• Vaknieuws
  • 1 juli 2016
  • Auteur: Mevrouw mr. S.P.A. Wensink-Vergunst, Bosselaar Strengers Advocaten
  • ECLI:NL:HR:2015:3618

PIV-Bulletin 2016-3 1 Overgangsrechtperikelen bij verjaring van verzekeringsvorderingen

Annotatie bij Hoge Raad, 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3618)

Op 1 januari 2006 is bij de invoering van het nieuwe verzekeringsrecht een specifieke bepaling opgenomen ten aanzien van de verjaring van een rechtsvordering tegen een verzekeraar tot het doen van een uitkering. In art. 7:942 BW is de zogenoemde ‘duurstuiting’ geïntroduceerd: nadat schriftelijk aanspraak is gemaakt op uitkering, gaat pas een nieuwe verjaringstermijn lopen nadat de verzekeraar de aanspraak ofwel erkent, ofwel de aanspraak afwijst op de in het artikel voorgeschreven wijze. Laat de verzekeraar dit na of voldoet de afwijzing niet aan de vereisten uit het artikel, dan loopt er in het geheel geen verjaringstermijn.

Welke gevolgen heeft de invoering van het nieuwe recht voor de verjaring van vorderingen die door de verzekeraar vóór 1 januari 2006 waren afgewezen, maar waarvan de verjaring op 1 januari 2006 nog niet was voltooid? Deze vraag lag voor bij de Hoge Raad in het arrest dat gewezen is op 18 december 2015. In dit artikel bespreek ik het arrest, de uitleg die de Hoge Raad geeft aan het overgangsrecht en de betekenis van dit arrest voor de praktijk.

Achtergrond van het verjaringsregime in het verzekeringsrecht

Tot 1 januari 2006 had de verzekeraar de mogelijkheid in de polisvoorwaarden een kortere verjaringstermijn dan de termijn van vijf jaar te bedingen. Er was destijds geen specifieke regeling voor de verjaring van verzekeringsvorderingen, zodat de gewone regels van boek 3 van toepassing waren. Titel 3.11 van het Burgerlijk Wetboek is van regelend recht en als onredelijk bezwarend beding wordt in de zwarte lijst (art. 6:236 sub g BW) enkel een beding aangemerkt dat een verjaringstermijn tot minder dan een jaar verkort. De wetgever meende dat de verzekeraar hierdoor meer ruimte kreeg dan noodzakelijk en gewenst was en heeft om die reden een apart verjaringsregime ingevoerd voor een rechtsvordering tegen een verzekeraar tot het doen van een uitkering.

In art. 7:942 BW is de verjaringstermijn gesteld op drie jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde (kortweg: “de verzekerde”) met de opeisbaarheid van de rechtsvordering bekend is geworden. Deze verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint pas te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij (1) bij aangetekende brief (2) ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder (3) eveneens ondubbelzinnige vermelding van het gevolg dat in geval van afwijzing de rechtsvordering verjaart door verloop van zes maanden (art. 7:942 lid 2 en 3 BW). Dat de stuiting tot gevolg heeft dat geen verjaringstermijn loopt totdat de verzekeraar een bepaalde handeling heeft verricht, wordt aangeduid met de term ‘duurstuiting’. In een onlangs gewezen arrest[1] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de duurstuiting intreedt na iedere stuiting door de verzekerde. Pas wanneer de verzekeraar ofwel de vordering erkent, ofwel de aanspraak op uitkering afwijst conform de in het artikel vermelde vereisten, gaat een verjaringstermijn lopen.

De duurstuiting is geen gebruikelijke regeling in het civiele recht. De algemene regel uit art. 3:119 BW bepaalt dat direct na een stuitingshandeling een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen, zonder dat daarvoor enige handeling is vereist van één van beide partijen. Het idee achter de invoering van dit bijzondere verjaringsregime voor verzekeringsvorderingen was dat de positie van de verzekerde zou worden versterkt door de eisen die werden gesteld aan de start van de nieuwe verjaringstermijn.[2] De verzekerde zou daardoor meer zekerheid krijgen over de afwijzing en het gaan lopen van de verjaringstermijn.[3]

Per 1 juli 2010 is het wetsartikel opnieuw gewijzigd. De eis voor verzekeraars om de vordering bij aangetekende brief af te wijzen en de gehoudenheid voor verzekerden om iedere zes maanden te stuiten werden als bewerkelijk, kostbaar en knellend ervaren.[4]Het huidige art. 7:942 lid 2 BW bepaalt dat een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen. Het hiervoor aangehaalde recente arrest van de Hoge Raad[5] had betrekking op art. 7:942 (oud) BW.

