• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Rotterdam
  • 14 april 2017
  • ECLI:NL:RBROT:2017:7335
  • Zaaknummer: 5740839 VZ VERZ 17-2808

Rb, arbeidsongeval met betwiste toedracht leent zich niet voor deelgeschil; procedure volstrekt onnodig ingesteld

Stuurman valt overboord van binnenvaartschip en overlijdt. Verzoekster verzoekt verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk is ex art 7:658 BW. 1. De kantonrechter overweegt dat, gezien de uiteenlopende standpunten van partijen, zonder verder bewijs, niet vast dat de kapitein verzuimd heeft de stuurman te wijzen op zijn verplichting zijn zwemvest aan te trekken. Sterker nog, er staat niet eens vast of [de stuurman het zwemvest al dan niet droeg. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter bewijslevering dan ook geïndiceerd. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het verstrekken van een of meerdere bewijsopdrachten naar verwachting zal leiden tot een zodanig uitvoerige procedure, met alle daarmee gepaard gaande hoeveelheid tijd, kosten en moeite, dat dit zich niet verhoudt met de aard van de onderhavige deelgeschilprocedure. 2. De kosten van de procedure worden niet begroot, nu de procedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

ECLI:NL:RBROT:2017:7335

Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak14-04-2017 Datum publicatie26-09-2017 Zaaknummer 5740839 VZ VERZ 17-2808

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil, arbeidsongeval, betwiste toedracht, geen vastgelopen onderhandelingen, zaak leent zich niet voor behandeling als deelgeschil

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

RECHTBANK ROTTERDAM

 

 

Zaaknummer: 5740839 VZ VERZ 17-2808

 

 

 

 

Uitspraak: 14 april 2017

 

 

 

 

Beschikking ex artikel 1019w Rv van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam,

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoekster] ,

 

wonende te [plaatsnaam],

 

verzoekster,

 

gemachtigde: mr. A.M. Schotte te Driebergen,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

DJEU SCHEEPVAART B.V.,

 

gevestigd te Dordrecht,

 

verweerster,

 

gemachtigde: mr. R.C.A. van ’t Zelfde te Rotterdam.

 

 

 

 

Partijen worden hierna ‘[verzoekster]’ respectievelijk ‘Djeu’ genoemd.

 

 

 

 

1 Het verloop van de procedure

 

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 

het verzoekschrift, met producties, ter griffie ontvangen op 10 februari 2017;

 

de brief d.d. 12 maart 2017, met producties, van de gemachtigde van [verzoekster];

 

het verweerschrift, met producties;

 

de brief d.d. 20 maart 2017, met producties, van de gemachtigde van [verzoekster].

 

 

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 maart 2017. Daarbij is [verzoekster] in persoon verschenen, vergezeld van de heer [S.] en mevrouw [B.] als tolk, en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verder zijn, aan de zijde van Djeu, verschenen de heer [R.], de heer [V.], de heer [C.] en de heer [E.], bijgestaan door genoemde gemachtigde van Djeu.

 

 

1.3

De gemachtigden van partijen hebben ieder het eigen standpunt mondeling toegelicht, waarbij de gemachtigde van [verzoekster] zich heeft bediend van door hem overgelegde pleitnotities, die aan het procesdossier werden toegevoegd. Ook partijen zelf zijn in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Deze bevinden zich in het procesdossier.

 

 

1.4

De zaak is vervolgens enige tijd aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te bieden (alsnog) een minnelijke regeling te beproeven.

 

 

1.5

Bij brieven van 30/31 maart 2017 hebben de gemachtigden van partijen de kantonrechter verzocht een beschikking te geven. Daarop is een datum voor deze uitspraak bepaald.

 

 

 

2 De vaststaande feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

 

 

2.1

[verzoekster] is de weduwe van de heer [P.], geboren op [geboortedatum] 1964 en overleden [overlijdensdatum] 2016.

 

 

2.2

Op 25 april 2016 was [P.] in het kader van zijn arbeidsovereenkomst met Djeu aanwezig op het binnenvaartschip ‘Alto Mira’, samen met de heer [R.], kapitein. In de vroege ochtend van deze dag is [P.] te water geraakt en overleden. Na tien dagen is zijn stoffelijk overschot gevonden.

