• Jurisprudentie
  • 31 oktober 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:5632
  • Zaaknummer: C/05/323036 / HZ RK 17-30

Rb, deelgeschil; art. 185 WVW, ongeval fietser die van trottoir fietst en vrachtwagen, geen eigen schuld fietser

Art 185 WVW. Verzoeker fietst vanaf het trottoir de weg op en wordt aangereden door vrachtwagen. 1. De rechtbank overweegt dat het feit dat verzoeker van het trottoir de weg is opgereden is aan te merken als een bijzondere manoeuvre in de zin van art. 54 RVV, waarbij hij het overige verkeer voor dient te laten gaan. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verzoeker direct bij het oprijden van de weg in aanraking is gekomen met de vrachtwagen. Eigen schuld is onvoldoende onderbouwd. 2. Kosten deelgeschil: € 5.082,-; uurtarief € 200,- redelijk (gevorderd € 5.877,20; aantal uren bovenmatig).

ECLI:NL:RBGEL:2017:5632

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

31-10-2017

Datum publicatie

01-11-2017

Zaaknummer

C/05/323036 / HZ RK 17-30

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Artikel 185 Wvw. Aanrijding fietser door een kleine vrachtwagen. Bijzondere manoeuvre. Eigen schuld?

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

 

 

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Zutphen

 

zaaknummer / rekestnummer: C/05/323036 / HZ RK 17-30

 

Beschikking van 31 oktober 2017

 

in de zaak van

 

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. M. Mampel te Almelo,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

TVM VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

verweerster,

advocaat mr. H.N. Kuiper te Hoogeveen.

 

1

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift

het verweerschrift

de mondelinge behandeling.

2

De feiten

2.1.

Op 26 november 2014 is [verzoeker] rond 7 uur in de ochtend op zijn fiets vertrokken naar zijn werk van zijn huis aan [straatnaam 1] in [woonplaats] . [straatnaam 1] komt via een voetpad haaks uit op de [straatnaam 2] . Aan het eind van het voetpad staat haaks op [straatnaam 1] en parallel aan de [straatnaam 2] een hek. [verzoeker] is voor het hek rechtsaf geslagen en heeft zijn weg over het trottoir langs de [straatnaam 2] vervolgd om een stuk verderop via een parkeerhaven de rijbaan van de [straatnaam 2] op te fietsen.

2.2.

[verzoeker] voerde verlichting op zijn fiets.

2.3.

Op de [straatnaam 2] is [verzoeker] in aanraking gekomen met een vrachtwagen, merk Scania met kenteken VK-34-JR (hierna te noemen: de vrachtwagen). De vrachtwagen is eigendom van Transportbedrijf Rouwmaat B.V. en werd ten tijde van het ongeval bestuurd door de heer [naam bestuurder] (hierna te noemen: [naam bestuurder] ). De vrachtwagen reed in dezelfde richting over de [straatnaam 2] als [verzoeker] .

2.4.

De vrachtwagen was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij TVM.

 

2.5.

Op 10 november 2015 heeft TVM 50% aansprakelijkheid erkend.

 

3

Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] heeft verzocht dat de rechtbank bij beschikking:

a. voor recht zal verklaren (primair) dat de schadevergoedingsverplichting van TVM ter zake het ongeval van 26 november 2014 niet dient te worden verminderd als gevolg van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] dan wel (subsidiair) een eigen schuld percentage vast te stellen dat minder is dan 50%;

b. de kosten van deze deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv zal begroten op een bedrag van € 5.877,20 en TVM zal veroordelen tot betaling daarvan en zulks zal vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na afgifte van de beschikking.

