond druk was, niet dat hij, eenmaal losgelaten, in volle vaart tegen personen kon aanrennen. Het loslaten van de hond en het niet uitwijken levert geen eigen schuld op. 3. Kosten deelgeschil afgewezen. Vast staat dat verzoekster is verzekerd tegen de kosten van rechtsbijstand en dat deze kosten ook daadwerkelijk worden gedragen door haar rechtsbijstandsverzekeraar. Niet valt dan in te zien waarom deze kosten voor verzoekster een schadepost vormen.

ECLI:NL:RBGEL:2016:7165

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 11-10-2016
Datum publicatie 07-08-2017
Zaaknummer C/05/300449 / HA RK 16-80

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Aansprakelijkheid voor dieren. Rechtsverwerking. Eigen schuld. Toerekening. Rechtsbijstandsverzekering. Kostenbegroting.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

  .   .beschikking

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Arnhem

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/05/300449 / HA RK 16-80 / 103 / 512

 

 

 

 

Beschikking van 11 oktober 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoekster,

 

advocaat mr. C. Harmsen te Enschede,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 [gedaagde sub 1] ,

 

 

wonende te [woonplaats] ,

 

2. de onderlinge waarborgmaatschappij

 

DE ALGEMENE FRIESE ONDERLINGE SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ ‘ZEVENWOUDEN’ U.A.,

 

gevestigd te Leeuwarden,

 

verweerders,

 

advocaat mr. M. Kremer te Groningen.

 

 

 

 

De partijen worden verder [eiser] , [gedaagde sub 1] en Zevenwouden genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het verzoekschrift

 

– de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [eiser] vergezeld van mr. Harmsen voornoemd, en mr. Kremer voornoemd. Mrs. Harmsen en Kremer hebben het standpunt van hun cliënten mede aan de hand van notities uiteengezet.

 

 

 

2 De beoordeling

 

2.1.

Op 9 mei 2013, aan het einde van de middag, waren [eiser] , [gedaagde sub 1] en mevrouw [naam 1] , ieder met zijn of haar hond, respectievelijk genaamd [hond 1] , [hond 2] en [hond 3] , aanwezig op het omheinde veldje, gelegen aan de [adres 1] te [plaats] , ter hoogte van de kruising met de [adres 2] . Op enig moment, toen de honden niet meer waren aangelijnd en elkaar achterna zaten, is [hond 2] , een Amerikaanse staffordshireterriër, tegen het linkerbeen van [eiser] aangerend. Zij is de volgende dag op de afdeling spoedeisende hulp van ziekenhuis Rijnstate gezien, waar een botbreuk in het linker kniegewricht werd geconstateerd. Daaraan is [eiser] vervolgens geopereerd.

 

 

2.2.

 

Essenstam voornoemd heeft op schrift het volgende over de toedracht verklaard:

 

[eiser] bevond zich al met die jongen op het veld toen wij er aan kwamen lopen met onze hond. Op dat moment had iedereen zijn hond nog aan de lijn. Toen stelde mevrouw [eiser] voor om de honden los te laten zodat ze nog even lekker met elkaar konden spelen. Wij stemden gelijk in wij omdat onze hond ( [hond 3] ) en de hond van mevrouw [eiser] ( [hond 1] ) altijd graag met elkaar laten spelen en vonden het geen probleem. Die jongeman wilde aanvankelijk zijn hond niet loslaten en aarzelde omdat hij onze honden niet kende. Mevrouw [eiser] haalde hem hiertoe over en zei: ach laat jouw hond ook maat los, dat gaat best goed’. Toen liet die jongen zijn hond ook los. En het ging inderdaad ook goed, alle drie de honden dolden, tuimelden vrolijk over elkaar heen en renden in volle vaart achter elkaar aan over het veld.

