• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Oost-Brabant
  • 2 maart 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:1280
  • Zaaknummer: C/01/312529 / EX RK 16-165

Rb: aansprakelijkheidsvraag sprong psychiatrische patiënt niet geschikt voor deelgeschil

Psychiatrische patiënt op gesloten afdeling springt van balkon en loopt dwarslaesie op. Hij stelt de inrichting aansprakelijk.1. De rechtbank verwerpt het verweer dat nu geen buitengerechtelijke onderhandelingen hebben plaatsgevonden reeds daarom niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een deelgeschilprocedure. Gelet op de opstelling van de verzekeraar, is het verzoeker niet kwalijk te nemen dat hij de weg van het deelgeschil heeft gekozen. 2. De rechtbank oordeelt dat de aansprakelijkheidsvraag nog niet beantwoord kan worden omdat nader onderzoek nodig is. Daarvoor leent de deelgeschilprocedure zich niet. 3. Kosten deelgeschil begroot op € 4.135,80 (gevorderd: € 13.346,93).

ECLI:NL:RBOBR:2017:1280

 

Instantie Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak 02-03-2017
Datum publicatie10-03-2017
Zaaknummer C/01/312529 / EX RK 16-165

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Letselschade. Deelgeschil. Ontvankelijkheid verzoek. In petitum verzoekschrift wordt het hele geschil aan de rechtbank voorgelegd. Wat partijen op de eerste plaats verdeeld houdt is de aansprakelijkheidsvraag. De rechtbank zal die vraag behandelen en voor het overige het verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Verweer dat nu geen buitengerechtelijke onderhandelingen hebben plaatsgevonden reeds daarom niet aan de voorwaarden voor het instellen van een deelgeschilprocedure is voldaan, wordt verworpen. Gelet op de opstelling van de (verzekeraar van de) aansprakelijk gehouden wederpartij, is het verzoeker niet kwalijk te nemen dat hij de weg van het deelgeschil heeft gekozen om overleg over de zaak en beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag te bewerkstelligen. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat de aansprakelijkheidsvraag nog niet beantwoord kan worden omdat nader onderzoek nodig is. Daarvoor leent de deelgeschilprocedure zich niet. Volgt afwijzing van het verzoek. Kosten deelgeschil worden aanzienlijk lager begroot dan verzocht.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

  .   .beschikking

 

RECHTBANK OOST-BRABANT

 

 

Civiel Recht

 

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/01/312529 / EX RK 16-165

 

 

 

 

Beschikking van 2 maart 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. A.M. van Schaick te Tilburg,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

1. de stichting

 

 

STICHTING GEÏNTEGREERDE GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG IN EINDHOVEN EN DE KEMPEN,

 

gevestigd te Eindhoven,

 

2. DE ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRAMED B.A.,

 

 

gevestigd te Zoetermeer,

 

verweersters,

 

advocaat mr. L.A.P. Arends te Nijmegen.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [verzoeker] , GGzE en Centramed genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift,

 

het verweerschrift,

 

de mondelinge behandeling, het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

[verzoeker] is vanwege suïcidale neigingen in de nacht van 12 op 13 januari 2016 na een crisisbeoordeling door de crisisdienst van GGzE opgenomen op de High Intensive Care-afdeling van GGzE. Dit betreft een gesloten afdeling in die zin, dat patiënten niet naar buiten kunnen.

 

 

2.2.

In de ochtend van 14 januari 2016 is [verzoeker] , die een kamer had op de eerste verdieping, over de balustrade van het atrium geklommen en naar beneden gesprongen.

 

 

2.3.

[verzoeker] heeft bij de val zijn rug gebroken en een hoge dwarslaesie opgelopen. Hij is als gevolg van het opgelopen letsel thans volledig arbeidsongeschikt.

 

 

 

3 Het verzoek

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

1.voor recht te verklaren dat GGzE en Centramed gehouden zijn de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog zal lijden door het incident op 14 januari 2016 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te vergoeden en GGzE en Centramed te veroordelen tot betaling van die schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2016, althans vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

 

 

2.GGzE en Centramed te veroordelen om aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting en ten titel van voorschot op de uiteindelijk te betalen schadevergoeding, te betalen een bedrag van € 75.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank gerechtvaardigd acht;

 

 

3.De kosten van de buitengerechtelijke rechtsbijstand (waaronder behandeling van het onderhavige verzoek) aan de zijde van [verzoeker] te begroten en GGzE en Centramed te veroordelen in de kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking zijn betaald.

