• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Limburg
  • 18 oktober 2017
  • ECLI:NL:RBLIM:2017:9987
  • Zaaknummer: C/03/229341 / HA ZA 16-720

Rb: baarmoeder verwijderd zonder informed consent door taalbarrière, smartengeld: € 30.000,-

Bij 35-jarige Poolse vrouw wordt baarmoeder verwijderd door gynaecoloog vanwege een verzakking; zij dacht dat de baarmoeder zou worden ‘opgehangen’. De tuchtrechter heeft het handelen reeds tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht. 1. De rechtbank ziet geen redenen om van dit oordeel af te wijken. De rechtbank acht hierbij van belang dat het om een onomkeerbare operatie met ingrijpende gevolgen ging bij een vrouw van relatief jonge leeftijd. De rechtbank oordeelt dat de gynaecoloog niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht en haar zonder correct informed consent opereerde, terwijl hij vanwege de taalbarrière juist extra goed had moeten opletten. De gynaecoloog vroeg niet aan de patiënt voor welke behandeling ze kwam, of ze een kinderwens had en of ze anticonceptie gebruikte. Ook waarschuwde de gynaecoloog er niet expliciet voor dat ze door de operatie geen kinderen meer zou kunnen begrijpen. 2. Smartengeld: € 30.000,- (gevorderd € 60.000,-); hierbij wordt meegewogen dat zij al twee kinderen had met haar vorige partner.

ECLI:NL:RBLIM:2017:9987

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 18-10-2017
Datum publicatie 21-11-2017
Zaaknummer C/03/229341 / HA ZA 16-720

Rechtsgebieden Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Letselschade, medische zaak. Arts heeft geopereerd zonder informed consent. Verhouding tot tuchtrechtelijke veroordeling. Immateriële schadevergoeding bij kinderwens.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

..vonnis

 

RECHTBANK LIMBURG

 

 

Burgerlijk recht

 

 

 

Zittingsplaats Roermond

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/03/229341 / HA ZA 16-720

 

 

 

Vonnis van 18 oktober 2017

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 [eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats eiseres] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. H.G.M. Hilkens te Echt,

 

 

 

tegen

 

 

 

de stichting

 

STICHTING VIECURI, MEDISCH CENTRUM VOOR NOORD-LIMBURG,

 

gevestigd te Venlo,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. M.F. Hulsebosch te Utrecht.

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en Viecuri genoemd worden.

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– de dagvaarding van 29 november 2016

 

– de conclusie van antwoord

de bij brief van 24 juli 2017 ingediende producties van de zijde van [eiseres]

 

de bij brief van 31 augustus 2017 ingediende productie van de zijde van Viecuri

 

het proces-verbaal van comparitie van 11 september 2017.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 9 augustus 2013 heeft de huisarts van [eiseres] haar vanwege diverse klachten doorverwezen naar de gynaecoloog in het Viecuri ziekenhuis. De voornaamste klachten betroffen een verzakking van de baarmoeder waaraan zij leed sinds de geboorte van haar jongste kind dertien jaar eerder, alsmede pijnklachten samenhangend met de menstruatie. Zij was ten tijde van de verwijzing 35 jaar.

 

2.2.

[eiseres] heeft twee consulten gehad bij de gynaecoloog, op 19 augustus en 4 september 2013. Omdat zij van Poolse afkomst is en de Nederlandse taal niet machtig is, trad bij het eerste gesprek een vriendin van [eiseres] , tevens haar werkgeefster, op als tolk. Bij het tweede gesprek was haar partner aanwezig, die vanuit het Engels naar het Pools vertaalde.

 

2.3.

De gynaecoloog heeft [eiseres] voorgehouden dat de meest aangewezen behandelmethode het gebruik van een pessarium zou zijn, omdat bij een operatie nog een aanzienlijke kans op hernieuwd intreden van de verzakking zou bestaan. Omdat zij ook na een bedenktijd van twee weken na het eerste consult geen pessarium wilde maar de voorkeur gaf aan een operatie, heeft hij voorgesteld te opereren.

 

2.4.