 

Wij vieren waren ondertussen met elkaar aan het praten. Toevalligerwijs hadden we het er met elkaar over hoe lomp die honden kunnen zijn, niets zien als ze aan het spelen zijn en onbenullig tegen je aan konden knallen. Daarop zei [eiser] “nou, ik ga geen stap voor de beesten aan de kant. Als je gewoon blijft staan is er niets aan de hand” en voegde gekscherend toe dat die honden maar moeten uitkijken waar ze lopen. Alsof ze hiermee het lot over zich afriep, zagen we even later de honden weer aan komen stormen. De hond van die jongen rende nu voorop, daarachter [hond 1] (de hond van [eiser] ) en [hond 3] (mijn hond) sukkelde er zoals gewoonlijk achteraan. De honden hadden alleen oog voor elkaar en toen botste de hond van die jongen in volle vaart tegen de voorkant van de benen van [eiser] . Hierdoor kwam ze niet zozeer te vallen maar wel boog ze onmiddellijk (van de pijn, schrik, vaart?) voorover en zette haar handen op de grond.”

 

 

 

2.3.

 

Over het voorval heeft [gedaagde sub 1] als volgt schriftelijk verklaard:

 

“Ik was mijn hond aan het uitlaten bij ons in het dorp waar wij nog maar net woonachtig waren onderweg kwam ik [eiser] tegen die me aansprak op mijn hond. Ik heb haar toen aangegeven dat ik liever niet had dat ze met haar hond dichtbij mijn hond kwam omdat mijn hond vrij druk is maar [eiser] bleef hierop aandringen dus uiteindelijk heb ik duidelijk gezegd kom maar dichterbij maar wel op u eigen risico uiteindelijk ging dat redelijk goed.

 

Toen ik zei ik ga weer verder lopen liep zei achter me aan waarop ik omdraaide met me hond en toen begon [eiser] weer te zeuren waarom ik niet even mee ging na het honden veldje bij de voetbalclub waarop ik weer meerdere malen heb aangegeven dat ik daar echt niet achter stond.

 

Vanaf hier pas ik mijn verklaring volledig aan op de verklaring van [naam 1] over de gebeurtenissen want die zijn gelijkwaardig aan mijn ervaring van 09-05-2013.”

 

 

 

2.4.

 

De schriftelijke verklaring van [eiser] over het ongeval luidt als volgt:

 

“Op donderdag 9 mei 2013 ben ik zoals altijd na het eten met mijn hond gaan wandelen. Omdat het redelijk weet was ben ik op het veld bij de kanovijver terecht gekomen. Op dit veld kunnen honden lekker loslopen omdat er een hek omheen staat waardoor weglopen bijna niet aan de orde is. Toen ik op dat veld was, waren daar ook [gedaagde sub 1] met zijn hond en [naam 1] met haar vriend en hun hond.

 

Ik ben in gesprek geraakt met [naam 1] terwijl de honden ieder voor zich plezier hadden op het veld. Daar hadden we het over en daar genoten we van.

 

Op een gegeven moment zie ik de hond van [gedaagde sub 1] in volle vaart op mij af komen. Op dat moment wilde ik [naam 1] een antwoord geven op haar vraag en keek haar aan. Twee tellen later liep de hond van [gedaagde sub 1] in volle vaart tegen mijn been.”

 

 

 

2.5.

 

Aanvullend heeft [eiser] het volgende schriftelijk verklaard:

 

“Mijn positie T.o.v. de hond van [gedaagde sub 1] was alsvolgt:

 

Ik, [naam 1] en haar vriend stonden naast elkaar met ons lichaam in de richting vanwaar de hond vandaan kwam. Omdat de hond op zeker 20 mtr van ons vandaan liep had ik geen enkel gevoel of idee dat het dier uitgerekend op mij af zou komen en mij omver zou lopen. Aangezien ik in gesprek was met mevr. [naam 1] die naast mij stond keek ik haar aan omdat dit normaal is wanneer je met iemand in gesprek bent. Ik heb daarbij geen enkel moment de angst gehad dat ik wel eens door de hond geraakt zou kunnen worden want anders had ik echt wel opgelet. Omdat ik mijn hoofd naar rechts had gedraaid raakte de hond buiten mijn gezichtsveld. Daardoor heb ik totaal geen idee gehad dat dit beest op mij af kwam en niet langs mij op liep terwijl daar alle ruimte voor was en een doorsnee hond dat normaal gesproken doet.”

