• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 6 juli 2016
  • ECLI:NL:RBZWB:2016:4068
  • Zaaknummer: C/02/308817 / HA ZA 15-808

Rb: babyverwisseling in 1953; beroep op verjaring niet onaanvaardbaar

Benadeelde heeft in 2013 door DNA-onderzoek ontdekt dat hij in 1953 als baby is verwisseld. Hij heeft in 2015 het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. De verjaringstermijn van 30 jaar is toepasselijk, zodat deze in 1983 is volgelopen. Benadeelde stelt dat een beroep op de absolute verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 28 april 2000, ECLI:NL: HR:2000:AA56350). De rechtbank stelt voorop dat zij vanuit persoonlijk perspectief van benadeelde alleszins begrijpt dat de uitzonderlijke omstandigheid dat hij ná een periode van 60 jaar ongevraagd geconfronteerd is met het feit dat hij als baby is verwisseld een bijzondere impact heeft op zijn leven. De rechtbank toetst aan de gezichtspunten va het arrest van de Hoge Raad en concludeert dat geen enkel gezichtspunt evident vóór de door benadeelde gewenste doorbreking van de verjaring spreken, behoudens gezichtspunt b. De enkele omstandigheid dat benadeelde ogenschijnlijk geen aanspraak kan maken op schadevergoeding of een uitkering uit andere hoofde is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een omstandigheid die dermate zwaar gewicht in de schaal legt, dat dit dient te leiden tot doorbreking van meergenoemde verjaringsregel.

ECLI:NL:RBZWB:2016:4068

 

 

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak 06-07-2016

Datum publicatie 06-07-2016

Zaaknummer C/02/308817 / HA ZA 15-808

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Inhoudsindicatie

 

“Babyverwisseling” in 1953; ziekenhuis aansprakelijk? Geen doorbreking absolute verjaringstermijn. Het beroep op verjaring is niet in strijd met het bepaalde in artikel 6:2 BW.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

..vonnis

 

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

 

 

Handelsrecht

 

 

 

 

Breda

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/02/308817 / HA ZA 15-808

 

 

 

 

Vonnis van 6 juli 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[eiser],

 

wonende te [plaatsnaam] ,

 

eiser,

 

advocaat: mr. R.W. de Pater te Breda,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de stichting

 

STICHTING AMPHIA,

 

gevestigd te Breda,

 

gedaagde,

 

advocaat: mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting Amphia genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 30 maart 2016 met alle daarin vermelde processtukken,

 

de bij brief van 13 mei 2016 van de zijde van Stichting Amphia in het geding gebrachte stukken,

 

het proces-verbaal van comparitie gehouden op 25 mei 2016.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 Het geschil

 

2.1.

 

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

 

  1. te verklaren voor recht dat Stichting Amphia aansprakelijk is voor de verwisseling van baby [eiser] en [naam X] vlak na de geboorte van beide baby’s, aldus op of omstreeks [geboortedatum] , in het toenmalige Sint Ignatius Ziekenhuis;

 

  1. te verklaren voor recht dat de vordering van [eiser] niet is verjaard;

 

III. te verklaren voor recht dat Stichting Amphia gehouden is de door [eiser] geleden en nog te lijden schade aan [eiser] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [geboortedatum] , althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de algehele dag der voldoening, en de overige schade – waaronder tevens de buitengerechtelijke incassokosten – nader op te maken bij staat, en om partijen daartoe naar een schadestaatprocedure te verwijzen;

 

  1. Stichting Amphia te veroordelen in de kosten van dit geding vermeerderd met de

 

nakosten ad € 131,– en wettelijke rente over die bedragen vanaf de veertiende

 

dag na betekening van het vonnis bij non-betaling.

 

 

 

2.2.

Stichting Amphia voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

3 De beoordeling

 

3.1.

Tussen partijen staat het navolgende vast.

 

– [eiser] is geboren op [geboortedatum] in een kliniek te Breda. De heer

[naam X] ( [naam X] ) is geboren op [geboortedatum 2] , eveneens te Breda.