Op 7 november 2013 is [eiseres] geopereerd. Na de operatie ontdekten zij en haar partner dat bij die operatie de baarmoeder was verwijderd. De gynaecoloog is er dezelfde dag van in kennis gesteld dat de baarmoederverwijdering ongewenst was.

 

2.5.

[eiseres] heeft een klacht tegen de gynaecoloog ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven. Dit tuchtcollege heeft, voor zover van belang, geoordeeld:

 

 

“Gelet op de samenhang van de drie onderdelen zal het college de klacht in zijn geheel beoordelen. Deze komt er in de kern op neer dat verweerder klaagster niet op de juiste wijze heeft geïnformeerd en niet voldoende heeft geverifieerd of klaagster de verstrekte informatie had begrepen met als gevolg dat hij zonder informed consent een baarmoederverwijdering bij klaagster heeft uitgevoerd.

 

[…]

 

Verweerder heeft […] niet aan klaagster gevraagd zelf uit te leggen voor welke behandeling zij kwam. Evenmin heeft verweerder de vraag gesteld of klaagster nog een kinderwens had, noch heeft verweerder de vraag gesteld of klaagster anticonceptiemiddelen gebruikte. Gelet op de aard van de beoogde onomkeerbare operatie op een relatief jonge leeftijd […] en de gevolgen daarvan, had verweerder deze essentiële vragen aan klaagster behoren te stellen. Dit geldt temeer vanwege de taalbarrière bij klaagster.

 

[…]

 

Verweerder kon en mocht er […] niet van uit gaan dat klaagster voldoende was ingelicht over de aard van de ingreep en evenmin dat zij begreep dat haar keuze voor een operatie de verwijdering van haar baarmoeder betrof, noch mocht hij ervan uitgaan dat klaagster begreep dat zij na de operatie geen kinderen meer kon krijgen. Hij had dit bij klaagster behoren te verifiëren. Verweerder had juist vanwege de taalbarrière extra oplettendheid behoren te betrachten bij het verschaffen van de informatie aan klaagster. Hij had daarnaast expliciet behoren te verifiëren bij klaagster of zij had begrepen wat was besproken en of zij de gevolgen van de ingreep had begrepen. Door dit na te laten heeft verweerder niet aan zijn informatieplicht voldaan. Dat valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten.

 

[…]

 

Verweerder heeft na de constatering van het misverstand adequaat gehandeld. Zo heeft hij klaagster direct opgezocht, heeft hij zijn spijt betuigd, heeft hij haar psychologische begeleiding aangeboden en uitgenodigd voor een gesprek. Bovendien heeft verweerder een calamiteitenmelding gedaan en heeft hij verbeteringen in dossiervoering doorgevoerd. Om die reden is het college van oordeel dat een waarschuwing volstaat.”

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – veroordeling van Viecuri tot betaling van € 63.699,91 als vergoeding voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met rente en kosten.

 

3.2.

De grondslag voor haar vordering is dat zij niet wenste dat de baarmoeder zou worden verwijderd. Zij stemde in met een operatie zonder goed te zijn voorgelicht. Zij had niet begrepen dat de baarmoeder zou worden verwijderd. De gynaecoloog heeft zijn informatieplicht geschonden en zonder verkregen toestemming geopereerd. Bovendien heeft hij niet gehandeld zoals een goed hulpverlener betaamt.

 

3.3.

Viecuri voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] althans tot het afwijzen van haar vorderingen. Zij stelt – kort samengevat – dat er geen schending is van de informatieplicht en dat [eiseres] toestemming heeft gegeven voor de operatie. Voorts voert zij aan dat er geen causaal verband is tussen de normschending en de schade. Ten slotte betwist zij de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade.

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

4 De beoordeling

 

Beoordelingskader informatie- en toestemmingsvereiste

 

4.1.