 

 

2.3

Aan het ter zake door de Inspectie SZW opgemaakte ongevalsrapport d.d. 29 juni 2016 wordt het volgende ontleend:

 

 

 

(…)

 

Waarneming arbeidsinspecteur T. van der Wal van maandag 25 april 2016:

 

(…)

 

In de stuurhut ontmoette ik tevens de heer [R.], die zich voorstelde als schipper en directeur van Djeu (…). Ik legitimeerde mij als Inspecteur van de Inspectie SZW en deelde hem het doel van mijn verzoek mee. Op mijn vraag of het slachtoffer een werknemer van hem was antwoordde hij bevestigend. Hij vertelde mij dat het slachtoffer, de heer [P.], sinds ongeveer een maand bij hem in dienst was.

 

 

 

 

Omstreeks 08:15 uur vertelde de heer [R.] mij aanvullend het volgende:

 

“Ik ben directeur van Djeu (…). Het bedrijf heeft twee schepen. Een van die schepen is het motortankschip Alto Mira, waar ik zelf schipper van ben. (…) Naast mijzelf is er op de Alto Mira 1 bemanningslid, de heer [P.]. Hij is stuurman en ik heb een arbeidsovereenkomst met hem. (…)

 

Wij liggen hier bij de sluis bij Gaarkeuken sinds afgelopen vrijdag. Het plan was om vanochtend naar onze eindbestemming in Groningen te varen om te lossen. (…) [P.] heeft mij vanochtend wakker gemaakt. Ik ben vervolgens de machinekamer in gegaan om wat controlehandelingen uit te voeren. Daarna ben ik naar de stuurhut gegaan om de motor op te starten. Toen ik in de stuurhut kwam was [P.] al buiten en bezig met het losmaken van het schip. Het was rustig en droog weer en het was al niet donker meer. [P.] had de achterlijn al losgemaakt. Ik zag hem op zeker moment naar voren lopen over het dek, hij liep aan de binnenkant van de reling. Ik zag dat hij zijn gele veiligheidsjas en zijn zwemvest in zijn hand had, dat vond ik vreemd want die droeg hij normaal gesproken altijd wanneer hij werkzaamheden aan dek uitvoerde. We hadden contact met elkaar via de marifoon. [P.] had een hand-held marifoon aan een koord om zijn nek hangen. Ik hield hem vanuit de stuurhut niet steeds in de gaten. Op zeker moment, het was rond 05:45 uur, kreeg ik geen contact meer met [P.]. Toen ik daarop vanuit de stuurhut naar voren keek, zag ik hem ook niet meer. Ik heb toen de stuurhut verlaten en ben naar voren gerend maar ik zag hem niet meer. Mijn conclusie was dat [P.] in het water gevallen moest zijn. Ik heb toen direct alarm geslagen. Ik heb geen idee waar hij precies te water geraakt is en ik weet ook niet waar hij precies mee bezig was. We waren bezig met wegvaren en de boegschroef was al in werking. Mogelijk was hij bezig met het losmaken van een van de voorste lijnen. Een van de lijnen zat achter de balken van de kader/remmingwerk langs en mogelijk was hij bezig met het losmaken van die lijn.

 

(…)”

 

(…)

 

Bevindingen arbeidsinspecteur W.K. [K.]:

 

(…)

 

Op dinsdag 10 mei 2016 heb ik telefonisch contact gehad met OvD van de politie de heer [W.] in verband met de uitslag van de schouw. Uit de schouw was het volgende naar voren gekomen: er was geen zichtbaar letsel op het lichaam te zien.

 

Conclusie van de schouwarts was derhalve dat er sprake was van een niet-natuurlijke dood door een ongeval.

 

(…)

 

Op dinsdag 31 mei 2016 hoorde ik op het kantoor van de Inspectie SZW (…) de heer [R.], in het bijzijn van zijn vrouw. De verklaring van de heer [R.] is al bijlage 3 bij dit rapport gevoegd. Uit het rapport is geen nieuwe informatie gekomen over de mogelijke toedracht van het ongeval.

