• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 18 januari 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2017:995
  • Zaaknummer: 5040510 UC EXPL 16-6964

Hof: werknemer valt op werk, bewijslast veiligheidsmaatregelen op werkgever

Werkneemster stelt dat zij is uitgegleden over plas water en stelt haar werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Partijen verschillen van mening over de toedracht van het ongeval. De kantonrechter overweegt dat de exacte toedracht niet van belang is voor de aansprakelijkheidsvraag niet van belang is. Ingevolge art. 7:658 lid 2 BW kan de werkgever alleen aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat alle redelijkerwijs te nemen maatregelen zijn genomen om dit specifieke ongeval te voorkomen dan wel, indien de toedracht van het ongeval niet komt vast te staan, door te stellen en zo nodig te bewijzen welke veiligheidsmaatregelen meer in het algemeen zijn genomen. De kantonrechter draagt de werkgever op te bewijzen wat precies de toedracht van het ongeval is geweest en dat zij alle maatregelen heeft genomen om dit specifieke ongeval te voorkomen, dan wel dat zij alle mogelijke veiligheidsmaatregelen heeft getroffen die van haar kunnen worden verlangd.

 

ECLI:NL:RBMNE:2017:995

Instantie

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak

18-01-2017

Datum publicatie

01-03-2017

Zaaknummer

5040510 UC EXPL 16-6964

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Bodemprocedure na deelgeschilprocedure. Werkgeversaansprakelijkheid 7:658 BW. Arbeidsongeval. Val op de werkvloer. Onzekere, onduidelijke toedracht. Plas water. Bewijsopdracht werkgever.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5040510 UC EXPL 16-6964 MAR/1217

Vonnis van 18 januari 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. I.L. Ortelee

tegen

1. de stichting

STICHTING DIAKONESSENHUIS,

gevestigd te Utrecht,

2. de onderlinge waarborgmaatschappij

CENTRAMED B.A.,

gevestigd te Voorburg,

gedaagden,

gemachtigde: mr. H. van Katwijk.

Partijen worden hierna [eiseres] , het ziekenhuis en Centramed genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding van 18 april 2016 met 3 producties;

– de conclusie van antwoord van 29 juni 2016 met 2 producties;

– het vonnis van 6 juli 2016, waarbij een comparitie na antwoord is bepaald;

– de brief van 29 november 2016, waarbij namens [eiseres] de producties 3 tot en met 11 zijn overgelegd;

– de comparitie na antwoord, gehouden op 8 december 2016, waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] was in dienst van het ziekenhuis.

2.2.

Op 23 juli 2010 is [eiseres] tijdens het werk gevallen op de afdeling orthopedie van de locatie in Zeist, waar zij op dat moment in viel.

2.3.

[eiseres] heeft het ziekenhuis in 2010 en 2011 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het haar overkomen ongeval.

2.4.

Centramed is de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis.

2.5.

Op 5 mei 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en de heer Van Veen, schaderegelaar namens Centramed.

2.6.

Centramed heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval afgewezen.

2.7.

Bij beschikking van 23 december 2015 in de deelgeschilprocedure met
zaak-/rekestnummer 4498796 UE VERZ 15-500 heeft de kantonrechter het verzoek van [eiseres] om te bepalen dat het ziekenhuis en Centramed aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval dat [eiseres] in de uitoefening van haar werkzaamheden is overkomen op 23 juli 2010, afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a.     Centramed beveelt de rapportage van de heer Van Veen, schaderegelaar, van het gesprek dat [eiseres] met hem voerde op 5 mei 2014 over de schaderegeling te overleggen op basis van artikel 35 Wet Bescherming Persoonsgegevens gelezen in samenhang met artikel 22 Rv;

b.    bepaalt dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de gevolgen van het arbeidsongeval dat [eiseres] op 23 juli 2010 is overkomen;

c.     het ziekenhuis en Centramed hoofdelijk veroordeelt tot
– vergoeding van de redelijke kosten van het deelgeschil, vastgesteld op € 3.878,00 bij beschikking van 23 december 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
– vergoeding van de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van het arbeidsongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

d.    het ziekenhuis en Centramed veroordeelt in kosten van deze procedure, waaronder kosten van juridische bijstand, griffierecht, deurwaarderskosten en de kosten van executie.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiseres] het volgende ten grondslag. Centramed weigert de rapportage van de heer Van Veen over te leggen. Dit is in strijd met artikel 35 Wettelijke Bescherming Persoonsgegevens. De rapportage is volgens [eiseres] gebaseerd op persoonsgegevens en zij heeft er recht op het rapport in te zien. Tijdens het gesprek op 5 mei 2014 heeft Van Veen de stellige indruk gewekt dat aansprakelijkheid zou worden erkend, terwijl Centramed een standpunt inneemt dat er lijnrecht tegenover staan. Daarnaast acht [eiseres] het onrechtmatig dat zij niet de beschikking heeft over de rapportage, terwijl zij wel alle informatie heeft verschaft die nodig is voor een adequate afwikkeling van de schade.

Met betrekking tot de aansprakelijkheid stelt [eiseres] dat zij is uitgegleden over een plas water bij de ingang van de polikliniek orthopedie, waarbij zij op haar schouder is gevallen en haar schouder heeft geblesseerd. Een lekkage in het plafond is volgens [eiseres] de oorzaak van de plas water op de vloer. Door de val lijdt [eiseres] schade. Haar schouder geeft beperkingen in het bewegen. [eiseres] lijdt in ieder geval inkomensschade als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Zij heeft een gedeeltelijke WIA-uitkering.

