• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Haag
  • 6 augustus 2016
  • ECLI:NL:GHDHA:2016:2506
  • Zaaknummer: 200.156.720/01

Hof: ziekenhuis niet aansprakelijk ex art 7:658 BW voor uitglijden verpleegkundige over plasje water

Verpleegkundige glijdt uit over een plasje water op de gang van ca. 10 x 10 cm; zij loopt enkelletsel op en stelt het ziekenhuis als haar werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het hof oordeelt dat de werkgever haar zorgplicht niet heeft geschonden. Werkgever voldoende heeft aangetoond dat een lekkage als oorzaak van de aanwezigheid van het plasje water worden uitgesloten. De stelplicht en bewijslast van de werkgever in het kader van artikel 7:658 BW gaan niet zo ver, dat hij de afwezigheid dient aan te tonen van denkbare oorzaken waarvoor in concerto geen aanknopingspunten bestaan. De zorgplicht gaat niet zo ver dat werkgever aan al haar personeel antislip schoeisel dient te verstrekken dan wel voor te schrijven; die maatregel mocht zij redelijkerwijs beperken tot werken in ruimtes waar een verhoogd risico op uitglijden bestond.

ECLI:NL:GHDHA:2016:2506

 

Instantie Gerechtshof

Den Haag Datum uitspraak 06-09-2016

Datum publicatie 09-11-2016

Zaaknummer 200.156.720/01

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Arbeidsongeval. Uitglijden op werkvloer over plasje water.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

GERECHTSHOF DEN HAAG

 

 

Afdeling Civiel recht

 

 

 

 

Zaaknummer : 200.156.720/01

 

 

 

 

Zaaknummer rechtbank : 2589732 RL EXPL 13-37864

 

 

 

 

arrest van 6 september 2016

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

[appellante],

 

 

wonende te Wateringen (gemeente Westland),

 

appellante,

 

hierna te noemen: [appellante],

 

advocaat: mr. E.W. Bosch te Honselersdijk (gemeente Westland),

 

 

 

 

tegen

 

 

 

1. Stichting HagaZiekenhuis,

 

gevestigd te Den Haag,

 

2. Onderlinge Waarborg Maatschappij voor Instellingen in de Gezondheidszorg MediRisk B.A.,

 

 

gevestigd te Utrecht,

 

geïntimeerden,

 

hierna te noemen: Haga respectievelijk Medirisk, en gezamenlijk: Haga c.s.,

 

advocaat: mr. D. Zwartjens te Utrecht.

 

 

 

 

Verder verloop van het geding in hoger beroep

 

 

 

1.1

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 25 november 2014. Ingevolge dat arrest heeft op 9 januari 2015 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het van die zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

 

 

1.2

Vervolgens heeft [appellante] een memorie van grieven met producties genomen, waarin zij acht grieven tegen het bestreden vonnis heeft aangevoerd en toegelicht. Bij memorie van antwoord heeft Haga c.s. de grieven bestreden.

 

 

1.3

Ter zitting van 30 oktober 2015 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun advocaten, aan de hand van overgelegde pleitnotities. Haga c.s. heeft daarbij twee producties overgelegd. Het van die zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

 

 

1.4

Bij akte van 10 november 2015 heeft Haga c.s. nog een aantal producties in het geding gebracht.

 

 

1.5

Bij antwoordakte van 24 november 2015 heeft [appellante] gereageerd en harerzijds een productie overgelegd.

 

 

1.6

Daarna is arrest bepaald.

 

 

 

Beoordeling in hoger beroep

 

 

 

 

2. In hoger beroep staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, dan wel op grond van de – in zoverre niet bestreden – inhoud van de overgelegde producties, de volgende feiten vast.

 

 

 

2.1

[appellante], geboren op 26 december 1985, was op 13 december 2011 krachtens arbeidsovereenkomst als verpleegkundige in dienst van Haga en werkzaam op de locatie Leyweg.