Het beoordelingskader voor de vordering bestaat uit de wettelijke bepalingen omtrent de informatieplicht van de hulpverlener, het toestemmingsvereiste alsmede het goed hulpverlenerschap. Over de informatieplicht bepaalt artikel 7:448 BW, voor zover hier van belang, het navolgende. De hulpverlener moet de patiënt op duidelijke wijze voorlichten over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling. Daarbij laat hij zich leiden tot wat de patiënt redelijkerwijze dient te weten over de aard en het doel van het onderzoek en de behandeling die hij noodzakelijk acht, de te verwachten gevolgen en risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt en andere methoden van onderzoek en behandeling die in aanmerking komen.

 

4.2.

Het toestemmingsvereiste is geregeld in artikel 7:450 BW, waarin is bepaald dat voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst de toestemming van de patiënt vereist is. De toestemming kan echter pas verantwoord worden verleend, indien de patiënt door de hulpverlener zo goed mogelijk is ingelicht. Indien een hulpverlener zonder toestemming van de patiënt dan wel met een op onvoldoende informatie gebaseerde toestemming een verrichting uitvoert in het kader van een behandelingsovereenkomst, kan dit onder omstandigheden wanprestatie of een onrechtmatige daad opleveren, ook al is de verrichting in technisch opzicht juist uitgevoerd.

 

4.3.

De tuchtrechter heeft zich al gebogen over het handelen van de gynaecoloog en daarbij diens optreden tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht. Dat leidt echter niet zonder meer tot civiele aansprakelijkheid van Viecuri. Het gaat hier immers om verschillende normenstelsels en toetsingskaders: het medisch tuchtrecht strekt in de eerste plaats tot bescherming van het openbare belang bij een goede beroepsuitoefening en het vertrouwen in de medische stand in zijn algemeenheid. In deze civiele procedure gaat het evenwel om de beoordeling van het beroepsmatig handelen van de gynaecoloog, bezien vanuit zijn relatie tot de individuele patiënt en de gevolgen van dat handelen aan de hand van de civielrechtelijke normen zoals hiervoor geschetst.

 

4.4.

Het is echter vaste jurisprudentie, dat als de rechter tot een oordeel komt dat afwijkt van het oordeel dat de tuchtrechter heeft gegeven over datzelfde medisch handelen, hij zijn oordeel zodanig dient te motiveren dat dit ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is.

 

 

Beoordeling van aansprakelijkheid

 

 

4.5.

Het Regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat op de gynaecoloog een vergaande zorgplicht rust die, wanneer er een taalbarrière is, tot bijzonder grote oplettendheid noopt bij het stellen van vragen, interpreteren van de antwoorden en bij het verstrekken van informatie aan de patiënt. Het tuchtcollege oordeelt dat de gynaecoloog die zorgplicht onvoldoende is nagekomen doordat hij niet heeft gevraagd aan [eiseres] voor welke behandeling zij kwam, of zij een kinderwens had en of zij anticonceptie gebruikte, ondanks het feit dat bij haar op relatief jonge leeftijd haar baarmoeder zou worden verwijderd. Bovendien oordeelt het tuchtcollege dat de gynaecoloog daarnaast expliciet had behoren te verifiëren bij klaagster of zij had begrepen wat was besproken en wat de gevolgen zouden zijn van de ingreep.

 

4.6.

De beoordeling door het tuchtcollege berust op hetzelfde medische dossier als dat waarover de rechtbank beschikt. Uit het oordeel van het tuchtcollege volgt dat de gynaecoloog door het niet naleven van de op hem rustende zorgplicht niet aan zijn (civielrechtelijke) informatieplicht heeft voldaan. De rechtbank ziet geen redenen om van dit oordeel af te wijken, gelet op de navolgende omstandigheden.

 

4.7.

De uitgevoerde operatie betrof het verwijderen van de baarmoeder bij een vrouw van relatief jonge leeftijd. Dit is een onomkeerbare operatie met ingrijpende gevolgen, waarvan het belangrijkste is dat zij geen kinderen meer zou kunnen krijgen. Omdat [eiseres] geen Nederlands verstaat of spreekt, was bij beide consulten waarin de gynaecoloog [eiseres] heeft geïnformeerd over de behandelmogelijkheden iemand aanwezig die vertaalde wat er besproken werd. In beide gevallen betrof dit geen professionele tolk en degene die [eiseres] in het eerste gesprek als tolk bijstond was niet dezelfde als in het tweede gesprek. Deze aspecten, namelijk de aard van de operatie en de communicatierisico’s als gevolg van de wijze van vertalen, maken dat van de gynaecoloog een bijzonder grote mate van zorgvuldigheid gevergd wordt alvorens aan te nemen dat informed consent is verkregen.