 

(…)

 

Conclusie:

 

Uit onderzoek en verklaringen is mij het volgende gebleken:

 

Op 25 april 2016 zouden de heren [R.] en [P.] met de Alto Mira afvaren naar de tankerterminal Finco te Groningen. Het was die ochtend rustig weer. De heer [P.] meldde zich op 5 uur ’s ochtends bij de heer [R.] en er werden werkafspraken gemaakt. De heer [R.] was rond 5.15 uur in zijn stuurhut en zag de heer [P.] naar voren lopen aan de binnenkant van de reling met zijn bodywarmer en redvest in zijn hand. De heer [R.] heeft hem op dat moment niet aangesproken op het feit dat hij geen redvest droeg. De heer [R.] verklaarde mij dat de heer [P.] op dat moment zijn slaapkleding nog aanhad.

 

Rond 05:30 uur die ochtend is er contact via de marifoon geweest waarbij [P.] toestemming vroeg voor het losmaken van de touwen bij de bolders, voor op het schip aan stuurboordzijde. De touwen achteraan het schip aan stuurboordzijde had hij daarvoor al losgemaakt. De heer [R.] heeft hier toestemming voor gegeven. De boegschroefmotor stond op dat moment stationair te draaien. De heer [R.] had de boegschroef uit gezet toen de heer [P.] de touwen los zou gaan maken, omdat er anders spanning op de touwen zat.

 

De heer [R.] is toen het vaartijdenboek in de stuurhut gaan invullen. Op een gegeven moment zag hij de heer [P.] niet meer en hij heeft toen een aantal keren contact via de marifoon proberen te krijgen. Aangezien dit niet lukte heeft de heer [R.] de stuurhut verlaten en is naar voren gelopen. Daar zag hij dat de touwen los waren van de bolders. Hij zag dat de touwen losgemaakt waren van het schip dat deze niet van de wal losgemaakt waren.

 

De heer [R.] heeft vervolgens 112 gebeld en is om het schip gaan lopen of hij de heer [P.] nog zag. Dit was niet het geval. Hulpdiensten en een dregteam hebben daarna nog enkele dagen vergeefs naar het lichaam van de heer [P.] gezocht.

 

(…)

 

Aan boord gelden strenge regels, mede doordat er gevaarlijke stoffen vervoerd worden op het schip, en er zijn ook diverse instructies waar werknemers zich aan moeten houden. Er is ook een instructie met betrekking tot kledingvoorschriften aan boord (bijlage 9). De heer [P.] droeg ten tijde van het ongeval deugdelijk schoeisel (…). De heer [P.] had een redvest tot zijn beschikking. Deze moet hij echter voor het ongeval in het bemanningsdeel van het schip gelegd hebben, aangezien de bodywarmer en het redvest daar lagen op het moment van onderzoek. (…) De heer [P.] had het redvest ten tijde van het ongeval niet aan, hoewel hij zich voor het losmaken van de touwen op het gangboord, buiten de reling, begeven moet hebben. Het schip was ten tijde van het ongeval bezig met afmeren, het voer nog niet.

 

 

 

 

Het is, mede doordat er geen getuigen zijn geweest van het ongeval en er geen camerabeelden zijn gemaakt bij de sluis, niet duidelijk geworden hoe en waar het slachtoffer te water is geraakt. Ook is niet duidelijk geworden of hij ten tijde van het ongeval met werkzaamheden bezig was en zo ja, met welke werkzaamheden het slachtoffer bezig was. Het vermoeden bestaat dat hij bezig was met het losmaken van de lijnen aan stuurboordzijde bij de boeg. Echter, niemand heeft het ongeval zien gebeuren en er waren ook geen stille getuigen, zoals bijvoorbeeld camerabeelden. Aangezien tijdens het onderzoek de directe oorzaak van de ongewilde gebeurtenis niet is achterhaald en het schip voldoet aan de gestelde eisen, ook op het gebied van veiligheid, is er geen causaal verband vast te stellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwetgeving en de oorzaak van het ongeval. Diverse scenario’s zijn mogelijk: hij kan zijn gestruikeld, hij kan zijn uitgegleden, zijn evenwicht hebben verloren maar ook de mogelijkheid dat hij vrijwillig te water is geraakt of onwel is geraakt kan niet uitgesloten worden.