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek – bezien in het licht van de vastgestelde

feiten – zakelijk weergegeven het volgende ten grondslag gelegd. De aansprakelijkheid dient aan de hand van artikel 185 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) te worden beoordeeld. Het bepaalde in artikel 185 WVW brengt met zich dat TVM in beginsel 100% van de schade van [verzoeker] dient te vergoeden. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen personen van 14 jaar en ouder in beginsel 50% van hun schade vergoed krijgen, ook als zij volgens de gewone regels van artikel 6:101 BW tot minder gerechtigd zouden zijn. In dit geval is in het geheel geen sprake van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] , hetgeen betekent dat TVM gehouden is 100% van de schade aan hem te vergoeden. [verzoeker] heeft immers geen enkele verkeersfout gemaakt en de schade staat volgens hem dan ook niet in causaal verband tot een omstandigheid die aan hem is toe te rekenen.

 

3.3.

TVM heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, dan wel tot vaststelling van de aansprakelijkheid van TVM op maximaal 50% omdat [verzoeker] zonder meer een deel eigen schuld valt te verwijten. Ten aanzien van de verzochte betaling van de kosten van het deelgeschil heeft TVM geconcludeerd dat deze moeten worden gematigd, omdat deze niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

Op de inhoud van het verweer zal indien nodig in het navolgende worden ingegaan.

 

4

De beoordeling

4.1.

Voor de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade geldt op grond van artikel 1019x lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) dat de rechter bevoegd is die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt.

[verzoeker] woont in [woonplaats]. Op grond van artikel 7 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, is de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen dan ook bevoegd.

 

4.2.

Vraag is vervolgens of sprake is van een deelgeschil als bedoeld in de wet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1019w lid 1 Rv moet het gaan om een geschil over of in verband met een deel van hetgeen ter zake de aansprakelijkheid voor schade door dood en letsel als rechtens geldt tussen de benadeelde en degene die aansprakelijk wordt gehouden en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering van de benadeelde. In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechter het verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In de parlementaire geschiedenis is in dit verband onder meer opgemerkt dat de rechterlijke uitspraak in een deelgeschilprocedure partijen in staat moet stellen de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden. Als ratio van de deelgeschilprocedure is genoemd de bevordering van de buitengerechtelijke onderhandelingen. Daarbij is opgemerkt dat de investering in tijd, geld en moeite moeten worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. De rechter heeft hierbij een ruime beoordelingsvrijheid.

Het door [verzoeker] gedane verzoek gaat over de vraag of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] . Dat verzoek leent zich naar het oordeel van de rechtbank voor behandeling in deelgeschil.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 185 WVW, hetgeen met zich brengt dat TVM gehouden is 100% van de schade van [verzoeker] te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht. Tussen partijen staat eveneens vast dat van overmacht geen sprake is, zodat in beginsel de hoofdregel van artikel 185 WVW geldt.

De Hoge Raad heeft ter bescherming van de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer bijzondere toepassingen van het leerstuk eigen schuld geïntroduceerd, bekend als de zogenaamde 100%- en 50%-regel. De 50%-regel is van toepassing op personen ouder dan 14 jaar en houdt in dat zij in beginsel 50% van hun schade vergoed krijgen, ook als zij volgens de gewone regels van artikel 6:101 BW tot minder gerechtigd zouden zijn.

 

4.4.

TVM heeft 50% aansprakelijkheid erkend en heeft betoogd dat er sprake is van 50% eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] . De stelplicht en bewijslast rusten op dit punt bij TVM.

TVM heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van omstandigheden die in causaal verband staan tot de schade en aan [verzoeker] zijn toe te rekenen het volgende aangevoerd. [verzoeker] heeft op het trottoir gefietst, hetgeen op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV) niet is toegestaan. Het is bovendien gevaarzettend om vanaf het trottoir de weg op te fietsen.

[verzoeker] is vanaf het trottoir de fietssuggestiestrook van de [straatnaam 2] op gefietst zonder de vrije doorgang te verlenen aan [naam bestuurder] door bij het oprijden van de [straatnaam 2] tegen de vrachtwagen aan te rijden. Deze omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade en komen voor risico van [verzoeker] , aldus TVM.

 

4.5.

