• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 12 september 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:3928
  • Zaaknummer: 200.111.783_01

Hof: werkgever niet bekend met gevaar van rugklachten door til- en duwwerk, zorgplicht niet geschonden

Werknemer heeft lage rugklachten opgelopen en stelt zijn werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het hof heeft in eerder arrest overwogen dat algemeen bekend is dat zwaar til- en duwwerk lage rugklachten kunnen veroorzaken. Daarmede is niet gezegd dat sprake is geweest van een blootstelling aan een zodanige mate van duw- en trekkrachten dat dit gevaar voor het ontstaan van lage rugklachten tot gevolg zou hebben en dat dit gevaar voor werkgever kenbaar was. Het hof stelt op basis van het deskundigenbericht vast de werkgever niet wist en niet behoorde te weten dat de blootstelling van werknemer aan de concrete mate van duw- en trekkrachten op het werk het gevaar op het ontstaan van lage rugklachten met zich bracht. Zij heeft haar zorgplicht jegens werknemer niet geschonden.

ECLI:NL:GHSHE:2017:3928

 

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch Datum uitspraak 12-09-2017 Datum publicatie18-09-2017 Zaaknummer200.111.783_01

Formele relaties Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:409

Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:312

Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1053

Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1646

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

was het gevaar voor het ontstaan van lage rugklachten bij de werknemer als gevolg van laad- en loswerkzaamheden met behulp van rolcontainer/handpompwagen, eind jaren 90, voor de werkgever kenbaar?

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Afdeling civiel recht

 

 

 

zaaknummer 200.111.783/01

 

 

 

 

arrest van 12 september 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

advocaat: mr. G.J. Knotter te Utrecht,

 

hierna te noemen: [appellant] ,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[B.V.] B.V. (voorheen [B.V. voorheen genaamd] B.V.),

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

advocaat: mr. J.F.M. Verheij te Amsterdam,

 

hierna te noemen: [geïntimeerde]

 

 

 

 

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarresten van 18 februari 2014, 3 februari 2015, 24 maart 2015 en 26 april 2016 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch onder zaak- en rolnummer 442112/06-1572 gewezen vonnissen van 21 december 2006, 21 augustus 2008 en 26 april 2012.

 

 

 

 

15 Het verloop van de procedure

 

 

 

 

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 26 april 2016;

 

het proces-verbaal van comparitie van partijen van 31 augustus 2016;

 

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 december 2016;

 

het rolbericht van appellant dat hij afziet van contra-enquête van 27 december 2016;

 

de memorie na enquête met producties;

 

de (antwoord)memorie na enquête met één productie.

 

 

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

 

 

 

 

16 De verdere beoordeling

 

 

 

16.1.

Bij genoemd tussenarrest van 26 april 2016 is een comparitie van partijen bepaald teneinde te bezien of partijen tot een schikking konden komen. Tijdens de comparitie is gebleken dat een regeling in der minne niet mogelijk was.

 

 

16.2.

Bij genoemd tussenarrest is [geïntimeerde] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aangenomen causaal verband tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsklachten. Tevens is [geïntimeerde] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij haar zorgplicht jegens [appellant] niet heeft geschonden.

 

 

16.3.

 

Voordat aan de beoordeling van de bewijslevering wordt toegekomen, zal het hof eerst kort het procesverloop tot op heden weergeven. In het tussenarrest van 18 februari 2014 heeft het hof ervoor gekozen om drie van de vier door [appellant] aangevoerde grieven te bespreken. In de bespreking van de eerste grief, betrekking hebbende op de bewijslastverdeling ten aanzien van het causaal verband tussen de werkzaamheden en de gezondheidsklachten, heeft het hof de maatstaf uit het RSI-arrest (ECLI:NL:HR:2013: BZ1717) aangehaald met de bepaling dat partijen zich daarover mogen uitlaten. Partijen mochten zich voorts uitlaten over de gewichten, te verplaatsen door zowel de rolcontainer als de handpompwagen, en de daarbij behorende duw- en trekkrachten. De beoordeling van de derde grief, betrekking hebbende op een eventuele normoverschrijding, is in afwachting van de gevraagde uitlatingen van partijen, aangehouden. Het hof is voorts al ingegaan op de vierde grief die de overweging van de kantonrechter met betrekking tot vereiste mate van waarschijnlijkheid nodig om te komen tot het causaal verband, aan de orde stelde. Op dat punt is beslist om de eerder door de kantonrechter benoemde deskundige op zitting te horen.