De Hoge Raad zal ook het huidige art. 7:942 BW naar verwachting zo uitleggen dat na iedere stuitingshandeling van de verzekerde de duurstuiting intreedt.[6] De verzekeraar moet dan dus na iedere stuitingshandeling de aanspraak ofwel erkennen ofwel ondubbelzinnig afwijzen om de verjaringstermijn opnieuw te laten lopen. Het vóór 1 juli 2010 geldende wetsartikel zal verder in deze bijdrage worden aangeduid als art. 7:942 (oud) BW.

Feiten van de zaak en oordeel Hoge Raad

Wat was er aan de hand in de zaak die geleid heeft tot het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015? Verzekerde had bij (de rechtsvoorganger van) Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. een woonhuisverzekering afgesloten. Enkele maanden na ingangsdatum van de verzekering brak brand uit in de woning. Allianz weigerde dekking omdat verzekerde de brand zelf zou hebben gesticht. Zij stelde verzekerde daarvan bij brief d.d. 13 mei 2004 op de hoogte. Bij brief d.d. 23 september 2004 verzocht verzekerde Allianz om haar standpunt te wijzigen en dekking te verlenen. Allianz berichtte bij brief d.d. 1 december 2004 verzekerde dat zij haar standpunt zou handhaven. Vervolgens stuurde verzekerde op 16 maart 2005 een offerte voor de kosten van herstel van de woning aan Allianz. Pas op 2 juli 2009 maakte de verzekerde opnieuw aanspraak op uitkering onder de verzekering.

In de procedure stelt Allianz zich op het standpunt dat de vordering is verjaard. Verzekerde betwist dat de vordering is verjaard. Volgens hem heeft de onmiddellijke werking van art. 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (“Overgangswet NBW”) tot gevolg dat een onder het oude recht aangevangen en op 1 januari 2006 nog lopende verjaringstermijn op deze datum is vervallen en dat een nieuwe verjaringstermijn slechts aanvangt indien de aanspraak van de verzekerde na 1 januari 2006 op de voet van art. 7:942 lid 2 (oud) BW door de verzekeraar wordt afgewezen. Dat is dus (1) bij aangetekende brief waarin de verzekeraar (2) ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder (3) eveneens ondubbelzinnige vermelding van het gevolg dat de rechtsvordering verjaart door verloop van zes maanden.

De Rechtbank Rotterdam stelde verzekerde bij tussenvonnis d.d. 2 november 2011[7] in het gelijk. De rechtbank overwoog dat volgens art. 7:942 lid 2 (oud) BW een nieuwe verjaringstermijn na een stuitingshandeling pas gaat lopen met ingang van de dag volgend op die waarop de verzekeraar de aanspraak ondubbelzinnig en volgens de vereisten zoals in het artikel genoemd, heeft afgewezen. Dit heeft Allianz niet gedaan, zodat vanaf 1 januari 2006 geen verjaringstermijn meer liep.

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in zijn arrest d.d. 1 april 2014 dat de vordering wel is verjaard.[8] Het hof wees erop dat de duurstuiting van art. 7:942 lid 2 (oud) BW pas aan de orde is na een stuiting van de verjaring door middel van een schriftelijke mededeling waarbij aanspraak wordt gemaakt op uitkering. Het hof oordeelde: “Nu gesteld noch gebleken is dat een dergelijke stuitingshandeling na 31 december 2005 is verricht op een tijdstip gelegen vóór 2 juli 2006,[9] moet de conclusie zijn dat de op 1 januari 2006 nog lopende termijn was voltooid op een tijdstip gelegen vóór de datum waarop namens [verzekerde; WV] op 2 juli 2009 opnieuw aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de schade.”[10] Het hof lijkt te oordelen dat een lopende verjaringstermijn alleen zou zijn onderbroken door de wetswijziging per 1 januari 2006, als de verzekerde na 31 december 2005 de verjaring had gestuit conform de vereisten van het nieuwe verjaringsregime (art. 7:942 lid 2 (oud) BW). Nu verzekerde dit heeft nagelaten, is de vordering volgens het hof verjaard. Welke verjaringstermijn het gerechtshof daarbij toepaste, is niet duidelijk.

