• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 2 november 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:6279
  • Zaaknummer: 284614

Rb: de benadeelde is gehouden medische informatie aan de medisch adviseur te geven

Voor de vaststelling van de omvang van de schade en het verband met de trap van het paard zijn de in het kader van een ongevallenverzekering opgestelde rapporten niet toereikend. De rapporten geven geen inzicht in de gezondheidssituatie voor het ongeval. Een deskundige moet worden benoemd.
De te benoemen deskundige bepaalt welke gegevens door partijen moeten worden verschaft. De benadeelde is in beginsel niet verplicht de aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij te verschaffen, wel aan de medisch adviseur van een verzekeraar. Weigert deze dit te doen, zonder daartoe gewichtige redenen als bedoeld in art. 22 Rv te hebben welke door de rechter gegrond zijn geoordeeld, dan zal de rechter uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht (vgl. Hoge Raad 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3676).

ECLI:NL:RBGEL:2016:6279
Instantie Rechtbank Gelderland
datum uitspraak 02-11-2016
datum publicatie 21-11-2016
Zaaknummer 284614
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:3424. Letselschade als gevolg van trappen door een paard. Voormalig vennoten van het bedrijf zijn aansprakelijk voor de schade (art. 6:181 BW). Causaal verband. Aankondiging deskundigenbericht. Akte uitlating.
vindplaatsen Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0459
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/284614 / HA ZA 15-335 / 167
Vonnis in hoofdzaak van 2 november 2016
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
advocaat mr. E.J. Overwater te Bussum,
tegen
1
[gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in de vrijwaring,
advocaat mr. J.C. Noordijk te Ede,
waarin zich op de voet van artikel 214 Rv aan de zijde van gedaagden in de hoofdzaak als waarborg hebben gevoegd:
1
[gedaagde in de vrijwaring] .,
gevestigd te [woonplaats] ,
en haar vennoten:
2. de besloten vennootschap [gedaagde in de vrijwaring] .,
gevestigd te Barneveld,
3. [gedaagde in de vrijwaring],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in de vrijwaring,
advocaat mr. P.M. Leerink te Deventer.
Eiser in de hoofdzaak zal hierna [eiser in de hoofdzaak] worden genoemd, gedaagden in de hoofdzaak gezamenlijk AB-Stal, dan wel afzonderlijk [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] , en de gevoegde partijen (gedaagden in de vrijwaring) gezamenlijk [gedaagde in de vrijwaring] (vrouwelijk enkelvoud).
 
1
De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 1 juni 2016
– de akte overlegging producties van [eiser in de hoofdzaak] , tevens vermindering en wijziging van eis
– de antwoordakte van AB-Stal
– de antwoordakte van [gedaagde in de vrijwaring]
– de akte overlegging productie van [eiser in de hoofdzaak] .
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
 