 

– Stichting Amphia is per 31 december 2000 middels een fusieakte de verkrijgende rechtspersoon van (onder meer) Stichting Ignatius-Ziekenhuis, opgericht op 11 juni 1968.

 

– In april 2013 heeft [naam X] een DNA-onderzoek laten verrichten waaruit volgde dat zijn ouders niet zijn biologische ouders waren. [naam X] is toen – onder meer via mediapubliciteit – op zoek gegaan naar zijn biologische familie. De broer van [eiser] (de heer [eiser] ) zag uiterlijke gelijkenis in een foto van [naam X] , waarna zij vervolgens met elkaar in contact zijn getreden. Hierdoor kwam ook [eiser] met [naam X] in contact, hetgeen ertoe geleid heeft dat er op

19 november 2013 een DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden. Hierbij is aan het licht gekomen dat [eiser] biologisch niet verwant is met [eiser] , maar wel met de zus van [naam X] . [eiser] en [naam X] hebben naar aanleiding hiervan geconcludeerd dat zij als baby verwisseld zijn.

 

– Bij brief van 16 april 2015 heeft [eiser] Stichting Amphia aangeschreven. Hierbij heeft hij onder meer aangegeven dat hij ontstemd was omdat laatstgenoemde geen contact met hem had opgenomen nadat via de media aandacht was besteed aan de babyverwisseling van [eiser] en [naam X] . Tevens schreef hij welke impact deze ontdekking op zijn leven heeft gehad en dat hij erg lijdt onder de ontdekking van de verwisseling. [eiser] meldt Stichting Amphia dat hij haar aansprakelijk acht voor de verwisseling en verzoekt haar om in contact met hem te treden teneinde te bezien hoe het een en ander kan worden opgelost. Hierbij geeft [eiser] aan een financiële tegemoetkoming passend te achten.

 

– Partijen hebben nadien overleg gehad en over deze kwestie uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd, maar zijn niet tot een minnelijk vergelijk kunnen komen.

 

 

3.2.

[eiser] grondt zijn vordering tegen Stichting Amphia op onrechtmatig handelen. [eiser] betoogt dat het verplegend personeel van Stichting Ignatius-Ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld omdat [eiser] en [naam X] als baby zijn verwisseld op de kraamafdeling van het ziekenhuis. Stichting Amphia is als rechtsopvolger van Stichting Ignatius-Ziekenhuis voor dat handelen aansprakelijk te houden. [eiser] voert aan dat hij als gevolg van de ontdekking dat hij als baby is verwisseld getraumatiseerd is geraakt en dat hij in zijn dagelijks leven voortdurend hiermee wordt geconfronteerd. [eiser] verwijt Stichting Amphia dat zij er niet aan heeft bijgedragen dat hij de gestelde traumatische ervaring goed kan verwerken. Het door Stichting Amphia aan [eiser] gedane aanbod voor een weekendje weg ter waarde van € 500,– ervaart [eiser] als kleinerend; hij voelt zich hierdoor niet serieus genomen.

 

 

3.3.

Het meest verstrekkende verweer van Stichting Amphia is het beroep op verjaring van de vordering van [eiser] op grond van artikel 2004 Oud BW. De absolute verjaringstermijn – ervan uitgaande dat de bewuste verwisseling van [eiser] in 1953 heeft plaatsgevonden en daarmee schade is gaan ontstaan – van enig door [eiser] ingesteld vorderingsrecht is vóór de inwerkingtreding van het nieuwe BW voltooid, zo betoogt Stichting Amphia. Hierbij voert Stichting Amphia aan dat het toepassen van de absolute verjaringstermijn niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

 

 

3.4.

Hiertegen heeft [eiser] ter comparitiezitting aangevoerd dat de verjaringstermijn 20 jaar bedraagt en dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf het moment dat de verwisseling is ontdekt. Bij dagvaarding stelt [eiser] dat de verjaringstermijn van 5 jaar zoals bepaald in artikel 3:310 lid 5 BW van toepassing is. Voorts stelt [eiser] zich – onder verwijzing naar het arrest [partijnamen] , HR 28 april 2000, ECLI:NL: HR:2000:AA5635 – op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Stichting Amphia zich op de verjaring van de vordering beroept.