 

In het tussenarrest van 3 februari 2015 heeft het hof bepaald dat de hiervoor genoemde maatstaf in de onderhavige zaak moet worden toegepast. Het hof heeft ter beslechting van de discussie tussen partijen over het gewicht van de rolcontainers en de handpompwagens alsmede voor de beantwoording van de vraag welke normen voor het werken hiermee destijds golden, bij arrest van 24 maart 2015 een deskundige benoemd.

 

In het arrest van 26 april 2016 heeft het hof beslist dat moet worden uitgegaan van de werkomstandigheden zoals die door de deskundige uitvoerig zijn beschreven nadat hij daarover partijen had gehoord. De door de deskundige weergegeven situatie moet als de meest getrouwe weergave van de werkomstandigheden worden aangemerkt.

 

Het hof heeft met de deskundige vastgesteld dat er geen sprake is van een concrete en specifieke normoverschrijding, zulks bij gebreke aan destijds geldende normen. Daarmede is nog niet gezegd dat [geïntimeerde] aan haar zorgplicht jegens [appellant] heeft voldaan, gegeven het feit dat er sprake is geweest van overbelasting bij [appellant] in die zin dat de Mitalnormen (gepubliceerd in 1997) zijn geschonden. Van belang is of het gevaar kenbaar was op het moment dat maatregelen zouden moeten worden getroffen

 

 

 

16.4.

Het hof zal nu eerst beoordelen of [geïntimeerde] aan de tweede bewijsopdracht heeft voldaan. De in de hiervoor aangehaalde maatstaf neergelegde regel van bewijslastverdeling doet pas opgeld indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden gezondheidsschade lijdt, zoals uit het citaat in het tussenarrest van 18 februari 2014 volgt (r.o. 4.2.1.). Op dit punt rust op de werkgever de bewijslast en is het dus aan [geïntimeerde] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Om deze reden zal het hof eerst ingaan op de tweede bewijsopdracht.

 

 

16.5.

Gegeven de door de deskundige vastgestelde werkzaamheden gaat het om de vraag of [geïntimeerde] maatregelen had moeten treffen om te voorkomen dat [appellant] bij uitvoering van die werkzaamheden (lage) rugklachten zou krijgen. In concreto gaat het dan om de wijze waarop [appellant] is blootgesteld aan kracht zetten, duwen en trekken en in beweging houden van de hulpmiddelen (rolcontainers en handpompwagens) die hij gebruikte bij het laden en lossen van de vrachtwagen.

 

16.6.

 

Ten bewijze van haar stelling dat zij haar zorgplicht jegens [appellant] niet heeft geschonden, heeft [geïntimeerde] drie getuigen doen horen: de heren [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in de periode 1998 tot 2000 arbo-coördinator was, in dienstbetrekking werkzaam bij [onderneming] . Hij heeft destijds vele risico-inventarisaties gezien. In geen enkele risico-inventarisatie heeft hij regels aangetroffen met betrekking tot het gebruik van handpompwagens of rolcontainers. Hij heeft ook nooit klachten van werknemers over het gebruik van deze hulpmiddelen gehoord. Van het bestaan van de Mitalnormen had hij in die tijd nog niet gehoord.

 

Getuige [getuige 2] was vanaf september 1999 als chauffeur werkzaam bij [geïntimeerde] . Hij werkte, zoals [appellant] , bij het laden en lossen van de vrachtwagen met de handpompwagen en de rolcontainers. Hij vond het werk, in vergelijking met zijn eerdere werk voor een tapijthandelaar, minder zwaar. Hij verklaart voorts niet te hebben gehoord dat collega’s regelmatig klaagden over de zwaarte van het werk.

 

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij in 1998 QHSE (Quality Health Safety Environment)-manager bij [geïntimeerde] was. Er was destijds geen regel over het maximale gewicht van de met de rolcontainer of handpompwagen te vervoeren lading. Er waren geen wettelijke eisen, geen klachten, geen aanbevelingen van het personeel en het betrof een beperkt onderdeel van het takenpakket van de chauffeur. [getuige 3] heeft voorts verklaard niet te weten of er in de risico-inventarisatie uit 1998/1999 iets stond vermeld over de fysieke belasting van chauffeurs bij het laden en lossen met behulp van de rolcontainers en/of de handpompwagen.