 

 

2.2

Op laatstgenoemde datum is [appellante] op haar weg naar het laboratorium op de afdeling Hematologie, op de eerste verdieping van het ziekenhuis, even voor 8.00 uur uitgegleden over een plasje water op de gang ter grootte van ca. 10 x 10 cm. [appellante] heeft daarbij haar linker enkel verzwikt.

 

 

2.3

Na het voorval heeft [appellante] het water opgeveegd en haar werkzaamheden voortgezet. [appellante] heeft steeds meer last van haar enkel gekregen. Tot op heden heeft [appellante] veel pijn aan de enkel, is deze gezwollen en gevoelig voor bedekking, warmte en kou en ondervindt zij daardoor in haar dagelijks werk en leven beperkingen.

 

 

2.4

De aandoening die [appellante] heeft aan de enkel is op 19 oktober 2012 door T.M.D. Nguyen, anesthesioloog, gediagnosticeerd als “complex regionaal pijnsyndroom type I, koude variant na enkel distorsie”.

 

 

3. [appellante] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat Haga aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden en nog te lijden schade die verband houdt met het aan [appellante] op 13 december 2011 overkomen arbeidsongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en dat mitsdien Medirisk op grond van artikel 7:954 BW gehouden is om de onder de bij haar afgesloten verzekering uit te keren schadevergoeding uit te keren aan [appellante], met hoofdelijke veroordeling van Haga c.s. tot betaling van de proceskosten van [appellante] in beide instanties.

 

 

4. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat Haga niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit artikel 7:658 lid 1 BW voortvloeiende verplichtingen en heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daartegen komt [appellante] op in hoger beroep.

 

 

5. Het hof stelt bij de beoordeling van de grieven voorop dat het in dit geding gaat om een vordering gebaseerd op artikel 7:658 BW. Lid 1 van die bepaling verplicht de werkgever om de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 7:658 lid 2 BW bepaalt dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Haga c.s. heeft in dit geding geen beroep gedaan op opzet of bewuste roekeloosheid van [appellante], zodat ter beoordeling staat of Haga c.s. heeft aangetoond dat zij de veiligheidsverplichtingen als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen. Wat hierbij van Haga als werkgever mocht worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het specifieke geval. Met artikel 7:658 BW is niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van ongelukken op het werk. Gelet op de ruime strekking van de zorgplicht en het hoge veiligheidsniveau dat van de werkgever kan worden geëist, kan evenwel niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor de door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Niet alleen de bewijslast, maar – daaraan voorafgaand – ook de stelplicht ter zake van de getroffen veiligheidsmaatregelen rust op de werkgever.

 

 

6. Met grief 1 klaagt [appellante] erover dat de kantonrechter de oorzaak van de val heeft aangeduid als “een plasje water”, terwijl dit “een plas water” was. Deze grief faalt. Vast staat ([appellante] heeft dit zelf ter comparitie van partijen zowel in eerste aanleg als bij het hof verklaard) dat het ging om een hoeveelheid water met een oppervlak van ongeveer 10 x 10 cm. Met de kantonrechter acht het hof de aanduiding “een plasje water” voor een hoeveelheid water van die omvang passender dan “een plas water”. Voor zover [appellante] met deze grief tevens de overweging van de kantonrechter bestrijdt, dat reeds gemorst water uit een flesje of bekertje voldoende kan zijn om een plasje water van de genoemde omvang te doen ontstaan, faalt de grief eveneens. Volgens algemene ervaringsregels kan een omgestoten bekertje water of uit een flesje gemorst water immers een waterplasje van die omvang creëren.

 

 

7. Grief 2 is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat het ziekenhuis onderzoek heeft laten verrichten naar de mogelijke oorzaak van de aanwezigheid van het betreffende plasje water, waarbij geen lekkages zijn gebleken, terwijl het water evenmin afkomstig kon zijn van recente schoonmaakactiviteiten. [appellante] voert ter toelichting aan dat op het “meldingsformulier voor een ongeval” direct na het ongeval door het afdelingshoofd werd aangetekend: “…Onduidelijk of water door lekkage, regen of schoonmaak op de vloer is gekomen …”.

