• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 28 februari 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:1676
  • Zaaknummer: 200.111.788/01

Hof: ziekenhuis heeft niet voldaan aan verzwaarde motiveringsplicht en is aansprakelijk voor mislukte oorreconstructie (behoudens tegenbewijs)

Reconstructie van oor is mislukt. Het hof overweegt dat benadeelde moet stellen en zo nodig te bewijzen dat niet lege artis is gehandeld. Op het ziekenhuis rust verzwaarde motiveringsplicht, die meebrengt dat het ziekenhuis benadeelde voldoende feitelijke gegevens en aanknopingspunten verschaft ten aanzien van de mogelijke oorzaken van het niet bereiken van het beoogde resultaat. Het hof heeft niet voldaan de verzwaarde motiveringsplicht. Het medisch dossier en de verklaring van de arts bieden geen inzicht in het handelen en de keuzes van de chirurgen die benadeelde hebben geopereerd, noch kan daaruit worden afgeleid wat de (mogelijke) oorzaken zijn van het teleurstellende resultaat van de operaties. Het hof acht dan ook voorshands bewezen dat de plastisch chirurgen niet lege artis hebben gehandeld. Het ziekenhuis wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. (NB: uitspraak heeft al eerder op Kennisnet gestaan, nog niet eerder in de nieuwsbrief).

ECLI:NL:GHARL:2017:1676

 

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 28-02-2017
Datum publicatie 02-03-2017
Zaaknummer 200.111.788/01

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Medische aansprakelijkheid. Is bij de operatie tot herstel van een aangeboren deformerende afwijking aan het oor lege artis gehandeld? Het ziekenhuis heeft niet aan de verzwaarde motiveringsplicht voldaan. Het hof acht de stelling van geïntimeerde dat de plastisch chirurgen van het ziekenhuis niet lege artis hebben gehandeld voorshands bewezen en stelt het ziekenhuis in de gelegenheid tegenbewijs te leveren.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN 

 

 

 

 

locatie Leeuwarden

 

 

 

 

afdeling civiel recht, handel

 

 

 

 

zaaknummer gerechtshof 200.111.788/01

 

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 121386/ HA ZA 10-835)

 

 

 

 

arrest van 28 februari 2017 

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

Universitair Medisch Centrum Groningen,

 

gevestigd te Groningen,

 

appellante,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: het UMCG,

 

advocaat: mr. E.J.C. de Jong, kantoorhoudend te Utrecht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

 [geïntimeerde] ,

 

wonende te [A] ,

 

geïntimeerde,

 

in eerste aanleg: eiser,

 

hierna: [geïntimeerde],

 

advocaat: mr. R.M. van der Zwan, kantoorhoudend te ‘s-Gravenhage.

 

 

 

 

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

 

 

 

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 maart 2016 hier over.

 

 

1.2

Het verdere verloop van het geding blijkt uit:

– een akte van het UMCG;

– de brief aan de rolraadsheer van [geïntimeerde] d.d. 21 juni 2016;

– een akte uitlaten van [geïntimeerde] ;

– een akte overlegging producties van het UMCG;

– een antwoordakte van [geïntimeerde] .

 

 

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

 

 

 

 

 

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

 

 

Inleiding 

 

 

2.1

 

In voornoemd tussenarrest heeft het hof geconstateerd dat op basis van het medisch dossier zoals dat door het UMCG is overgelegd, niet kan worden vastgesteld waarom de bij [geïntimeerde] uitgevoerde oorreconstructie niet het door partijen gewenste resultaat heeft gehad. Het hof heeft het UMCG de gelegenheid geboden om, zoals zij ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft verzocht, het medisch dossier van het UMCU, alsmede een nadere verklaring van dr. [B] in het geding te brengen en daarop desgewenst een toelichting te geven, waarop [geïntimeerde] zal mogen reageren. Het hof heeft de zaak daartoe naar de rol van 19 april 2016 verwezen.

 

 

De ingekomen stukken 

 

 

2.2

Na een uitstel van twee weken heeft het UMCG op de roldatum 3 mei 2016 een akte genomen, waarbij zij een verklaring van dr. [B] in het geding heeft gebracht en waarin zij heeft verklaard dat zij nog niet over het medisch dossier van [geïntimeerde] dat zich bij het UMCU bevindt beschikt. Het UMCG heeft verzocht haar nader uitstel te verlenen voor het in het geding brengen van dit dossier. Voorts heeft zij een tweetal nadere producties (productie 3 en 4) overgelegd en daarop een toelichting gegeven.

 

 

2.3

[geïntimeerde] heeft bij brief van 21 juni 2016 bezwaar gemaakt tegen het inbrengen van productie 3 en 4. Dit bezwaar is door de rolraadsheer op de roldatum 28 juni 2016 gehonoreerd. Van de akte van het UMCG zijn punt 4 en 5, alsmede de producties 3 en 4 geweigerd. Het hof zal de bedoelde producties en de daarop gegeven toelichting derhalve buiten beschouwing laten.

