• Vaknieuws
  • Bron: PIV-bulletin
  • 1 juni 2017
  • Auteur: Laurien Dufour, WIJ advocaten

PIV-Bulletin 2017-3 De dertigjarige verjaringstermijn (art. 3:310 lid 2 BW) getoetst aan art. 6 EVRM

Inleiding
De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 maart 2017 de dertigjarige – absolute – verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW opnieuw getoetst aan het door art. 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Bij de benadeelde was meer dan dertig jaar na afloop van zijn dienstverband met een rederij mesothelioom (asbestkanker) geconstateerd. In het licht van deze lange tijd voordat de ziekte zich openbaarde, had de benadeelde zijn vordering tot vergoeding van zijn schade niet binnen de dertigjarige termijn kunnen instellen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Nederlandse systeem, waarin een beroep op de dertigjarige verjaringstermijn ter afwering van een vordering tot schadevergoeding van een mesothelioomslachtoffer wordt beoordeeld aan de hand van de zeven gezichtspunten uit het arrest Van Hese/De Schelde, voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM.
 
In dit artikel bespreek ik de beslissing van de Hoge Raad, de achtergrond waartegen de beslissing is gewezen en het belang van deze uitspraak voor de schadebehandelingspraktijk. Voor een goed begrip van het arrest en de reikwijdte daarvan, zijn de maatschappelijke achtergrond en de feiten belangrijk, daar begin ik dus mee.

Achtergrond en feiten

Zoals bekend is asbesthoudend materiaal in de jaren vijftig, zestig en zeventig in heel veel industrieën in Nederland toegepast. De bouw en de scheepsbouw zijn de grootste verwerkers geweest.[1] Het inademen van asbeststof kan tot longkanker, mesothelioom, asbestose en pleuritis leiden. Van mesothelioom is maar één oorzaak bekend, te weten blootstelling aan asbest.

 

Nadat de bedrijfsarts van scheepswerf De Schelde in 1969 was gepromoveerd op onderzoek naar werknemers bij wie de diagnose mesothelioom was gesteld, werd het gevaar van geringe blootstelling aan asbeststof langzaam bekend. De Arbeidsinspectie heeft in 1971 gewezen op de noodzaak werknemers te voorzien van beschermingsmiddelen bij het bewerken en verwerken van asbesthoudende materialen.[2] In 1977 volgde het Asbestbesluit waarin het verspuiten van asbest werd verboden en het bewerken van asbesthoudende materiaal werd ingeperkt. In 1988 is het Asbestbesluit mede op basis van Europese regelgeving aangescherpt. Uiteindelijk is in 1993 een algeheel verbod op het verwerken en bewerken van asbest van kracht geworden.

 

Mesothelioom ontwikkelt zich heel langzaam. Als vuistregel wordt een latentietijd van twintig tot veertig jaar aangehouden, maar in sommige gevallen openbaart de ziekte zich al na tien jaar of pas na zestig jaar.[3] In Nederland is in het jaar 1975 de meeste asbest geïmporteerd, 41.000 ton. Gelet op de gemiddelde latentietijd van veertig jaar en de arbeidshygiënische maatregelen die vanaf de jaren zeventig tot een steeds verdere beperking van het gebruik van asbest – en dus van blootstelling van werknemers aan asbeststof – leidde, is de verwachting dat het aantal mesothelioomgevallen vanaf nu gaat dalen. In 1990 is bij 270 mensen de diagnose mesothelioom gesteld. In 2000 was dat aantal gestegen tot 402. In 2005, dertig jaar na het importpiekjaar 1975, was het aantal nieuwe gevallen 502. Tussen 2010 en 2014 lag het aantal nieuwe mesothelioomgevallen elk jaar tussen 520 en 530.[4] Laten we hopen dat we de piek hebben gehad en dat het aantal nieuwe mesothelioomgevallen snel sterk gaat dalen.