 

 

 

 

Tijdens mijn onderzoek heb ik derhalve geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het (…) ongeval. (…)

 

(…)

 

 

 

2.4

De hiervoor door arbeidsinspecteur [K.] bedoelde verklaring d.d. 31 mei 2016 van de heer [R.] (bijlage 3 bij het rapport) bevat onder meer de volgende inhoud:

 

 

 

(…)

 

Op maandag 25 april 2016 zouden we rond 5 uur beginnen met varen. [P.] maakte me rond 5 uur wakker. Ik ben naar de badkamer gegaan. Ik was rond kwart over 5 naar de stuurhut gegaan en toen zag ik hem naar voren lopen met de bodywarmer en redvest in de hand. Hij had zijn pyjama aan. Mijn broer vertelde mij later dat [P.] zijn overall wel vaker in het voorgedeelte liet hangen omdat deze vies was en zich dan daar ging omkleden. Mijn broer heeft meerdere vaarten met [P.] gemaakt en kende zijn gewoontes beter. Ik heb hem op dat moment niet aangesproken op het feit dat hij geen redvest droeg.

 

Ik heb rond half 6 contact gehad, toen vroeg [P.] via de marifoon of de touwen los mochten voor, bij de bolders. Ik heb daar toestemming voor gegeven. Toen had ik geen zicht meer op hem, omdat hij voor het voorschip stond en het ook nog wat schemerig was. De boegschroefmotor stond stationair te draaien. Ik heb de schroef uitgezet toen hij de touwen los ging maken, anders staat er spanning op het touw.

 

Ik zou het vaartijdenboek invullen in de stuurhut maar kon geen pen vinden. Op dat moment keek ik uit het raam en zag ik hem niet meer. Ik heb hem toen een paar keer opgeroepen via de marifoon maar kreeg geen contact. Ik ben toen naar voren gelopen. Ik zag dat de touwen los waren van het schip maar niet van de wal. Vermoedelijk heeft hij de touwen los willen wippen en moest hij daarvoor aan de andere kant van de reling zijn en is hij uitgegleden, vermoed ik. Ik kan geen andere verklaring bedenken. (….)

 

(…)

 

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1

[verzoekster] heeft (na aanpassing van het verzoek bij brief van 12 maart 2017 van haar gemachtigde) op de voet van artikel 1019w Rv (de deelgeschilprocedure betreffende letsel- en overlijdensschade) verzocht om, voor zover mogelijk:

 

 

a.te verklaren voor recht dat Djeu aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het ongeval wijlen [P.] overkomen op 25 april 2016 en aan [verzoekster] voor zich en als vertegenwoordigster van het gezin van de nabestaanden dient te vergoeden de schade reeds geleden en nog te lijden, materieel en immaterieel,

 

 

b.te bepalen dat Djeu gehouden is bij wijze van voorschot op de schadevergoeding aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 25.000,- of een bedrag als de kantonrechter in goede justitie redelijk acht, en

 

 

c.te bepalen dat Djeu gehouden is [verzoekster] een bedrag van € 10.000,- (exclusief BTW en verschotten) aan buitengerechtelijke kosten ad € 10.000,- te vergoeden en op grond van artikel 1019aa Rv de gerechtelijke kosten van [verzoekster] te begroten, en te bepalen dat Djeu gehouden is om deze gerechtelijke kosten aan [verzoekster] te vergoeden en te bepalen dat deze bedragen binnen zeven dagen na betekening van deze uitspraak moeten worden voldaan en dat hierover zonder nadere aanzegging wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

 

 

3.2

Ter toelichting op het verzoek heeft [verzoekster] -naast de onder 2 genoemde feiten en samengevat en voor zover thans van belang weergegeven- het volgende aangevoerd.

 

 

 

Djeu is op grond van artikel 7:658 BW jo. artikel 6:108 BW aansprakelijk voor de schade die [verzoekster] heeft geleden en lijdt als gevolg van het arbeidsongeval dat [P.] op 25 april 2016 is overkomen. Daarbij wijst zij erop dat nu het ongeval [P.] is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Djeu, Djeu in beginsel aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, door [verzoekster] voorlopig begroot op € 144.000,-, ténzij zij aantoont dat zij de in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [P.].