[verzoeker] heeft de door TVM gestelde weergave van de toedracht (die volgens TVM leidt tot de conclusie dat sprake is van eigen schuld) weersproken. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij, komende vanuit [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 2] , zijn weg een stuk over het trottoir vervolgd heeft, omdat er dwars op [straatnaam 1] en in het verlengde van de [straatnaam 2] een hek is geplaatst. [verzoeker] is daarom voor het hek rechtsaf geslagen om ongeveer 10 meter verderop, ter hoogte van de eerste uitrit van het huis aan de [straatnaam 2] nummer [huisnummer], de [straatnaam 2] op te rijden. Daar bevindt zich een verlaging in de stoep, waardoor hij makkelijk met zijn fiets de stoep af kan rijden. Bovendien heeft [verzoeker] aangevoerd dat zich voor het huis aan de [straatnaam 2] [huisnummer] een parkeerhaven bevindt, hetgeen het oprijden van de [straatnaam 2] vergemakkelijkt. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij dit iedere werkdag zo deed. [verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat hij bij de tweede uitrit (volgens [verzoeker] ongeveer 12 meter verder dan de eerste uitrit) van het huis aan de [straatnaam 2] [huisnummer] ten val is gekomen.

 

4.6.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Het enkele feit dat [verzoeker] over het trottoir heeft gefietst, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in causaal verband tot de schade van [verzoeker] . Dat betekent dat deze omstandigheid ter zake het oordeel over de eigen schuld buiten beschouwing kan blijven.

Wel van belang is de stelling van TVM dat [verzoeker] van het trottoir de weg is opgereden. Deze verkeershandeling is immers aan te merken als een bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 RVV, waarbij [verzoeker] het overige verkeer voor dient te laten gaan. De rechtbank is echter van oordeel dat, anders dan TVM stelt, niet is komen vast te staan dat [verzoeker] direct bij het oprijden van de [straatnaam 2] in aanraking is gekomen met de vrachtwagen.

 

4.6.1.

[verzoeker] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij bij de eerste uitrit van het huis aan de [straatnaam 2] [huisnummer], vanaf de stoep via de parkeerhaven de [straatnaam 2] is opgereden. Deze lezing van [verzoeker] vindt steun in de door de politie vervaardigde situatieschets die zich bij het proces-verbaal bevindt. Daarop is aangegeven dat [verzoeker] de stoep ter hoogte van de eerste uitrit heeft verlaten. [verzoeker] heeft bovendien ter zitting verklaard dat hij iedere dag hetzelfde traject op de fiets aflegde en iedere dag op dezelfde plek vanaf de stoep de [straatnaam 2] op rijdt. Ter hoogte van de eerste uitrit voor het huis aan de [straatnaam 2] [huisnummer] is de stoep verlaagd, waardoor het makkelijk is om op die plek van de stoep te rijden, aldus [verzoeker] . De door beide partijen overgelegde foto’s van de situatie ter plaatse bevestigen deze beschrijving van [verzoeker] . TVM heeft ter weerlegging van het standpunt van [verzoeker] gewezen op de verklaring van [naam bestuurder] , maar uit deze verklaring volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [verzoeker] bij het oprijden van de [straatnaam 2] tegen de vrachtwagen is gereden of bij het oprijden van de weg vanaf het trottoir [naam bestuurder] niet voor heeft laten gaan. [naam bestuurder] heeft immers verklaard: “Ik zag rechts van mij op het trottoir een fietser rijden. Ik zag dat deze fietser over de stoep in dezelfde richting reed als ik. Ik reed verder. Ik reed op een gegeven moment dus naast de fietser. Toen zag ik de fietser even niet meer. Je kijkt niet constant in je rechter buitenspiegel. Toen ik weer in de rechter buitenspiegel keek zag ik de fietser op het wegdek liggen.”