 

Tot zover de maatschappelijke achtergrond waartegen deze uitspraak moet worden gezien. Nu kom ik toe aan de feiten die ten grondslag lagen aan het geschil tussen de weduwe van een oud-werknemer (X) en Maersk. X is in 1953, op 21-jarige leeftijd, in dienst getreden van de Vereenigde Nederlandse Scheepvaartmaatschappij. Volgens X heeft hij als tweede stuurman regelmatig gevaren tussen Nederland en Zuid-Afrika op schepen die asbest in jute zakken vervoerden. In 1969 is X uit dienst getreden. Maersk is na verschillende fusies en overnames de rechtsopvolgster van de Vereenigde Nederlandse Scheepvaartmaatschappij geworden. In augustus 2010 heeft de longarts van X de diagnose mesothelioom bij hem gesteld. Op 17 september 2010 heeft X Maersk aansprakelijk gesteld voor zijn schade. In oktober 2010 is hij aan de gevolgen van mesothelioom gestorven. X had zich tot het Instituut Asbestslachtoffers gewend voor bemiddeling. Maersk heeft in het bemiddelingstraject gesteld niet aansprakelijk te zijn voor de schade. Nadat het bemiddelingstraject zonder resultaat was beëindigd, heeft de weduwe van X zich tot een advocaat gewend om in rechte schadevergoeding van Maersk te vorderen. Op 31 mei 2012 heeft de weduwe Maersk gedagvaard bij de kantonrechter Rotterdam en op grond van art. 7:658 BW schadevergoeding gevorderd. Zowel de kantonrechter als het hof Den Haag hebben de vordering van de weduwe afgewezen omdat de vordering op grond van de dertigjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW was verjaard. Het beroep van Maersk op de dertigjarige verjaringstermijn achtten de kantonrechter en het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De weduwe is in cassatie gegaan. De hoofdklacht van het cassatiemiddel stelt dat de dertigjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM[5].

 

Verjaring van een schadevergoedingsvordering op grond van art. 3:310 BW

Een vordering tot vergoeding van schade heeft een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze verjaringstermijn begint op de dag nadat de benadeelde met (i) de schade en (ii) de daarvoor aansprakelijke persoon daadwerkelijk (subjectief) bekend is geworden. De Hoge Raad heeft hier een derde vereiste voor aanvang van de verjaringstermijn aan toegevoegd: de benadeelde moet daadwerkelijk in staat zijn een vordering in te stellen[6] en daarvoor moet bij de benadeelde voldoende zekerheid bestaan dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon.[7] Deze vijfjaarstermijn wordt ook de relatieve verjaringstermijn genoemd omdat die afhankelijk is van omstandigheden aan de kant van de benadeelde.

 

Naast de relatieve verjaringstermijn is er ook een absolute verjaringstermijn. De absolute verjaringstermijn vangt aan op de dag na de schadeveroorzakende gebeurtenis en eindigt twintig jaar later. Art. 3:310 lid 2 BW bevat een uitzondering. De absolute verjaringstermijn voor schadevergoedingsvorderingen die hun oorzaak vinden in verontreiniging van lucht, water of bodem (milieuschade) duurt dertig jaar. Een vordering tot vergoeding van asbestgerelateerde gezondheidsschade valt onder de dertigjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW.

 

In 2000 heeft de Hoge Raad het arrest Van Hese/De Schelde gewezen.[8] In dat arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een beroep op de dertigjarige verjaringstermijn ter afwering van een schadevergoedingsvordering van mesothelioomslachtoffer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. De Hoge Raad overwoog: “Of in gevallen als het onderhavige toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, vallen te noemen: 

(a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmede – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens na-bestaanden dan wel een derde; 

(b)in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

(c)de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn; 

(e)of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren; 

(f)of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

(g)of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.”

 

Voor een goed begrip van de beslissing van de Hoge Raad is voorts van belang dat op 1 februari 2004 een vijfde lid aan art. 3:310 BW is toegevoegd dat twee belangrijke uitzonderingen op de absolute verjaringstermijn invoert. Voor vorderingen tot vergoeding van personenschade toegebracht na 1 februari 2004 geldt geen absolute verjaringstermijn meer, alleen de relatieve verjaringstermijn van vijf jaar die aanvangt als de benadeelde bekend is met de schade en daarvoor aansprakelijke persoon en hij daadwerkelijk in staat is zijn vordering in te stellen. Een vordering van een minderjarige tot vergoeding van schade door letsel of overlijden verjaart op zijn vroegst vijf jaar nadat hij meerderjarig is geworden, en later als hij pas later daadwerkelijk bekend was en in staat was zijn vordering in te stellen.

