• Jurisprudentie
  • Bron: Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Den Haag
  • 26 januari 2017
  • Zaaknummer: 5116149 EJ VERZ 16-83110

Rb: botsing tussen stilstaande auto en racefietser: overmacht art 185 WVW

Wielrenner passeert auto die op smalle weg stil staat om tegemoetkomende auto voorbij te laten, raakt daarbij spiegel en komt ten val en scheurt vingerkootje af. WAM-verzekeraar vraagt verklaring voor recht dat sprake is van overmacht in de zin van art 185 WVW. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van overmacht. Van het feit dat de bestuurder zijn auto stil heeft gezet om de hem tegemoet komende auto door te laten, kan hem geen verwijt worden gemaakt. Hij had er op geen enkele wijze rekening mee heeft hoeven houden dat de hem achterop komende fietser zich in gevaar wilde brengen door zich met behoorlijke snelheid met zijn racefiets tussen de beide auto’s door te wringen. Bestuurder heeft er zonder meer vanuit mogen gaan dat de hem achterop komende fietsers achter hem stil zouden houden.

beschikking

 

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

Zaaknummer: 5116149 EJ VERZ 16-83110

 

Beschikking van de kantonrechter d.d. 26 januari 2017 in de zaak van:

 

de naamloze vennootschap UVM Verzekeringsmaatschappij N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

verzoekende partij, tevens verwerende partij in het zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. A.J.J. Ie Poole,

 

tegen

 

[Verweerder],

wonende te Rotterdam,

verwerende partij, tevens verzoekende partij in het zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. A.N.L. de Hoogh.

 

  1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken, waaruit tevens het verloop van de procedure blijkt:

– het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 28 mei 2016;

– het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 6 december 2016;

– de aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van deze zaak op 14 december 2016 van mr. De Hoogh.

– de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van op 14 december 2016.

 

  1. De overwegingen

2.1          Verzoekende partij, hierna te noemen: UVM, verzoekt in deze procedure:

Primair:

voor recht te verklaren dat de verzekerde van UVM niet jegens verwerende partij, hierna te noemen: [Verweerder], aansprakelijk is ex artikel 185 WVW omdat hem een beroep toekomt op overmacht;

Subsidiair:

voor zover de verzekerde van UVM op grond van artikel 185 WVW wel aansprakelijk is jegens [Verweerder], de schade vast te stellen op nihil, althans op 50%.

 

2.2          UVM legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. UVM is de WAM-verzekeraar van [Bestuurder], hierna te noemen: [Bestuurder]. Op 25 juni 2013 reed hij met zijn auto, een BMW, op de Rottekade, een smalle, circa drie meter brede weg te Oud Verlaat (gemeente Zuidplas). Om plaats te maken voor een hem tegemoet komende auto, heeft hij zijn auto, na een scherpe onoverzichtelijke bocht naar links, stil gezet, deels met de achterkant van de auto in de berm en deels op de weg, zodat zijn tegenligger hem zonder problemen kon passeren. Terwijl hij stilstond en de hem tegemoet komende auto doende was hem te passeren, is [Verweerder], die [Bestuurder] met zijn racefiets met hoge snelheid achter op kwam, in een poging om tussen de auto van [Bestuurder] en de [Bestuurder] passerende auto door te rijden, met zijn racefiets tegen de auto van [Bestuurder] gereden en ten val gekomen. Als gevolg daarvan is een van de vingerkootjes van [Verweerder] afgescheurd. Voor de aldus ontstane letselschade heeft [Verweerder] UVM aansprakelijk gesteld, zulks echter ten onrechte, zoals blijkt uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor dat op 23 september 2015 en 6 november 2015 heeft plaatsgevonden. Uit die verklaringen blijkt eenduidig dat [Bestuurder] zich kan beroepen op overmacht in de zin van artikel 185 WVW. [Verweerder] heeft zijn weggedrag niet aangepast aan de omstandigheden ter plaatse. Hij had, zoals ook de twee ter plaatse aanwezige andere fietsers hebben gedaan, zijn snelheid moeten aanpassen en had moeten wachten totdat de twee auto’s elkaar gepasseerd waren alvorens zijn weg te vervolgen. Met het gedrag dat [Verweerder] heeft vertoond, heeft [Bestuurder] in redelijkheid geen rekening behoeven te houden. Voor zover [Bestuurder] zich niet op overmacht kan beroepen, is sprake van eigen schuld (artikel 6:101 BW) aan de zijde van [Verweerder]. Het gedrag van [Verweerder] ten tijde van het ongeval heeft zodanig gevaar gezet dat ten aanzien van hem niet de 50% regel is toe te passen. Hij dient zijn schade zelf te dragen.

