• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 16 augustus 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:4946
  • Zaaknummer: 310892

Rb: botsing tussen links afslaande auto en inhalende motorfiets: 80%-20% na billijkheidscorrectie

Eiser haalt op zijn motorfiets de personenauto van gedaagde in, die op dat moment linksaf slaat. Eiser raakt door de botsing zwaar gewond. 1. De rechtbank stelt vast dat gedaagde de motorfiets niet heeft laten voorgaan toen hij afsloeg. Ook als gedaagde heeft voorgesorteerd en richting aangegeven ontheft hem dat niet van de plicht om voorrang te verlenen aan inhalend verkeer. De rechtbank acht gedaagde aansprakelijk. 2. Eigen schuld. De rechtbank is van oordeel dat de weggedraging van gedaagde, meer gevaar in het leven heeft geroepen dan de weggedraging van eiser en dat de fouten van in de verhouding 60% – 40% tot de schade hebben bijgedragen. 3. Billijkheidscorrectie vanwege het verschil in ernst van de gevolgen van het ongeval. De billijkheid eist naar het oordeel van de rechtbank dat de vergoedingsplicht tot 80% wordt verhoogd.

Rb: botsing tussen links afslaande auto en inhalende motorfiets: 80%-20% na billijkheidscorrectie

Eiser haalt op zijn motorfiets de personenauto van gedaagde in, die op dat moment linksaf slaat. Eiser raakt door de botsing zwaar gewond. 1. De rechtbank stelt vast dat gedaagde de motorfiets niet heeft laten voorgaan toen hij afsloeg. Ook als gedaagde heeft voorgesorteerd en richting aangegeven ontheft hem dat niet van de plicht om voorrang te verlenen aan inhalend verkeer. De rechtbank acht gedaagde aansprakelijk. 2. Eigen schuld. De rechtbank is van oordeel dat de weggedraging van gedaagde, meer gevaar in het leven heeft geroepen dan de weggedraging van eiser en dat de fouten van in de verhouding 60% – 40% tot de schade hebben bijgedragen. 3. Billijkheidscorrectie vanwege het verschil in ernst van de gevolgen van het ongeval. De billijkheid eist naar het oordeel van de rechtbank dat de vergoedingsplicht tot 80% wordt verhoogd.

 

 

ECLI:NL:RBGEL:2017:4946

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 16-08-2017
Datum publicatie26-09-2017
Zaaknummer310892

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Letselschade. Verkeersongeval tussen een motorrijder en de bestuurder van een personenauto. Aansprakelijkheid automobilist. Eigen schuld motorrijder. Causaliteitsafweging. Billijkheidscorrectie.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

  .   .vonnis

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Arnhem

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/05/310892 / HA ZA 16-562 / 167 / 512

 

 

 

 

Vonnis van 16 augustus 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [eiser] ,

 

wonende te [woonplaats 1] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. R.A. Heblij te Amersfoort,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

1. de naamloze vennootschap

 

 

AEGON SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

gevestigd te Den Haag,

 

2. [gedaagde sub2],

 

 

wonende te [woonplaats 2] ,

 

gedaagden,

 

advocaat mr. A.F. Collignon-Smit Sibinga te Amsterdam.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiser] , Aegon en [gedaagde sub2] genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 25 januari 2017

 

het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2017.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op zaterdag 16 november 2013, omstreeks 16.50 uur, heeft op de Lunterseweg van Ede naar Lunteren een ongeval plaatsgevonden tussen [eiser] als motorrijder en [gedaagde sub2] als bestuurder van een Suzuki Jeep. [eiser] en [gedaagde sub2] reden aanvankelijk achter elkaar op deze weg in noordelijke richting ( [eiser] reed achter [gedaagde sub2] ) en zijn met elkaar in botsing gekomen op de linkerrijstrook van de weg, bestemd voor tegemoetkomend verkeer, even voorbij de afslag naar de Woutersweg, ter hoogte van het perceel Lunterseweg nummer 45.

 

 

2.2.

Uit het proces-verbaal van aanrijding van de Politie Gelderland-Midden wordt het volgende geciteerd:

 

 

 

Vermoedelijke toedracht

 

Verdachte [gedaagde sub2] reed in zijn personenauto; zijnde een witte Suzuki voorzien van kenteken [kenteken] over de Lunterseweg te Ede, komende uit de richting Ede, rijdend in de richting Lunteren. Op deze weg is een maximale toegestane snelheid van 80 km per uur toegestaan.

 

 

 

 

Verdachte [gedaagde sub2] wilde ter hoogte van perceel 45 aan de Lunterseweg, links afslaan en reed, ten tijde van het ongeval, stapvoets om de oprit in te draaien. Volgens getuige [getuigen] had [gedaagde sub2] zijn richtingaanwijzer naar links aanstaan.

 

 

 

 

Verdachte [eiser] reed op zijn motor; zijnde een Suzuki voorzien van kenteken [kenteken] , over de Luntersweg te Ede, komende uit de richting Ede, rijdend in de richting van Lunteren. [eiser] bevond zich op ongeveer 200 meter achter [gedaagde sub2] .

 

 

 

 

De afstand tussen [eiser] en [gedaagde sub2] werd kleiner waarop [eiser] besloot [gedaagde sub2] in te halen. Dit besloot [eiser] op een afstand van ongeveer 50 meter. Op het moment dat [eiser] zich op ongeveer 10 meter achter [gedaagde sub2] bevond, [eiser] bevond zich op dat moment op de tegengestelde rijrichting, en hij bezig was met zijn inhaalmanoeuvre, zag [eiser] dat [gedaagde sub2] zijn voertuig naar links indraaide.