 

 

 

 

In dat verband is van belang dat uit het rapport van de arbeidsinspectie blijkt dat Djeu geen maatregelen heeft genomen om een dergelijk ongeval te voorkomen. Om te beginnen is [P.] niet verzocht het veiligheidsprotocol te ondertekenen en is de verklaring die de kapitein daarvoor heeft gegeven kennelijk leugenachtig. Hoe dat ook zij, Djeu mocht er niet van uitgaan dat [P.] in staat was de specifiek die ochtend gevraagde werkzaamheden zelfstandig op een veilige wijze uit te voeren. Djeu althans de kapitein heeft hem immers opgedragen de bewuste dag heel vroeg in de morgen, om 05.00 uur, in het donker op te staan en met het werk te beginnen, meer bepaald om, nadat achter al losgegooid was, naar voren te gaan om de tros aan de voorzijde los te maken. Uit de verklaring van de kapitein blijkt dat hij zag dat [P.] toen zijn zwemvest niet aanhad en dat hij dit vreemd vond, maar toen niets heeft gezegd of gedaan, dit terwijl hij direct en per marifoon met [P.] contact had en hem dus eenvoudig op dit gevaar had kunnen wijzen. Aangezien het rapport geen duidelijkheid kan geven over het hoe en waarom van het te water raken van [P.], is het Djeu aan te rekenen dat [P.] is overleden. Haar treft immers een verwijt ter zake van de beide omstandigheden die direct de aanleiding vormden voor het ongeval. Enerzijds gaat het dan om de wijze waarop is nagelaten de veiligheid van [P.] te waarborgen bij het losmaken van de touwen in het donker zonder zicht of marifooncontact en anderzijds om het feit dat de kapitein daarvoor al had nagelaten erop aan te dringen dat [P.] zijn zwemvest zou aantrekken toen de kapitein zag dat [P.] dat zwemvest en het veiligheidsjack niet over zijn slaapkleding of pyjama droeg en dus ook niet behoorlijk vastgemaakt kon hebben, terwijl hij [P.] wel opdracht heeft gegeven om de touwen bij de bolders aan de voorzijde van het schip los te maken. Bij dit alles komt dat Djeu de kosten van lijkbezorging vergoed heeft, waarmee zij in feite haar aansprakelijkheid al heeft erkend.

 

 

 

 

Partijen zijn evenwel verdeeld over de vraag of Djeu als werkgever aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] door het ongeval heeft geleden en nog zal lijden alsook over de vraag of Djeu gehouden is aan [verzoekster] in dit stadium een bedrag van € 25.000,- als voorschot op die schade te voldoen. Volgens [verzoekster] leent de aard van dit geschil zich in beginsel voor behandeling in een deelgeschilprocedure, omdat de beslechting van het geschil de weg vrij zal kunnen maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en aldus zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Met betrekking tot dat laatste heeft [verzoekster] gewezen op de uit het rapport volgende mate van waarschijnlijkheid dat Djeu aansprakelijk wordt geacht, de omstandigheden van [verzoekster] en haar gezin, die plotseling verstoken zijn van de door [P.] geleverde bijdrage in het levensonderhoud, en een dreigende aangekondigde bodemprocedure.

 

 

 

3.3

Djeu heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het verzochte en dat zich -eveneens voor zover nu van belang- als volgt laat samenvatten.

 

 

 

Zij stelt voorop dat [P.] een zeer ervaren stuurman was, duidelijk veel ervaring had in de binnenvaart en bekend was met de regels omtrent de in acht te nemen veiligheid aan boord. Ook heeft [P.] aan boord van de Alto Mira, onder andere op 13 april 2016, meegedaan aan veiligheidsoefeningen, waarbij onder meer op het dragen en het gebruik van reddingsvesten is geoefend. Djeu benadrukt dat op het functioneren van [P.] aan boord van de Alto Mira niets viel aan te merken, dat hij zeer ervaren was en een goed besef voor de veiligheid aan boord had en dat hij ook als persoon werd gewaardeerd.

