• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Amsterdam
  • 1 juni 2016
  • ECLI:NL:RBAMS:2016:3753
  • Zaaknummer: C/13/592556 / HA ZA 15-767

Rb: bodemprocedure na deelgeschil over whiplash: rechtbank vraagt neuroloog om nadere toelichting

Whiplash; bodemprocedure na deelgeschil over causaal verband. In het deelgeschil is beslist dat het bewijs van causaal verband niet geleverd is. Omdat het deelgeschil zich naar haar aard niet leent voor (nadere) bewijslevering, leidde die beslissing tot afwijzing van het verzochte. Dat betekent niet dat sprake is van een bindende eindbeslissing. Naar het oordeel van de rechtbank in het deelgeschil gaat het rapport van de neuroloog verder dan de vaststelling dat de neuroloog geen beperkingen kan vaststellen, maar verwerpt de neuroloog de diagnose Whiplash en stelt hij dat de nekbewegingen volkomen normaal zijn. Benadeelde acht deze uitleg onjuist. De rechtbank wil in de bodemprocedure duidelijkheid verkrijgen over de vraag of de neuroloog, binnen de grenzen van zijn specialisme, in zijn rapport de diagnose Whiplash heeft verworpen, en zo ja of daaruit volgt dat medisch causaal verband uitgesloten is of – gelet op de voor neurologen geldende richtlijnen – dat medisch causaal verband niet kan worden vastgesteld. Artikel 200 lid 4 Rv biedt de mogelijkheid dat een niet door de rechtbank benoemde deskundige een nadere mondelinge toelichting geeft op zijn rapport. De rechtbank verzoekt de neuroloog op de voet van art. 200 lid 4 Rv om een mondelinge toelichting te geven op zijn rapport.

ECLI:NL:RBAMS:2016:3753

 

Instantie Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak 01-06-2016

Datum publicatie 28-06-2016 Zaaknummer C/13/592556 / HA ZA 15-767

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Whiplash. Verhouding deelgeschil en bodem. In het deelgeschil is beslist dat – in het kader van het deelgeschil – het bewijs van causaal verband niet geleverd is. Omdat het deelgeschil zich naar haar aard niet leent voor (nadere) bewijslevering, leidde die beslissing tot afwijzing van het verzochte. Dat betekent niet dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist over het bestaan van causaal verband of over de afwezigheid daarvan. Van een bindende eindbeslissing in de zin van artikel 1019cc Rv is zodoende geen sprake. Derhalve dient de rechter in deze (bodem)procedure vast te stellen of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten (en eventuele beperkingen) van eiser. Met toepassing van artikel 200 lid 4 Rv zal een deskundige worden verzocht een nadere toelichting te geven op zijn rapport.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

..vonnis

 

RECHTBANK AMSTERDAM

 

 

Afdeling privaatrecht

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/13/592556 / HA ZA 15-767

 

 

 

 

Vonnis van 1 juni 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[eiser],

 

wonende te [plaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. F.A. Janse te Barneveld,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de naamloze vennootschap

 

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

 

gevestigd te Amsterdam,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiser] en Delta Lloyd genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 20 augustus 2015, met producties,

 

de conclusie van antwoord, met één productie

 

het tussenvonnis van 28 oktober 2015, waarin een comparitie van partijen is bevolen,

 

het proces-verbaal van comparitie van 24 februari 2016.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 15 mei 2009 is [eiser] betrokken geweest bij een verkeersongeval op de A2. De auto waarin hij zat is van achteren aangereden door een vrachtwagen. Delta Lloyd was de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeluk en heeft aansprakelijkheid erkend.

 

 

2.2.

Tussen [eiser] en Delta Lloyd is een deelgeschil gevoerd.

 

 

2.3.

In het deelgeschil is het causaal verband tussen de klachten van [eiser] en het hem overkomen ongeval aan de orde geweest. Voor zover hier relevant heeft de rechtbank in het deelgeschil (van 26 februari 2015) als volgt overwogen en beslist:

 

 

 

“2.5. Op 23 mei 2011 hebben (de medische adviseurs van) [eiser] en Delta Lloyd opdracht gegeven aan de [neuroloog] om in het kader van de letselschadeprocedure onderzoek te doen naar de klachten van [eiser] en de oorzaak daarvan. Deze neuroloog heeft op 28 juni 2011 als volgt gerapporteerd:

 

 

 

 

“Samenvatting:

 

Betrokkene is een thans [leeftijd] man die in mei 2009 van achteren wordt aangereden. Hierna ontstaan klachten op velerlei gebied, waaronder hoofdpijn en nekpijn, gevoelsstoornissen in de rechter lichaamshelft, vermoeidheid. Betrokkene wordt neurologisch onderzocht waarbij geen afwijkingen gevonden worden, beeldvorming van de hersenen en cervicale wervelkolom is normaal. Betrokkene wordt naar de revalidatiearts verwezen, zowel in Gouda als in De Hoogstraat. Hij herstelt niet of nauwelijks. Het klachtenpatroon blijft min of meer onveranderd bestaan, waarbij betrokkene aangeeft dat zijn gebrek aan energie het voornaamste probleem is. Bij neurologisch onderzoek worden geen afwijkingen gevonden, daarbij worden duidelijke aanwijzingen gevonden voor een niet organische stoornis.