 

 

2.4

[geïntimeerde] heeft vervolgens bij akte van 12 juli 2016 een akte uitlaten genomen, waarin hij het medisch dossier van het UMCU heeft overgelegd. Hij heeft voorts verzocht het UMCG geen nader uitstel te verlenen voor het inbrengen van nadere stukken, zoals door het UMCG bij haar akte van 3 mei 2016 was verzocht.

 

 

2.5

Het UMCG heeft op dezelfde roldatum eveneens het medisch dossier van [geïntimeerde] van het UMCU in het geding gebracht. Bij akte van 26 juli 2016 heeft [geïntimeerde] hierop gereageerd.

 

 

2.6

Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door [geïntimeerde] is verzocht, de akte van het UMCG d.d. 12 juli 2016 niet te accepteren. Door overlegging van een tweetal brieven van haar raadsman aan het UMCU d.d. 7 april 2016 en 23 juni 2016 waarin is verzocht om afgifte van het medisch dossier heeft het UMCG aangetoond dat zij heeft getracht (tijdig) over het medisch dossier van het UMCU te beschikken, terwijl het medisch dossier dat zij uiteindelijk bij haar akte van 12 juli 2016 in het geding heeft gebracht, gelijkluidend is aan het dossier dat [geïntimeerde] zelf bij akte van 12 juli 2016 heeft overgelegd.

De verdere beoordeling

 

 

2.7

Dr. [B] , die [geïntimeerde] na de laatste operatie in het UMCG heeft gezien en hem vervolgens heeft doorverwezen naar het UMCU voor een second opinion, heeft in zijn verklaring van 4 april 2016 onder andere verklaard:

“(…)

In het verdere postoperatieve beloop gaf patiënt aan ook zijn linker oor verder te willen laten reconstrueren: zoals u bekend waren er al twee operaties en reconstructies uitgevoerd met helaas een uiteindelijk teleurstellend resultaat. Ik zag zelf geen mogelijkheid het oor verder goed te reconstrueren en het uiterlijk aspect dusdanig te verbeteren dat dit voor patiënt voldoende acceptabel zou zijn. In mijn optiek toen zou een orthese/prothese, waarbij van kunstmateriaal een nieuw oor wordt gemaakt door de afdeling bijzondere tandheelkunde en welke vervolgens middels implantaten vast gezet kan worden op de schedel, de beste oplossing zijn. Ik heb patiënt toen hiervoor doorverwezen.

Daarna verscheen patiënt weer (na consult bij de afdeling bijzondere Tandheelkunde): hij gaf duidelijk te kennen per se een reconstructie te willen en geen prothese. Omdat ik geen goede mogelijkheden hiervoor zag meende ik dat een verwijzing naar prof. dr. [C] het beste zou zijn, gezien zijn uitgebreide ervaring met oor reconstructies.

Ik heb toen een zeer korte en cryptische omschrijving gedaan op 20-6-2008 “verwijzing i.v.m. status na “mislukte” oorreconstructie bij hemifaciale atrofie waarmee ik bedoelde: qua reconstructie en aspect verbetering niet gelukte oorreconstructie.”

 

 

2.8

In het medisch dossier van het UMCU is onder andere het volgende opgenomen:

In het “PLA Consult” d.d. 5 september 2008:

“Status na mislukte oorreconstructie links ivm microtie

O/ Onacceptabele vorm, slechte kleurmatch, litteken temporaal

In de brief van prof. dr. [C] aan prof. dr. [B] d.d. 22 september 2008:

“Bovengenoemde patiënt(e) werd gezien in verband met: status na mislukte oorreconstructie links elders.

Bij onderzoek werd gevonden: gedeformeerde, verlittekende “oorschelp” links. Slechte vorm en onacceptabel uitwendig aspect.”

Blijkens het medisch dossier van het UMCU is de oorschelp van [geïntimeerde] door prof. dr. [C] in drie tempi gereconstrueerd waarbij (1) op 2 februari 2009 een expander is ingebracht, (2) op 20 april 2009 de expander is verwijderd en een nieuw kraakbeenframe is ingebracht en (3) op 9 november 2009 de oorschelp is gemobiliseerd. Blijkens de brieven van het UMCU aan de huisarts van [geïntimeerde] is het postoperatief beloop telkens ongecompliceerd geweest. [geïntimeerde] is op 10 november 2009 voor de laatste keer ontslagen uit het ziekenhuis.