 

Hoewel Djeu het incident betreurt, meent zij dat zij niet verantwoordelijk of aansprakelijk is voor het ongeval en de door [verzoekster] gestelde schade. In dat verband is van belang dat nimmer bekend is geworden hoe [P.] te water heeft kunnen geraken. Daartoe wijst zij op de conclusie in het ongevalsrapport dat geen causaal verband is vast te stellen tussen een overtreding van de arbeidsomstandighedenwetgeving en de oorzaak van het ongeval en dat diverse scenario’s mogelijk zijn, zoals struikelen, uitglijden, evenwicht verliezen maar ook vrijwillig te water geraken of onwel worden. In ieder geval is zij, zo heeft Djeu uitvoerig en onder verwijzing naar diverse producties betoogd, de op grond van artikel 7:658 lid 1 BW op haar rustende zorgplicht nagekomen. Op dat punt heeft zij ook een bewijsaanbod gedaan.

 

Ten aanzien van hetgeen aan het incident is voorafgegaan, heeft Djeu opgemerkt dat [P.] in de woning op het achterschip sliep terwijl zijn werkkleding in de woning op het voorschip hing. Ook deze bewuste ochtend liep [P.] van het achterschip naar het voorschip om zich daar om te kleden en daarna te gaan werken. Daarbij had [P.] zijn veiligheidsjas en reddingsvest in zijn hand. Op dat moment, bij het lopen naar het voorschip voor aanvang van de werkzaamheden, bestond er geen verplichting om een reddingsvest te dragen, in verband waarmee Djeu wijst op artikel 1.08 van het Binnenvaartpolitiereglement. De kapitein had op dat moment dus geen enkele aanleiding om tegen [P.] te zeggen dat hij zijn reddingsvest moest aantrekken noch bestond daartoe enige wettelijke verplichting, nu [P.] zich zoals gebruikelijk eerst zou gaan omkleden om daarna per marifoon om toestemming te vragen voor het losmaken. Dat de boegschroef toen reeds stationair draaide, zoals gebruikelijk, levert ook geen overtreding van regelgeving of goed gebruik op.

 

 

 

 

Op grond van het voorgaande meent Djeu niet aansprakelijk te zijn voor de gevolgen van het ongeval, waarvan de toedracht niet vaststaat en mogelijk nooit zal komen vast te staan. Niet uit te sluiten is dat [P.] onwel geworden is of flauwgevallen is en evenmin dat hij te water is geraakt terwijl hij voor al aan het losmaken was zonder zich eerst te hebben aangekleed. In dat laatste geval zou de schade in belangrijke mate het gevolg zijn van opzet of bewuste roekeloosheid van -de zeer ervaren stuurman- [P.], als bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW. Ook betwist Djeu de juistheid van de door [verzoekster] ‘grofweg geschatte’ schade van € 144.000,-, nu uit niets blijkt dat [P.], zoals [verzoekster] heeft gesteld, al jarenlang een bedrag van € 1.500,- á € 2.000,- netto per maand verdiende en dit steeds aan [verzoekster] ter beschikking stelde, terwijl ook niet zeker is of het jaarcontract van [P.] bij Djeu zou zijn verlengd voor een periode van nog eens acht jaar, zoals door [verzoekster] bij de schade tot uitgangspunt genomen, en er bij de schadebegroting ook geen rekening is gehouden met bijvoorbeeld besparingen. Ook is van belang dat [verzoekster] een winkel drijft en met de inkomsten daarvan in haar inkomsten kan voorzien.

 

 

 

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, bij de beoordeling teruggekomen.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1

[verzoekster] heeft haar verzoek tegen Djeu gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w-1019cc Rv). Allereerst dient beoordeeld te worden of dat verzoek, gezien ook het ter zake door Djeu gevoerde verweer, zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w e.v. Rv.

 

 

4.2

Het gaat hier om de vraag of Djeu op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] stelt te hebben geleden als gevolg van het op 25 april 2016 voorgevallen incident waarbij [P.] is komen te overlijden. Ter zake geldt het volgende op de wet en de rechtspraak gebaseerde toetsingskader.

