• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 20 september 2017
  • ECLI:NL:RBMNE:2017:4692
  • Zaaknummer: 5496570

Rb: causaal verband tussen schoonmaakwerkzaamheden en polsletsel onvoldoende onderbouwd, werkgever niet aansprakelijk

Interieurverzorgster heeft polsletsel opgelopen en stelt haar werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW/ art 7:611 BW voor de schade door het niet ter beschikking stellen van afdoende ergonomische schoonmaakmiddelen.1.Het is in het kader van de toepassing van art.7:658 BW aan de werknemer om te bewijzen dat de schade in de uitoefening van het werk is ontstaan. Het beroep dat werkneemster doet op arbeidsrechtelijke omkeringsregel wordt verworpen. Voor een vermoeden dat de gezondheidsschade is veroorzaakt door de omstandigheden waarin de werkzaamheden zijn verricht is geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. 2. De stelplicht en bewijslast omtrent dat causaal verband rusten dus onverminderd op werkneemster. Zij heeft haar stelling dat de schade in de uitoefening van het werk is ontstaan onvoldoende onderbouwd.

ECLI:NL:RBMNE:2017:4692

Instantie Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak20-09-2017 Datum publicatie26-09-2017 Zaaknummer5496570

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Werkgeversaansprakelijkheid artikel 7:658 BW, verjaring, omkeringsregel, stelplicht, schoonmaakwerkzaamheden.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Civiel recht

 

kantonrechter

 

 

 

 

locatie Utrecht

 

 

 

 

zaaknummer: 5496570 UC EXPL 16-16394 LH/1040

 

 

 

 

Vonnis van 20 september 2017

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

 [eiseres] ,

 

wonend in [woonplaats] ,

 

verder te noemen [eiseres] ,

 

eisende partij,

 

gemachtigde: mr. H. Giard-Kayed,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

 [gedaagde] B.V.,

 

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

 

verder te noemen [gedaagde] ,

 

gedaagde partij,

 

gemachtigde: mr. B. Fluit.

 

 

 

 

1 Het verloop van de procedure

 

 

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 11 januari 2017;

 

het proces-verbaal van de comparitie van 28 maart 2017;

 

de nadere productie aan de zijde van [gedaagde] ;

 

de nadere producties aan de zijde van [eiseres] ;

 

de conclusie van repliek;

 

de conclusie van dupliek.

 

 

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

 

 

2.1.

[eiseres] , geboren op [1967] , is op 6 september 2004 als interieurverzorgster in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] , een keten van meubelwinkels. Op grond van een min/max-contract heeft [eiseres] in het […] filiaal – in elk geval vanaf 2006 – ongeveer 22 uur per week gewerkt, verdeeld over vier dagen.

 

 

2.2.

[eiseres] was belast met het schoonmaken en schoonhouden van de toonzaal en de andere ruimten in het filiaal (receptie, keuken, crèche, kantoorruimten, personeelskantine en toiletten). Deze werkzaamheden bestonden uit het dweilen en stofzuigen van de vloeren en het in verband daarmee verschuiven van meubelen, het afstoffen en afnemen van meubelen, het lappen van de ramen en van de glazen zijkanten van de trap naar de twee verdiepingen en het legen van prullenbakken. Tot de taak van schoonmaakster behoorde tevens het bestellen van boodschappen bij [bedrijfsnaam] en het inruimen van die boodschappen als ze waren bezorgd. Tussen (in elk geval) 2006 en 2009 heeft [eiseres] daarnaast in de weekenden als gastvrouw in de catering gewerkt. Zij voorzag het winkelend publiek van hapjes en drankjes. Vanaf 2009 (of 2011) heeft zij (weer) uitsluitend de functie van schoonmaakster vervuld.

 

 

2.3.

Voor haar schoonmaakwerk zijn aan [eiseres] jarenlang geen ergonomische hulpmiddelen, zoals een wringer voor het uitwringen van de dweil of een kar om de emmer met water te verplaatsen, ter beschikking gesteld. Bij het dweilen heeft zij de dweil dan ook met haar handen moeten uitwringen. Voor het vervoer van schoonmaakspullen en van dozen met boodschappen tussen de twee verdiepingen was, behalve de trap, een goederenlift beschikbaar.

 

 

2.4.