 

 

3.5.

De rechtbank merkt op dat het primaire verweer van Stichting Amphia ziet op niet-ontvankelijkheid van [eiser] omdat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard. De rechtbank zal hierna evenwel het beroep op verjaring als eerste beoordelen, nu bij de beoordeling hiervan de vraag of Stichting Amphia heeft te gelden als rechtsopvolger van het ziekenhuis waar [eiser] stelt te zijn geboren tevens aan de orde zal komen.

 

 

 

Toepasselijke verjaringstermijn

 

 

 

3.6.

Tussen partijen is in geschil welke verjaringstermijn van toepassing is en vanaf welk moment deze is aangevangen. Voor schadevergoedingsvorderingen op grond van onrechtmatige daad gold naar oud recht (artikel 2004 Oud BW) de algemene termijn van

30 jaar, welke termijn de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 73a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in het onderhavige geval toepasselijk acht. Immers, in het onderhavige geval is sprake van een vordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad zodat naar vaste rechtspraak geldt dat de aanvang van de verjaringstermijn samenvalt met het moment waarop de vordering van [eiser] is ontstaan, dat wil zeggen met het moment waarop de schade is geleden c.q. veroorzaakt (in het onderhavige geval in 1953). Zulks onverschillig de vraag of [eiser] op dat moment bekend was met de schade en zijn vordering (zie HR 4 maart 1966, NJ 1966, 215, HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246 en

HR 11 september 1992, NJ 1992, 746 en HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 655). Aldus is de verjaringstermijn van 30 jaar toepasselijk met als aanvangsjaar 1953, zodat deze in 1983 is volgelopen. Gezien het vorenstaande is door Stichting Amphia op juiste gronden een beroep gedaan op verjaring, nu de aansprakelijkstelling van Stichting Amphia door [eiser] eerst in 2015 heeft plaatsgevonden. Gelet hierop en gezien het bepaalde in artikel 119b Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek faalt het beroep van [eiser] op de verjaringstermijn ex artikel 3:310 lid 5 BW.

 

 

 

Artikel 6:2 lid 2 BW

 

 

3.7.

Gelijk hiervoor is weergegeven stelt [eiser] dat een beroep op de absolute verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waarbij hij verwijst naar het arrest [partijnamen] , HR 28 april 2000, ECLI:NL: HR:2000:AA5635. In het kader van het beroep op artikel 6:2 BW dient volgens [eiser] onder meer rekening te worden gehouden met de voor hem ernstige persoonlijke gevolgen van de verwisseling en het leed dat hierdoor bij hem is veroorzaakt. [eiser] betoogt in dit kader dat de door hem ervaren pijn en teleurstelling niet meer goedgemaakt kunnen worden, maar dat aanvaarding van aansprakelijkheid en een (mogelijk) financiële compensatie voor hem een bepaalde erkenning vertegenwoordigen.

 

3.8.

Stichting Amphia voert – eveneens onder verwijzing naar de gezichtspunten uit het arrest [partijnamen] – gemotiveerd aan dat het door [eiser] gestelde er niet toe leidt dat strikte toepassing van de verjaringstermijn in strijd is met artikel 6:2 lid 2 BW.

 

 

3.9.

De rechtbank stelt voorop dat de ratio van de verjaring gelegen is in de rechtszekerheid en dat verjaring ertoe strekt de schuldenaar te beschermen tegen ‘oude’ vorderingen, waarmee hij, nadat de verjaringstermijn is verstreken, geen rekening meer hoeft te houden. Deze verjaringstermijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter. Mede vanwege de moeilijkheden die kunnen ontstaan als eerst na lange tijd feiten moeten worden vastgesteld, verwijten moeten worden beoordeeld én gezien de billijkheid jegens de wederpartij (hier: Stichting Amphia) – hoezeer dat ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden (hier: [eiser] ) – geldt als uitgangspunt dat strikt de hand moet worden gehouden aan verjaringstermijnen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gelet op de belangen die de verjaringsregel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, geldt echter dat van onaanvaardbaarheid in de zin van voormelde bepaling slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal kunnen zijn.