Dat [naam bestuurder] rechts naast zich op het trottoir een fietser zag rijden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij er op dat moment al naast reed. Het tegendeel volgt uit het vervolg van de verklaring, waarin [naam bestuurder] verklaart dat hij verder reed en op een gegeven moment naast de fietser reed. Bovendien volgt uit de verklaring niet dat [verzoeker] nog op de stoep fietste toen hij naast de fietser reed.

 

4.6.2.

[verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat ook de plek waar bloed op de weg is aangetroffen, aanduidt waar hij door [naam bestuurder] is aangereden. Het bloed is bij de tweede uitrit aangetroffen. Dat is bovendien de plek waar hij op het wegdek heeft gelegen na de aanrijding. [verzoeker] heeft dit onderbouwd door ter zitting een verklaring over te leggen van de bewoner van het pand aan de [straatnaam 2] [huisnummer]. Deze bewoner heeft verklaard dat hij [verzoeker] ter hoogte van de tweede uitrit voor zijn woning heeft aangetroffen en dat daar bloed op het wegdek lag. TVM heeft in dit verband aangevoerd dat de plek waar het bloed op het wegdek is aangetroffen, niet aantoont waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Volgens TVM kan het bijvoorbeeld zo zijn geweest dat [verzoeker] na de botsing een stuk is meegesleept door de vrachtwagen. TVM heeft echter nagelaten haar standpunt te onderbouwen, terwijl een en ander uit de aard van het letsel van [verzoeker] niet direct volgt. Hierbij komt dat van TVM verwacht had mogen worden dat zij bij Rouwmaat onderzoek aan de door [naam bestuurder] bestuurde vrachtauto had laten doen ter onderbouwing van de door haar gestelde toedracht. Niet staat vast of, en zo ja in welke mate, de vrachtwagen als gevolg van de aanrijding van [verzoeker] tekenen van een aanrijding vertoont.

 

4.6.3.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat TVM – in het licht van het gemotiveerde verweer van [verzoeker] – onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van voor risico van [verzoeker] komende omstandigheden die hebben bijgedragen aan de schade. Dat betekent dat bij de thans beschikbare gegevens heeft te gelden dat niet is komen vast te staan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] en dat de primair verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.

 

4.7.

[verzoeker] heeft verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019aa Rv. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten gemaakt zijn en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is. Dat betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

4.7.1.

[verzoeker] heeft zijn kosten begroot op een bedrag van € 5.877,20 (22 uur x

€ 200,00 per uur, te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% BTW). TVM heeft verweer gevoerd tegen de opgevoerde kosten, met name ten aanzien van het aantal opgevoerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift.

Uit de urenspecificatie blijkt onder meer dat in totaal 14 uur is besteed aan het aan het opstellen van het verzoekschrift.

Gelet op de omvang en de moeilijkheidsgraad van het deelgeschil, komt de rechtbank het aantal opgevoerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig voor. In redelijkheid begroot de rechtbank de kosten van de deelgeschilprocedure op 20 uur. Omdat het uurtarief van € 200,00 redelijk voorkomt, zal daarvan worden uitgegaan. Dit betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 5.082,00 (inclusief 5% kantoorkosten inclusief 21% btw). Tevens zal een bedrag van € 287,00 aan griffierecht in aanmerking worden genomen, zodat het totaal aan kosten voor het deelgeschil neerkomt op een bedrag van € 5.369,00.

Nu de aansprakelijkheid vast staat, zal TVM worden veroordeeld tot betaling van deze kosten. De verzochte wettelijke rente over deze kosten zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

 

5

De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

verklaart voor recht dat de schadevergoedingsverplichting van TVM ter zake het ongeval van 26 november 2014 met de thans beschikbare gegevens niet dient te worden verminderd als gevolg van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] ,

 

5.2.

begroot de kosten van het deelgeschil op een bedrag van € 5.369,00 en veroordeelt TVM tot betaling van deze kosten aan [verzoeker] binnen veertien dagen na heden en, indien TVM niet binnen deze termijn heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf die termijn tot aan de dag der voldoening.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.

 

St/MT