 

 

 

2.6.

[eiser] houdt [gedaagde sub 1] op de voet van artikel 6:179 BW aansprakelijk voor de schade die zij lijdt als gevolg van de botsing. Zevenwouden, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde sub 1] , heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

 

 

2.7.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank, op de voet van artikel 1019w Rv,

 

– voor recht zal verklaren dat [gedaagde sub 1] en/of Zevenwouden aansprakelijk zijn c.q. is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het door de hond van [gedaagde sub 1] veroorzaakte ongeval op 9 mei 2013,

 

– althans voor recht zal verklaren dat [gedaagde sub 1] en/of Zevenwouden voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage aansprakelijk zijn c.q. is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het door de hond van [gedaagde sub 1] veroorzaakte ongeval op 9 mei 2013,

 

met begroting van en veroordeling van [gedaagde sub 1] en Zevenwouden in haar kosten bij de behandeling van dit verzoek.

 

 

2.8.

Voor zover van belang zal het verweer van [gedaagde sub 1] en Zevenwouden hierna aan de orde komen.

 

 

2.9.

Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] , als bezitter van de hond die tegen [eiser] is aangerend, in beginsel op de voet van artikel 6:179 BW (risico)aansprakelijk is voor de schade die deze hond bij [eiser] heeft aangericht.

 

 

2.10.

[gedaagde sub 1] en Zevenwouden werpen in de eerste plaats op dat [eiser] haar recht heeft verwerkt om een beroep te doen op artikel 6:179 BW, omdat zij heeft aanvaard dat het loslaten van [hond 2] door van [gedaagde sub 1] voor haar eigen risico zou komen. In dat verband is het volgende van belang.

 

 

2.11.

Ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat, zoals [gedaagde sub 1] en Zevenwouden stellen en [eiser] betwist, [gedaagde sub 1] [hond 2] pas heeft losgelaten nadat hij [eiser] op het drukke karakter van [hond 2] had gewezen en de voorwaarde had gesteld dat het loslaten voor eigen risico van [eiser] zou komen, slaagt dit verweer niet. Het loslaten was erop gericht dat de drie honden vrijelijk met elkaar konden ravotten, zo volgt uit de schriftelijke verklaringen van zowel [naam 1] als [gedaagde sub 1] , welke verklaringen verweerders op dat punt niet hebben betwist. Bij risico’s in dat verband moet hoofdzakelijk worden gedacht aan hetgeen de betrokken honden elkaar zouden kunnen aandoen, niet aan gevaren voor toekijkende personen. In deze omstandigheden en zonder verdere toelichting door [gedaagde sub 1] en Zevenwouden, heeft [eiser] door het aanvaarden van de voorwaarde bij [gedaagde sub 1] hooguit het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen wekken dat zij eventuele schade aan [hond 1] zelf zou dragen, niet dat zij afzag van een eventuele aanspraak op vergoeding van eigen letselschade, een bepaald verstrekkende aanname.

 

 

2.12.

Aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en vergoedingsplicht van [gedaagde sub 1] en Zevenwouden staan hiermee vast. Vervolgens is de vraag of de vergoedingsplicht vanwege eigen schuld op de voet van artikel 6:101 BW moet worden verminderd, zoals [gedaagde sub 1] en Zevenwouden stellen en [eiser] betwist. In dat verband geldt het volgende.

 

 

2.13.

Voor het aannemen van eigen schuld is vereist dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend. De vraag is dan of [eiser] zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou doen.

 

 

2.14.