 

3.10.

Uitzonderlijke gevallen in voormelde zin kunnen zich voordoen in het geval van verborgen gebleven schade – met als gevolg dat de benadeelde in het geheel niet in staat was geweest om zijn vordering vóór het aflopen van de absolute verjaringstermijn in te dienen. Uit rechtspraak volgt dat dit niet strikt beperkt is tot gevallen waarin sprake is van verborgen gebleven schade; vgl. Rechtbank Den Haag, 14 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793, waarin is geoordeeld dat de bestaande jurisprudentie ruimte laat voor het incidenteel buiten toepassing laten van een absolute verjaringstermijn zonder dat van verborgen schade sprake hoeft te zijn. Daarnaast zou uit genoemde uitspraak afgeleid kunnen worden dat in gevallen van zeer uitzonderlijk onrecht aan het hierna te noemen vereiste van een redelijke termijn niet behoeft te worden voldaan.

 

3.11.

De vraag is dus of de door [eiser] gestelde uitzonderlijkheid maakt dat Stichting Amphia geen beroep op verjaring kan doen. Deze vraag dient beantwoord te worden aan de hand van de zeven, door de Hoge Raad in meergenoemde in het arrest [partijnamen] aangedragen gezichtspunten, die door beide partijen in hun processtukken zijn besproken. Gezien de inhoud van voormeld arrest dient in de beslissing te worden betrokken:

 

 

 

 

 

a.

 

of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat en of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden, dan wel een derde,

 

 

b.

 

in hoeverre voor slachtoffer of zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat,

 

 

c.

 

de mate waarin de gebeurtenis aan de aangesprokene kan worden verweten,

 

 

d.

 

in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn,

 

 

e.

 

of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren,

 

 

f.

 

of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt, en

 

 

g.

 

of na aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

 

 

 

Gezichtspunt a

 

 

 

3.12.1.

 

[eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat Stichting Amphia aansprakelijk is voor de verwisseling van [eiser] toen hij een baby was, uit hoofde waarvan Stichting Amphia aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [eiser] , nader op te maken bij staat. Ter zake de materiële schade heeft [eiser] ter comparitiezitting verklaard dat deze bestaat uit de door hem gemaakte advocaatkosten. De immateriële schade bestaat volgens [eiser] uit compensatie voor psychisch leed. Ter comparitiezitting heeft [eiser] verklaard dat hij van zijn huisarts medicatie voorgeschreven heeft gekregen maar dat hij verder niet onder medische behandeling staat vanwege zijn gebrek aan vertrouwen ter zake het nut hiervan; volgens [eiser] is sprake van leed dat nimmer meer overgaat.

 

In de opvatting van Stichting Amphia legt dit gezichtspunt geen gewicht in de schaal gezien de ratio van de absolute verjaringstermijn.

 

 

 

3.12.2.

Uit de stellingen van [eiser] begrijpt de rechtbank dat de totale schade nog niet valt te begroten. Wel kan worden aangenomen dat het overgrote deel van het in deze zaak gestelde immateriële schadevergoeding zal betreffen en dat deze vergoeding (indien toewijsbaar) aan [eiser] zelf zal toekomen.

 

 

 

Gezichtspunt b

 

 

 

3.12.3.

 

[eiser] betoogt geen mogelijkheid te hebben om zijn schade elders vergoed te krijgen en dat hij geen andere uitkering uit verzekering of andere hoofde zal ontvangen. Stichting Amphia stelt dat dit punt niet van bijzonder belang is en dat uit rechtspraak volgt dat dit gezichtspunt meestal neutraal wordt meegewogen.

 

Dat [eiser] , behalve de in deze procedure gevorderde schadevergoeding, de mogelijkheid heeft om uit andere hoofde een uitkering te ontvangen die van invloed is op de hier in het geding zijnde gestelde schade, is door geen van beide partijen gesteld. Gelet op de stellingname van [eiser] houdt de rechtbank het ervoor dat [eiser] geen andersoortige vergoeding kan verkrijgen zodat dit gezichtspunt in beginsel mee kan wegen ten faveure van de ontoelaatbaarheid van het beroep op verjaring door Stichting Amphia.