Tot zover de Nederlandse regeling van het verjaringsrecht. Hierna sta ik stil bij rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over verjaring.

 

Art. 6 EVRM en het recht op toegang tot de rechter

Art. 6 lid 1 EVRM waarborgt aan eenieder effectieve toegang tot de rechter om zijn burgerlijke rechten en verplichtingen vast te laten stellen. In 2014 heeft het EHRM een belangrijk arrest gewezen over een schadevergoedingsaanspraak van een mesothelioomslachtoffer, de uitspraak Howald Moor/Zwitserland.[9] Van 1965 tot 1978 was Moor tijdens zijn werk als turbinemonteur blootgesteld aan asbeststof. In 2004 was bij hem de diagnose mesothelioom gesteld en in 2005 was hij aan de gevolgen daarvan overleden. Zijn nabestaanden hebben tegen zijn werkgever een procedure aanhangig gemaakt tot vergoeding van schade. Die vordering strandde op de in Zwitserland geldende absolute verjaringstermijn van tien jaar. Die tienjarige verjaringstermijn was ingegaan in 1978 en liep in 1988 af, 16 jaar voordat bij Moor de diagnose mesothelioom werd gesteld en hij de vordering überhaupt kon instellen. Het EHRM stelt voorop – net als in zijn uitspraak Stubbings/Verenigd Koninkrijk (over verjaring van een schadevergoedingsvordering zes jaar na het meerderjarig worden terzake van – in dit geval – seksueel misbruik toen Stubbings minderjarig was)[10] – dat de Verdragsluitende staten beperkingen mogen aanbrengen op het recht van art. 6 EVRM mits deze proportioneel zijn en een legitiem doel dienen. Voorts stelt het EHRM dat de Verdragsluitende staten hierbij een zekere “margin of appreciation” hebben en dat verjaring een legitiem doel kan dienen. Verderop oordeelt het EHRM dat de rechtszekerheid, de bescherming van de aangesprokene tegen vorderingen waartegen hij zich niet meer kan verweren en het vermijden van bewijsproblemen legitieme redenen zijn voor het hanteren van een verjaringstermijn.

 

De vrije toegang tot de rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM brengt met zich dat een eiser zijn legitieme vordering aan een rechter moet kunnen voorleggen. De (decennia)lange incubatietijd van asbest gerelateerde ziekten, maakt echter dat deze ziekten pas kenbaar worden na het verstrijken van de in Zwitserland geldende verjaringstermijn. Vorderingen van mesothelioomslachtoffers stranden in Zwitserland dus hoe dan ook op verjaring en daarmee is het recht op toegang tot de rechter in de kern aangetast. Art. 6 EVRM is geschonden door de wijze waarop Zwitserland (strikt) de verjaringstermijn van tien jaar heeft toegepast. Zwitserland is door het EHRM veroordeeld € 12.180,– ter vergoeding van immateriële schade aan de echtgenote en twee dochters van Moor te voldoen.

 

Na deze inleidende opmerkingen kom ik nu bij het arrest van de Hoge Raad.

 

De beslissing van de Hoge Raad[11]

De Hoge Raad stelt voorop dat voor personenschade veroorzaakt na 1 februari 2004 het probleem, dat de schade zich vaak pas na afloop van de absolute verjaringstermijn openbaart, zich niet meer voordoet. Op grond van het toen ingevoerde art. 3:310 lid 5 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel of overlijden door verloop van vijf jaar nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Voor personenschade veroorzaakt na 1 februari 2004 geldt dus geen absolute verjaringstermijn.