 

 

8. Deze grief faalt. Dat direct na het ongeval onduidelijk was hoe het water op de vloer was terecht gekomen en alle mogelijke oorzaken nog open werden gehouden, betekent niet dat door nader onderzoek en analyse bepaalde denkbare oorzaken niet met een redelijke mate van zekerheid konden worden uitgesloten. Partijen hebben als mogelijke verklaringen voor de aanwezigheid van het plasje water op de vloer in de gang van het ziekenhuis waar [appellante] is uitgegleden, genoemd: regenwater dat uit een jas, tas of paraplu is gelopen, gemorst water uit een flesje of bekertje, lekkage, schoonmaakwerkzaamheden. Vast staat dat het op de dag van de val slecht weer was, met veel regen. Tevens staat vast dat zich in de betreffende gang geen kraan of waterpunt bevond waarvan het water afkomstig zou kunnen zijn. Vast staat voorts dat in de periode vanaf 2010 in het ziekenhuis verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden en dat zich daarbij lekkages hebben voorgedaan. Ook staat vast dat er op het moment van de val (even voor 8.00 uur ’s morgens) niet in de betreffende gang was of werd schoongemaakt; [appellante] heeft wat dat laatste betreft de desbetreffende stelling van Haga niet, althans onvoldoende weersproken. Voldoende staat dus vast dat het plasje water niet afkomstig was van schoonmaakwerkzaamheden, noch van een ter plaatse aanwezige kraan of andere (structurele) waterbron. De mogelijkheid van een lekkage wordt hierna besproken bij de behandeling van grief 3.

 

 

9. Met grief 3 komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet valt aan te nemen dat het water afkomstig was uit een structurele bron, zoals een lekkage.

 

 

10. Haga heeft gesteld dat er op de dag van de val geen verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden in of in de buurt van de betreffende gang en dat er geen lekkages waren (conclusie van antwoord onder 17; zie ook de e-mail van 28 augustus 2013 van de sectormanager [sectormanager], productie 1 bij conclusie van antwoord). In dit verband heeft Haga gesteld (conclusie van antwoord onder 19) dat in 2010 is begonnen met een grootschalige verbouwing van het ziekenhuis aan de Leyweg, dat begin februari 2013 de hoofdingang is verplaatst naar de inmiddels aangebouwde dépendance, dat in verband met die verbouwing de Intensive Care afdeling en de operatiekamers enkele malen met lekkage te kampen hebben gehad, dat deze afdelingen zich bevonden (en nog steeds bevinden) op de tweede etage, aan de achterzijde van het pand, daar waar het pand slechts twee etages heeft, en dat de gang waar Kruissen is gevallen zich bevindt in het “flat”-gedeelte op de eerste verdieping, welk deel veel meer etages kent en waar zich dus geen dak direct boven deze etages bevindt (conclusie van antwoord onder 20 en 21). De lekkages waarmee Haga te kampen heeft gehad, hebben zich dus nimmer voorgedaan in dat deel van het ziekenhuis waar het hematologie laboratorium was gevestigd, aldus Haga (memorie van antwoord onder 5.5). Op verzoek van het hof heeft Haga bij akte na pleidooi enkele plattegronden overgelegd van het ziekenhuis die inzichtelijk maken waar in het ziekenhuis het ongeval van [appellante] zich heeft voorgedaan en waar in het ziekenhuis zich lekkages hebben voorgedaan en verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden. Anders dan [appellante] betoogt, is deze gang van zaken niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, nu het hier betreft een beknopte toelichting en uitwerking van de reeds bij conclusie van antwoord en memorie van antwoord ingenomen stellingen van Haga dat de lekkages zich in een ander gedeelte van het gebouw hebben voorgedaan en dat ter plaatse van de val ten tijde van de val geen verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden, terwijl [appellante] in de gelegenheid is gesteld (en daarvan ook gebruik heeft gemaakt) om op de overgelegde stukken te reageren. Het hof is van oordeel dat Haga met de overgelegde plattegronden en de daarop gegeven toelichting voldoende heeft aangetoond dat de lekkages waarmee zij te kampen heeft gehad, zich in andere gedeelten van het ziekenhuis hebben voorgedaan en dat geen verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden ter plaatse van de val van [appellante]. Hetgeen [appellante] daartegen bij haar antwoord-akte van 24 november 2015 heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Aldus kan een lekkage als oorzaak van de aanwezigheid van het plasje water met voldoende aannemelijkheid worden uitgesloten. De stelplicht en bewijslast van de werkgever in het kader van artikel 7:658 lid 2 jo. lid 1 BW gaan niet zo ver, dat hij de afwezigheid dient aan te tonen van denkbare oorzaken waarvoor in concreto geen aanknopingspunten bestaan. Bovendien heeft Haga voldoende gesteld dat zij, indien zich onverhoopt in het bouwproces een lekkage voordeed, op zorgvuldige en afdoende wijze maatregelen trof ter voorkoming van gevaar voor patiënten en medewerkers. Grief 3 slaagt dan ook niet.