 

Gezichtspunt c

 

 

 

3.12.4.

[eiser] stelt dat er sprake is van een ernstige mate van verwijtbaar handelen van Stichting Amphia omdat zij de op haar rustende zorgplicht ten opzichte van haar patiënten heeft geschonden. Hierbij voert [eiser] aan dat een ziekenhuis de verantwoordelijkheid draagt voor de verzorging en het personaliseren van pasgeboren baby’s en dat het onrechtmatig handelen van een ziekenhuis vast staat op het moment dat ouders niet hun eigen baby mee naar huis krijgen. Schending van deze zorgplicht levert een ernstig verwijt op.

 

 

 

In de visie van Stichting Amphia komt ook aan dit gezichtspunt weinig gewicht toe.

 

Stichting Amphia betwist de aansprakelijkheid voor de bewuste babyverwisseling. Hierbij wijst zij erop dat [eiser] in 1953 waarschijnlijk geboren is in het toenmalige Sint Ignatius Ziekenhuis (hierna: Sint IZ), waarvan Stichting Amphia echter geen rechtsopvolger is. Stichting Amphia stelt rechtsopvolger te zijn van het in 1968 opgerichte Stichting Ignatius-Ziekenhuis. Deze Stichting Ignatius-Ziekenhuis is evenmin rechtsopvolger van het Sint IZ. Stichting Amphia stelt verder dat, voor zover achterhaald kon worden, ten tijde van de geboorte van [eiser] gehandeld is volgens de destijds geldende maatstaven en dat niets erop duidt dat het personeel van Sint IZ een fout heeft gemaakt. Hierbij voert Stichting Amphia aan dat het enkele bewijs van een fout niet leidt tot een ernstig verwijt met als gevolg de doorbreking van de hier aan de orde zijnde verjaringstermijn van 30 jaar.

 

 

 

3.12.5.

 

Voor zover Stichting Amphia beoogt te stellen dat in dit kader enkel een ernstig verwijt voldoende is om tot een doorbreking van de verjaringstermijn te komen, wordt deze stelling verworpen. Hierbij merkt de rechtbank op dat naarmate het verwijt ernstiger is, een doorbreking van de verjaringstermijn eerder mogelijk zal zijn. Om echter tot doorbreking van de absolute verjaringstermijn te kunnen komen, dient in onderling verband en samenhang bezien gekeken te worden naar alle zeven gezichtspunten. In zoverre volgt de rechtbank Stichting Amphia niet in haar betoog dat aan het onderhavige gezichtspunt weinig gewicht toekomt. Indien in dit kader veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van het door [eiser] aan Stichting Amphia gemaakte verwijt inhoudende dat Stichting Amphia, dan wel één van haar rechtsvoorgangers, bekend was met de verwisseling geldt dat dit verwijt in beginsel zonder meer als ernstig valt te kwalificeren.

 

Dat neemt echter niet weg dat het op de weg van [eiser] ligt om zijn stelling op het punt van de hier in het geding zijnde wetenschap aan de zijde van Stichting Amphia nader te onderbouwen en, zo nodig te bewijzen. Hieraan heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Teneinde hieraan te kunnen voldoen is onvermijdelijk dat de aansprakelijkheidsvraag bij de beoordeling wordt betrokken. Vast staat dat gezien de omstandigheid dat de verwisseling meer dan 60 jaar geleden heeft plaatsgevonden, niet met zekerheid valt vast te stellen of de verwisseling daadwerkelijk in het Sint IZ heeft plaatsgevonden zoals Stichting Amphia onvoldoende weersproken heeft aangevoerd. Het enkele vermoeden van [eiser] dat zulks wèl het geval is, is hiertoe ontoereikend. Dit betekent dat, in het kader van de verwijtbaarheidsvraag, niet kan worden beoordeeld of Sint IZ maatregelen heeft getroffen ter vermijding van een babyverwisseling. Zulks nog daargelaten de vraag of, indien ervan uit wordt gegaan dat de bewuste verwisseling in 1953 in het Sint IZ heeft plaatsgevonden, hieraan niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat hierdoor wetenschap in voormelde zin bij Stichting Amphia kan worden verondersteld. Immers, laatstgenoemde heeft onderbouwd met stukken onvoldoende weersproken aangevoerd dat zij niet geldt als rechtsopvolger van Sint IZ. De pretense verwevenheid in verband met de gestelde overdracht van materiële zaken door Sint IZ aan de rechtsvoorganger van Stichting Amphia – zoals [eiser] betoogt – impliceert op zichzelf nog geen rechtsopvolging.