 

2.3          [Verweerder] heeft verzocht om de afwijzing van het verzoek van UVM en om haar vergoedingsplicht te bepalen op 100%. Daartoe voert hij het volgende aan. Op 25 juni 2013 te omstreeks 19.30 uur fietste hij in noordelijke richting op de Rottekade, een smalle weg van ongeveer drie meter breed, in de gemeente Zevenhuizen. Op een zeker moment zag hij de auto van [Bestuurder] op een onverhard, althans half verhard gedeelte rechts naast de rijweg stil staan om een auto uit tegenovergestelde richting te laten passeren. Laatstbedoelde auto nam [Verweerder] waar en minderde vaart om [Verweerder] te laten passeren. De [Verweerder] tegemoet komende auto maakte vervolgens echter plotseling vaart en passeerde de auto van [Bestuurder] op een moment dat [Verweerder] zich nog achter de auto van [Bestuurder] bevond. Direct daarop trok [Bestuurder] plotseling op naar links. [Verweerder] remde hard en heeft de auto van [Bestuurder] proberen te ontwijken. Desondanks heeft [Bestuurder] hem met de linker zijspiegel geraakt, als gevolg waarvan hij ten val is gekomen, waarbij het topje van zijn linker ringvinger is afgerukt. Direct na het ongeval bevond de auto van [Bestuurder] zich voor ongeveer twee derde deel schuin op de weg, zodanig dat er nog slechts een vrije doorgang was van ongeveer 1 meter. De stelling van UVM, dat de [Bestuurder] tegemoet komende auto hem op normale wijze heeft kunnen passeren, kan dus alleen juist zijn indien [Bestuurder], nadat de auto hem was gepasseerd, vanuit de berm de weg op is gereden. Voor zover uit de afgelegde getuigenverklaringen iets anders zou volgen, kan daaraan geen waarde worden gehecht omdat deze (onvoldoende) betrouwbaar zijn. De stelling van UVM, dat [Bestuurder] zich op overmacht kan beroepen, is dus niet juist. Dit geldt ook voor het geval als vaststaand zou zijn aan te nemen dat [Bestuurder] ten tijde van het ongeval wel stil heeft gestaan. Het is [Bestuurder], gelet op artikel 54 RVV 1990, in dat geval te verwijten dat hij zijn auto onverantwoord schuin op de weg tot stilstand heeft gebracht en aldus aan het ongeval heeft bijgedragen. [Bestuurder] had er bij het tot stilstand brengen van zijn auto rekening mee moeten houden dat hij de weg vrij had te houden voor het frequente fietsverkeer ter plaatse. Alleen indien [Bestuurder] zijn auto geheel naast de rijbaan tot stilstand had gebracht, had hem geen verwijt gemaakt kunnen worden. De stelling van UVM dat de 50% regel ten deze geen toepassing kan vinden, is niet juist, nu de schade niet het gevolg is van de opzet of de aan opzet grenzende roekeloosheid van [Verweerder]. Mede gelet op de aard van het letsel en het nadeel dat [Verweerder] daarvan in de uitoefening van zijn beroep als fysiotherapeut ondervindt, is uit te gaan van een op UVM rustende vergoedingsplicht van 100%, althans van een hoger percentage dan 50%.