 

4.8.

[eiseres] had de gynaecoloog meegedeeld dat zij de voorkeur gaf aan een operatie boven een pessarium. Ter zitting bleek dat de gynaecoloog niet wist waarom [eiseres] geen pessarium wilde gebruiken en hij heeft niet gevraagd welke operatie zij voor ogen had. Hij heeft steeds gesproken over een operatie waarbij de baarmoeder zou worden weggenomen. [eiseres] dacht echter dat de operatie inhield dat de baarmoeder niet zou worden verwijderd, maar opgehangen. Deze operatie, die haar eerder door een arts in Polen was geadviseerd, geldt als mogelijk alternatief voor het verwijderen van de baarmoeder maar is door de gynaecoloog niet aan de orde gesteld omdat dit in zijn ogen “niet standaard de eerste keus was”.

 

4.9.

Ten slotte heeft de gynaecoloog niet aan [eiseres] gevraagd of zij anticonceptie gebruikte en of zij nog een kinderwens had. Hij heeft haar evenmin expliciet meegedeeld dat de operatie tot gevolg zou hebben dat [eiseres] geen kinderen mee zou kunnen krijgen, aangezien dat in zijn ogen een vanzelfsprekend gevolg was van een operatie waarbij de baarmoeder zou worden verwijderd.

 

4.10.

De rechtbank leidt hieruit af dat de informatievoorziening door de gynaecoloog in belangrijke mate gebaseerd is geweest op aannames over wat [eiseres] voor ogen had en wat zij kon begrijpen uit de door hem verstrekte informatie. Voorts heeft hij, gelet op de grote mate van zorgvuldigheid die van hem verlangd werd alvorens aan te nemen dat er sprake was van informed consent, niet voldoende geverifieerd of die aannames juist waren. Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat de gynaecoloog civielrechtelijk niet aan de op hem rustende zorgplicht jegens [eiseres] heeft voldaan doordat hij haar, kort gezegd, zonder correct informed consent heeft geopereerd.

 

4.11.

Doordat de gynaecoloog niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht, is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst waarvoor Viecuri op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is.

 

 

Causaliteit

 

 

4.12.

Viecuri heeft als verweer gevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen de normschending en de schade. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv dient [eiseres] te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat zij, indien zij op duidelijke wijze was ingelicht over de gevolgen van de uitgevoerde operatie, als redelijk handelende patiënt in de gegeven omstandigheden niet gekozen zou hebben voor deze behandeling en/of dat zij om redenen van persoonlijke aard niet voor deze behandeling zou hebben gekozen. Om te oordelen of [eiseres] bij voldoende voorlichting al dan niet van deze behandeling zou hebben afgezien, zijn in ieder geval de volgende factoren van belang: welke nadelen en risico’s brachten haar medische klachten met zich, kwamen redelijkerwijs minder ingrijpende behandelmethoden voor toepassing in aanmerking en wat was de kans op succes daarvan. Bovendien kunnen redenen van persoonlijke aard doorslaggevend zijn.

 

4.13.

Ter zitting heeft [eiseres] gesteld dat zij, wanneer zij had begrepen dat de operatie inhield dat haar baarmoeder zou worden verwijderd, hier niet mee zou hebben ingestemd omdat haar kinderwens zwaarder zou hebben gewogen. In dat geval zou zij desnoods gekozen hebben voor een pessarium. Viecuri heeft betwist dat [eiseres] een kinderwens had, gelet op het feit dat [eiseres] dacht dat de baarmoeder operatief zou worden opgehangen en een kinderwens een contra-indicatie is voor een dergelijke operatie. Deze betwisting wordt echter gepasseerd als onvoldoende gemotiveerd omdat niet gesteld en evenmin aannemelijk is dat dit medische gegeven aan [eiseres] bekend was.

 

4.14.