 

 

11. Grief 4 bevat de klacht dat de kantonrechter is voorbij gegaan aan de stelling van [appellante] dat er op de gang waar zij is gevallen, wel vaker water lag. [appellante] stelt in de toelichting op de grief dat er op deze verdieping vaker water lag, zoals dit door het hele ziekenhuis het geval was. [appellante] verwijst naar de door haar overgelegde verklaring van [A] (productie 21 bij de inleidende dagvaarding).

 

In de genoemde verklaring schrijft [A]:

 

 

 

“Waar lekkage is, zal ook elders lekkage voorkomen, ik denk dat ook de bewuste “ongeval” van mevrouw Kruissen ook een ongelukkige voorval is geweest.

 

 

 

 

Kort nadat er lekkage is ontstaan op de IC-afdeling, is een gedeelte bij de kleine liften ook gaan lekken. Werd wel frequent schoon gemaakt, maar daar heeft altijd wel een plas gelegen.

 

 

 

 

Ik hoop dat deze schrijven licht zal houden op de zaak.”

 

 

 

12. Deze grief faalt. Zoals het hof bij de behandeling van grief 3 heeft geoordeeld, heeft Haga voldoende aangetoond dat ter plaatse ten tijde van de val geen verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden. De verklaring van [A] brengt voorts niet mee dat ter plaatse van de val sprake was van lekkage; [A] spreekt immers van “bij de kleine liften”. Zoals volgt uit de door [appellante] bij haar antwoord-akte van 24 november 2015 als productie e overgelegde plattegrond, lag het plasje water waarover [appellante] is uitgegleden (gemarkeerd met de letter E) niet bij de kleine liften (F1.L10, F1.L11 en F1.L12), maar in een andere gang (F1.30V), nog daargelaten dat niet duidelijk is op welke “kleine liften” [A] doelt. De stelling van [appellante] dat in de betreffende gang dan wel op deze verdieping dan wel in het gehele ziekenhuis wel vaker water lag, is op zichzelf onvoldoende om tot het oordeel te voeren dat Haga niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan, mede tegen de achtergrond van hetgeen het hof hierna zal overwegen met betrekking tot de door Haga in acht genomen veiligheidsmaatregelen.

 

 

13. Met grief 5 valt [appellante] het oordeel van de kantonrechter aan dat de maatregelen die het ziekenhuis heeft genomen teneinde direct op te treden in geval van een calamiteit, waaronder ook geschaard kan worden het incidenteel aanwezig zijn van enig water op een vloer, als genoegzaam beoordeeld kunnen worden.