 

2.4          [Verweerder] verzoekt de kantonrechter om:

  1. de vergoedingsplicht van UVM te bepalen op 100%;
  2. de buitengerechtelijke kosten aan zijn zijde te begroten op een bedrag ad € 5.484,33 te vermeerderen met de nog te maken kosten in verband met de mondelinge behandeling, de daarmee gemoeide reistijd (2 uur), de voorbereiding van de mondelinge behandeling (3 uur) tegen een uurtarief van € 185,= en UVM te veroordelen tot betaling van dit bedrag binnen twee weken na het wijzen van de beschikking.

 

2.5          [Verweerder] legt aan zijn verzoeken ten grondslag hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.3 is vermeld. UVM heeft zich hiertegen verweerd met hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.2 is vermeld.

 

2.6          De kantonrechter overweegt het volgende.

 

2.7          Tijdens het voorlopig getuigenverhoor dat in deze zaak is gehouden heeft UVM als getuigen doen horen [Getuige1], [Getuige2] en [Bestuurder]. In contra-enquête heeft [Verweerder] als getuigen doen horen zich zelf, [Getuige3], [Getuige4] en [Getuige5]. Door hen is het volgende verklaard:

  1. [Getuige1] heeft verklaard dat hij op 25 juni 2013 in de avond tussen 7 en 8, tijdens een fietstocht met zijn vrouw, een ongeval heeft zien gebeuren op de Rottekade bij Oud Verlaat; zij werden op enig moment ingehaald door een auto, welke auto stopte om een andere, tegemoet komende auto door te laten; de auto die stil ging staan stond iets schuin op de weg op de plek waar de weg een flauwe bocht maakt; vervolgens werden [Getuige1] en zijn vrouw met flinke snelheid gepasseerd door twee wielrenners; op het moment dat de tegemoetkomende auto de stilstaande auto passeerde, reed de eerste wielrenner tussen beide auto’s door en kwam, terwijl hij dat deed, in aanraking met de linkerkant van de stilstaande auto; deze wielrenner kwam vervolgens ten val, waardoor hij zijn hand heeft verwond; de afstand tussen [Getuige1] en de plaats waar het ongeval plaatsvond, bedroeg circa 4 a 5 meter, zodat hij het ongeval goed heeft kunnen zien gebeuren; [Getuige1] heeft de ten val gekomen wielrenner niet zien remmen;
  2. [Getuige2] heeft verklaard dat zij op 25 juni 2013 in de vooravond met haar partner een fietstochtje heeft gemaakt; op enig moment werden zij ingehaald door een personenauto en daarna door een wielrenner; zij moesten stoppen omdat de auto die hen had ingehaald uit moest wijken en stil ging staan om een tegemoetkomende auto door te laten; de auto die hen had ingehaald kwam enigszins schuin op de weg tot stilstand; op het moment dat de stilstaande auto door de tegemoetkomende auto werd gepasseerd, reed de wielrenner tussen de beide auto’s door; [Getuige2] heeft de wielrenner niet zien remmen; op het moment dat de wielrenner de stilstaande auto passeerde, kwam hij tegen de stilstaande auto aan; hij raakte uit balans en is ten val gekomen, als geval waarvan de wielrenner letsel heeft opgelopen; wat de afstand was tussen de plek waar [Getuige2] zich bevond en de plek waar het ongeval heeft plaatsgevonden, weet zij niet; zij had echter goed zicht op de plek waar het ongeval plaatsvond;

[Bestuurder] heeft verklaard dat hij op 25 juni 2013 te circa kwart over zeven in de avond berokken is geweest bij een ongeval; hij reed met zijn BMW op de Rottekade; op enig moment is hij uitgeweken naar rechts en stil gaan staan om een hem tegemoetkomende auto door te laten; hij kwam tot stilstand iets schuin op de weg, met de wielen helemaal naar links, en voor een deel ook op een verhard gedeelte van de berm waar kennelijk wel werd geparkeerd; terwijl de hem tegemoet komende auto hem voor het grootste deel was gepasseerd, reed een hem achterop komende wielrenner tussen zijn auto en de hem passerende auto door; tijdens deze inhaalmanoeuvre raakte de wielrenner de linker buitenspiegel van de stilstaande auto van [Bestuurder], als gevolg waarvan de wielrenner ten val is gekomen; op verzoek van [Verweerder] heeft [Bestuurder] [Verweerder] naar het ziekenhuis gereden; [Verweerder] heeft hem toen gezegd dat hij vlak voor het ongeval zijn hand had opgestoken naar de hem tegemoet komende auto ten teken dat deze moest wachten, maar dat deze auto dat niet had gedaan;