 

 

 

 

Volgens het VOA rapport, pagina 9, is de linkerzijde van de motor van [eiser] direct voorafgaand de botsing in aanraking geweest met het wegdek, dit betreft een remblokkeerspoor van 10.5 meter op de tegengestelde rijbaan.

 

 

 

 

De personenauto van [gedaagde sub2] en de motor van [eiser] zijn hierna met elkaar in aanraking gekomen. De motor heeft de linkerachterzijde van de personenauto geraakt, ter hoogte van het achterwiel. De personen auto werd door de aanrijding omgeworpen en kwam op zijn dak tot stilstand.

 

 

 

2.3.

In het proces-verbaal staat dat [gedaagde sub2] als verdachte werd aangemerkt vanwege het vermoeden van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) (als verkeersdeelnemer een verkeersongeval met zwaar lichamelijke letsel veroorzaken). [eiser] werd aangemerkt als verdachte vanwege overtreding van artikel 54 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV) (van rijstrook wisselen zonder overige verkeer voor te laten gaan).

 

 

2.4.

 

Uit het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse van 17 december 2013 (verder: het VOA p-v) wordt het volgende geciteerd:

 

2. Onderzoek op plaats ongeval

 

(…)

 

2.1.2.

 

Wegsituatie

 

(…)

 

De rijbaan had een in de PC-Rect bewerking gemeten breedte van circa 6,5 meter en was door middel van dubbele onderbroken witte strepen verdeeld in 2 rijstroken.

 

Aan beide zijden naast de rijbaan, lag een vrijliggend fiets/bromfietspad dat door middel van een grasberm was gescheiden van de rijbaan.

 

(…)

 

2.1.7

 

Lichtgesteldheid

 

Het tijdstip dat het ongeval werd gemeld was 16.54 uur.

 

(…)

 

Het tijdstip van zonsondergang 16.45 uur.

 

(…)

 

2.2.1

 

Sporen op plaats ongeval

 

(…)

 

In de rijrichting, die de motorfiets vlak voor het ongeval gehad moet hebben, zagen wij op het wegdek een recent spoor, namelijk een remblokkeerspoor met een in de PC-Rect bewerking gemeten lengte van ongeveer 10,5 meter.

 

(…)

 

3. Voertuigonderzoek

 

(…)

 

3.2

Voertuig 1

 

3.2.1

 

Merk Suzuki, type LJ80V en kenteken [kenteken] (de auto van [gedaagde sub2] , rb)

 

(…)

 

Verlichting

 

(…)

 

Wij zagen dat het dim- en grootlicht, de achterlichten, de richtingaanwijzers en de remlichten normaal konden functioneren.

 

(…)

 

5. Interpretatie en analyse

 

(…)

 

5.2.

 

Oorzaak, toedracht en gevolg

 

Op zaterdag 16 november 2013, omstreeks 16:54 uur, reed de bestuurder van de personenauto over de Lunterseweg te Ede, komende uit de richting van Ede en gaande in de richting van Lunteren. Ter hoogte van perceel Lunterseweg 45, reed de bestuurder van de personenauto linksaf, in de richting van de inrit tot voornoemd perceel. Volgens enkele getuigen werd voorafgaande aan deze manoeuvre, richting aan gegeven door de bestuurder van de personenauto, door middel van de linker richtingaanwijzer van de personenauto.

 

Op het moment dat de bestuurder van de personenauto linksaf reed, werd deze aan de linkerachterzijde, ter hoogte van het achterwiel, aangereden door een inhalende motorrijder. Tengevolge van deze aanrijding raakte de bestuurder van de motorfiets, zeer ernstig gewond aan een been. De motorfiets en de bestuurder van de motorfiets kwamen aan de linkerzijde, naast de rijbaan tot stilstand. De personenauto werd door de aanrijding omgeworpen en kwam op zijn dak tot stilstand op de rijbaan van de Lunterseweg.

 

(…)

 

6. Beeldmateriaal

 

(…)

 

6.4

 

Het vervaardigen van tekeningen

 

Van betreffende wegvak is door mij, verbalisant (…) bij de gemeente Ede een (AutoCad)tekening opgevraagd.

 

De PC-Rect foto’s en de opgevraagde tekening zijn in het tekenprogramma AutoCad geïmporteerd. De PC-Rect foto’s zijn hierin vervolgens aan elkaar gekoppeld. Door mij, verbalisant (…) werden vervolgens de navolgende tekeningen op schaal vervaardigd:

 

(…)

 

2. Botspositie.

 

 

 

2.5.

De hiervoor bedoelde tekening van de botspositie is hieronder weergegeven. De rechtbank heeft ter verduidelijking de gegevens uit de bijbehorende legenda in de tekening zelf weergegeven.

 

 

  .   .   .   .   .   .   .

 

 

2.6.

[eiser] heeft als gevolg van het ongeval ernstig letsel opgelopen, waaronder twee gebroken ribben, een longcontusie en een klaplong, een gebroken schouderblad en gebroken sleutelbeen, een breuk in de linkerarm, losgelaten weefsel op zijn rechter onderbeen, een afscheurde pees in de rechterknieschijf en zenuwuitval van de linkerarm. [eiser] is meermalen geopereerd en heeft enige tijd in een revalidatiecentrum verbleven. Er is sprake van blijvend letsel aan (in ieder geval) zijn linkerpols.

 

 

2.7.

[eiser] heeft Aegon als WAM verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het ongeval.

 

 

2.8.

Aegon heeft aansprakelijkheid voor het ongeval afgewezen.

 

 

2.9.

Op 4 februari en 10 maart 2016 hebben voorlopig getuigenverhoren plaatsgevonden, waarbij als getuigen zijn gehoord: [eiser] , [gedaagde sub2] , [getuigen] .