 

 

3.2.

[verzoeker] legt aan het verzoek ten grondslag dat de aansprakelijkheidsvraag partijen verdeeld houdt. De onderhandelingen kunnen niet verder omdat GGzE en Centramed, ondanks dat GGzE al bij brief van 5 februari 2016 aansprakelijk is gesteld door [verzoeker] , geen standpunt omtrent de aansprakelijkheid hebben ingenomen. Zij zeggen telkens verder (eigen) onderzoek af te wachten. Inhoudelijk legt [verzoeker] aan het verzochte ten grondslag dat GGzE tijdens de opname van [verzoeker] niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen. Er is niet gehandeld conform de norm van artikel 7:453 BW. Daarnaast is GGzE aansprakelijk jegens [verzoeker] omdat sprake is van een gebrekkige opstal. Het gebouw waarin de HIC-afdeling is gevestigd voldoet niet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld.

 

 

3.3.

GGzE en Centramed voeren samengevat het volgende verweer. Primair moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek omdat geen sprake is van een deelgeschil. Subsidiair voeren zij aan dat niet is voldaan aan het proportionaliteitscriterium. Inhoudelijk betwisten GGzE en Centramed aansprakelijk te zijn. Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereen-komst en evenmin van een gebrekkige opstal. Verder is er geen grond voor het toekennen van een voorschot op schadevergoeding, noch voor veroordeling in de buitengerechtelijke kosten. De omvang van de buitengerechtelijke kosten wordt betwist en GGzE en Centramed doen een beroep op matiging.

 

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

Ontvankelijkheid

 

4.1.

De eerste ook door GGzE en Centramed in hun verweer opgeworpen vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het verzoek van [verzoeker] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. GGzE en Centramed voeren als primair verweer aan dat [verzoeker] het geschil in volle omvang aan de rechtbank voorlegt, zodat van een deelgeschil geen sprake is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] tegen het standpunt van GGzE en Centramed aangevoerd dat het verzoek zich niet richt op een finale beslechting van het geschil. Dat is volgens [verzoeker] ook niet mogelijk, aangezien de geleden en nog te lijden schade van [verzoeker] nog zal moeten worden vastgesteld. Dat kan pas nadat over de aansprakelijkheidsvraag is beslist.

 

 

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek in het petitum van het verzoekschrift ruimer is geformuleerd dan de hiervoor weergegeven uitleg die [verzoeker] daaraan geeft. Uit de gedingstukken en het debat tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat wat partijen in de eerste plaats verdeeld houdt de vraag naar de aansprakelijkheid van GGzE (en Centramed als verzekeraar van GGzE) is. Dat geschil zal de rechtbank als deelgeschil behandelen. Het verzochte voorschot vergt ook een oordeel over het causaal verband en de omvang van de schade. In zoverre zal [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat daarmee buiten de grenzen van het deelgeschil wordt getreden.

 

 

4.3.

Voor zover de stelling van GGzE en Centramed in het verweerschrift, inhoudende dat in dit geval de onderhandelingen tussen partijen feitelijk nooit zijn aangevangen, moet worden begrepen als zou dat in de weg staan aan het starten van een deelgeschilprocedure, dan volgt de rechtbank hen daarin niet. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen om een impasse te doorbreken. In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Rv bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak als bodemzaak zou zijn aangebracht. De rechterlijke uitspraak moet partijen dus in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden. De deelgeschilprocedure gaat er dus – kort gezegd – van uit dat er onderhandelingen tussen partijen hebben plaatsgevonden, die vlot getrokken moeten worden.

 

 

4.4.