Primair is het ziekenhuis volgens [eiseres] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de materiële en immateriële schade die zij lijdt als gevolg van het arbeidsongeval. Door lekkage van water uit het plafond heeft het ziekenhuis niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van haar verwacht mag worden.

Subsidiair is het ziekenhuis volgens [eiseres] aansprakelijk op grond van artikel 6:174 en 6:162 BW. Als bezitter van de opstal is het ziekenhuis aansprakelijk indien de opstal niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

3.3.

Het ziekenhuis en Centramed voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4 De beoordeling

4.1.

Als eerste vordert [eiseres] inzage in de rapportage van de heer Van Veen van het gesprek d.d. 5 mei 2014. Centramed stelt zich op het standpunt dat van die bespreking geen rapportage is opgemaakt en dat er los daarvan geen recht bestaat op het ter beschikking stellen daarvan aan [eiseres] . De kantonrechter zal deze vordering van [eiseres] afwijzen omdat er kennelijk geen rapport is. [eiseres] heeft in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten gesteld waaruit zou blijken dat de heer Van Veen van meergenoemd gesprek een rapportage heeft opgemaakt.

4.2.

Daarmee komt de kantonrechter toe aan de vordering van [eiseres] om te bepalen dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de gevolgen die de val voor [eiseres] heeft. Primair heeft [eiseres] deze vordering gebaseerd op artikel 7:658 BW. Lid 1 van dit artikel vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (Hoge Raad 11 april 2008, NJ 2008/465). Het ziekenhuis is als werkgever van [eiseres] op grond van artikel 7:658 BW dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen, die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Dat sprake zou zijn van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiseres] is in dit geschil geen onderdeel van het partijdebat.

4.3.

Vast staat dat [eiseres] op 23 juli 2010 tijdens haar werk in het ziekenhuis ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. Dat wordt door het ziekenhuis ook niet betwist. Partijen verschillen echter van mening over de vraag naar de toedracht van het ongeval. [eiseres] stelt dat zij is uitgegleden over een plas water die op de vloer lag en dat er sprake was van een lekkage in het plafond met water op de werkvloer tot gevolg. Zij verwijst naar de melding arbeidsongeval zoals die door haar leidinggevende op 27 juli 2010 is ingevuld. Het ziekenhuis betwist dat [eiseres] is gevallen als gevolg van een plas water op de vloer en voert ook aan dat geen sprake is geweest van een lekkage die de plas water zou hebben veroorzaakt.

Wat de exacte toedracht van het ongeval is geweest of wat de oorzaak daarvan was, is voor het antwoord op de vraag of het ziekenhuis aansprakelijk is niet van belang. Immers, wanneer, zoals in dit geval, vaststaat dat een werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden is een werkgever in beginsel aansprakelijk. De (exacte) toedracht hoeft de werknemer daarbij dus niet te stellen (en te bewijzen). Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW kan het ziekenhuis vervolgens alleen aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat alle redelijkerwijs te nemen maatregelen zijn genomen om dit specifieke ongeval te voorkomen dan wel, indien de toedracht van het ongeval niet komt vast te staan, door te stellen en zo nodig te bewijzen welke veiligheidsmaatregelen meer in het algemeen zijn genomen (vgl. HR 4 mei 2001 ECLI:NL:HR:2001:AB1430 en Gerechtshof
’s-Hertogenbosch 1 april 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:932).

Dit impliceert dat op het ziekenhuis als werkgever voor zover zij zich wil beperken tot het bewijs van het nakomen van op de aard van het ongeval toegespitste verplichtingen, ook de bewijslast van de toedracht van het ongeval rust.

In het geval het ziekenhuis afziet van het leveren van dit bewijs van de toedracht van het ongeval dan wel wanneer zij in het haar opgedragen bewijs niet slaagt, zal het ziekenhuis moeten bewijzen dat zij ook in dat geval aan de zorgplicht heeft voldaan door aan te tonen dat zij alle mogelijke veiligheidsmaatregelen heeft getroffen die van haar kunnen worden verlangd.

De kantonrechter zal het ziekenhuis thans in de gelegenheid te stellen tot het leveren van bewijs.

4.4.

Indien het ziekenhuis het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien het ziekenhuis het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon dan wel rechtsgeldig vertegenwoordigd aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 60 minuten zal duren. Als het ziekenhuis verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.5.

In verband met de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

draagt het ziekenhuis op om te bewijzen

·        

wat precies de toedracht van het ongeval is geweest dat [eiseres] bij het verrichten van haar werkzaamheden op 23 juli 2010 is overkomen en dat het ziekenhuis daarbij alle van haar als werkgever te verlangen maatregelen heeft genomen om dit specifieke ongeval te voorkomen;

·        

dan wel, voor zover het ziekenhuis van voormelde bewijslevering afziet of (ook) wil bewijzen dat zij in het algemeen aan haar zorgplicht heeft voldaan, dat zij alle mogelijke veiligheidsmaatregelen heeft getroffen die van haar kunnen worden verlangd;

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 15 februari 2017 teneinde het ziekenhuis in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren;

5.3.

bepaalt dat, indien het ziekenhuis (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat, indien het ziekenhuis bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

– de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

– moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn, waarbij zij bij die opgave ten minste vijftien dagdelen dient vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

5.5.

bepaalt dat:

– voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

– indien het ziekenhuis geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

– het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

5.6.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, kantonrechter, en is in tegenwoordigheid van de mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.