 

[geïntimeerde] stelt dat zij met deze getuigenverklaringen heeft bewezen dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden.

 

 

 

16.7.

 

[appellant] heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête. Hij heeft bij (antwoord)memorie na enquête met betrekking tot de tweede bewijsopdracht geen (tegen)bewijsmiddelen in het geding gebracht. [appellant] verwijst naar de bij conclusie na enquête in eerste aanleg overgelegde publicaties met betrekking tot de lichamelijke belasting bij het werken met de hand-palletwagen uit 1997 respectievelijk 1999.

 

[appellant] bestrijdt dat [geïntimeerde] het haar opgedragen bewijs heeft geleverd. Hij stelt dat getuige [getuige 1] niets over de situatie bij [geïntimeerde] kan verklaren nu hij daar nooit is geweest, dat getuige [getuige 2] eerst in dienst is getreden één maand voordat [appellant] definitief is uitgevallen en dat [getuige 3] bevestigt dat er geen aandacht was voor de fysieke belasting. [geïntimeerde] kan geen risico-inventarisatie uit die periode overleggen terwijl daarom reeds in 2002 in de procedure op grond van artikel 843a Rv is gevraagd, aldus [appellant] .

 

 

 

16.8.

De vraag ligt voor of het gevaar voor het ontstaan van lage rugklachten bij [appellant] als gevolg van een blootstelling aan een bepaalde mate van duw- en trekkrachten voor [geïntimeerde] destijds kenbaar was. Alleen dan kan van haar in redelijkheid worden gevergd om maatregelen te treffen ter voorkoming van dit gevaar. Het hof betrekt in de beoordeling de navolgende feiten en omstandigheden.

 

 

16.9.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat hij destijds niet bekend was met de Mitalnormen en dat er in risico-inventarisaties daterend uit die periode geen richtlijnen stonden met betrekking tot blootstelling aan duw- en trekkrachten in relatie tot handpompwagens en rolcontainers. Het enkele feit dat een arbo-coördinator of een QHSE-manager, zoals de getuige [getuige 3] , niet bekend is met de Mitalnormen, betekent evenwel niet dat [geïntimeerde] aan haar zorgplicht heeft voldaan althans dat zij niet nalatig is geweest met het treffen van maatregelen. Van belang is immers in hoeverre destijds algemeen bekend was dat de hier aan de orde zijnde blootstelling leidt tot lage rugklachten, althans dat de kans op het ontstaan ervan zodanig groot was dat maatregelen om dit tegen te gaan, door [geïntimeerde] moesten worden getroffen.

 

 

16.10.

 

Het hof heeft in rechtsoverweging 7.3.3. van het arrest van 3 februari 2015 aangegeven dat in het algemeen bekend is dat zwaar til- en duwwerk lage rugklachten kunnen veroorzaken. Daarmede is niet gezegd dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een blootstelling aan een zodanige mate van duw- en trekkrachten dat dit gevaar voor het ontstaan van lage rugklachten tot gevolg zou hebben en dat dit gevaar voor [geïntimeerde] destijds kenbaar was; niet iedere blootstelling aan duw- en trekkrachten levert gevaar op voor de gezondheid. In de onderhavige zaak is de mate van duw- en trekkrachten door de deskundige vastgesteld door metingen te doen aan de hand van proefopstellingen. Voor het bepalen van de duw- en trekkrachten is niet alleen van belang welk gewicht moet worden verplaatst, maar daarbij spelen ook andere factoren een rol, zoals daar bijvoorbeeld zijn de ondergrond en het gebruikte hulpmiddel. Na vaststelling van de omvang van de krachten heeft de deskundige de uitkomsten getoetst aan de Mitalnormen en is hij tot de conclusie gekomen dat deze normen in een aantal situaties werden overschreden.

 

Het hof heeft in het dossier geen onderbouwing gevonden voor het standpunt dat de blootstelling aan deze mate van duw- en trekkrachten met voormeld concreet gevaar destijds aan [geïntimeerde] kenbaar behoorde te zijn. Het hof zal dit aan de hand van hetgeen uit de processtukken blijkt, in het onderstaande nader toelichten.