  1. [Verweerder] heeft als getuige verklaard dat hij op 25 juni 2015 te ongeveer 19.30 uur op de Rottekade fietste nabij de gemeente Zevenhuizen. Na een redelijk scherpe bocht in de weg zag hij op enig moment op een afstand van ongeveer 50 meter voor hem een tegenligger; rechts of nagenoeg rechts van de weg, in een soort inham van grind, stond een stilstaande BMW, met de wielen recht. De [Verweerder] tegemoet komende auto ging langzamer rijden; [Verweerder] had oogcontact met de bestuurder van deze auto en stak zijn hand naar hem op; de hem tegemoet komende auto minderde vaart en [Verweerder] dacht dat de tegenligger ruimte voor hem maakte, op het moment dat hij vaart maakte om de tegenligger te passeren, vermeerderde ook de tegenligger zijn vaart; het werd toen allemaal smal en krap; op het moment dat de tegenligger hem passeerde, bevond de BMW zich 4 a 5 meter voor hem; op hetzelfde moment schoot de BMW tot halverwege de weg naar voren; ofschoon [Verweerder] de BMW heeft trachten te ontwijken, is hij met de inmiddels weer stilstaande BMW in aanraking gekomen, als gevolg waarvan hij ten val is gekomen; het vrije gedeelte van de weg was ten tijde van het ongeval circa 1,5 meter breed; voor het ongeval heeft [Verweerder] drie wielrenners ingehaald die met een snelheid reden van 20 a 27 km per uur;
  2. [Getuige3] heeft verklaard dat hij op 25 juni 2013 ’s avonds tussen half acht en acht met twee vrienden met racefietsen nabij Oud Verlaat niet al te hard over de Rottekade reed; nog voor Oud Verlaat werden zij ingehaald door [Verweerder]; vlak na het zich ter plaatse bevindende café maakt de weg een bocht naar links; [Getuige3] is [Verweerder] in die bocht kort uit het oog verloren; op het moment dat hij hem weer zag, lag hij op de grond ter hoogte van de motorkap van een Duitse auto; deze auto stond met de achterzijde op een inham langs de weg en bevond zich voor circa twee derde deel op de weg, zodat er geen auto meer langs kon. Het ongeval zelf heeft [Getuige3] niet zien gebeuren;
  3. [Getuige4] heeft verklaard dat hij op 25 juni 2013 met twee vrienden te circa 19.45 uur niet hard nabij Oud Verlaat over de Rottekade fietste; zij werden op enig moment ingehaald door [Verweerder], hij reed bij hen vandaan en [Getuige4] is hem uit het oog verloren; vervolgens heeft hij hem enige tijd later op de grond zien liggen naast een BMW; hem was een ongeval overkomen; het ongeval zelf heeft [Getuige4] niet zien gebeuren; de BMW stond met zijn neus op het rijpad en met de kont in de berm, zodanig dat er over het asfalt geen auto meer langs kon;
  4. [Getuige5] heeft verklaard dat hij op 25 juni 2013 met twee vrienden te circa 19.45 uur rustig (circa 28 km per uur) met racefietsen nabij Oud Verlaat over de Rottekade fietste; op enig moment werden zij ingehaald door [Verweerder]; [Getuige5] heeft hem wat later op de weg zien liggen, althans zien opkrabbelen nabij een zich schuin op de weg bevindende BMW; hem was kennelijk kort daarvoor een ongeval overkomen; het ongeluk zelf heeft [Getuige5] niet zien gebeuren; de afstand tussen de voorzijde van de BMW en de zich voor de BMW bevindende berm bedroeg circa 1 meter; de achterzijde van de BMW bevond zich ter hoogte van de parkeerstrook die zich ter plaatse bevindt.