Van ziekteverzuim, verband houdend met de omstandigheden waaronder [eiseres] haar werk moest doen, is geen sprake geweest. In 2008 heeft zij haar huisarts geconsulteerd omdat zij (nog steeds) last had van haar polsen, maar zonder dat behandeling is gevolgd. In het op 23 augustus 2012 gehouden functioneringsgesprek heeft [eiseres] , gevraagd naar belemmerende werkomstandigheden, alleen aangegeven dat zij de werkdruk hoog vond.

 

 

2.5.

Op 6 juni 2013 is [eiseres] buiten werktijd een verkeersongeval overkomen. De auto waarin zij voorin zat, werd van achteren door een andere auto aangereden. Op 10 juni 2013 heeft zij zich met rug-, nek-, pols- en armklachten bij [gedaagde] ziek gemeld. De door [gedaagde] ingeschakelde bedrijfsarts heeft in zijn probleemanalyse van 18 juli 2013 vermeld: ‘(-) mevrouw [eiseres] werd ziek gemeld in aansluiting op een verkeersongeval waarbij ze hard van achteren in haar auto werd aangereden. Er waren klachten tgv de klap zelf, daarnaast verergerden al langer bestaande polsproblemen rechts (-).’ Daarna heeft [eiseres] meerdere operaties ondergaan, waarna zij heeft moeten revalideren, enige tijd functioneel eenhandig was en gebruik heeft gemaakt van een spalk.

 

 

2.6.

In april 2014 heeft de bedrijfsarts [gedaagde] geadviseerd om in het kader van de re-integratie van [eiseres] hulpmiddelen (een kar, een wringer) beschikbaar te stellen, zodat zij haar handen kon ontzien. In september 2014 rapporteerde de bedrijfsarts: ‘Veel kracht zetten met de rechterhand moet ze blijven vermijden, dus het is belangrijk dat ze haar werk met adequate hulpmiddelen kan uitvoeren.’ Van 5 januari tot en met 25 mei 2015 heeft [eiseres] weer gewerkt, maar is toen weer met polsklachten uitgevallen en opnieuw aan haar rechterpols geopereerd. In de Functionele Mogelijkheden Lijst van 18 augustus 2015 is onder meer vermeld dat ‘schroefbewegingen met hand en arm’ mogelijk zijn, ‘maar niet in combinatie met kracht zetten.’

 

 

2.7.

Bij brief van 17 december 2015 heeft [eiseres] [gedaagde] voor haar schade aansprakelijk gesteld. [gedaagde] heeft geen aansprakelijkheid erkend.

 

 

2.8.

Vanaf februari/maart 2016 wordt in het kader van de re-integratie van [eiseres] het tweede spoor beproefd.

 

 

 

3 De vordering en het daartegen gevoerde verweer

 

 

 

3.1.

[eiseres] vordert in dit geding dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, ontstaan door het niet ter beschikking stellen van afdoende ergonomische schoonmaakmiddelen. Voorts vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar die schade te vergoeden, op te maken bij staat. Ten slotte vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

 

 

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] jegens haar de zorgverplichting als bedoeld in artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft geschonden, althans haar verplichting uit het goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW niet is nagekomen, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW, door aan haar geen afdoende ergonomische schoonmaakhulpmiddelen ter beschikking te stellen. Daardoor heeft zij in de uitoefening van haar werkzaamheden polsletsel opgelopen en schade geleden. In dit verband heeft [eiseres] aangevoerd dat zij bij gebreke van ergonomische schoonmaakhulpmiddelen, zoals een wringer of een kar, in haar werk dag in dag uit, week in week uit, jaar in jaar uit dezelfde belastende repetitieve (schroef)bewegingen heeft moeten maken, waardoor zij last heeft gekregen van haar rechter- en later ook van haar linker pols. Dat deze klachten samenhingen met haar werk voor [gedaagde] is haar pas gebleken toen in de medische onderzoekingen naar aanleiding van het verkeersongeval van 6 juni 2013 een relatie met het werk is gelegd. Pas in het kader van de re-integratie heeft [gedaagde] haar, eind 2014, op herhaald advies van de bedrijfsarts een wringemmer en een miniwringer ter beschikking gesteld.

 

 

3.3.