 

De Hoge Raad herhaalt vervolgens de reden dat wij verjaringsregels kennen:

“Uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van de benadeelde is het moeilijk te aanvaarden dat een vordering verjaart die de benadeelde niet geldend heeft kunnen maken wegens het voor hem verborgen karakter van zowel de schade als het causaal verband daarvan met een bepaalde gebeurtenis. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en van billijkheid jegens de wederpartij in verband met (kort gezegd) bewijsproblemen, wordt echter niet afgeweken van het begintijdstip van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW, te weten de gebeurtenis waardoor de schade wordt veroorzaakt.”[12]

De Hoge Raad vervolgt met een weergave van wat hij in het arrest Van Hese/De Schelde heeft overwogen over de verhouding tussen de absolute verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM[13]: “Het recht een vordering in te stellen is niet absoluut en mag onderhevig zijn aan beperkingen. Een beperking mag echter niet het wezen van het recht op toegang tot de rechter aantasten en is niet verenigbaar met art. 6 lid 1 EVRM indien deze geen legitiem doel dient of niet proportioneel is aan het daarmee nagestreefde doel.[14]  Gelet op de duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 in rov. 3.3.3 onder a tot en met g vermelde, niet limitatief bedoelde, gezichtspunten.

 

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat de uitspraak Howald Moor/Zwitserland geen aanleiding vormt de in Nederland voor mesothelioomslachtoffers bestaande beperking van het recht op toegang tot de rechter in strijd met art. 6 EVRM te achten.

Mesothelioomslachtoffers kunnen na het verstrijken van de dertigjarige verjaringstermijn een rechtsvordering bij de burgerlijke rechter instellen. Als de aangesproken partij een beroep doet op verjaring, kunnen de mesothelioomslachtoffers de rechtsgevolgen van dat verjaringsverweer afweren met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW). De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen.

 

Het voorstel van AG Hartlief

In zijn conclusie voor dit arrest heeft Advocaat-Generaal Hartlief de voor- en nadelen beschreven van de gezichtspuntencatalogus uit Van Hese/De Schelde aan de hand waarvan de Nederlandse rechters een beroep op verjaring van de aangesproken partij beoordelen. Uit onderzoek van Quist en Wolters[15] volgt dat in circa 35% van de gevallen het beroep van de aangesproken partij op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht. Hartlief acht de wijze waarop de Nederlandse dertigjarige verjaringstermijn genuanceerd wordt met de zeven gezichtspunten niet strijdig met art. 6 EVRM en het arrest Howald Moor/Zwitserland. Zijn kritiek richt zich op de onduidelijkheid en dus de onvoorspelbaarheid van de uitkomst van de weging van de gezichtspunten.[16] AG Hartlief stelt een nieuw beoordelingskader voor aan de hand waarvan een beroep op verjaring door een aangesproken partij zou moeten worden beoordeeld:[17]

 

  1. Is de aangesprokene onevenredig in zijn processuele positie geschaad?

Bij de beantwoording van deze vraag moet de rechter kijken naar de voortvarendheid waarmee de benadeelde de aangesprokene aansprakelijk heeft gesteld en een procedure tegen hem is begonnen. Als de benadeelde binnen twee jaar nadat de diagnose mesothelioom is gesteld, een procedure aanhangig heeft gemaakt, is aan dit voortvarendheidsvereiste voldaan. Daarnaast speelt de bewijspositie van de aangesprokene een rol bij de beantwoording van deze vraag. Als de benadeelde de door hem gestelde blootstelling door de aangesprokene niet verder kan onderbouwen dan met zijn eigen verklaring en de aangesprokene geen gegevens meer heeft van de benadeelde, is de aangesprokene onevenredig in zijn processuele positie geschaad.

 

  1. Is er een materiële rechtvaardiging voor het doorbreken van de verjaring?

De rechter komt pas aan deze vraag toe als hij heeft vastgesteld dat de aangesprokene niet onevenredig in zijn processuele positie is geschaad. Als de schadevergoeding toekomt aan de benadeelde zelf of aan zijn nabestaanden, acht AG Hartlief een materiële rechtvaardiging voor het doorbreken van de verjaring aanwezig.

 

  1. Staan de overige omstandigheden van het geval niet aan het doorbreken van de verjaringstermijn in de weg?

De mate van verwijtbaarheid, de voorzienbaarheid van de claim, het bestaan van verzekeringsdekking en de overige omstandigheden van het geval kunnen volgens AG Hartlief alsnog aan doorbraak van de verjaring in de weg staan. Hierbij noemt hij het voorbeeld van een kleine, onverzekerde werkgever die geen ernstig verwijt treft.