 

2.8          Op grond van de stellingen van partijen en de afgelegde getuigenverklaringen staat vast dat [Verweerder] in de (voor)avond van 25 juni 2013 nabij Oud Verlaat op de Rottekade ten val is gekomen en letselschade heeft opgelopen nadat hij in aanraking was gekomen met de auto van [Bestuurder]. Op dezelfde grond staat vast dat de Rottekade een (ter plaatse van het ongeval) smalle, circa drie meter brede weg is, zodanig dat twee auto’s elkaar daar niet kunnen passeren zonder dat de ene auto voor de andere uitwijkt – of beide auto’s voor elkaar uitwijken. Voor de verklaring die [Bestuurder] als partijgetuige heeft afgelegd, te weten dat hij ten tijde van het ongeval iets scheef op de weg en voor een deel ook op een verhard gedeelte van de berm met zijn auto stil stond, is steun te vinden in de verklaringen die [Getuige1] en [Getuige2] als getuigen hebben afgelegd. Voor die positionering van zijn auto is verder steun te vinden in de situatieschetsen (overgelegd als bijlage 1 bij het verzoekschrift) die [Bestuurder], [Verweerder] en [Getuige1] relatief kort na het ongeval van de ongevalssituatie hebben gemaakt. Van feiten en omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat de verklaringen van [Getuige1], [Getuige2] en [Bestuurder] niet betrouwbaar zijn, is niet (voldoende) gebleken. Bij de waardering van hun verklaringen is van belang dat zij beiden hebben verklaard dat zij (vanuit een stilstaande positie) goed zicht hadden op de ongevalssituatie. Bij de beantwoording van de vraag of de auto ten tijde van het ongeval anders op de weg was gepositioneerd dan [Bestuurder], [Getuige1] en [Getuige2] hebben verklaard, is in aanmerking te nemen dat alleen [Verweerder] heeft verklaard dat [Bestuurder] ten tijde van het ongeval met zijn auto reed. [Getuige3], [Getuige4] en [Getuige5] hebben daar niets over kunnen verklaren omdat zij het ongeval niet hebben zien gebeuren. Bij de beantwoording van de zojuist bedoelde vraag is verder van belang dat [Verweerder] heeft verklaard dat de auto van [Bestuurder] kort voor het ongeval in een soort inham helemaal of nagenoeg helemaal rechts van de weg stond en dat deze auto op het moment van het ongeval tot halverwege de weg naar voren was gereden. Voor die verklaring zoekt hij steun in de verklaringen van [Getuige3], [Getuige4] en [Getuige5], dat zij de auto van [Bestuurder] kort na het ongeval op de weg hebben zien staan, zodanig dat het vrije weggedeelte circa 1 meter bedroeg, zodat daaruit volgens [Verweerder] is af te leiden dat [Bestuurder], nadat de tegenligger hem was gepasseerd, (verder) de weg op is gereden, als gevolg waarvan het ongeval is ontstaan. Bij de waardering van de verklaringen van [Getuige3], [Getuige4] en [Getuige5] is echter in aanmerking te nemen dat hun waarneming – nu niet is gebleken dat er is gemeten – op een schatting berust. Daarbij is verder van belang dat het vrije weggedeelte op de Rottekade, indien wordt uitgegaan van de positie van de auto van [Bestuurder] zoals door hem, [Getuige1] en [Getuige2] is beschreven, ook krap zal hebben geoogd en is. Van belang is ten slotte ook dat de stelling van de gemachtigde van UVM, dat de [Bestuurder] tegemoet komende auto hem zonder problemen – makkelijk – heeft kunnen passeren, is te relativeren, omdat, zoals de ervaring leert, de passage van elkaar tegemoet komende auto’s op wegen als de Rottekade per definitie een kwestie is van passen en meten. Eén en ander leidt tot de conclusie dat aan de verklaringen [Getuige1], [Getuige2] en [Bestuurder] meer gewicht is toe te kennen dan aan de verklaringen van [Verweerder], [Getuige3], [Getuige4] en [Getuige5] en aan de redenering die [Verweerder] daaraan heeft vastgeknoopt. Derhalve is als vaststaand aan te nemen dat [Bestuurder] ten tijde van het ongeval met zijn auto stil stond, op de wijze zoals [Getuige1], [Getuige2] en [Bestuurder] hebben verklaard. Voor de stelling van [Verweerder], dat hij zich 4 a 5 meter achter de auto van [Bestuurder] bevond op het moment dat de tegenligger [Bestuurder] passeerde, is alleen steun te vinden in zijn eigen verklaring. Nu zowel [Getuige1], [Getuige2] als [Bestuurder] hebben verklaard dat [Verweerder] op het moment van het ongeval tussen de beide auto’s door heeft trachten te rijden, is dat als vaststaand aan te nemen.