[gedaagde] beroept zich er allereerst op dat de vordering is verjaard. De verjaring heeft al in 2006 een aanvang genomen. Ten gronde betwist [gedaagde] dat de door [eiseres] gestelde schade in de uitoefening van haar werkzaamheden voor (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] heeft geleden. Aannemelijk is dat de polsklachten zijn ontstaan door het verkeersongeval van 6 juni 2013 (waarbij [eiseres] kennelijk met haar handen hard op het dashboard is geklapt) of – als die klachten (in mindere mate) al langer bestonden – zijn veroorzaakt door eerdere krachtsinwerking (zoals bij een val). Daarvan is tijdens het werk geen sprake geweest. Dat repetitieve (schroef)bewegingen, zoals bij het dweilen, de oorzaak van de klachten zijn ligt, gezien de aard van het letsel, niet voor de hand. Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van een schending van de zorgplicht. [gedaagde] heeft niet verzuimd om hulpmiddelen ter beschikking te stellen die, gelet op de aard van en de afwisseling in het werk, redelijkerwijs nodig waren om gezondheidsschade bij [eiseres] te voorkomen.

 

 

 

4 De beoordeling van het geschil

 

 

 

4.1.

Het beroep op verjaring wordt verworpen. Artikel 3:310 lid 1 BW stelt de verjaringstermijn op vijf jaren en bepaalt dat die termijn begint te lopen na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Weliswaar heeft [eiseres] al (vóór of in) 2008 haar huisarts geconsulteerd vanwege polsklachten, maar het enkele vermoeden dat die klachten verband hielden met haar werk is onvoldoende om de verjaringstermijn te doen aanvangen. Uit het over en weer gestelde maakt de kantonrechter op dat [eiseres] pas door de medische bevindingen van na het verkeersongeval van 6 juni 2013 voldoende duidelijk is geworden dat het letsel (mede) door haar werk voor (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] is veroorzaakt. De aansprakelijkstelling van 17 december 2015 was dus tijdig. De kantonrechter komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Daarbij zal eerst op de primaire grondslag van de vordering, te weten: schending van de zorgplicht in de zin van artikel 7:658 BW, worden ingegaan.

 

 

4.2.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de schade, waarvan [eiseres] vergoeding vordert, in de uitoefening van haar werkzaamheden voor (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] is ontstaan. Dit is een van de wettelijke vereisten voor aansprakelijkheid ingevolge artikel 7:658 BW. De achtergrond daarvan is dat een werkgever niet kan worden verplicht tot vergoeding van schade die niet is veroorzaakt door de werkzaamheden of de omstandigheden waaronder die moesten worden verricht. Dit vereiste klemt temeer waar het, zoals hier, gaat om letsel dat zowel in het werk kan zijn ontstaan als een niet-werkgerelateerde oorzaak kan hebben.

 

 

4.3.

Voorop gesteld wordt dat het geschil zich heeft toegespitst op het door [eiseres] verrichte schoonmaakwerk, en in het bijzonder op de omstandigheid dat zij bij het dweilen de dweil met de handen heeft moeten uitwringen, omdat haar jarenlang geen wringer ter beschikking is gesteld. [eiseres] stelt dat juist door die dagelijkse repetitieve schroefbewegingen het polsletsel is ontstaan. Waar [eiseres] voorts heeft aangevoerd dat zij bij haar schoonmaakwerk zware emmers heeft moeten tillen en zware dozen met boodschappen heeft moeten dragen, brengt zij die tilbelasting niet in verband met het door haar opgelopen polsletsel. Het ontbreken van een kar waarop zij de emmers met water of de dozen met boodschappen had kunnen vervoeren, raakt dus niet de kern van het geschil. Overigens heeft [eiseres] niet weersproken dat zij in elk geval tussen de verdiepingen van een goederenlift gebruik kon maken. Voor zover [eiseres] [gedaagde] verwijt dat zij als gastvrouw zware dienbladen heeft moeten dragen, vormt dit geen onderwerp van het geschil, omdat de gevorderde verklaring voor recht uitsluitend ziet op de (niet-)beschikbaarheid van ergonomische schoonmaak(hulp)middelen. Het draait aldus om de vraag of het polsletsel in verband kan worden gebracht met het ontbreken van een wringer.

 

 

4.4.

Het is in het kader van de toepassing van artikel 7:658 BW aan de werknemer om te bewijzen dat de schade in de uitoefening van het werk is ontstaan. Wanneer hij echter in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt (zie onder meer HR 7 juni 2013 JAR 2013, 177).

 

 

4.5.