[gedaagde sub 1] en Zevenwouden stellen in dit verband dat [eiser] , ondanks waarschuwingen voor het risico daarvan, bij [gedaagde sub 1] is blijven aandringen op het loslaten van [hond 2] , dat [eiser] bewust, dan wel uit onoplettendheid niet is uitgeweken voor [hond 2] , en dat [hond 1] in het geheel ook een rol speelde omdat de drie honden achter elkaar aan renden.

 

 

2.15.

Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend in de hiervoor bedoelde zin. Daartoe wordt het volgende overwogen.

 

 

2.16.

De ratio van de – risico – aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW is gelegen in het gevaar dat in de eigen energie van het dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. De wetgever heeft een beroep op eigen schuld ook mogelijk geacht bij aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW. Daarbij is onder meer gedacht aan door het dier aangerichte schade die mede te wijten is aan onvoorzichtigheid of roekeloosheid van de benadeelde. Als voorbeelden worden genoemd de bezoeker van een dierentuin die door eigen onvoorzichtigheid wordt gebeten of en jongen die een dier ophitst en er door wordt gekwetst. (PG Nieuw BW, Boek 6, Kluwer Deventer 1981, p. 765.) Tegen deze achtergrond is het volgende van belang.

 

 

2.17.

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] bekend was met het concrete gedrag van [hond 2] . Gesteld is slechts dat [gedaagde sub 1] in algemene zin aan [eiser] heeft aangegeven dat [hond 2] druk was, niet dat deze hond, eenmaal losgelaten, in volle vaart tegen personen kon aanrennen. Bij gebrek aan wetenschap ter zake van dit bijzondere gevaar voor kwetsuren is het aandringen op loslaten van [hond 2] , het loslaten van [hond 1] , en het niet uitwijken niet als abnormaal gedrag te kwalificeren. Het is juist het gevaar van de onberekenbaarheid van de eigen energie van een dier dat zich hier heeft verwezenlijkt en met het oog waarop art. 6:179 BW is ingevoerd. (Vgl. Rb. Amsterdam, 6 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW9368.) Het gestelde aandringen op loslaten van [hond 2] , het loslaten van [hond 1] en het niet uitwijken levert dan ook geen eigen schuld op.

 

 

2.18.

[gedaagde sub 1] en Zevenwouden hebben subsidiair een beroep gedaan op ‘medeschuld’. Voor zover zij daarmee doelen op een toepassing van artikel 6:101 BW waarbij de vergoedingsplicht gedeeltelijk vervalt, strandt dat verweer op de hierboven aangegeven gronden. Voor zover zij daarmee op de toepassing van artikel 6:103 BW doelen gaat dat verweer niet op. Hier is geen sprake van de situatie dat op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust.

 

 

2.19.

De slotsom is dat [gedaagde sub 1] voor de schade volledig aansprakelijk is en Zevenwouden ook, in die zin dat Zevenwouden de schade volledig dient te vergoeden, in welke zin [eiser] het petitum van het verzoekschrift tijdens de mondelinge behandeling heeft verduidelijkt.

 

 

2.20.

 

Ter zake van de kosten aan de zijde van [eiser] bij de behandeling van dit verzoek is het volgende van belang.

 

Vast staat dat [eiser] is verzekerd tegen de kosten van rechtsbijstand en dat deze kosten ook daadwerkelijk worden gedragen door haar rechtsbijstandsverzekeraar. Niet valt dan in te zien waarom deze kosten voor [eiser] een schadepost vormen. [eiser] heeft in dit verband nog aangevoerd dat zij op grond van de polisvoorwaarden gehouden is de kosten op de aansprakelijke partij te verhalen. Gesteld noch gebleken is echter dat [eiser] daartoe door haar rechtsbijstandsverzekeraar in staat is gesteld, bijvoorbeeld door middel van cessie of een procesvolmacht. Het verzoek is in zoverre dan ook niet toewijsbaar.

 

 

 

 

3 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

 

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] en Zevenwouden volledig aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het door de hond van [gedaagde sub 1] veroorzaakte ongeval op 9 mei 2013,

 

 

 

 

wijst het meer of anders verzochte af.

 

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2016.