 

AG Hartlief ziet de volgende voordelen in het door hem voorgestelde beoordelingsmodel:[18] “Een aldus geformuleerde verduidelijking van het Van Hese/De Schelde-regime laat de kern daarvan onaangetast, maar doet wel recht aan de kritiek en bezorgdheid over de wijze waarop toepassing uitpakt voor zeer zwaar getroffenen (en hun naasten). Zij leidt er naar mijn overtuiging toe dat de uitkomst van de procedure tevoren beter kan worden ingeschat. Niet alleen het belang van de verschillende gezichtspunten, maar ook de wijze waarop zij worden gewogen, is immers duidelijk(er dan voorheen). Mijn inschatting is overigens dat de aangeduide hoofdregel over de materiële rechtvaardiging voor de doorbreking van de verjaring er toe zal leiden dat het beroep op verjaring wel vaker onaanvaardbaar zal worden geacht dan tot nu toe het geval is. Een dergelijke verbetering van de positie van het slachtoffer respectievelijk diens nabestaanden lijkt mij niet teveel gevraagd.”

 

Heeft deze uitspraak gevolgen voor de afwikkeling van asbestclaims?

De Hoge Raad bekrachtigt in dit arrest zijn arrest Van Hese/De Schelde van 17 jaar geleden. De feitenrechter moet in zijn uitspraak ervan blijk geven dat hij alle zeven gezichtspunten is nagelopen en hoe hij de gezichtspunten ten opzichte van elkaar heeft gewogen. De beslissing van de Hoge Raad zal dus geen gevolgen hebben voor de schadeafwikkelingspraktijk.

 

Het door AG Hartlief voorgestelde nieuwe beoordelingskader waarlangs een beroep van een aangesprokene op de dertigjarige verjaringstermijn moet worden beoordeeld, kan wel gevolgen hebben. Zoals ik onder het kopje feiten beschreef, is de verwachting dat de piek in mesothelioomdiagnoses rond 2015 lag en dat wij nu hopelijk snel zullen zien dat het aantal nieuwe mesothelioomgevallen afneemt. De juridische procedures van de mesothelioomslachtoffers tegen hun oud-werkgevers of derden beginnen zo’n twee jaar nadat de diagnose is gesteld[19] en de uitspraak volgt dan een jaar of langer daarna. Kortom, de rechters bevinden zich nu in 2017 nog in de piek. Rechtbanken en hoven kunnen besluiten het beoordelingskader van AG Hartlief toe te passen bij een beroep van de aangesprokene op verjaring. Ik verwacht dat zijn beoordelingskader eerder tot doorbreking van verjaring zal leiden dan de huidige beoordeling aan de hand van de zeven gezichtspunten die alle even zwaar wegen. Als de benadeelde (of zijn nabestaanden) de eerste hobbel van de processuele aspecten heeft genomen, is het beroep op verjaring door de aangesprokene in principe van tafel, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals in het geval van de kleine, onverzekerde werkgever.

 

De zaken die aan de Hoge Raad worden voorgelegd – en waarin de Hoge Raad de feitenrechter zou kunnen terugfluiten – is een heel klein percentage van het aantal zaken dat door rechtbanken en hoven wordt beoordeeld.[20]

Ik zou het geen gelukkige ontwikkeling vinden als doorbreking van de verjaring eenvoudiger zou worden. Een van de redenen dat wij verjaringstermijnen kennen, is dat van de aangesprokene niet verwacht kan worden dat hij bewijs levert van feiten die dertig, veertig of vijftig jaar geleden zijn voorgevallen. Daarbij komt dat nu nauwelijks onbevooroordeeld te oordelen is over gebeurtenissen die zo lang geleden hebben plaatsgevonden, in een zo veranderde maatschappij. Wij dragen de normen en de kennis van nu mee als we naar het verleden kijken. Handhaving van de absolute verjaringstermijn voorkomt ook deze “hindsight bias”.