 

 

 

16.10.1.

 

[appellant] verwijst naar een uitgave getiteld “ARBO in transport, op- en overslag”. Een gedeelte daaruit heeft hij in eerste aanleg als productie 1 bij conclusie na enquête overgelegd. In deze uitgave staat vermeld dat in 1997 in opdracht van het [Wegvervoer] Wegvervoer een onderzoek is uitgevoerd onder leiding van VHP-adviseurs naar de lichamelijke belasting bij het werken met de handpalletwagen. [appellant] heeft als productie 2 bij voormelde conclusie een samenvatting van het betreffende onderzoeksrapport overgelegd. Dit rapport is gedateerd op 2 februari 1999. De adviezen in de overgelegde paragraaf 4.3.7. van “ARBO in transport, op- en overslag” zijn gebaseerd op de resultaten van dit onderzoek en zijn gepubliceerd in 2003. Ten aanzien van de relevantie van deze publicatie merkt het hof allereerst op dat de deskundige Wouters de in de publicatie gegeven adviezen niet vermeldt als normen die ten tijde van het dienstverband van [appellant] bij [geïntimeerde] golden. Onder verwijzing naar de commissie signalering arbeidsomstandighedenrisico’s waren er destijds geen normen, zo geeft hij aan.

 

Voor zover uit het overgelegde gedeelte van voormelde publicatie uit 2003 blijkt, wordt daarin geen melding gemaakt van de Mitalnormen en moet worden vastgesteld dat, gegeven de publicatiedatum, deze adviezen voor [geïntimeerde] ten tijde van het dienstverband met [appellant] niet kenbaar waren.

 

 

 

16.10.2.

De Mitalnormen dateren uit 1997 althans ze zijn toen in Londen gepubliceerd. Gelet op deze datum had [geïntimeerde] van het bestaan ervan op de hoogte kunnen zijn op het moment dat [appellant] bij haar in dienst trad, zijnde in 1998. Gesteld noch gebleken is evenwel welk internationaal belang en welke wetenschappelijke waarde er destijds aan deze normen is gegeven. Uit het dossier blijkt slechts dat de normen in een tabel als bijlage waren opgenomen in een werk genaamd: “A guide to manual materials handling”.

 

 

16.10.3.

De Mitalnormen zijn gebaseerd op omvangrijk onderzoek naar de samenhang tussen duwen en trekken en het ontstaan van overmatig vermoeidheid als ongewenst direct effect op de gezondheid. In hoeverre er een (mogelijk) oorzakelijk verband bestaat tussen overschrijding van de normen en het gevaar op het ontstaan van lage rugklachten, is gesteld noch gebleken. In zoverre is er dus sprake van een “vaag en algemeen gevaar” zoals door de Hoge Raad aangehaald in het arrest van 7 juni 2013 (rov 4.2.3., ECLI:NL:HR:2013: BZ1721).

 

 

16.10.4.

In een brief van de Gezondheidsraad aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 december 2012 reageert de raad op een vraag van de minister om advies over verschillende arbeidsomstandighedenrisico’s en biedt de raad haar advies aan over kracht zetten, duwen en trekken in werksituaties. In dit advies wordt melding gemaakt van de Mitalnormen en wordt geadviseerd om deze normen te hanteren als best beschikbare instrument om zoveel mogelijk het ontstaan van nieuwe klachten te voorkomen door kracht zetten, duwen en trekken in arbeidssituaties. Uit het vorenstaande volgt dat er op nationaal niveau in ieder geval aandacht was voor de blootstelling aan de onderhavige krachten op de werkvloer, maar eerst vanaf 2012.

 

Uit het advies blijkt voorts dat het niet mogelijk is om gezondheidskundige advieswaarden te formuleren. De commissie geeft bovendien aan dat niet valt te zeggen hoeveel gezondheidsschade wordt voorkomen door het toepassen van deze risicomethode. In het rapport wordt op p. 27 verwezen naar een viertal studies – allen gedateerd van na 2000 – waarbij slechts in één ervan een statistisch significant verhoogd risico op lage rugklachten is gevonden.

 

16.10.5.