 

 

14. Haga heeft gesteld (conclusie van antwoord onder 15 en 29) dat in de gang waarin [appellante] is gevallen, een linoleum vloer lag, genaamd Marmoleum Striato, met een wrijvingscoëfficiënt in de klasse R9, welke slipweerstand gebruikelijk is in openbare ruimten. Haga heeft verder gesteld dat de gang adequaat was verlicht (conclusie van antwoord onder 28). Haga heeft verder gesteld (conclusie van antwoord onder 15) dat haar schoonmaakdienst gebruik maakt van apparatuur die de vloer na reiniging nagenoeg droog achterlaat en dat gele waarschuwingsborden worden geplaatst wanneer de vloer nat is door schoonmaakwerkzaamheden. De schoonmaakdienst, die Haga in eigen beheer heeft, is 24/7 oproepbaar (conclusie van antwoord onder 32). De medewerkers van Haga weten dat er een speciaal nummer is om calamiteiten ter zake van de huishouding te melden. Haga heeft gesteld dat de polikliniekgangen elke dag worden schoongemaakt, waarbij de schoonmaak begint om 9.00 uur en de hele dag doorgaat tot 17.00 uur (conclusie van antwoord onder 33). Bij hevige regenval of sneeuw wordt de entreehal van het ziekenhuis niet eenmaal maar driemaal gereinigd en gedroogd, aldus Haga (conclusie van antwoord onder 35). Bij de ingang van het ziekenhuis is vloerbedekking (een ingangbrede droogloopmat) aangebracht om doorloop van (regen)water te voorkomen, dit betreft een zogenoemde 3 zone reinigingsmat, waarbij zone 1 dient om grof vuil te verwijderen, in zone 2 het fijne vuil wordt opgevangen en zonde 3 het restvuil en vocht opneemt, aldus Haga (conclusie van antwoord onder 15 en onder 31). Bij hevige regenval of sneeuw wordt die mat extra gecontroleerd en, zo nodig, gereinigd (conclusie van antwoord onder 35). Haga heeft verder gesteld dat in geval van een lekkage de Technische Dienst wordt ingeschakeld, die beschikt over speciale waterzuigers om het vocht direct te kunnen verwijderen en die daarna de oorzaak van de lekkage onderzoekt en daarop maatregelen neemt. Haga heeft voorts gesteld dat er voor het gebied waar [appellante] ten val is gekomen, een publieksgebied, geen richtlijnen of regels bestaan ten aanzien van het dragen van speciaal schoeisel. Die regels zijn er wel voor risicogebieden, zoals de OK en sanitaire ruimtes. Het risicoprofiel van de betreffende gang was laag, aldus Haga; in dit gebied liep ook personeel dat na het werk op eigen schoeisel naar huis ging (e-mail sectormanager [sectormanager] d.d. 19 maart 2013, productie 1 bij conclusie van antwoord).

 

 