[verzoeker] heeft GGzE aansprakelijk gesteld bij brief van 5 februari 2016 (prod. 5 verzoekschrift), maar GGzE, noch Centramed heeft naar aanleiding daarvan een standpunt ingenomen dat inzet van onderhandelingen kon zijn. Centramed, aan wie de aansprakelijkstelling is doorgeleid, heeft bij brief van 3 maart 2016 (prod. 6 verzoekschrift) meegedeeld dat in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkheid, eerst nader onderzoek moet worden gedaan naar de toedracht. Na afronding van dat onderzoek zal in samenspraak met GGzE en de medisch adviseur een standpunt worden bepaald. Bij brief van 8 april 2016 (prod. 8 verzoekschrift) schrijft Centramed in reactie op een vraag van de raadsman van [verzoeker] naar de stand van zaken, dat het overleg met de medisch adviseur en GGzE nog niet is afgerond. Dit wordt na weer een rappel herhaald in de brief van Centramed van 23 mei 2016 (prod. 10 verzoekschrift). Bij brief van 24 juni 2016 (prod. 12 verzoekschrift) deelt Centramed mee dat het schuldvraagonderzoek nog niet is afgerond en dat nog geen standpunt is bepaald omtrent de aansprakelijkheid. [verzoeker] heeft vervolgens in september 2016 het verzoekschrift ingediend. Uit de hiervoor aangehaalde correspondentie blijkt evident dat tussen partijen geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden, zoals GGzE en Centramed stellen, en er op het moment van indiening door GGzE en Centramed nog geen standpunt was ingenomen over de aansprakelijkheid. Daar staat tegenover dat [verzoeker] er terecht op wijst dat GGzE en Centramed wel erg gedraald hebben met het innemen van een standpunt en zich maandenlang min of meer hebben verscholen achter (kennelijk) lopende onderzoeken, zonder dat daarover concrete mededelingen worden gedaan. Ook tijdens de mondelinge behandeling kon van de zijde van GGzE en Centramed niet concreet worden aangegeven waartoe de onderzoeken hadden geleid. Integendeel, aangegeven is dat er geen onderzoek is verricht door specifieke deskundigen. In dat licht bezien is de rechtbank van oordeel dat het [verzoeker] niet kwalijk is te nemen dat hij de weg van het deelgeschil heeft gekozen om overleg over deze zaak en beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag te bewerkstelligen. Dat vervolgens GGzE en Centramed in het aanhangig maken van het deelgeschil aanleiding hebben gezien om de verdere onderzoeken te staken en niet eerder dan een week voor de mondelinge behandeling in het verweerschrift pas met een gemotiveerd standpunt omtrent de aansprakelijkheid te komen, is in evidente strijd met de bedoeling van de deelgeschilprocedure, zoals hiervoor uiteengezet. De slotsom is dat de rechtbank ook in de omstandigheid dat de onderhandelingen nooit zijn aangevangen, geen grond ziet om [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek – met uitzondering van het verzochte voorschot, zie hiervoor onder 4.2.

 

 

 

Aansprakelijkheid

 

 

 

4.5.

Bij de beoordeling van een deelgeschil moet de rechtbank zich de vraag stellen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat deze opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Een deelgeschil waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zal zich minder snel lenen voor een deelgeschilprocedure (MvT, Kamerstukken II 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 10). Dit betreft het proportionaliteitscriterium. GGzE en Centramed voeren als verweer aan dat daaraan in dit geval niet is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer slaagt, op grond van het navolgende.

 

 

4.6.

Partijen verschillen op de eerste plaats van mening over de toedracht van het ongeval. Zo stelt [verzoeker] onder meer dat er op 14 januari 2016 tussen 06.30 en 08.00 uur geen enkel contact meer is geweest tussen medewerkers van GGzE en [verzoeker] en dat hij na het ongeval door een schoonmaker is gevonden. Volgens [verzoeker] was er onvoldoende toezicht. Dit wordt weersproken door GGzE en Centramed. Volgens hen was er wel voldoende toezicht. [verzoeker] is ook niet gevonden door een schoonmaker, de schoonmaker hoorde hem vallen en is meteen hulp gaan halen. De rechtbank overweegt dat uit het ‘Overzicht voortgang/contacten’ (prod. 3 verweerschrift) weliswaar niet blijkt dat er in de door [verzoeker] genoemde tijdsspanne contact met hem is geweest, maar dat er geen toezicht is geweest, zoals [verzoeker] stelt, is aan de hand van dat overzicht niet vast te stellen. Ook het enkele feit dat [verzoeker] erin geslaagd is van de eerste verdieping naar beneden te springen, leidt nog niet automatisch tot de conclusie dat er dus geen toezicht was. De onduidelijkheid op dit punt alleen al is voldoende om te moeten concluderen dat de aansprakelijkheid nog niet kan worden vastgesteld. Daar is nader onderzoek voor nodig, waarvoor in het kader van dit deelgeschil geen plaats is. Daar komt dan nog bij dat moet komen vast te staan hoe de psychiatrische toestand van [verzoeker] was voorafgaand aan het ongeval, om te kunnen beoordelen of de juiste zorg is verleend. GGzE en Centramed wijzen er op dat de begane grond van de HIC-afdeling een gesloten gedeelte is waar de meest kritische patiënten verkeerden. [verzoeker] behoorde echter niet tot die categorie, reden waarom hij was ondergebracht op de eerste verdieping van de HIC-afdeling, met vrijheid van beweging. Met betrekking tot het verwijt dat sprake is van een gebrekkige opstal is ook sprake van onvolledige informatie. Er zal moeten worden vastgesteld wat de normen/eisen zijn die gelden voor de bouwkundige inrichting van een HIC-afdeling met patiënten als [verzoeker] .