Om te kunnen vaststellen of er sprake is geweest van strijd met de Mitalnormen heeft de deskundige Wouters een aantal proefopstellingen gemaakt en metingen gedaan. Daaruit kwam naar voren dat het gebruik van de rolcontainers niet leidde tot een overschrijding van de Mitalnormen (met uitzondering van de – niet vaststaande – situatie dat daarmede een flinke drempel bij een supermarkt moest worden genomen), het gebruik van de handpompwagens wel. Uit de getuigenverklaringen van de werknemers in deze procedure blijkt evenwel niet dat zij het gebruik van de rolcontainers als (veel) minder belastend hebben ervaren dan het gebruik van de handpompwagens. Dat de hoeveelheid duw- en trekkrachten waaraan [appellant] werd blootgesteld, destijds zodanig hoog was dat [geïntimeerde] , zonder concrete metingen te (laten) doen, het gevaar op gezondheidsschade had moeten onderkennen en maatregelen had moeten treffen, is niet gebleken.

 

 

16.11.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beziend, vast dat [geïntimeerde] niet wist en niet behoorde te weten dat de blootstelling van [appellant] aan de concrete mate van duw- en trekkrachten op het werk het gevaar op het ontstaan van lage rugklachten met zich bracht. Zij heeft haar zorgplicht jegens [appellant] niet geschonden.

 

 

16.12.

Als gevolg van voormelde conclusie ontvalt de grondslag aan de vorderingen van [appellant] jegens [geïntimeerde] en heeft de kantonrechter met recht de vorderingen van [appellant] afgewezen.

 

 

16.13.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] . De kosten voor de inschakeling van de deskundige zijn als voorschot bij [appellant] in rekening gebracht en blijven ook ten laste van [appellant] .

 

 

 

17 De uitspraak

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

bekrachtigt de uitspraak waarvan beroep;

 

 

 

 

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 666,00 aan griffierecht en op € 2.682,00 aan salaris advocaat en op € 603,00 aan taxen voor de getuigen, en voor wat betreft de nakosten op € 131,– indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,– vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

 

 

 

 

bepaalt dat de kosten van de deskundige, door [appellant] reeds bij wijze van voorschot voldaan, definitief voor zijn rekening komen;

 

 

 

 

en bepaalt dat deze bedragen (met uitzondering van voormelde € 199,–) binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, J.M.H. Schoenmakers en A. Wilken en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 september 2017.

 

 

 

 

griffier rolraadsheer

 

 

 

ECLI:NL:GHSHE:2016:1646

 

 

 

Permanente link:

 

InstantieGerechtshof ‘s-Hertogenbosch Datum uitspraak26-04-2016 Datum publicatie18-09-2017 Zaaknummer200.111.783_01

Formele relatiesEinduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3928

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerkenHoger beroep

Inhoudsindicatie

 

was het gevaar voor het ontstaan van lage rugklachten bij de werknemer als gevolg van laad- en loswerkzaamheden met behulp van rolcontainer/handpompwagen, eind jaren 90, voor de werkgever kenbaar?

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Afdeling civiel recht

 

 

 

zaaknummer 200.111.783/01

 

 

 

 

arrest van 26 april 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

verder te noemen [appellant] ,

 

advocaat: mr. G.J. Knotter te Utrecht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[B.V.] B.V. (voorheen [B.V. voorheen genaamd] B.V.),

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

verder te noemen [geïntimeerde] ,

 

advocaat: mr. J.F.M. Verheij te Amsterdam,

 

 

 

 

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 18 februari 2014, 3 februari 2015 en 24 maart 2015 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank ‘s‑Hertogenbosch, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, onder zaaknummer 442112/06-1572 gewezen vonnissen van 21 december 2006, 21 augustus 2008 en 26 april 2012.

 

 

 

 

12 Het verloop van de procedure

 

 

 

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 24 maart 2015;

 

het deskundigenbericht van 26 augustus 2015;

 

de memorie na deskundigenbericht van 29 september 2015 van [appellant] ;

 

de memorie na deskundigenbericht van 27 oktober 2015 van [geïntimeerde] met één productie.

 

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

 

 

 

13 De verdere beoordeling

 

 

 

13.1.

Het hof volhardt bij hetgeen werd overwogen en beslist in de tussenarresten en overweegt daaromtrent nog het volgende.