De Hoge Raad stelt vast dat ingevolge art. 68a lid 1 Overgangswet NBW art. 7:942 (oud) BW onmiddellijke werking heeft. Vanaf 1 januari 2006 gold het nieuwe recht derhalve ten aanzien van de aard, het aanvangstijdstip en de duur van de termijn. Dit betekent dat de verjaringstermijn pas aanving nadat de verzekeraar de aanspraak op uitkering heeft afgewezen op de door het artikel voorgeschreven wijze. Het oordeel van het gerechtshof dat de vordering verjaard is, is onbegrijpelijk nu het hof niet heeft vastgesteld dat Allianz de vordering heeft afgewezen conform de vereisten van art. 7:942 lid 2 (oud) BW. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam.

De Hoge Raad draagt het verwijzingshof op te beslissen over de vraag of het indienen van de offerte door verzekerde op 16 maart 2005 aan te merken is als een stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 BW. Zo nodig, overweegt de Hoge Raad, zal na verwijzing tevens moeten worden beslist op het betoog van Allianz dat de onmiddellijke werking van het nieuwe verjaringsregime buiten toepassing moet blijven op de grond dat die onmiddellijke werking onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 75 Overgangswet NBW).

Overgangsrecht

Het is opmerkelijk dat het beantwoorden van een vraag van overgangsrecht die bij de invoering van het nieuwe verjaringsregime in talloze zaken te verwachten was, zo ingewikkeld blijkt te zijn. De wetgever meende dat de Overgangswet NBW een bevredigende overgangsregeling bevatte, zodat geen aparte regeling hoefde te worden opgenomen voor het nieuwe verjaringsregime in het verzekeringsrecht.[11] Het lijkt erop dat de wetgever niet voorzien heeft in de situatie dat door invoering van het nieuwe verjaringsregime vorderingen in een ‘vacuüm’[12] terecht zouden komen door de introductie van de duurstuiting. Weliswaar was de wetswijziging ingegeven door de wens om de positie van de verzekerde te versterken. Of de wetgever daarbij ook beoogde dat in die zaken waarin de verzekerde had geclaimd onder de verzekering en deze claim al voor 2006 was afgewezen door de verzekeraar, enkel vanwege de wetswijziging de lopende verjaringstermijn zou worden afgebroken, is de vraag.

Het arrest van de Hoge Raad is niet alleen interessant vanwege de uitleg van het verjaringsregime in het verzekeringsrecht, maar ook vanwege de uitleg van het overgangsrecht. De Hoge Raad oordeelt dat art. 72 Overgangswet NBW ziet op die situaties waar een verzekeraar al (kennelijk anticiperend op het nieuwe verjaringsregime) vóór 1 januari 2006 de aanspraak had afgewezen met inachtneming van de vereisten uit art. 7:942 lid 2 (oud) BW. Is dat het geval dan geldt het bepaalde in lid 2 van art. 72 Overgangswet NBW, namelijk dat de nieuwe termijn van zes maanden uiterlijk eindigt bij  het voltooid zijn van de oude termijn. Anders dan de plaatsvervangend Procureur-Generaal De Vries Lentsch-Kostense oordeelt de Hoge Raad dat art. 72 lid 2 Overgangswet NBW geen zelfstandige betekenis heeft naast lid 1 van datzelfde artikel.

Uit de overwegingen van de Hoge Raad blijkt dat de Hoge Raad meent dat geanticipeerd had kunnen worden op de wetswijziging per 1 januari 2006 door de aanspraak al voor 1 januari 2006 af te wijzen met inachtneming van de vereisten van het nieuwe verjaringsregime. Op die manier had de verzekeraar, volgens de Hoge Raad, kunnen bereiken dat per 1 januari 2006 een verjaringstermijn liep. Hoe een verzekeraar dit in de praktijk vorm had moeten geven, is niet zo eenvoudig. Vóór 1 januari 2006 was de verjaringstermijn immers niet zes maanden en wanneer een verzekeraar dit wel contractueel had bedongen, was dit beding als onredelijk bezwarend voor vernietiging vatbaar. Een verzekeraar had mijns inziens bij een afwijzing vóór 1 januari 2006 niet meer kunnen doen dan de aanspraak af te wijzen bij aangetekende brief onder ondubbelzinnige vermelding van het rechtsgevolg dat de rechtsvordering zou verjaren en dat deze verjaringstermijn vanaf 1 januari 2006 zes maanden zou belopen. Of de verzekeraar daarmee voldaan zou hebben aan het vereiste dat “ondubbelzinnig” het gevolg vermeld werd dat de vordering door verloop van zes maanden verjaarde, is dan weer de vraag.

Dat geanticipeerd had kunnen worden op het nieuwe recht, is ook voor de wetswijziging per 1 juli 2010 relevant. Bij de vraag of de verzekeraar een aanspraak onder een verzekering conform de wettelijke vereisten uit het huidige art. 7:942 BW heeft afgewezen, kunnen ondubbelzinnige afwijzingen van voor 1 juli 2010 worden betrokken.