Het beroep dat [eiseres] op deze zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel heeft gedaan, wordt verworpen. Zoals uit de hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt, drukt deze regel het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin de werkzaamheden zijn verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent het letsel en zijn oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet hierop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. De kantonrechter oordeelt dat, wat er verder van de toepassing van bedoelde regel zij, het verband tussen het polsletsel en de arbeidsomstandigheden van [eiseres] te onzeker en te onbepaald is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

 

 

4.6.

Niet in geschil is dat schoonmaakwerk fysiek belastend is. Dat heeft [gedaagde] niet betwist. Waar het evenwel om gaat is of de werkzaamheden die [eiseres] heeft verricht en de omstandigheden waaronder zij dat heeft moeten doen, een zodanige (over)belasting van haar polsen meebrachten dat [gedaagde] deze niet had mogen opdragen zonder haar een wringer ter beschikking te stellen. Pas dan zou het vermoeden gerechtvaardigd kunnen zijn dat het werk polsletsel heeft doen ontstaan. In dat verband heeft [gedaagde] betoogd dat de schoonmaakwerkzaamheden van [eiseres] van uiteenlopende aard waren, namelijk varieerden van dweilen, stofzuigen, afstoffen en afnemen tot het legen van prullenbakken, alsook dat [eiseres] het werk zelf kon plannen en er dus voldoende gelegenheid was om de meer polsbelastende werkzaamheden af te wisselen met andersoortig werk. [eiseres] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat zij niet kan worden gevolgd in haar stelling dat zij bij al haar schoonmaakwerkzaamheden, – zoals zij stelt – dag in dag uit, week in week uit, jaar in jaar uit dezelfde repetitieve (schroef)bewegingen heeft moeten maken en geen gelegenheid had om haar polsen te ontzien door bijvoorbeeld het dweilen af te wisselen met stofzuigen of afstoffen.

 

 

4.7.

Ook bezien vanuit de aard van het polsletsel van [eiseres] bestaat er geen aanleiding om het vermoeden aan te nemen dat dit letsel door haar schoonmaakwerkzaamheden is veroorzaakt. Uit de beschikbare medische gegevens volgt dat na het verkeersongeval van 6 juni 2013 door artsen is vastgesteld dat een bandje van het bindweefsel (ligament) tussen twee handwortelbeentjes is gescheurd en dat er cystetjes zaten tussen twee andere handbotjes van dezelfde (rechter) handwortel. De door partijen geraadpleegde medisch adviseurs, de heer [A] voor [eiseres] en de heer [B] voor [gedaagde] , zijn het erover eens dat het bindweefselbandje alleen kan zijn gescheurd door een trauma waarbij sprake is geweest van een plotse blootstelling aan een grote kracht, zoals bij een val of het met een gestrekte hand opvangen van een grote snelheid. Niet in geschil is dat [eiseres] bij het verkeersongeval heeft blootgestaan aan een dergelijke kracht. Dat betekent dat de scheur door het ongeval is ontstaan of dat een bij een eerder (val)trauma opgelopen beschadiging erdoor is verergerd. Dat laatste kan verklaren dat [eiseres] al langer polsklachten had, die dan dus geen verband houden met het schoonmaakwerk bij [gedaagde] , nu gesteld noch gebleken is dat zich in werktijd een dergelijk trauma, zoals een val, heeft voorgedaan.

 

 

4.8.