 

 

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat van een snelle beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag geen sprake zal kunnen zijn. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure. De rechtbank concludeert daarom dat hoewel [verzoeker] ontvangen kan worden in zijn verzoek waar het betreft de vaststelling van de aansprakelijkheid, dit verzoek moet worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 1019z Rv.

 

 

 

Kostenbegroting

 

 

 

4.8.

[verzoeker] verzoekt begroting van de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, alsmede veroordeling van GGzE en Centramed in die kosten. De gevraagde kostenveroordeling zal worden afgewezen omdat in dit deelgeschil niet kan worden vastgesteld dat GGzE en Centramed aansprakelijk zijn voor de door [verzoeker] geleden schade.

 

 

4.9.

Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Dat is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is, anders dan GGzE en Centramed, van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor onder 4.4 heeft overwogen. De rechtbank zal dus conform artikel 1019aa Rv de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [verzoeker] begroten. Daarbij dient de dubbele redelijkheidstoets te worden toegepast: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn.

 

 

4.10.

[verzoeker] verzoekt om de kosten voor het deelgeschil te begroten op € 13.346,93, als volgt gespecificeerd:

 

 

 

 

 

 

 

 

Periode 26-01-2016 / 06-01-2017

 

29,5 uur à € 250,00

 

7.375,00

 

 

 

 

Onderzoek via Genas

 

 

 

325,00

 

 

 

 

Kantoorkosten

 

 

 

442,50

 

 

 

 

BTW

 

 

 

1.709,93

 

 

 

 

 

 

 

 

+ ————

 

 

 

 

Subtotaal

 

 

 

9.852,43

 

9.852,43

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mondelinge behandeling etc.

 

10 uur à 250,00

 

2.500,00

 

 

 

 

Kantoorkosten

 

6% van € 2.500,00

 

150

 

 

 

 

BTW

 

 

 

556,50

 

 

 

 

 

 

 

 

+ ————

 

 

 

 

Subtotaal

 

 

 

3.206,50

 

3.206,50

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Griffierecht

 

 

 

288,00

 

288,00

 

 

 

 

 

 

 

 

+ ————–

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

 

€ 13.346,93

 

 

4.11.

GGzE en Centramed hebben geen verweer gevoerd tegen het gehanteerde uurtarief. De rechtbank zal daarom uitgaan van het door [verzoeker] genoemde tarief van € 250,00 per uur. GGzE en Centramed betwisten wel de omvang van de kosten. [verzoeker] voert kosten op vanaf 26 januari 2016, ruim voor de datum van indiening van het verzoekschrift op 7 september 2016. De kosten tot in ieder geval juli 2016 houden geen verband met de deelgeschilprocedure en dienen buiten de begroting te blijven. Dat geldt ook voor de kosten van het advies van chirurg [naam chirurg] . GGzE en Centramed verzoeken de kosten te matigen.

 

 

4.12.

Het verweer slaagt. Bij de begroting van de kosten van het deelgeschil gaat het uitsluitend om kosten die direct verband houden met het deelgeschil, waarbij enige werkzaamheden voorafgaand aan de procedure ook daartoe gerekend kunnen worden. [verzoeker] wil echter alle buitengerechtelijke kosten in de begroting betrekken, vanaf het moment dat hij rechtsbijstand heeft ingeschakeld. Die kosten houden geen direct verband met het deelgeschil en die zullen dus buiten de begroting worden gehouden. Dat geldt ook voor de kosten van het advies van [naam chirurg] . De rechtbank acht het redelijk dat voor het deelgeschil 12 uren in rekening worden gebracht, te vermeerderen met kantoorkosten en BTW. De rechtbank begroot de kosten derhalve op 12 × € 250, vermeerderd met 6% kantoorkosten, BTW en griffierecht, dus in totaal € 4.135,80.

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot betaling van een voorschot,

 

 

5.2.

 

begroot de kosten van deze deelgeschilprocedure aan de zijde van [verzoeker] op

 

€ 4.135,80,

 

 

 

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.