 

 

 

 

Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] in het licht van het op dit punt door Stichting Amphia gevoerde verweer geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaraan de conclusie kan worden verbonden dat er wetenschap bij Stichting Amphia ter zake de bewuste babyverwisseling kan worden verondersteld. Tegen voormelde achtergrond is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden tot verwijtbaarheid in voormelde zin van Stichting Amphia (en haar rechtsvoorganger) en Sint IZ. Dit betekent dat dit gezichtspunt op zichzelf beschouwd, geen aanleiding geeft het beroep van Stichting Amphia op verjaring onaanvaardbaar te oordelen. Hierbij merkt de rechtbank op dat voormelde conclusie ter zake onderhavig gezichtspunt van betekenis is op de navolgende te bespreken gezichtspunten d en e. Immers, naarmate Stichting Amphia geen, althans een geringer verwijt treft, zal zij ook moeten worden verondersteld minder rekening te hebben hoeven houden met de mogelijkheid dat zij voor eventuele schade aansprakelijk zou kunnen zijn.

 

 

 

 

Gezichtspunt d

 

 

 

3.12.6.

 

[eiser] voert aan dat Stichting Amphia vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening had behoren te houden met de omstandigheid dat zij voor de schade van [eiser] aansprakelijk kon worden gesteld mede omdat er vaker in een ziekenhuis een babyverwisseling heeft plaatsgevonden. Ook hierbij betoogt [eiser] dat in 1953 geen adequate voorzorgsmaatregelen zijn genomen, althans geen waterdicht systeem bestond, met betrekking tot het personaliseren van baby’s.

 

Volgens Stichting Amphia is het evident dat zij vóór het verstrijken van de verjaringstermijn geen rekening hoefde of behoorde te houden met een claim wegens een vermeende babyverwisseling in Sint IZ in 1953 gezien de omstandigheid dat Stichting Amphia niet geldt als rechtsopvolger van Sint IZ. Evenmin niet omdat nooit eerder een dergelijk geval bij Stichting Amphia dan wel enig rechtsvoorganger van Stichting Amphia is gemeld. Met een verwijzing naar gesprekken die zijn gevoerd met voormalig verpleegkundigen uit het Sint IZ betoogt Stichting Amphia dat er in 1953 een zorgvuldig, adequaat en met andere ziekenhuizen vergelijkbaar kraambeleid werd gevoerd.

 

Voormelde verweren van Stichting Amphia zijn door [eiser] onvoldoende bestreden. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat Stichting Amphia geenszins vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening diende te houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade als gevolg van een babyverwisseling aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. Hierbij geldt eveneens hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.12.5 is overwogen; te weten dat niet is komen vast te staan dat de verwisseling heeft plaatsgevonden bij een rechtsvoorganger van Stichting Amphia. Daarnaast geldt dat niet is komen vast te staan dat in het ziekenhuis waar [eiser] stelt te zijn geboren, dan wel enig ander ziekenhuis in Nederland eerder sprake is geweest van een vergelijkbaar geval. Hoewel [eiser] in de dagvaarding stelt dat zulks wel het geval is, heeft hij zijn stelling op dit punt geenszins geadstrueerd. De verklaring ter comparitiezitting van de heer [eiser] dat hij in zijn jeugd van zijn moeder heeft gehoord dat het ten tijde van zijn geboorte in verband met de watersnoodramp druk was op de kraamafdeling van het ziekenhuis en dat er toen baby’s zijn verwisseld is niet nader onderbouwd en is in het licht van het vorenstaande op zichzelf onvoldoende om het beroep van Stichting Amphia op verjaring onaanvaardbaar te achten.