De geraadpleegde medisch adviseurs verschillen van mening over de oorzaak van de geconstateerde cystes. Weliswaar duiden de cystes zowel volgens [A] als [B] op langdurige slijtage, maar volgens eerstgenoemde is er daarom sprake van ‘repeterende microtraumata’ die kunnen passen bij ‘het vele jaren handmatig hebben moeten uitwringen van zware dweilen’, terwijl volgens laatstgenoemde dit de ‘minst waarschijnlijke oorzaak van dergelijke holtes’ is, omdat ‘overbelasting door repeterende bewegingen (-) hiervoor op basis van de medisch-wetenschappelijke literatuur een onvoldoende verklaring (is), met name daar betrokkene nimmer veelvuldig repeterende bewegingen heeft uitgevoerd zoals bij het ontstaan van dergelijke klachten in productielijnen van toepassing zijn.’ Volgens [B] is aannemelijk dat sprake is van ‘een chronisch slijtageproces door speling op de handwortelbeentjes, hetgeen niet door het uitwringen van dweilen ontstaat, maar door een beschadiging in de handwortel wordt veroorzaakt.’ Waar [A] erop wijst dat de gescheurde band zich bevindt tussen andere wortelbeentjes dan waar de cystes zijn gelokaliseerd, benadrukt [B] de samenhang tussen een beschadiging op de ene plaats en slijtageverschijnselen elders in de handwortel: ‘Daar de handwortel bestaat uit een conglomeraat van meerdere botjes verbonden door meerdere bandjes, kan niet zonder meer gesteld worden dat alleen die botjes waaraan de bandjes gehecht zijn slijtageverschijnselen vertonen. Over het algemeen worden in de gehele handwortel slijtageverschijnselen gezien bij een beschadiging op enige plaats in de handwortel. Dit betekent dat holtes/cystes in de bij betrokkene aanwezige handwortelbeentjes wel degelijk kunnen zijn veroorzaakt door letsel op een andere plaats. (-) Door het verschil in stand van de handwortelbeentjes dat ontstaat door eerder letsel in de handwortel kunnen wel degelijk cystes ontstaan in de resterende handwortel.’ De kantonrechter volgt de visie van [B] . Deze is deugdelijk onderbouwd en sluit aan bij de in dit geding gebleken aard van de schoonmaakwerkzaamheden van [eiseres] . Daartegenover is de visie van [A] beredeneerd vanuit de vooronderstelling dat sprake is geweest van het vele jaren repeterend uitwringen van dweilen. Dat dit het geval is geweest, is in dit geding niet komen vast te staan. Volgens [B] is het – zo begrijpt de kantonrechter hem – waarschijnlijk dat het bindweefselbandje dat op 6 juni 2013 bij het ongeval is gescheurd, al voordien bij een eerder trauma beschadigd is geraakt. Dit strookt met de telefonische mededeling die [eiseres] op 7 oktober 2013 aan een P&O-medewerker van [gedaagde] heeft gedaan. Kort nadat zij was geopereerd, heeft [eiseres] in dat telefoongesprek gezegd dat de behandelaars tijdens die operatie hebben gezien dat zij ooit moet zijn gevallen.

 

 

4.9.

Op grond van het voorgaande kunnen de aard van het opgelopen letsel en van het werk, in onderlinge samenhang beschouwd, niet het vermoeden rechtvaardigen dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de werkzaamheden en de schade. Het beroep dat [eiseres] op de hierboven bedoelde omkeringsregel heeft gedaan, faalt. Dat [gedaagde] geen risico-inventarisatie en -evaluatie zou hebben opgesteld (hetgeen [gedaagde] weerspreekt), maakt dit niet anders, omdat deze omstandigheid niet meebrengt dat eerder (dan in het geval wel zo’n RI&E is) zou moeten worden aangenomen dat een oorzakelijk verband tussen werk en schade bestaat. De stelplicht en bewijslast omtrent dat causaal verband rusten dus onverminderd op [eiseres] . Nu zij in dit geding geen andere relevante feiten of omstandigheden heeft gesteld die kunnen wijzen op het bestaan van bedoeld verband, heeft [eiseres] haar stelling dat de schade in de uitoefening van het werk is ontstaan onvoldoende onderbouwd. Er bestaat daarom geen reden om [eiseres] in de gelegenheid te stellen haar stelling te bewijzen. De vordering, gebaseerd op de primaire grondslag van artikel 7:658 BW, is niet toewijsbaar.

 

 

4.10.

De subsidiaire en meer subsidiaire grondslag van haar vordering, het bepaalde in artikel 7:611 BW en artikel 6:162 BW, kunnen [eiseres] evenmin baten, omdat de in dat verband gestelde vereisten voor aansprakelijkheid van een werkgever voor de schade die een werknemer in en door zijn werk lijdt, in het bijzonder dat van het oorzakelijk verband tussen werk en schade, niet verschillen van die van artikel 7:658 BW.

 

 

4.11.

Op het voorgaande stuit de vordering af. [eiseres] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] . Deze proceskosten worden tot dit vonnis begroot op € 1.200,– (drie punten à € 400,–) aan salaris gemachtigde. Op vordering van [gedaagde] wordt [eiseres] tevens veroordeeld in de nakosten met rente, zoals hierna omschreven.

 

 

 

5 De beslissing

 

 

 

 

De kantonrechter:

 

 

 

5.1.

wijst de vordering af;

 

 

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,– aan salaris gemachtigde;

 

 

5.3.

veroordeelt [eiseres] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] aan deze proceskostenveroordeling voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,– aan salaris gemachtigde, te vermeerderen – indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden – met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

 

 

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.