 

 

2.10.

[eiser] heeft als getuige het volgende verklaard:

 

 

 

“Op zaterdag 16 november 2013 reed ik op mijn motor eind van de middag op de weg van Ede naar Lunteren. Ik was op de terugweg van een bezoek aan de Mediamarkt in Ede. Het was eind van de middag en het was al wat tegen schemering aan. Ook was het vochtig, maar er viel geen neerslag. De weg was nat, maar het regende niet. Ik reed rustig, de maximum snelheid, 80 kilometer per uur, in de zesde versnelling. Ik heb sinds maart 2012 mijn motorrijbewijs. Sindsdien had ik ook de Suzuki motor waarop ik reed. Ik heb sinds 2004 mijn autorijbewijs.

 

Ik kwam op een gegeven moment de bocht uit en kwam op een recht stuk weg richting Lunteren. Het was rustig en er was weinig verkeer, geen tegenliggers. Op een gegeven moment zag ik een auto voor mij. Ik naderde de auto geleidelijk, hij reed langzamer dan ik. Dat komt wel vaker voor daar. Ik ken de weg en ik ken de verkeerssituatie ter plaatse. Ik rij er vrijwel dagelijks. Ik schat dat de auto voor mij ongeveer 50 kilometer per uur reed. Ik heb gekeken of er zijwegen waren en of er tegenliggers waren voordat ik besloot de auto in te halen. Kort daarvoor was er een zijweg. Op het moment dat het vrij was en veilig was ben ik gaan inhalen. Op het moment dat ik van rijstrook wisselde naar links reed ik op 40 tot 50 meter afstand van de auto. Ik heb niet gezien dat de auto een richtingaanwijzer aan had. Nogmaals, ik rij er bijna dagelijks en weet dat er zijwegen zijn. Ik ken de verkeersituatie en ook hoe mensen daar soms kunnen afslaan. Het komt ook voor dat mensen afslaan zonder richting aan te geven. Ik heb op geen enkel moment gezien dat de auto voor mij een richtingaanwijzer aan had, niet voordat ik besloot in te halen en ook niet toen ik aan het inhalen was. Tijdens het inhalen had ik zicht op de auto. Opeens reed de auto plotseling linksaf en zag ik hem overdwars op de weg voor me. Voor zover ik mij kan herinneren reed de auto en stond hij niet stil. Als de auto stil had gestaan, dan was me dat wel opgevallen. Het ging allemaal heel erg snel. U vraagt mij of ik eerst gevallen ben met de motor voordat ik de auto raakte, maar zover ik mij kan herinneren heb ik de auto vol geraakt. Het was zo plotseling dat ik mijn rem ook niet eerder heb gebruikt dan toen ik de auto zag. Ik was toen al zo dichtbij de auto dat ik alleen maar dacht “oh shit” en toen zat ik er al op. Ik zal waarschijnlijk in een reflex geremd hebben, maar dat weet ik niet, ik zat er al zo dicht op.

 

U vraagt mij of het mistig was. Ik antwoord u dat het zicht goed was, in die zin dat het weliswaar nat en schemerig was, maar dat ik de auto goed kon zien. Het was herfstachtig.

 

Ikzelf had de verlichting aan op de motor. Volgens mij de auto voor mij ook.

 

Voor en tijdens het inhalen heb ik voor mij geen remlichten gezien.”

 

 

 

2.11.

[gedaagde sub2] heeft als getuige het volgende verklaard:

 

 

 

“Ik reed op zaterdag 16 november 2013 op de weg van Ede naar Lunteren. Ik zou de dag daarna op zondag met een aantal vrienden gaan motorcrossen. Ik was op weg naar de hal van [persoon] aan de [adres] om crossspullen te gaan brengen. Ik was met de auto van mijn broer. Wat ik mij kan herinneren was dat het schemerig was en mistig. Of het regende weet ik niet meer. De weg is een soort laan met aan beide kanten dikke bomen. De weg loopt tussen de weilanden door en de laaghangende mist kwam tussen de bomen door. Dat is vaak het geval daar. Ik ken de weg aardig goed. Ik kwam er in die tijd elke paar weken in verband met de motorcross.

 

Op een gegeven moment is er een zijweg naar rechts, dat is de Woutersweg. Zo’n 100 meter daarvoor kun je het bord met de wegaanduiding zien, dat is een handig richtpunt. Op dat moment weet je dat het nog ongeveer 200 meter is tot de afslag linksaf naar de inrit van nummer 45. Voor zover ik weet was het niet druk op de weg. Op het moment dat ik het bord met de wegaanduiding Woutersweg zag heb ik richting aangegeven naar links en het gas wat los gelaten. Het was al wat donkerder en vanwege de bomen tussen de weg en het fietspad is de inrit niet zo makkelijk te zien. Bij het afslaan moet je ook goed opletten op scooters en fietsers op het fietspad. Ik weet zeker dat ik mijn richtingaanwijzer aan heb gedaan. Ik heb jaren op een vrachtwagen gereden en ik weet dat je alleen aan de richtingaanwijzer kunt zien dat iemand afslaat.

 

Op het moment dat ik linksaf wilde slaan heb ik in mijn spiegels gekeken. Ik zag in de verte achter mij één koplamp, ik schat op zo’n 300 tot 400 meter afstand. Op het moment dat ik linksaf sloeg stond ik praktisch stil, omdat de inrit zo’n vijf meter verder vrij smal is, ongeveer twee meter breed, en je moet uitkijken voor scooters en fietsers. Op het moment dat ik optrok om de inrit in te rijden was er een doffe klap en lag ik met auto en al ondersteboven. De eerste keer toen ik keek zag ik één koplamp heel in de verte. Toen sloeg ik af en ik keek nog een keer. Ik reed heel langzaam op om op beide kanten op het fietspad te kunnen kijken. Het komt vaker voor dat het verkeer op het fietspad van beide kanten komt. Vanwege de bomenrij is het zicht op het fietspad beperkt.