 

Conclusie

De weduwe heeft de Hoge Raad in deze procedure uitgenodigd om de dertigjarige absolute verjaringstermijn in zaken van mesothelioomslachtoffers buiten werking te stellen met een beroep op de uitspraak van het EHRM uit 2014 in de zaak Howald Moor/Zwitserland. De Hoge Raad is niet op deze uitnodiging ingegaan. De Hoge Raad heeft zijn beslissing en de zeven gezichtspunten uit het arrest Van Hese/De Schelde uit 2000 herhaald. Hoewel het arrest zelf geen wijziging voorschrijft, stelt AG Hartlief in zijn conclusie voor het arrest wel een nieuw model voor ter beoordeling van een verjaringsverweer door een aangesprokene. Met dat model streeft hij naar meer duidelijkheid en voorspelbaarheid voor de mesothelioomslachtoffers. Een neveneffect van zijn voorgestelde model is dat een verjaringsverweer eerder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht.  

 

[1] Zie het rapport “Schatting van de incidentie van asbest gerelateerde ziekten in de periode 1996-2030 door beroepsmatige blootstelling aan asbest in het verleden”, A. Burdorf, J.J. Barendregt, P.H.J.J. Swuste en D.J.J. Heederik, Uitgave Ministerie van SZW, Den Haag, maart 1997.

[2] Het Publikatieblad van de Arbeidsinspectie P 116 “Werken met asbest”.

[3] Zie bijv. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9666, NJ 2001, 597 (Westrate/De Schelde). Overigens constateert het Instituut Asbestslachtoffers een verlenging van de latentietijd: in 2005 was de gemiddelde latentietijd 48,5 jaar, in 2014 was de gemiddelde latentietijd 53,1 jaar, bron: IAS databank aanvragen mesothelioom 2005 – 2015.

[4] IAS monitor, diagnose cijfers zijn tot 2014 bekend.

[5] Art. 6 lid 1 EVRM luidt in het Nederlands: “Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.”

[6] HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006, 112.

[7] Zie bijv. HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012, 193 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017, 165.

[8] HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000, 430.

[9] EHRM, 11 maart 2014, ECLI:NL:XX:2014:126, NJ 2016, 88.

[10] EHRM, 22 oktober 1996, NJ 1997, 449.

[11] HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494.

[12] De Hoge Raad verwijst naar HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1867, NJ 1998, 380, Diaconessenhuis, rov. 3.4; HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000, 430, Van Hese/De Schelde, rov. 3.3.1.

[13] Rov. 3.3.5.

[14] De Hoge Raad verwijst naar EHRM 22 oktober 1996, NJ 1997, 449, Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijk.

[15] P.T.J. Wolters, ‘Het vaste gewicht van de gezichtspunten van Van Hese/De Schelde’, AV&S 2015, p. 17 en J.P. Quist, Gezichtspunten in het privaatrecht, in het bijzonder het arbeidsrecht, diss., Den Haag: Boom 2014, p. 330.

[16] Zie zijn Conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:1330) nr. 4.61.

[17] Zie zijn Conclusie nrs. 4.63-4.67.

[18] Zie zijn Conclusie nr. 4.68.

[19] Bij de uitleg van gezichtspunt g uit het arrest Van Hese/De Schelde wordt aangenomen dat als de benadeelde (of zijn nabestaanden) binnen twee jaar na de diagnose de vordering in rechte instelt, hij heeft voldaan aan de daar genoemde redelijke termijn.

[20] Deze cijfers zijn niet helemaal met elkaar te vergelijken, maar ze geven wel een representatief beeld: in 2014 behandelden de afdelingen civiel van de 11 rechtbanken in Nederland 278.000 zaken. In 2014 behandelden de vier hoven 15.000 civiele zaken, dat is 5,4% van het aantal door de rechtbanken behandelde zaken. In 2014 werd in 491 civiele zaken cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Niet alle ingestelde cassatieberoepen leiden tot een arrest. In 2014 deed de civiele kamer van de Hoge Raad in 405 zaken uitspraak, in 2015 waren dat 433 uitspraken. 433 uitspraken van de Hoge Raad in 2015 komt overeen met 2,9% van de 15.000 uitspraken die de hoven in 2014 deden en met 0,16% van de 278.000 uitspraken die de rechtbanken in 2014 deden. Deze cijfers zijn afkomstig van de websites van de Raad voor de Rechtspraak en de Hoge Raad.