 

 

 

 

Beschouwing:

Reeds voor het ongeval zijn bij betrokkene klachten gedocumenteerd wat betreft slaapstoornissen, klachten van het bewegingsapparaat en verschijnselen die als burn out zijn geduid.

 

Uit de gegevens en de anamnese komt naar voren dat betrokkene op veel psychosociale gebieden problemen heeft ondervonden, zie zeker aanleiding tot verwerkingsproblematiek hebben kunnen geven, zoals het verlies van zijn vrouw, zijn vader en zijn moeder.

 

Over het ongeval zelf staan eigenlijk geen gegevens ter beschikking, we moeten afgaan op de anamnese van betrokkene. In De Hoogstraat (het revalidatiecentrum, rb) is het klachtpatroon omschreven als whiplash associated disorder. Opvallend is dat bij betrokkene nekklachten eigenlijk nauwelijks aanwezig zijn, er is dan ook geen enkele reden om enige structurele laesie van de cervicale wervelkolom in brede zin aan te nemen. Ook zijn er geen aanwijzingen voor enig schedeltrauma. Alle door betrokkene genoemde klachten suggereren een aandoening op psychiatrisch gebied. Het wekt bevreemding dat betrokkene niet in behandeling is gekomen bij een psychiater, hoewel wel antidepressiva en antipsychotica zijn voorgeschreven. Het is niet zinvol betrokkene naar een neuropsycholoog te verwijzen (…). Er is geen reden betrokkene enig functieverlies op neurologisch vakgebied toe te kennen, zelfs niet op grond van een mogelijk whiplash associated disorder, aangezien vanaf het begin gedocumenteerd is dat de nekbewegingen bij betrokkene volkomen normaal zijn. Betrokken dient voor verdere evaluatie door een psychiater te worden onderzocht.”

 

 

 

2.6.

[neuroloog] heeft het concept van zijn rapport toegezonden aan de advocaat van [eiser] , die dit heeft voorgelegd aan een door hem ingeschakelde medisch adviseur,

[naam 1] . Deze heeft bij brief van 27 juni 2011 geadviseerd om in te stemmen met het rapport.

 

 

2.7.

[eiser] is vervolgens onderzocht door [naam 2] , psychiater, en [naam 3] , psychiater in opleiding. In hun rapport van 15 april 2013 zijn zij tot de conclusie gekomen dat er bij [eiser] geen psychiatrische diagnose kon worden gesteld. In het bijzonder wezen zij de mogelijkheid af van een aanpassingsstoornis na het ongeluk, van een depressieve stoornis, van simulatie of een nagebootste stoornis of van een conversiestoornis. Wel is geconstateerd dat de informatie die [eiser] heeft gegeven niet altijd overeenstemde met de bevindingen tijdens het onderzoek. Met name inprenting, korte termijn geheugenklachten, concentratieproblemen en loopproblemen werden door [eiser] wel genoemd maar door de psychiaters niet waargenomen.

 

 

 

[…]

 

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

In dit deelgeschil gaat het om de vraag of juridische causaliteit moet worden aangenomen, terwijl in medisch opzicht niet is komen vast te staan dat het ongeval heeft geleid tot een aandoening die beperkingen met zich heeft gebracht.

 

 

4.2.

[eiser] beroept zich op het arrest Zwolsche Algemeene / De Greef (NJ 2001, 433) en andere rechtspraak waarin kort gezegd is geoordeeld dat het juridische causaal verband tussen een gebeurtenis en daarna ondervonden klachten en beperkingen onder omstandigheden kan worden aangenomen ook als een medische diagnose, waaruit de klachten en beperkingen kunnen worden verklaard, ontbreekt.

 

 

4.3.