 

Met crossspullen bedoel ik een grote tas met spullen, die stond op de grond in de auto, en verder nog helmen, bodyprotectors en een vat benzine.

 

De auto waarin ik reed is een antieke Jeep van 35 jaar oud, een kleine terreinwagen. De auto was 100% in orde. Na aankoop hebben we alles vernieuwd en vervangen, remmen enz.

 

Ik had op dat moment geen alcohol gedronken, ik drink al jaren niet meer.”

 

 

 

2.12.

De heer [getuigen] heeft als getuige het volgende verklaard:

 

 

 

“Op zaterdag 16 november 2013 reed ik op het fietspad gelegen langs de Lunterseweg vanuit Lunteren richting Ede. Ik was op de fiets op weg naar mijn toenmalige vriendin. Ik ken het fietspad redelijk goed. Ik reed daar regelmatig, ook wel op mijn brommer. Tussen het fietspad en de weg ligt een rij met bomen. De bomen staan in een berm van één à anderhalve meter breed. Het was eind van de middag en nog relatief licht en het was droog. Bij mijn weten was het niet erg bewolkt en het was niet mistig.

 

Ik reed voorbij de inrit van nummer 45. Ik zag de auto en ik zag daarachter de motor rijden. Zij reden mij tegemoet. Ik zag eerst de auto rijden en een poosje later de motor. Allebei reden ze op de correcte weghelft. Ik weet niet met welke snelheid zij reden, maar ik had de indruk dat de motor sneller reed dan de auto. Ik weet niet wat de afstand tussen de auto en de motor was op het moment dat ze mij voorbij reden. Ik heb ze niet tegelijkertijd in één oogopslag gezien, vanwege de bomen, dus ze moeten op enige afstand van elkaar hebben gereden. Toen de auto en de motor al voorbij waren hoorde ik achter mij het ongeluk. Daarmee bedoel ik dat ik het schrapen hoorde van metaal op de weg. Ik ben omgekeerd en heb mijn fiets tegen een boom gezet en ben er naartoe gelopen. Ik zag een auto ondersteboven liggen op de weg. Volgens mij lag de auto midden op de weg. Verder zag ik een motor liggen op de verkeerde weghelft en de motorrijder lag in de sloot.

 

Ik kan mij niet meer herinneren of de beide voertuigen verlichting voerden. Ik weet niets meer van verlichting of richtingaanwijzers. Bij mijn weten was het op dat moment qua daglicht niet nodig om verlichting te voeren. Ik heb destijds bij de politie naar beste weten verklaard wat ik heb gezien. Het is inmiddels al langer geleden en ik kan mij dus ook minder herinneren.

 

Ik kan mij niet herinneren waar ik reed ten opzichte van de zijweg, zijnde de Woutersweg, op het moment dat de auto en de motor mij voorbij reden. Ik kan alleen zeggen dat ik een aantal bomen voorbij de inrit reed toen ze mij tegemoet komend passeerden, ik schat vier à vijf bomen verder.”

 

 

 

2.13.

Mevrouw [getuigen] heeft als getuige het volgende verklaard:

 

 

 

“U vraagt mij naar het ongeval op 16 november 2013. Mijn partner en ik waren die dag aan het klussen in ons huis aan de [adres] . Wij waren op dat moment nog woonachtig in Stroe en hadden het plan in dat huis te gaan wonen. Bezien vanuit de richting Ede ligt [adres] aan de rechterkant van de weg, ongeveer 20 meter voor de zijstraat de Wouterseweg. Ik wijs u de plek aan op het kaartje en ik hoor u zeggen dat dit aan het proces-verbaal zal worden gehecht.

 

Op een gegeven moment, zo rond 16.45 uur denk ik, dronken we een kopje koffie. Dat was in de ruimte met een raam dat uitkeek op de weg. Ik kan mij herinneren dat het mistig was en dat de schemering net inviel. Het regende niet. Ik keek door het raam naar buiten, ik weet niet meer of ik stond of zat. Ik hoorde het geluid van een motor, het was net zo’n geluid als van de motor van mijn partner. Ik hoorde de motor gas bij geven. Ik zag de auto en de remlichten van de auto. Het eerst volgende dat gebeurde was dat ik een knal hoorde en de auto op zijn kop lag. Ik kan mij niet herinneren dat ik de motorrijder heb gezien voordat het ongeluk gebeurde, ik heb de motor alleen gehoord.

 

Ik kan mij alleen herinneren dat ik de remlichten van de auto heb gezien. Ik kan mij geen andere lichten herinneren.

 

Toen het ongeval gebeurd was ben ik gaan rennen richting de plek van het ongeval. [getuigen] , van ons uit gezien de overbuurman, zijn naar de sloot gerend omdat ze de motorrijder niet konden zien. De bestuurder van de auto zat versuft in de auto, hij lag half en was bezig uit de auto te kruipen. Op dat moment kwamen er ook schaapherders, die bij [persoon] waren, naar buiten en hebben de bestuurder meegenomen.

 

Hij had bloed op zijn hoofd.

 

Op het moment dat ik vanuit mijn huis door het raam naar buiten keek stond of zat mijn partner naast mij. Ik weet niet wat hij heeft gezien. Daar hebben wij het niet over gehad.