 

Gezichtspunt e

 

 

 

3.12.7.

Stichting Amphia heeft aangevoerd dat zij gezien het lange tijdsverloop ernstig is beperkt in haar mogelijkheden om de relevante feiten te achterhalen en zich tegen de vorderingen van [eiser] te verweren. Ook hierbij wijst zij erop dat niet is vast te stellen of zij de rechtsopvolger is van het ziekenhuis waar [eiser] is geboren. Voorts betoogt Stichting Amphia dat geenszins feitelijk valt vast te stellen wat er mogelijk in 1953 op de kraamafdeling van het ziekenhuis waar [eiser] is geboren is gebeurd. Niettemin voert Stichting Amphia aan dat zij bij gebreke van een administratie of andere stukken toch heeft gepoogd om de werkwijze op de kraamafdeling van Sint IZ in de jaren vijftig van de vorige eeuw te achterhalen door verplegend personeel van Sint IZ op te sporen en te horen. Niettemin kon niets concreets over de werkwijze op de betreffende kraamafdeling ten tijde van de geboorte van [eiser] worden vastgesteld, aldus Stichting Amphia.

 

 

3.12.8.

Bij de uitleg van dit gezichtspunt (e) geldt de overweging van de Hoge Raad in r.o. 3.6 van het arrest HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3138, als uitgangspunt. Doorslaggevend is of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren en dat daarbij niet van belang is door welke oorzaken bewijsmateriaal verloren is gegaan en of dit aan de aangesprokene valt toe te rekenen. Gelet hierop en gezien de feitenconstellatie is de rechtbank van oordeel dat in verband met het tijdsverloop aannemelijk is dat Stichting Amphia zich in dit geding in redelijkheid niet kan verweren tegen de aansprakelijkstelling van [eiser] . Er is immers ruim 60 jaar verstreken na de bewuste verwisseling. Zulks nog daargelaten de vraag of Stichting Amphia geldt als rechtsopvolger van het ziekenhuis waar [eiser] is geboren. Voorts wordt in aanmerking genomen dat, gelet op de pogingen die Stichting Amphia zich heeft getroost om informatie over de werkwijze op de kraamafdeling van Sint IZ in de jaren vijftig van de vorige eeuw te vergaren, het geenszins voor de hand ligt dat Stichting Amphia, mede gezien het tijdsverloop en zonder te beschikken over onderliggende stukken, in staat zou zijn meer of andere relevante informatie over de werkwijze op de kraamafdeling ten tijde van de geboorte van [eiser] in 1953 te verkrijgen. Bovendien: de toedracht van de verwisseling – met name wat betreft betrokkenheid van personeel van de kliniek – is te meer relevant omdat de rechtsfiguur van centrale ziekenhuisaansprakelijkheid (art. 7:462 BW) eerst sinds 1995 geldt. Tevoren gold zo’n algemene aansprakelijkheid van een ziekenhuis niet. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat geconcludeerd dient te worden dat Stichting Amphia zich in dit geding in redelijkheid niet kan verweren tegen de aansprakelijkstelling van [eiser] .

 

 

 

Gezichtspunt f

 

 

 

3.12.9.

Stichting Amphia heeft onbetwist gesteld dat haar eventuele aansprakelijkheid niet is gedekt door een verzekering.

 

 

 

Gezichtspunt g

 

 

 

3.12.10.

[eiser] voert aan dat hij voortvarend is opgetreden en dat hij binnen een redelijke termijn na de ontdekking van de verwisseling Stichting Amphia hiervoor aansprakelijk heeft gesteld. Voorts betoogt [eiser] dat hij aanvankelijk na de ontdekking heeft getracht zijn oude leven op te pakken, maar dit hem vanwege het traumatische karakter niet is gelukt waarna hij Stichting Amphia aansprakelijk heeft gesteld.

 

 

 

Met een verwijzing naar een uitspraak van Hof ’s-Gravenhage ECLI:NL:GHSGR: 2007:BB0853 en van rechtbank Almelo ECLI:NL:RBALM:2008:BG9926 bestrijdt Stichting Amphia dat [eiser] in deze voortvarend is opgetreden.