 

 

2.9

Het hof is, gelijk de rechtbank in rechtsoverweging 5.3 van het vonnis van 16 november 2011 heeft overwogen, van oordeel dat uit de door partijen aangevoerde stellingen en de overgelegde gegevens dient te worden opgemaakt dat de operaties aan het oor van [geïntimeerde] bedoeld waren om de ontbrekende linkeroorschelp te construeren uit lichaamseigen materiaal van [geïntimeerde] , te weten kraakbeen en weefsel en dat de operaties daarom, hoewel medisch geïndiceerd, mede een cosmetisch doel hadden, namelijk een aangeboren deformerende afwijking herstellen. Duidelijk is dat dat doel niet is bereikt. Dat volgt ook uit de nu overgelegde brieven van prof. dr. [C] , die spreekt van een “mislukte oorreconstructie”, een “onacceptabele vorm”, een “gedeformeerde, verlittekende oorschelp links” en een “slechte vorm en onacceptabel uitwendig aspect”. Dat betekent nog niet dat daarmee is gegeven dat niet lege artis is gehandeld en evenmin dat het nu op de weg van het UMCG ligt om te stellen en te bewijzen dat het niet bereiken van het beoogde resultaat niet het gevolg is van het niet lege artis handelen.

 

 

2.10

Op [geïntimeerde] rusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering. Hij zal dan ook dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat niet lege artis is gehandeld bij de oorreconstructie in het UMCG. Van het UMCG mag worden verlangd dat zij, in het kader van de gemotiveerde betwisting, aan [geïntimeerde] voldoende feitelijke gegevens of aanknopingspunten verschaft ten behoeve van diens eventuele bewijslevering. Op UMCG rust in die zin een verzwaarde motiveringsplicht. Die verzwaarde motiveringsplicht brengt met zich dat UMCG [geïntimeerde] voldoende feitelijke gegevens en aanknopingspunten verschaft ten aanzien van de mogelijke oorzaken van het niet bereiken van het beoogde resultaat.

 

 

2.11

In zijn tussenarrest d.d. 22 maart 2016 heeft het hof al overwogen dat op grond van het medisch dossier van het UMCG niet kan worden vastgesteld waarom de bij [geïntimeerde] uitgevoerde oorreconstructie niet het door partijen gewenste resultaat heeft gehad, nu de mogelijke oorzaken hiervan in het medisch dossier niet worden genoemd, de operatieverslagen geen melding maken van opgetreden complicaties en de door de chirurgen gemaakte keuzes niet zijn toegelicht. Uit het vorenoverwogene, alsmede uit hetgeen het hof in zijn tussenarrest onder rechtsoverweging 4.7 en 4.8 heeft overwogen, vloeit voort dat het UMCG niet heeft voldaan aan de op haar rustende verzwaarde motiveringsplicht. Ook met het thans in het geding gebrachte medisch dossier van het UMCU en de verklaring van dr. [B] is naar het oordeel van het hof (nog) niet aan deze verzwaarde motiveringsplicht voldaan. Zowel het medisch dossier van het UMCU als de verklaring van dr. [B] bieden immers geen inzicht in het handelen en de keuzes van de chirurgen die [geïntimeerde] op 16 augustus 2005 en op 15 januari 2007 hebben geopereerd, noch kan daaruit worden afgeleid wat de (mogelijke) oorzaken zijn van het teleurstellende resultaat van de operaties. Het hof acht de stelling van [geïntimeerde] , inhoudende dat de plastisch chirurgen van het UMCG niet lege artis hebben gehandeld ten aanzien van de wijze waarop de operaties aan het linkeroor van [geïntimeerde] zijn uitgevoerd, dan ook voorshands bewezen (vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083).

 

 

2.12

Het hof zal het UMCG, zoals het UMCG ook heeft aangeboden, in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] . Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte om het UMCG in de gelegenheid te stellen aan te geven op welke wijze zij bewijs wenst te leveren. In haar memorie van grieven heeft het UMCG (tegen)bewijs aangeboden door middel van het horen van getuigen en/of deskundigen. Indien het UMCG (ook) tegenbewijs wil leveren door een deskundige geeft het hof er de voorkeur aan zelf een deskundige te benoemen (nadat getuigen zijn gehoord, zodat de deskundige de verklaringen van de getuigen in het te verrichten onderzoek kan betrekken). In dat geval dient het UMCG in haar akte aan te geven aan de benoeming van welke deskundige(n) zij de voorkeur geeft en welke vragen aan de deskundige(n) kunnen worden voorgelegd. [geïntimeerde] kan bij antwoordakte reageren. Vervolgens zal het hof een opdracht tot het leveren van tegenbewijs verstrekken.

 

 

2.13

De verdere behandeling van de grieven zal worden aangehouden.

 

 

 

De beslissing

 

 

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

 

 

 

 

alvorens verder te beslissen:

 

 

 

 

verwijst de zaak naar de rol van 28 maart 2017 voor akte uitlating bewijslevering door het UMCG;

 

 

 

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J.H. Kuiper en mr. R.A. Zuidema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 februari 2017.