 

Nu u mij mijn hele verklaring nog eens voorleest, schiet het mij te binnen dat ik de motorrijder wel heb gezien. Ik heb gezien dat de auto afsloeg en de motorrijder reed op dat moment naast de auto met zijn voorwiel ter hoogte van het achterwiel van de auto.

 

Ik kan mij niet herinneren of er hard of zacht werd gereden, ik kan dat slecht inschatten.

 

De Lunterseweg is een 80 km weg en voor zover ik mij kan herinneren werd er niet heel hard of zacht gereden.”

 

 

 

2.14.

Mevrouw [getuigen] heeft als getuige verklaard:

 

 

 

“Mijn man en ik woonden in november 2013 op het adres [adres] . Ik wijs u de plek aan op het kaartje en hoor u zeggen dat dit kaartje aan het proces-verbaal zal worden gehecht. Ons huis is het eerstvolgende huis na [adres] , aan de linkerkant van de weg gelegen, bezien vanuit de richting Ede.

 

Op 16 november 2013 stond ik aan de zijkant van onze woning de ramen te lappen. Het was aan de kant die uitkeek op [adres] Het eerste wat ik mij kan herinneren is dat ik een enorm blikken geluid hoorde. U maakt een tekening waarop ik aanwijs waar ik mij op dat moment bevond. Ook deze tekening zal aan het proces-verbaal worden gehecht. Ik ben direct richting de weg gelopen en zag dat er een auto op de kop lag.

 

Op dat moment was het tegen schemer aan. Ik kan mij niet herinneren of de auto lichten aan had.

 

Ik heb de bestuurder van de auto niet gezien. Ik zag de motor wel liggen, maar de motorrijder niet. Mijn man en mijn zoon hebben die later gevonden in de sloot.

 

Ik weet verder niets van het politieonderzoek dat na het ongeval heeft plaatsgevonden.

 

Later hebben wij via via gehoord van de verwondingen van de heer [eiser] .”

 

 

 

2.15.

De heer [getuigen] heeft als getuige het volgende verklaard:

 

 

 

“Op 16 november 2013 was ik samen met mijn zoon en een vriend van hem spanten aan het maken bij de schuur achter ons huis. U tekent de plek waar ik mij bevond in op een tekening, die aan het proces-verbaal zal worden gehecht. Ik weet niet meer wat voor weer het was die dag, maar het zal wel goed weer zijn geweest, want anders zou ik niet buiten aan het werk zijn geweest. Volgens mij was het nog licht. Ik hoorde een heel harde klap. Het kwam vanuit de richting van de weg en ik rende er meteen naartoe. Ik zag een auto op zijn kop liggen en een motor bij de boom. Ik ben met mijn zoon en zijn vriend gaan zoeken en zag op een gegeven moment de motorrijder in de sloot. Zijn jas kwam net boven het blad uit. Hij lag in het water. Mijn vrouw was 112 aan het bellen en zei dat we hem moesten laten liggen. Maar omdat hij in het water lag hebben we hem heel voorzichtig op de kant gelegd.

 

De auto lag op de kop met de neus in onze richting. Ik kan mij niet herinneren of ik gezien heb dat hij lichten aan had.

 

Voor de klap heb ik niks gezien of gehoord en mijn zoon en zijn vriend ook niet. Vanaf de plek waar wij aan het werk waren, hadden wij geen direct zicht op de weg.

 

Ik ben op de plaats van het ongeval gebleven, totdat de ambulance kwam. Ik heb in die tijd de bestuurder niet gezien. We waren te druk bezig met de motorrijder.

 

Op een gegeven moment is ook de buurvrouw van twee huizen verderop, [adres] , naar de plaats van het ongeval gekomen. Haar naam weet ik niet, zij woonde daar nog niet zo lang.

 

Ik heb wel gezien dat er nadien politieonderzoek heeft plaatsgevonden, maar daar weet ik verder niks van. Ik heb ook nooit iets van de politie gehoord.”

 

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

 

1. te verklaren voor recht dat Aegon en [gedaagde sub2] jegens [eiser] aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval op grond van artikel 6:162 BW juncto de artikelen 17, 18 en 54 RVV en gehouden zijn de schade te vergoeden die [eiser] dientengevolge heeft geleden;

 

2. Aegon en [gedaagde sub2] te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade, kosten en interesten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, subsidiair vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

 

3. Aegon en [gedaagde sub2] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

 

 

3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde sub2] linksaf is geslagen om een inrit in te rijden op het moment dat [eiser] de auto van [gedaagde sub2] wilde inhalen. [gedaagde sub2] heeft in strijd gehandeld met de artikelen 18 en 54 RVV door geen voorrang te verlenen aan [eiser] . Verder is onvoldoende vast komen te staan dat [gedaagde sub2] heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 17 RVV (tijdig voorsorteren en richting aangeven) en heeft [gedaagde sub2] de afstand tussen hem en de motor van [eiser] verkeerd ingeschat. Ook als sprake is van een verkeersfout van [eiser] , dan blijven de voorrangsverplichtingen van [gedaagde sub2] gelden. Het aard van het letsel van [eiser] rechtvaardigt voorts de toepassing van de billijkheidscorrectie.

 

 

3.3.

Aegon en [gedaagde sub2] voeren verweer en betwisten aansprakelijk te zijn voor het ongeval op de door [eiser] gestelde gronden. Subsidiair stellen zij dat sprake is van eigen schuld van [eiser] , die heeft gehandeld in strijd met de artikelen 11 lid 2, 19 en 54 RVV.

 

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde sub2] aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het verkeersongeval die aan de zijde van [eiser] zijn opgekomen. Het geschil spitst zich erop toe of [gedaagde sub2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en, zo ja, of [gedaagde sub2] schuld heeft aan het ongeval en, zo ja, in welke mate.