Hoe verder en betekenis voor de praktijk

Het verwijzingshof moet nu vaststellen of de vordering van verzekerde is verjaard. Het is mij niet duidelijk waarom het gerechtshof daarbij de vraag zou moeten beantwoorden of het toesturen van de offerte als een stuitingshandeling is aan te merken. Dit doet immers niet ter zake, nu geldt dat per 1 januari 2006 geen verjaringstermijn meer liep en tussen partijen onbetwist vaststaat dat verzekerde bij brief dd. 23 september 2004 tegen het afwijzend standpunt van Allianz is opgekomen en opnieuw aanspraak op een uitkering heeft gemaakt. Of het toesturen van de offerte wel of niet als stuitingshandeling is aan te merken, zou alleen relevant kunnen zijn als het verwijzingshof zou oordelen dat onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de onmiddellijke werking van het nieuwe verjaringsregime buiten toepassing zal moeten blijven. Wellicht heeft de Hoge Raad dit voor ogen gehad, maar de motivering van het arrest op dit punt blinkt niet uit in helderheid.

Het is wat mij betreft een gemiste kans dat de Hoge Raad geen richting heeft gegeven aan de toepassing van art. 75 Overgangswet NBW, bijvoorbeeld in de vorm van gezichtspunten. De wijze waarop de redelijkheid en billijkheid worden toegepast is een rechtsvraag zodat de Hoge Raad als cassatierechter zich hierover kan uitlaten. De situatie die hier aan de orde was, is niet dusdanig bijzonder, maar geldt in talloze zaken waarin een aanspraak op een verzekeraar voor 1 januari 2006 is afgewezen en de verjaring nog niet was voltooid op 1 januari 2006. Tien jaar na invoering van het nieuwe verzekeringsrecht is deze, toch tamelijk voor de hand liggende vraag van overgangsrecht, nog steeds niet definitief beantwoord.

De wetgever heeft het verjaringsregime per 1 juli 2010 opnieuw aangepast. Ook voor die wijziging geldt (behoudens uitzonderingen) de onmiddellijke werking van art. 68a Overgangswet NBW. Het huidige artikel bepaalt dat een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar gaat lopen nadat de verzekeraar ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen. Dit betekent dat, wanneer een verzekerde nu voor het eerst opnieuw aanspraak maakt op een vordering waarop hij vóór 2006 aanspraak heeft gemaakt en die de verzekeraar destijds ‘enkel’ ondubbelzinnig heeft afgewezen, na 1 januari 2006 geen verjaringstermijn liep. Deze vordering is vanwege de wetswijziging per 1 juli 2010 alsnog verjaard per 1 juli 2011[13].

[1] HR 26 februari 2016, ELCI:NL:HR:2016:335.

[2] MvT, Kamerstukken II 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 20.

[3] NV II, Kamerstukken I 2005-2006, 30 137, nr. C.

[4] MvT, Kamerstukken II 2008-2009, 32 038, nr. 3, p. 7.

[5] HR 26 februari 2016, ELCI:NL:HR:2016:335, waarin de Hoge Raad kort samengevat oordeelde dat de duurstuiting intreedt na iedere stuitingshandeling.

[6] De argumenten op basis waarvan de Hoge Raad tot de uitleg van art. 7:942 (oud) BW is gekomen, gelden immers grotendeels ook bij uitleg van art. 7:942 (nieuw) BW. Ook dat artikel is algemeen en zonder voorbehoud geformuleerd en neemt een zelfde positie in het systeem van de wet.

[7] Rb. Rotterdam 2 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU4430.

[8] Hof Den Haag 1 april 2014, ELI:NL:GHDHA:2014:4597.

[9] Het hof bedoelt hier denk ik te zeggen dat gesteld noch gebleken is dat een dergelijke stuitingshandeling op of na 2 juli 2006 is verricht, omdat in dat geval de verjaringstermijn van drie jaren (waar het hof van uit gaat) nog niet voltooid was op 2 juli 2009.

[10] R.o. 8.

[11]MvT, Kamerstukken II 2004-2005, 30 137, nr. 3, pagina 22.

[12] In de bewoordingen van M.L. Hendrikse in Verjaring en contractueel verval van de vordering tot uitkering, in Verzekeringsrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 422.

[13] Op grond van art. 73 Overgangswet NBW is het nieuwe verjaringsregime tot een jaar na 1 juli 2010 niet van toepassing.