 

2.9          Artikel 185 WVW bepaalt het volgende: Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig (…) verplicht om die schade te vergoeden, (…), tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht (…). Van overmacht in de zin van artikel 185 WVW is alleen sprake als aan de bestuurder van het motorrijtuig geen enkel verwijt kan worden gemaakt, doordat de aanrijding is te wijten aan fouten van het slachtoffer die voor de bestuurder zo onwaarschijnlijk waren dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag daarmee geen rekening hoefde te houden.

 

2.10 De onderhavige situatie, waarin [Bestuurder] zijn op de weg rijdende motorvoertuig tijdelijk stil heeft gezet om een hem tegemoet komend motorvoertuig de vrije doorgang te verlenen, is gelijk aan de situatie waarin met een motorvoertuig over de weg wordt gereden, zodat – hetgeen tussen partijen overigens ook niet in discussie is – artikel 185 WVW ten deze toepassing vindt.

 

2.11       Van het feit dat [Bestuurder] zijn auto stil heeft gezet om de hem tegemoet komende auto door te laten, kan hem in de gegeven situatie, waarin werd gereden op een smalle, circa drie meter brede weg, geen verwijt worden gemaakt. Van het feit dat hij zijn auto daartoe stil heeft gezet gedeeltelijk op de weg en gedeeltelijk in de berm, kan hem in de gegeven omstandigheden evenmin een verwijt worden gemaakt, omdat hij er in de gegeven omstandigheden op geen enkele wijze rekening mee heeft hoeven houden dat de hem achterop komende [Verweerder] zich in gevaar wilde brengen door zich (afgaande op de verklaring van [Verweerder]) met behoorlijke snelheid met zijn racefiets tussen de beide auto’s door te wringen. [Bestuurder] heeft er zonder meer vanuit mogen gaan dat de hem achterop komende fietsers achter hem stil zouden houden, zoals [Getuige1] en [Getuige2] dat hebben gedaan, tot de hem tegemoet komende auto hem zou zijn gepasseerd. Daarbij is van belang dat niet is gesteld of anderszins is gebleken dat [Verweerder] zijn racefiets niet tijdig tot stilstand had kunnen brengen. Het is er aldus voor te houden dat het ongeval alleen is ontstaan doordat [Verweerder] verkeerd heeft ingeschat, met welke inschattingsfout [Bestuurder] geen rekening behoefde te houden, dat de [Bestuurder] tegemoet komende automobilist zijn vaart zou minderen, zodanig dat [Verweerder] de auto van [Bestuurder] zou kunnen passeren alvorens de andere auto dat zou doen.

 

2.12       Het beroep van UVM op overmacht slaagt derhalve, zodat als volgt is te beslissen.

 

Beslissing

De kantonrechter:

 

Op het verzoek van UVM:

 

verklaart voor recht dat de verzekerde van UVM niet aansprakelijk is omdat hem ex artikel 185 WVW een beroep toekomt op overmacht;

 

Op het verzoek van [Verweerder]:

 

wijst het verzoek af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Nijenhuis, kantonrechter op 26 januari 2017.