 

 

 

Aansprakelijkheid

 

 

 

4.2.

In art. 18 lid 1 RVV is bepaald dat bestuurders die afslaan, het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor moeten laten gaan.

 

 

4.3.

Vast staat dat [gedaagde sub2] [eiser] niet heeft laten voorgaan toen [gedaagde sub2] afsloeg. In geschil is of [eiser] zich op dat moment links dicht achter [gedaagde sub2] bevond, zoals [eiser] stelt en Aegon en [gedaagde sub2] betwisten, in welk geval [gedaagde sub2] in strijd heeft gehandeld met art. 18 lid 1 RVV. In dit verband is het volgende van belang.

 

 

4.4.

[eiser] heeft verklaard dat hij tijdens het inhalen, dus toen [eiser] zich al op de linker weghelft bevond, de auto van [gedaagde sub2] naar links zag komen en dat hij de auto op dat moment overdwars voor zich zag op de weg, waarna hij is gaan remmen.

 

 

4.5.

Het ongeval vond plaats omstreeks zonsondergang (paragraaf 2.1.7. van het VOA p-v). [gedaagde sub2] heeft in het voorlopig getuigenverhoor en in alinea 31 van de conclusie van antwoord verklaard dat hij, op het moment dat hij wilde afslaan, in zijn spiegel(s) in de verte één koplamp achter zich zag. Aangenomen moet worden dat dit [eiser] was. Tussen [eiser] en [gedaagde sub2] heeft zich geen overig verkeer bevonden. [gedaagde sub2] heeft verder verklaard dat hij, toen hij daadwerkelijk afsloeg, nogmaals in zijn spiegels heeft gekeken. Klaarblijkelijk heeft hij [eiser] toen niet meer in zijn achteruitkijkspiegel zien rijden. Hieruit volgt dat [eiser] niet recht achter [gedaagde sub2] reed, vlak voordat [gedaagde sub2] besloot zijn auto daadwerkelijk linksaf te sturen.

 

 

4.6.

Uit paragraaf 6.(4.) van het VOA p-v en de tekening van de botspositie blijkt dat het remblokkeerspoor van de motor van [eiser] zich volledig op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer bevond.

 

 

4.7.

Vast staat dat [eiser] met de ter plaatse maximaal toegestane snelheid van 80 km/u reed voordat hij [gedaagde sub2] zag afslaan. Dat is ongeveer 22 meter per seconde. Het slipspoor is ongeveer 10,5 meter lang (paragraaf 2.2.1 van het VOA p-v). Hieruit volgt, ook rekening houdend met enige reactietijd voordat [eiser] is gaan remmen, dat [eiser] zich dicht achter [gedaagde sub2] moet hebben bevonden toen [gedaagde sub2] naar links afsloeg.

 

 

4.8.

Deze bewijzen zijn zodanig sterk en betreffen zodanig essentiële punten van de partijgetuigenverklaring van [eiser] dat deze verklaring voldoende geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank acht aldus bewezen dat [eiser] zich links dicht achter [gedaagde sub2] bevond op het moment dat [gedaagde sub2] afsloeg. [gedaagde sub2] heeft derhalve in strijd gehandeld met art. 18 lid 1 RVV, met het ongeval tot gevolg. Dit handelen is onrechtmatig jegens [eiser] .

 

 

4.9.

De vraag is vervolgens of dit onrechtmatige handelen aan [gedaagde sub2] kan worden toegerekend, zoals [eiser] stelt en [gedaagde sub2] betwist met een beroep op het ontbreken van schuld.

 

 

4.10.

Of [gedaagde sub2] zich aan het voorschrift van art. 17 RVV heeft gehouden kan in dit verband in het midden blijven. Ook als [gedaagde sub2] deze regels in acht heeft genomen en dus, alvorens af te slaan, tegen de wegas is gaan rijden en zijn linker richtingaanwijzer in werking heeft gesteld, ontheft dit [gedaagde sub2] niet van de ingevolge art. 18 RVV op hem rustende verplichting voorrang te verlenen aan inhalend verkeer (vergelijk HR 21 juni 1955, NJ 1956/9 (Strafkamer). [gedaagde sub2] had zich ook in dat geval ervan moeten vergewissen dat hij zonder gevaar voor (inhalende) medeweggebruikers kon afslaan. Daartoe was hij op grond van art. 18 RVV gehouden, maar ook omdat hij, ondanks een regelmatige inleiding van zijn manoeuvre, met passerend verkeer moest rekenen. In het verkeer moet men immers tot op zekere hoogte ook op onverwacht c.q. onoplettend verkeersgedrag van anderen bedacht zijn.

 

 

4.11.

 

Van deze vergewisplicht heeft [gedaagde sub2] zich onvoldoende gekweten. [gedaagde sub2] heeft verklaard dat hij ook in zijn linkerzijspiegel [eiser] niet heeft gezien. Hij heeft echter niet verklaard dat hij over zijn linkerschouder door de linker achterruit van de auto heeft gekeken voordat hij naar links stuurde. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde sub2] niet achterom heeft gekeken. Aangenomen moet dan worden dat [gedaagde sub2] niet over de linkerschouder heeft gekeken, terwijl dat wel is geboden om verkeer te kunnen waarnemen dat zich in de zogenoemde dode hoek van de spiegels bevindt. Deze omissie levert schuld op aan het ontstaan van het ongeval. Zeker nu [gedaagde sub2] wist dat [eiser] even tevoren nog achter hem reed en zich daarom diende af te vragen waar [eiser] zich inmiddels bevond. Het ten onrechte niet verlenen van voorrang is aldus krachtens schuld aan [gedaagde sub2] toe te rekenen.