15. [appellante] heeft deze stellingen van Haga niet, althans onvoldoende (gemotiveerd), betwist. Het hof is van oordeel dat Haga hiermee voldoende onderbouwd heeft gesteld en aangetoond dat zij in de gegeven omstandigheden de redelijkerwijs van haar te vergen veiligheidsmaatregelen heeft genomen. Van Haga kon en kan redelijkerwijs niet worden gevergd dat zij op elk moment van de dag, dus voortdurend, de gangen in het ziekenhuis controleert op en vrij houdt van water of andere ongerechtigheden op de grond. Haga heeft met de onder 14 weergegeven maatregelen voldoende aandacht gehad voor de veiligheid van haar medewerkers op het gebied van uitglijden en vallen door natte en/of vuile vloeren. De stelling van [appellante] en de schriftelijke verklaring van [B], werkzaam op de polikliniek MDL (productie b bij memorie van grieven), dat de schoonmaakdienst vaak (te lang) op zich liet wachten, acht het hof onvoldoende om anders te oordelen. Niet gesteld of gebleken is overigens dat het plasje water reeds door iemand was gesignaleerd en aan de schoonmaakdienst was gemeld vóórdat [appellante] daarover uitgleed. Bovendien wordt uit de verklaring van [B] niet duidelijk of zij spreekt over de situatie waarin een melding is gedaan aan de schoonmaakdienst. Het zal in de praktijk ook zijn voorgekomen dat iemand iets morst en dit niet (direct) meldt, waardoor het langer dan gewenst blijft liggen. Dit leidt op zichzelf nog niet tot schending van de zorgplicht door de werkgever. Haga heeft, door elke dag van 9.00-17.00 het ziekenhuis schoon te maken en een 24/7 oproepbare schoonmaakdienst te hebben, voldaan aan hetgeen redelijkerwijs van haar kon worden gevergd op het gebied van schoonmaak van ruimtes als de onderhavige, waarvoor geen specifiek risico op de aanwezigheid van vocht op de vloer geldt (zoals bijvoorbeeld wel op een OK). Het feit dat Haga voor verpleegkundigen als [appellante] geen specifiek schoeisel verplicht en/of ter beschikking stelde, levert evenmin een schending van de zorgplicht op. Haga heeft gesteld dat slechts aan medewerkers die met regelmaat in natte ruimten verkeren, anti-slip schoeisel wordt verstrekt. Naar het oordeel van het hof ging en gaat de zorgplicht van Haga niet zo ver dat zij aan al haar personeel anti-slip schoeisel dient te verstrekken dan wel voor te schrijven met het oog op uitglijden over incidenteel aanwezig vocht in ruimtes en gangen, zoals dat in allerlei situaties, zowel in publiek toegankelijke ruimtes als op besloten werkplekken en in de thuissituatie kan voorkomen, maar mocht en mag Haga die maatregel redelijkerwijs beperken tot werken in ruimtes waar daarop een verhoogd risico bestaat.

 

 

16. Grief 5 faalt op grond van het voorgaande, alsmede grief 7 voor zover deze voortbouwt op grief 5.

 

 

17. Met grief 6 verwijt [appellante] de kantonrechter geen aandacht te hebben besteed aan het ontbreken van een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). Haga heeft ten aanzien van het voorhanden zijn van een RI&E aanvankelijk gesteld dat de betreffende gang als algemene verkeersruimte niet onder een RI&E viel. Later heeft Haga gesteld dat deze gang onder de algemene ziekenhuis RI&E viel. Bij pleidooi heeft Haga haar stellingname gewijzigd en gesteld dat het gedeelte van de gang waar [appellante] is gevallen, viel onder de specifieke RI&E voor de afdeling Hematologie, van welke RI&E Haga bij pleidooi enkele pagina’s heeft overgelegd. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of voor de gang een RI&E was opgesteld. Nu het hier ging om een publiek toegankelijke gang met een niet structureel verhoogd risico op uitglijden, [appellante] terwijl zij door die gang liep is uitgegleden en de oorzaak van het uitglijden is gelegen in de aanwezigheid op de vloer van een plasje water met een oppervlakte van circa 10 bij 10 centimeter, terwijl Haga de onder 14 genoemde maatregelen heeft genomen ter voorkoming van het gevaar van uitglijden over op de vloer aanwezig water, brengt het enkele ontbreken van een RI&E niet mee dat Haga tekortgeschoten is in de zorg die van haar mocht worden verwacht voor de veiligheid van haar medewerkers.

 

 

18. De conclusie is dat sprake is van een ongelukkige val / uitglijden op het werk met voor [appellante] zeer nadelige gevolgen, maar dat niet kan worden geoordeeld dat Haga als werkgever onvoldoende maatregelen heeft genomen om een val als deze te voorkomen, ook niet wanneer van strenge eisen aan de zorgplicht van Haga als werkgever wordt uitgegaan.

 

 

19. Uit het voorgaande volgt dat alle grieven falen, dat Haga niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van [appellante] en dat de vorderingen van [appellante] niet toewijsbaar zijn. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

 

 

 

Beslissing

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag, van 24 juli 2014;

 

 

 

 

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Haga en Medirisk tot aan deze uitspraak begroot op € 704,- voor griffierecht en op € 3.576,- aan advocaatkosten.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M. Wattendorff, M.L.A. Filippini en O.F. Blom en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2016.