In de door verzoeker aangehaalde rechtspraak was door een of meer medische deskundige(n) geconcludeerd dat van een ‘objectiveerbare stoornis’ geen sprake was omdat geen anatomisch substraat voor de ondervonden klachten kon worden vastgesteld. Zoals gezegd behoeft dit geen belemmering te zijn om onder omstandigheden toch juridisch causaal verband aan te nemen. In dit geval gaat het echter om een andere situatie, omdat de op gezamenlijk verzoek van partijen geraadpleegde deskundige [neuroloog] tot de conclusie is gekomen dat van enig functieverlies op neurologisch vakgebied en van de aandoening, die volgens [eiser] het gevolg zou zijn van de aanrijding, juist geen sprake is. [eiser] heeft dit onderkend en aangevoerd dat het deskundigenrapport niet bruikbaar is en dus buiten beschouwing moet blijven.

 

 

 

[…]

 

 

 

4.9.

Het had op de weg van [eiser] gelegen om nader toe te lichten dat en waarom het rapport van Van der Doel niet deugt. [eiser] had, nu het onderzoeksrapport door [neuroloog] mede op zijn verzoek tot stand is gekomen en hij daar eerder mee heeft ingestemd, meer moeten doen dan te wijzen op vermeende inconsistenties om het rapport alsnog van tafel te krijgen. Bijvoorbeeld door zijn stelling dat de bevindingen van [neuroloog] over de nekbewegingen niet te rijmen zijn met de door [eiser] ondervonden nekklachten noch met de onderzoeksresultaten van [naam 4] en [naam 5] , nader te onderbouwen door een (nadere) reactie van de betrokken artsen dan wel van een andere ter zake deskundige persoon over te leggen. Nu [eiser] dat heeft nagelaten gaat de rechtbank voor de beoordeling van dit verzoek uit van de juistheid van het rapport van [neuroloog] .

 

 

4.10.

Het voorgaande brengt mee dat de in het arrest Zwolsche Algemeene / De Greef en latere rechtspraak ontwikkelde criteria voor het vaststellen van causaal verband tussen ongeval en beperkingen in dit geval niet van toepassing zijn. Er wordt dan ook niet toegekomen aan toetsing van die criteria. De conclusie luidt dat het causale verband tussen het ongeval en de beperkingen van [eiser] in deze procedure niet is komen vast te staan.”

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

 

3.1.1.

een verklaring voor recht dat er causaal verband bestaat tussen het door [eiser] op 15 mei 2009 overkomen verkeersongeval, waarvoor Delta Lloyd aansprakelijk[heid] heeft erkend, en de sedertdien bij [eiser] aanwezige klachten en beperkingen en dat Delta Lloyd de daaruit voortvloeiende materiële en immateriële schade dient te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet,

 

3.1.2.

Delta Lloyd te bevelen om binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis zorg te dragen voor vergoeding van de door [eiser] in het kader van de schaderegeling gemaakte buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.770,01 door overmaking van dat bedrag op de kantoorrekening van de advocaat van [eiser] ,

 

3.1.3.

de kosten in het deelgeschil te begroten op € 10.983,55 inclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW en Delta Lloyd te bevelen dit bedrag binnen 7 dagen na het te wijzen vonnis te vergoeden door overmaking op een nader daartoe door [eiser] op te geven bankrekening,

 

3.1.4.

Delta Lloyd te veroordelen in de kosten van het geding.

 

 

3.2.

Delta Lloyd voert verweer.

 

 

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

In dit geschil is (en in het deelgeschil was) aan de orde of de klachten van [eiser] in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval. In r.o. 4.1 van de beschikking heeft de rechtbank niet een maatstaf daarvoor weergegeven, maar slechts het geschil samengevat door vast te stellen dat het causaal verband onderwerp van geschil is, terwijl “niet is komen vast te staan dat het ongeval heeft geleid tot een aandoening die beperkingen met zich heeft gebracht”. De rechtsoverweging moet niet zo gelezen worden dat daarin een maatstaf wordt geformuleerd voor het vaststellen van causaal verband.

 

 

4.2.

Vaste rechtspraak is dat in een geval als het onderhavige niet al te hoge eisen aan het bewijs van het oorzakelijke verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten kunnen worden gesteld (ECLI:NL:HR:2001:AB2054). In de regel wordt hiervoor voldoende geacht dat de klachten (i) vóór het ongeval nog niet bestonden, (ii) door het ongeval kunnen zijn veroorzaakt en (iii) dat een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt (ECLI:NL:PHR:2014:2280).

 

 

4.3.

In het deelgeschil is beslist dat – in het kader van het deelgeschil – het bewijs van causaal verband niet geleverd is. Omdat het deelgeschil zich naar haar aard niet leent voor (nadere) bewijslevering, leidde die beslissing tot afwijzing van het verzochte. Dat betekent niet dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist over het bestaan van causaal verband of over de afwezigheid daarvan. Van een bindende eindbeslissing in de zin van artikel 1019cc Rv is zodoende geen sprake. Derhalve dient de rechter in deze (bodem)procedure vast te stellen of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten (en eventuele beperkingen) van [eiser] .