 

 

4.3

Artikel 7:658 lid 1 BW eist een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (zie onder meer HR 11 april 2008, NJ 2008, 465). Djeu is als werkgever van [P.] op grond van dit artikellid gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn teneinde ongevallen die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt echter geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

 

 

4.4

Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast in het kader van artikel 7:658 BW wordt het volgende als uitgangspunt genomen voor de beoordeling:

 

 

 

 de werknemer dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. Dit betekent niet zonder meer dat de werknemer ook dient te bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken en wat de oorzaak daarvan is (zie onder meer HR 4 mei 2011, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432);

 

 indien komt vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen indien hij stelt, en zo nodig bewijst, dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Van bewust roekeloos handelen is slechts sprake indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan daadwerkelijk bewust is geweest.

 

4.5

Overwogen wordt dat Djeu het haar door [verzoekster] gemaakte verwijt dat de kapitein er bij [P.] niet op heeft aangedrongen zijn zwemvest aan te trekken alvorens met het losmaken van de touwen aan de voorzijde te beginnen, gemotiveerd heeft weerlegd. Zij heeft daarbij het standpunt betrokken dat de kapitein toen hij [P.] in zijn pyjama, zonder zwemvest aan (maar wel in de hand), zag, in de veronderstelling verkeerde dat [P.], zoals gebruikelijk, naar de woning op het voordek liep om zich daar om te kleden en zijn zwemvest aan te trekken, en dat hij daarna, circa een kwartier later, toen [P.] hem per marifoon vroeg om toestemming om de touwen los te maken, in de veronderstelling was dat [P.] inmiddels wel zijn overall en zwemvest had aangetrokken maar dit niet met het oog kon constateren vanaf de plek waar hij zich toen bevond, één en ander overeenkomstig de hiervoor onder 2.4 aangehaalde verklaring d.d. 31 mei 2016 van de kapitein.

 

 

4.6

Gegeven deze uiteenlopende standpunten van partijen staat, zonder verder bewijs, niet vast dat Djeu, althans de kapitein, verzuimd heeft [P.] te wijzen op zijn verplichting zijn zwemvest aan te trekken op een moment c.q. onder omstandigheden dat Djeu althans de kapitein dat wel had moeten doen. Sterker nog, er staat niet eens vast of [P.] het zwemvest al dan niet droeg op het moment dat hij te water geraakte. Partijen hebben het schouwrapport niet in het geding gebracht, zodat thans niet vaststaat welke kleding [P.] had op het moment dat zijn lichaam gevonden werd. Daarbij komt dat de Inspectie SZW concludeert (zie 2.3) dat geen causaal verband is vast te stellen tussen een overtreding van de arbeidsomstandighedenwetgeving en de oorzaak van het ongeval c.q. het te water geraken van [P.].

 

 

4.7

Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter bewijslevering dan ook geïndiceerd al dan niet in combinatie met een gerechtelijke plaatsopneming. Het feit dat Djeu de kosten van lijkbezorging heeft vergoed, volgens haar naar goed gebruik en ook ter invulling van een wettelijke verplichting, leidt tot geen ander oordeel, nu dit, anders dan door [verzoekster] gesteld, nog geen gave en onvoorwaardelijke erkenning van aansprakelijkheid voor het ongeval en de daardoor voor [verzoekster] opgekomen schade inhoudt.

 

 

4.8

Het voorgaande maakt dat de vraag zich thans opdringt of er in het kader van deze deelgeschilprocedure ruimte is een of meer bewijsopdrachten te verstrekken en eventueel een gerechtelijke plaatsopneming te gelasten, zoals overigens ook door Djeu ter mondelinge behandeling voorgestaan. Bij de beantwoording daarvan moet voor ogen gehouden worden dat de deelgeschilprocedure betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter biedt, ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gegeven het doel om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter steeds van geval tot geval te beoordelen of de verzochte beslissing voldoende aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan bijdragen. Aldus moet de investering in tijd, geld en moeite afgewogen worden tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. In het algemeen zal de aard van deze procedure zich daarom verzetten tegen (uitvoerige) bewijsvoering al dan niet in combinatie met een gerechtelijke plaatsopneming.