 

 

 

 

In de rechtspraak wordt een termijn van twee jaar voor aansprakelijkstelling èn het instellen van een vordering in rechte in beginsel redelijk geacht. Vast staat dat [eiser] bij brief van 16 april 2015 Stichting Amphia aansprakelijk heeft gesteld, zodat de aansprakelijkstelling van Stichting Amphia in beginsel binnen redelijke termijn is geschied. Dit geldt niet voor het instellen van de vordering in rechte nu [eiser] meer dan twee jaar heeft laten verstrijken alvorens Stichting Amphia te dagvaarden. Immers, tussen de datum van het DNA-onderzoek op 19 november 2013 en de dag van dagvaarden in deze zaak, 4 december 2015, ligt ruim 24 maanden. Hoewel voorstelbaar is dat [eiser] geschokt is van de ontdekking van de verwisseling, geldt dat zonder nadere onderbouwing, niet valt in te zien dat én waarom [eiser] ná de aansprakelijkstelling van Stichting Amphia op 16 april 2015 nog ruim zeven maanden heeft gewacht met het instellen van een vordering jegens Stichting Amphia. Gezien de bij de toepassing van de 30-jarige verjaringstermijn in aanmerking te nemen belangen van rechtszekerheid en billijkheid jegens de wederpartij (in dit geval Stichting Amphia) en de terughoudendheid waartoe deze belangen bij doorbreking van die termijn nopen, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] de redelijkerwijs van hem te vergen voortvarendheid diende te betrachten. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat – bezien vanuit het gezichtspunt g – een beroep van Stichting Amphia op de absolute verjaringstermijn niet onaanvaardbaar wordt geacht.

 

 

 

 

Weging van de gezichtspunten

 

 

 

3.13.

De rechtbank stelt voorop dat zij vanuit persoonlijk perspectief van [eiser] – los van de juridische merites van de zaak – alleszins begrijpt dat de uitzonderlijke omstandigheid dat [eiser] ná een periode van 60 jaar ongevraagd geconfronteerd is met het feit dat hij als baby is verwisseld een bijzondere impact heeft op zijn leven. Voorstelbaar is immers dat met dit gegeven de (sociale en familiaire) identiteit, individualiteit en daarmee het leven van [eiser] in een ander daglicht zijn komen te staan en dat dit ingrijpt in zijn persoonlijk bestaan. Zulks neemt echter niet weg dat vanuit juridisch perspectief gezien het bijzonder belang van de rechtszekerheid dat de hier aan de orde zijnde verjaringsregel beoogt te dienen – mede gezien genoemde opsomming van gezichtspunten én gelet op het hierover tussen partijen processueel gevoerde debat – beoordeeld dient te worden of het beroep op verjaring van Stichting Amphia al dan niet slaagt en of dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals [eiser] betoogt. Gezien de beoordeling van de onderscheiden gezichtspunten concludeert de rechtbank dat geen enkel gezichtspunt en argument evident vóór de door [eiser] gewenste doorbreking van de verjaring spreken, behoudens gezichtspunt b. De enkele omstandigheid dat [eiser] ogenschijnlijk geen aanspraak kan maken op schadevergoeding of een uitkering uit andere hoofde is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een omstandigheid die dermate zwaar gewicht in de schaal ten faveure van [eiser] legt, dat zulks dient te leiden tot doorbreking van meergenoemde verjaringsregel. Alles afwegende oordeelt de rechtbank de belangen aan de zijde van Stichting Amphia van zodanig gewicht dat het beroep van Stichting Amphia op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onder de gegeven omstandigheden niet als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Dit beroep slaagt dus, zodat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

 

3.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Amphia worden begroot op

 

– griffierecht € 613,00

 

– salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

 

Totaal € 1.517,00

 

 

 

4 De beslissing

 

De rechtbank:

 

 

4.1.

wijst de vorderingen af;

 

 

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Amphia tot op heden begroot op € 1.517,00, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

 

 

4.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen – onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen

14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden – met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de

explootkosten van betekening van de uitspraak vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

 

 

4.4.

verklaart voormelde kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op

6 juli 2016.