2
De verdere beoordeling
2.1. De rechtbank volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 1 juni 2016 is overwogen en beslist. In dat vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat AB-Stal op grond van artikel 6:181 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiser in de hoofdzaak] als gevolg van het ongeval op 13 oktober 2007 en dat [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] als voormalige vennoten van AB-Stal gehouden zijn de door [eiser in de hoofdzaak] geleden en nog te lijden schade te vergoeden. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten over de (omvang) van de schade.
2.2. [eiser in de hoofdzaak] heeft bij akte diverse financiële stukken alsmede twee berekeningen van het NRL in het geding gebracht. Hij heeft zijn eis verminderd met betrekking tot de posten verlies aan arbeidsvermogen en toekomstige schade en heeft zijn eis vermeerderd met pensioenschade en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank constateert dat [eiser in de hoofdzaak] tevens de ingangsdatum van de gevorderde wettelijke rente over het smartengeld heeft gewijzigd.
2.3. [eiser in de hoofdzaak] vordert thans, na vermindering en wijziging van eis, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
1. voor recht zal verklaren dat [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser in de hoofdzaak] ;
alsmede [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en [gedaagde in de vrijwaring] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van:
2. € 96.328,00 € 96.328,00 wegens verlies aan arbeidsvermogen;
2. € 96.328,00 € 141.181,00 wegens toekomstige schade;
2. € 96.328,00 € 47.457,00 wegens pensioenschade;
2. € 96.328,00 € 3.655,44 aan buitengerechtelijke kosten;
2. € 96.328,00 € 30,000,00 ten titel van smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 oktober 2007, althans een door de rechtbank te bepalen schadebedrag en datum;
met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] in de proceskosten, te vermeerderen met rente en nakosten.
2.4. [eiser in de hoofdzaak] is tevens verzocht de ontbrekende pagina 7 van het definitieve rapport van dr. Swierstra van 2 december 2009 over te leggen. Hij geeft in zijn laatste akte aan dat hij niet over die pagina beschikt. Om die reden heeft hij het volledige conceptrapport d.d. 29 oktober 2009 in het geding gebracht met de opmerking dat dat rapport volledig gelijk is aan het definitieve rapport en dat op pagina 7 alleen de beantwoording staat van vraag 7: “Heeft u therapeutische suggesties” Antwoord: “Nee” en de naam van dr. Swierstra.
2.5. AB-Stal en [gedaagde in de vrijwaring] betwisten niet dat [eiser in de hoofdzaak] door het ongeval op 13 oktober 2007 letsel heeft opgelopen, maar gaan in hun antwoordakten met name in op de nog ontbrekende medische stukken met betrekking tot de exacte aard en omvang van het letsel van [eiser in de hoofdzaak] , alsmede zijn gezondheidssituatie ten tijde van het ongeval. Verder hebben zij verweer gevoerd tegen de door [eiser in de hoofdzaak] overgelegde berekeningen, de gestelde omvang van zijn inkomen met en zonder ongeval, de buitengerechtelijke kosten en de hoogte van het gevorderde smartengeld.
2.6. De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling van de omvang van de schade, die [eiser in de hoofdzaak] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 13 oktober 2007, een vergelijking zal moeten worden gemaakt van de situatie van [eiser in de hoofdzaak] met het ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval. Daartoe zal eerst moeten worden vastgesteld welke klachten en beperkingen [eiser in de hoofdzaak] thans ondervindt en of, en zo ja in hoeverre, die klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval op 13 oktober 2007.
De rechtbank overweegt dat de thans overgelegde medische informatie niet toereikend is om voorgaande vragen te kunnen beantwoorden. Het rapport van dr. Swierstra is opgesteld in het kader van een ongevallenverzekering en geeft geen inzicht in de gezondheidssituatie van [eiser in de hoofdzaak] voor het ongeval. Datzelfde geldt voor het als productie 9 bij dagvaarding overgelegde neuropsychologische rapport van prof. Middelkoop, gedateerd 14 augustus 2012. Dat klemt temeer omdat uit de door [eiser in de hoofdzaak] als productie 8 bij dagvaarding overgelegde arbeidsdeskundige rapportage van het UWV, gedateerd 19 september 2008, blijkt dat [eiser in de hoofdzaak] in 2003 is uitgevallen wegens spanningsklachten en per EWT (einde wachttijd) 65-80% arbeidsongeschikt was en in de jaren daarna ook gedeeltelijk (en met wisselende percentages) arbeidsongeschikt is geweest en voor het ongeval, per 3 februari 2007, voor 45-55% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank is daarom voornemens een deskundige te benoemen ter beantwoording van de vraag welke klachten en beperkingen die [eiser in de hoofdzaak] thans ondervindt het gevolg zijn van – en dus in causaal verband staan tot – het ongeval op 13 oktober 2007.
2.7. Ten aanzien van het overleggen van medische informatie overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan AB-Stal en [gedaagde in de vrijwaring] betogen, kan [eiser in de hoofdzaak] , ook al rust op hem de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de schade, niet zonder meer worden verplicht om al zijn medische informatie in deze procedure in het geding te brengen of te overleggen aan een door AB-Stal en [gedaagde in de vrijwaring] aan te wijzen verzekeringsarts.
De te benoemen deskundige bepaalt welke gegevens door partijen moeten worden verschaft en partijen zijn tot medewerking verplicht. De rechter kan uit een weigering de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, worden tegelijkertijd in afschrift of ter inzage verstrekt aan de wederpartij. De partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht (art. 7:464 lid 2, aanhef en onder b, BW), is in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij te verschaffen. Dit lijdt echter ingeval de wederpartij een verzekeraar is die beschikt over een medisch adviseur, in zoverre uitzondering dat tevens en tegelijkertijd aan de medische adviseur alle aan de deskundige verschafte medische gegevens in afschrift of ter inzage dienen te worden verstrekt. Indien de partij geen gebruik maakt van het blokkeringsrecht en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is eerstgenoemde alsnog verplicht alle door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens aan de wederpartij te verstrekken. Weigert zij dit te doen, zonder dat zij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in art. 22 Rv heeft aangevoerd welke door de rechter gegrond zijn geoordeeld, dan zal de rechter uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht (vgl. Hoge Raad 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3676).
2.8. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat vooralsnog kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), alsmede over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol.
2.9. AB-Stal zal als aansprakelijke partij worden belast met het voorschot op de kosten van de deskundige. AB-Stal heeft in haar antwoordakte aangegeven dat het aanbeveling verdient om de kosten van medisch en arbeidsdeskundig onderzoek en het procederen over de schadeomvang beperkt te houden, omdat zij nauwelijks verhaal biedt en het nog onzeker is of de vrijwaringsvordering van AB-Stal tegen [gedaagde in de vrijwaring] voor toewijzing in aanmerking komt, maar de rechtbank gaat daaraan voorbij. Zoals hiervoor reeds overwogen, acht de rechtbank een deskundigenbericht noodzakelijk. Niet uitgesloten kan worden dat, afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek, nog nader onderzoek door één of meer deskundigen nodig zal zijn, op kosten van AB-Stal. Het staat partijen echter vrij om in elk stadium van de procedure met elkaar in overleg te treden om te komen tot een afwikkeling van de schade van [eiser in de hoofdzaak] buiten rechte.
2.10. In afwachting van de uitlating van partijen met betrekking tot de te benoemen deskundige, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
 
3
De beslissing
De rechtbank
3.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 30 november 2016 voor uitlating partijen met betrekking tot hetgeen is overwogen in rov. 2.8;
3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.