De keuze voor het pessarium was het voor de hand liggend alternatief voor de belangrijkste klachten van [eiseres] . De gynaecoloog had aanvankelijk deze behandeling ook aanbevolen. Die behandeling zou aanzienlijk minder ingrijpend zijn geweest dan een baarmoederverwijdering. Gelet op deze factoren – de kinderwens en het beschikbare behandelalternatief – acht de rechtbank het causale verband tussen de normschending en de schade aangetoond.

 

 

Schade

 

 

4.15.

[eiseres] heeft een bedrag van € 60.000,- aan smartengeld gevorderd alsmede een bedrag van € 3.699,91 aan kosten, gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid en de omvang van de schade (materiële schade). Voorop staat dat de hoogte van immateriële schadevergoeding of smartengeld (ex artikel 6:106 lid 1 BW) naar billijkheid moet worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Bij de beoordeling van de hoogte van dit bedrag neemt de rechtbank mede in aanmerking de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend – daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen – alsmede de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.

 

4.16.

In dit geval is van belang dat [eiseres] als gevolg van de uitgevoerde operatie geen kinderen meer kan krijgen. Dit vormt een ernstige inbreuk op haar fundamentele recht tot zelfbeschikking. Omdat daarmee sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW, kan [eiseres] in aanmerking komen voor een vergoeding van immateriële schade zonder dat nodig is dat geestelijk letsel is vastgesteld. De rechtbank acht in deze zaak wel van belang dat [eiseres] (met haar vorige partner) al twee kinderen had.

 

4.17.

De rechtbank heeft acht geslagen op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Viecuri heeft gewezen op de zaak onder nummer 677 in de Smartengeldgids 2017. Bij een vrouw werden onnodig en ten onrechte de eierstokken en baarmoeder verwijderd. Toegewezen werd (geïndexeerd) € 9.274,-. Een verschil met deze zaak is dat [eiseres] nog aanzienlijk jonger was en dat in de zaak als besproken in de Smartengeldgids niet blijkt van een kinderwens. [eiseres] heeft gewezen op de zaak onder nummer 681. Dit betrof een man die na een beroepsfout door een huisarts impotent en onvruchtbaar is geworden en mede daardoor psychische problemen heeft gekregen. Aan hem was € 48.351,- toegekend. Voorts heeft de rechtbank nog acht geslagen op de zaak die is opgenomen onder nummer 680. Na een dramatisch verlopen bevalling heeft de arts de vrouw zonder reden en tegen haar wens gesteriliseerd. Daarvoor kende het gerechtshof haar een schadevergoeding toe van € 10.000,- (geïndexeerd € 11.118,-).

 

4.18.

Uit deze vergelijking van zaken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een immateriële schadevergoeding van € 30.000,- redelijk is. Dit bedrag, vermeerderd met de onbetwiste materiële schade van € 3.699,91 zal dan ook worden toegewezen. Bij het bepalen van de schadevergoeding heeft de rechtbank meegewogen dat de onmogelijkheid voor [eiseres] om nog kinderen te krijgen geen abstract verlies is, maar dat haar kinderwens aanleiding voor haar was geweest om medische hulp te zoeken. Dat wordt onderstreept doordat zij, zoals blijkt uit het medisch dossier en uit haar verklaring ter zitting, was gestopt met roken omdat zij zwanger wilde worden. De rechtbank houdt hierbij ten slotte rekening met het feit dat in zaak 681 aantoonbaar psychische klachten waren opgekomen hetgeen bij [eiseres] niet is kunnen worden vastgesteld. Weliswaar heeft zij dit aangevoerd maar die stelling is niet onderbouwd.

 

4.19.

Viecuri zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

 

– dagvaarding € 96,57

 

– griffierecht € 79,00

 

– salaris advocaat €      894,00 (1,0 punt × tarief € 894,00)

 

Totaal € 1.069,57

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

5.1.

veroordeelt Viecuri tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 33.699,91 (driedertigduizendzeshonderdnegenennegentig euro en eenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

 

5.2.

veroordeelt Viecuri in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.069,57,

 

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

 

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2017.1

 

 

 

1