 

 

4.4.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de klachten van [eiser] reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Weliswaar spreekt de psychiater over “discrepanties”, maar die kwalificatie ziet niet op alle klachten van [eiser] en is onvoldoende om te concluderen dat [eiser] (al) zijn klachten zou hebben voorgewend of overdreven. Simulatie als diagnose wordt door de psychiater expliciet verworpen. Er is geen enkel aanknopingspunt om te oordelen dat de klachten van [eiser] ingebeeld of niet reëel zouden zijn.

 

 

4.5.

De neuroloog heeft de vraag naar klachten zonder ongeval niet beantwoord en op de vraag naar klachten voor het ongeval geantwoord: “het is voor mij onmogelijk, gezien het ontbreken van afwijkingen op neurologisch vakgebied, hierover enige uitspraak te doen. Dit kan uitsluitend door een deskundig psychiater geschieden.” De psychiater noteert in zijn rapportage als psychiatrische voorgeschiedenis een burn-out in 2007 en geeft als antwoord op de vraag: Bestonden ervóór het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? dat voor het ongeval [eiser] last had van slaapproblemen en geeft op de vraag: “kunt u dan aangeven welke beperkingen vóór het ongeval uit deze klachten […] voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten […] voortvloeien?” als antwoord: “Geen beperkingen”. Op de vraag of er daarnaast klachten of afwijkingen zijn die ook zonder ongeval hadden kunnen ontstaan, antwoordt de psychiater “Niet van toepassing.” Dat wil zeggen dat er weinig aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de klachten voor het ongeval al bestonden of dat er een alternatieve verklaring voor de klachten van [eiser] bestaat.

 

 

4.6.

Zodoende blijft over – als kern van het geschil – de vraag of de klachten door het ongeval kunnen zijn veroorzaakt. In het deelgeschil heeft de rechtbank geoordeeld dat geen causaal verband is komen vast te staan. Die beslissing is gebaseerd op het hiervoor geciteerde rapport van [neuroloog] . Naar het oordeel van de rechtbank in het deelgeschil gaat dat rapport verder dan de vaststelling dat de neuroloog – op basis van de normen die gelden voor zijn beroepsgroep – geen beperkingen kan vaststellen, maar verwerpt de door partijen aangezochte deskundige de diagnose Whiplash Associated Disorder en stelt de deskundige vast dat de nekbewegingen van [eiser] “vanaf het begin […] volkomen normaal zijn”.

 

 

4.7.

In de dagvaarding stelt [eiser] aan de orde dat de uitleg die door de rechtbank in het deelgeschil is gegeven aan (deze zinsnede uit) het deskundigenrapport onjuist is. Volgens [eiser] ontkent [neuroloog] niet dat er sprake is van een whiplash, maar stelt [neuroloog] (slechts) op neurologische gebied geen functieverlies op grond van een whiplash te kunnen toekennen. Delta Lloyd legt [neuroloog] aldus uit dat de klachten niet als (post)whiplash klachten kunnen worden gekwalificeerd. De rechtbank heeft behoefte aan meer duidelijkheid over de uitleg van het rapport van [neuroloog] . De rechtbank wil duidelijkheid verkrijgen over de vraag of [neuroloog] , binnen de grenzen van zijn specialisme, in zijn rapport de diagnose Whiplash Associated Disorder heeft verworpen, en zo ja of daaruit volgt dat medisch causaal verband uitgesloten is of – gelet op de voor neurologen geldende richtlijnen – dat medisch causaal verband niet kan worden vastgesteld. Artikel 200 lid 4 Rv biedt de mogelijkheid dat een niet door de rechtbank benoemde deskundige een nadere mondelinge toelichting geeft op zijn rapport. [neuroloog] zal op de voet van artikel 200 lid 4 Rv worden verzocht om een mondelinge toelichting te geven op zijn rapport. De juistheid van het rapport staat in beginsel niet ter discussie: zoals in het deelgeschil is overwogen en beslist, hebben partijen gezamenlijk ingestemd met de benoeming van [neuroloog] en is namens [eiser] ingestemd met de inhoud van het rapport.

 

 

4.8.

De zaak zal naar de rol van 15 juni 2016 worden verwezen voor opgave van de verhinderdata van partijen en [neuroloog] , door [eiser] als meest gerede partij.

 

 

4.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

beveelt [neuroloog] een mondelinge toelichting te geven op zijn rapportage van 28 juni 2011,

 

 

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van 15 juni 2015 voor opgave van de verhinderdata aan de zijde van partijen en [neuroloog] voor de periode juli tot en met december 2016, door [eiser] ,

 

 

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, rechter, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.