 

 

4.9

In dit geval ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van dat uitgangspunt. Tot dat oordeel heeft bijgedragen dat, zoals ook ter mondelinge behandeling aan de orde is gesteld, voor de hand ligt dat in het kader van die bewijsvoering niet alleen de kapitein maar ook andere personen, zoals een of meer van de betrokken inspecteurs van de Inspectie SZW als getuige worden voorgedragen. Ook ligt voor de hand dat, bijvoorbeeld door het horen van de betrokken schouwarts of betrokken politieagenten of anderszins, dan duidelijkheid zal worden getracht te verkrijgen omtrent de vraag of [P.] op het moment dat zijn stoffelijk overschot werd gevonden, een reddingsvest droeg, terwijl de kantonrechter bovendien een gerechtelijke plaatsopneming zou voorstaan, onder meer om te kunnen beoordelen wat het zicht is vanuit de stuurhut op het voorschip, waar [P.] vermoedelijk te water is geraakt. Met het houden van een dergelijke gerechtelijke plaatsopneming is de nodige tijd en daarmee gepaard gaande kosten gemoeid. In dat kader is tevens nog van belang dat de Alto Mira, zo is ter mondelinge behandeling gebleken, in gebruik is, met welke omstandigheid dus rekening gehouden zal moeten worden bij het plannen van een gerechtelijke plaatsopneming, waarbij ook nog geldt dat het schip in of in de buurt van Rotterdam moet liggen.

 

 

4.10

Al met al zou derhalve het verstrekken van een of meerdere bewijsopdrachten en het gelasten van een gerechtelijke plaatsopneming teneinde duidelijk te krijgen of Djeu hier ex artikel 7:658 lid 2 BW jegens [verzoekster] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het incident op 25 april 2016 -welke schade, gezien het door Djeu gevoerde verweer, nadere onderbouwing behoeft- naar verwachting leiden tot een zodanig uitvoerige procedure, met alle daarmee gepaard gaande hoeveelheid tijd, kosten en moeite, dat dit zich niet verhoudt met de aard van de onderhavige deelgeschilprocedure. Daarbij is van belang dat het hier niet enkel gaat om de vaststelling dat [P.] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Djeu is overleden, maar ook om de vraag of Djeu haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW jegens [P.] is nagekomen, om de vraag of de schade al dan niet in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [P.] en om de vraag van welke omvang die schade is. Het door [verzoekster] sub a en b verzochte wordt dan ook afgewezen.

 

 

4.11

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek wordt afgewezen, de kosten van de procedure dienen te worden begroot ténzij deze volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Die laatste situatie doet zich hier voor. Daartoe overweegt de kantonrechter dat (ook) uit het verzoekschrift (onder punt 12) blijkt dat Djeu voorafgaand aan de procedure de gemachtigde van [verzoekster] kenbaar heeft gemaakt op inhoudelijke gronden te menen niet aansprakelijk te zijn voor de gestelde schade, zodat [verzoekster] in redelijkheid had kunnen bevroeden dat het zou aankomen op (uitvoerige) bewijslevering, waarvoor deze procedure zich naar haar aard niet leent. Ook heeft de kantonrechter acht geslagen op de door Djeu onweersproken gestelde omstandigheid dat hier geen sprake is (geweest) van een vastgelopen onderhandelingsproces terwijl de -in verhouding tot een bodemprocedure in de regel goedkopere en snellere- deelgeschilprocedure niet bedoeld is om partijen aan de onderhandelingstafel te dwingen maar om hen in hun buitengerechtelijke onderhandelingen te ondersteunen en onderhandelingen op gang te brengen of eventueel vastgelopen onderhandelingen vlot te trekken, zodat zij zelf een vaststellingsovereenkomst kunnen sluiten. Er is dan ook geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten.

 

 

4.12

Voor de door Djeu voor dit geval voorgestane proceskostenveroordeling van [verzoekster] biedt de wettelijke regeling van de deelgeschilprocedure, tot slot, geen ruimte.

 

 

 

5 De beslissing

 

De kantonrechter:

 

 

– wijst het door [verzoekster] jegens Djeu verzochte af;

 

 

– begroot de kosten bij de behandeling van het onderhavige verzoek aan de zijde van [verzoekster] op nihil.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

 

654