 

Indien [gedaagde sub2] van het niet opmerken van [eiser] geen verwijt zou kunnen worden gemaakt omdat hij [eiser] ook niet zou hebben kunnen zien als hij wel over zijn schouder zou hebben gekeken, kan het ten onrechte niet verlenen van voorrang overigens eveneens aan [gedaagde sub2] worden toegerekend, maar dan krachtens verkeersopvatting. Indien bij het afslaan ten onrechte aan inhalend verkeer geen voorrang wordt verleend, aldus in strijd handelend met art. 18 RVV, en dit te wijten is aan de onmogelijkheid om inhalend verkeer waar te nemen, komt dat volgens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van degene die afslaat.

 

 

 

4.12.

Ook afgezien van art. 18 RVV heeft [gedaagde sub2] overigens een fout gemaakt door links af te slaan zonder over zijn linkerschouder te kijken. Dergelijk gedrag kan gevaar op de weg veroorzaken en is daarom op grond van het algemene gevaarzettingsverbod van art. 5 van de Wegenverkeerswet 1994 niet toegestaan.

 

 

4.13.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde sub2] , en op de voet van art. 6 lid 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ook Aegon, jegens [eiser] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval en in beginsel gehouden zijn de schade te vergoeden die [eiser] dientengevolge heeft geleden. De overigens aangevoerde gronden voor onrechtmatig handelen van [gedaagde sub2] jegens [eiser] behoeven geen bespreking.

 

 

 

Eigen schuld

 

 

 

4.14.

De vergoedingsplicht van Aegon en [gedaagde sub2] kan worden verminderd, indien, zoals Aegon en [gedaagde sub2] stellen en [eiser] betwist, de schade mede een gevolg is van een aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid. Een zodanige vermindering dient te geschieden door toepassing van de primaire maatstaf van art. 6:101 lid 1 BW. Bij de causaliteits-afweging in het verkeersrecht komt het aan op de afweging van de mate waarin de gedragingen van de ene en de andere partij het gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven hebben geroepen (vgl. Hoge Raad 2 juni 1995, NJ 1997, 700). In dat verband is het volgende van belang.

 

 

4.15.

Als onbetwist staat vast dat [gedaagde sub2] vaart minderde door gas los te laten toen hij de afslag naar de Woutersweg waarnam, dat hij later heeft bijgeremd en dat hij zeer langzaam reed toen hij afsloeg. De remlichten van de auto van [gedaagde sub2] waren zichtbaar, zoals onbetwist volgt uit de verklaring van getuige [getuigen] Deze vertraging moet voor [eiser] waarneembaar zijn geweest. In geschil is of [gedaagde sub2] ook richting naar links heeft aangegeven, zoals hij stelt en [eiser] betwist. Daarover wordt het volgende overwogen.

 

 

4.16.

 

[gedaagde sub2] heeft zelf verklaard dat hij even voor het passeren van de Woutersweg richting is gaan aangegeven. Dat hij richting heeft aangegeven vindt bevestiging in de verklaringen van getuigen [getuigen] tegenover de politie. [eiser] heeft de verklaring van [getuigen] betwist door op te werpen dat [getuigen] de auto alleen van voren heeft gezien en het knipperlicht aan de achterzijde mogelijk niet werkte. Deze betwisting is in hoge mate speculatief en wordt bovendien weerlegd in het VOA p-v waarin op pagina 13 staat dat de richtingaanwijzers van de auto van [gedaagde sub2] normaal konden functioneren. De verklaring van [getuigen] heeft [eiser] niet betwist. [eiser] heeft zelf verklaard dat hij niet heeft waargenomen dat de auto van [gedaagde sub2] een richtingaanwijzer aan had, wat iets anders is dan waarnemen dat een richtingaanwijzer niet knippert. Al met al heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [gedaagde sub2] richting heeft aangegeven. Dit laatste staat dan vast.

 

[eiser] heeft voorts betwist dat [gedaagde sub2] zo tijdig richting is gaan aangeven dat [eiser] op de aangekondigde manoeuvre van [gedaagde sub2] kon anticiperen. Echter, ook als [gedaagde sub2] pas ter hoogte van de Woutersweg richting is gaan aangeven (circa 50 meter voor de afslag naar het perceel [adres] ), zoals [eiser] uit de omstandigheden afleidt (paragraven 42-45 van de dagvaarding), kon [eiser] dit tijdig waarnemen. [eiser] is immers pas gaan inhalen nadat hij deze zijweg was gepasseerd en geconstateerd had dat het vrij en veilig was, zo heeft hij in het voorlopig getuigenverhoor verklaard.

 

 

 

4.17.

[eiser] is dus, als relatief kwetsbare verkeersdeelnemer, zonder vaart te minderen met 80 km/uur gaan inhalen en heeft deze risicovolle manoeuvre vervolgd, terwijl hij zelf inschatte dat [gedaagde sub2] 50 km/uur reed, had kunnen zien dat [gedaagde sub2] vaart minderde, voordat hij ging inhalen had kunnen zien dat [gedaagde sub2] richting aangaf naar links en, zo heeft [eiser] in het voorlopig getuigenverhoor verklaard, in de wetenschap dat mensen op de betreffende weg soms afslaan zonder richting aan te geven. Door op deze wijze in te halen heeft [eiser] verwijtbaar gevaarzettend in de zin van art. 5 van de Wegenverkeerswet 1994 gehandeld. Het ongeval en dus ook de schade is mede een gevolg van deze krachtens schuld aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid.

 

 

4.18.

 

Anders dan Aegon en [gedaagde sub2] hebben gesteld kan handelen van [eiser] in strijd met art. 11 lid 2, art. 19 of art. 54 RVV niet worden vastgesteld.

 

De rijbaan was 6.5 meter breed (paragraaf 2.1.2 van het VOA p-v), zodat voor auto en motor tezamen een stuk weg van hooguit 3,25 meter breed resteerde. Ook indien [gedaagde sub2] voorgesorteerd was door tegen de wegas aan te rijden bleef voor [eiser] onvoldoende ruimte over om [gedaagde sub2] veilig rechts te kunnen passeren, zoals in art. 11 lid 2 RVV is voorzien.

 

Toen [eiser] ging inhalen was de rijstrook voor hem vrij. Vast staat immers dat er geen tegenligger aankwam. [gedaagde sub2] reed toen nog op de rechterrijsstrook. Er was dus geen sprake van een door [eiser] in het leven geroepen situatie waarin hij zijn motor niet tijdig tot stilstand kon brengen, zoals bedoeld in art. 19 RVV.

 

Voor zover inhalen als een bijzondere manoeuvre moet worden beschouwd in de zin van art. 54 RVV geldt dat [eiser] is gaan inhalen voordat [gedaagde sub2] daadwerkelijk af sloeg, zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld. Voor deze situatie geldt de bijzondere voorrangsregel van art. 18 RVV dat degene die afslaat inhalend verkeer voor moet laten gaan. Art. 54 RVV laat deze regel onverlet. [eiser] heeft dus niet op de voet van art. 54 RVV een voorrangsfout gemaakt.

 

Een en ander laat onverlet dat [eiser] in de gegeven omstandigheden niet had mogen inhalen, zoals hiervoor is overwogen.

 

 

 

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat de weggedraging van [gedaagde sub2] , die bij het linksaf slaan dwars de linker weghelft is overgestoken, waarbij gevaar kan ontstaan voor zowel tegemoetkomend verkeer als achteropkomend (inhalend) verkeer, meer gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven heeft geroepen dan de weggedraging van [eiser] , die een inhaalmanoeuvre maakte, waarbij hij op de linker weghelft in beginsel alleen tegemoetkomend verkeer behoefde te verwachten, en dat de fouten van [gedaagde sub2] en [eiser] in de verhouding 60% – 40% tot de schade hebben bijgedragen. Ter zake van een eventuele billijkheidscorrectie geldt het volgende.

 

 

4.20.

In de ernst van de over en weer gemaakte fouten ziet de rechtbank geen aanleiding voor correctie van de verdeling van de schade. Deze ernst verschilt niet wezenlijk. Correctie is wel geboden vanwege het verschil in ernst van de gevolgen van het ongeval. De botsing moet ook voor [gedaagde sub2] zonder meer bijzonder aangrijpend zijn geweest. De auto waarin hij zat is op het dak beland. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde sub2] bij het ongeval (blijvende) gezondheidsschade heeft opgelopen. Dat is voor [eiser] anders. De in 2.6. weergegeven ernstige lichamelijke gevolgen van het ongeval voor [eiser] staan vast nu Aegon en [gedaagde sub2] deze gevolgen onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Tijdens de comparitie is gebleken dat de huid van het rechterbeen van [eiser] nog steeds niet volledig is hersteld – hij heeft recent nog een huidtransplantatie ondergaan – en dat [eiser] in kracht en coördinatie aan de linkerschouder is beperkt. De rechtbank is van oordeel dat de billijkheid in dit verband eist dat de vergoedingsplicht van Aegon en [gedaagde sub2] tot 80% wordt verhoogd. Overige omstandigheden die tot een correctie zouden kunnen leiden heeft [eiser] niet aangedragen.

 

 

4.21.

Het gevorderde is met inachtneming van het voorgaande toewijsbaar, met dien verstande dat de beslissing over de verschuldigdheid van rente zal worden overgelaten aan de rechter die over de schadestaat zal hebben te oordelen. Deze beslissing is te zeer met de afzonderlijke schadeposten verweven om daarover op voorhand reeds een uitspraak te doen. Vast staat dat [eiser] bij het ongeval ernstig letsel heeft opgelopen. De mogelijkheid van schade is dan ook aannemelijk. Verwijzing naar de schadestaat is aan de orde.

 

 

4.22.

Aegon en [gedaagde sub2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waaronder de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en de nakosten. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

 

– dagvaarding € 94,08

 

– griffierecht 79,00

 

– getuigenkosten 161,50

 

– salaris advocaat         2.034,00 (4,5 punten × tarief € 452,00)

 

Totaal € 2.368,58

 

 

4.23.

Ter zake van het griffierecht is van belang dat het griffierecht dat in het voorlopig getuigenverhoor aan [eiser] in rekening is gebracht ten onrechte niet op de voet van art. 11 Wgbz in mindering is gebracht op het griffierecht dat hem in de onderhavige procedure is berekend. De rechtbank zal het teveel betaalde griffierecht aan [eiser] restitueren. Daarmee is in het staatje hierboven rekening gehouden.

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

verklaart voor recht dat Aegon en [gedaagde sub2] jegens [eiser] op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval en voorts dat Aegon en [gedaagde sub2] gehouden zijn 80% van de schade te vergoeden die [eiser] dientengevolge heeft geleden,

 

 

5.2.

veroordeelt Aegon en [gedaagde sub2] tot vergoeding aan [eiser] van 80% van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat,

 

 

5.3.

veroordeelt Aegon en [gedaagde sub2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.368,58, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,

 

 

5.4.

veroordeelt Aegon en [gedaagde sub2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Aegon en [gedaagde sub2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na heden tot aan de voldoening,

 

 

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

 

 

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2017.