 

 

13.1.1.

 

Bij de laatste memorie van [geïntimeerde] heeft zij als productie gevoegd een brief van 23 oktober 2015 van mr. [mr.] van 23 oktober 2015 waarin – kort gezegd – wordt uiteengezet dat, naar haar mening, het hof in het tussenarrest van 3 januari 2015 het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 ( [naam 1] / [naam 2] , ook wel het RSI-arrest genoemd)) niet correct heeft toegepast c.q. uitgelegd, en in het bijzonder dat het hof te snel is overgegaan tot toepassing van de omkeringsregel.

 

Het hof begrijpt uit punt 24 van die memorie dat [geïntimeerde] verlangt dat het hof terugkomt op eerdere beschouwingen, althans toepassing geeft aan de regel dat er voor het vermoeden dat de gezondheidsschade is veroorzaakt door de omstandigheden waarin de werkzaamheden zijn verricht geen plaats is als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.

 

 

 

13.1.2.

Het hof neemt dienaangaande eerst in overweging dat [appellant] op deze productie nog niet heeft kunnen reageren, zodat een oordeel in de door [geïntimeerde] voorgestane zin prematuur zou zijn. Het hof ziet evenwel aanleiding op het hiervoor verwoorde verzoek van [geïntimeerde] te reageren.

 

 

13.1.3.

 

In genoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen (in rov. 4.2.2):

 

Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt

 

 

 

13.1.4.

Het hof heeft in rov. 7.3.4 van het tussenarrest juist geoordeeld dat het vermoeden bestaat dat de gezondheidsschade (mede) is veroorzaakt door de werkomstandigheden, en dat daarmee het (vermoeden van het bestaan van het) vereiste causaal verband – namelijk dat op grond van de algemene ervaringsregel dat belasting als waarvan hier sprake is de gestelde rugklachten kan opleveren en op grond van het medische deskundigenrapport, tezamen met de nadere uitleg van de deskundige ter comparitie – in voldoende mate vaststaat. Daarin ligt besloten het oordeel dat het (vermoeden van causaal) verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden hier juist niet onzeker of onbepaald is. Het hof wijst er ook op dat de bedrijfsarts [bedrijfsarts] heeft aangenomen dat de kans op arbeidsgerelateerde rugklachten hier meer dan 50% is (slotcitaat rov. 4.1.2 van het tussenarrest van 18 februari 2014), terwijl de deskundige in zijn rapport een percentage van 54-57% vermeldt

 

 

13.1.5.

 

Het hof ziet voorshands geen aanleiding om deze bevindingen terzijde te stellen.

 

Bovendien is met deze vaststelling het omgekeerde nog niet gezegd: namelijk dat de gezondheidsschade – de lage rugklachten die als zodanig vaststaan – geheel of in grote mate het gevolg is geweest van de arbeidsomstandigheden. Wel kan op grond van het deskundigenrapport en de door de deskundige gegeven nadere uitleg worden aangenomen dat de arbeidsomstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van die klachten. Anders gezegd: thans staat nog niet vast in welke mate de gezondheidsschade een gevolg is van de arbeidsomstandigheden (waarvoor [geïntimeerde] aansprakelijk is) dan wel van andere pre-existente omstandigheden (zoals het door het deskundige genoemde overgewicht en een positieve familie anamnese (aanleg voor HNP), die voor rekening van [appellant] komen).

 

 

 

13.1.6.

Gelet op de conclusies van het laatste deskundigenbericht staat thans ook in voldoende mate vast dat [appellant] de werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk konden zijn voor zijn gezondheid. Daarmee is voldaan aan de stelplicht en bewijslast die op [appellant] rusten. [geïntimeerde] , die bewijs heeft aangeboden, kan tegenbewijs leveren tegen dit voorshands aangenomen vermoeden van causaal verband.

 

 

13.1.7.

 

In dit verband wijst het hof op HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, waarin is overwogen (rov. 4.3.2):

 

De regel (…) – ook wel aangeduid als proportionele aansprakelijkheid – is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending (onrechtmatig handelen of toerekenbare tekortkoming) van de aansprakelijk gestelde persoon (…), dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt (of door een combinatie van beide oorzaken), en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is. Onder een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt wordt in een geval als het onderhavige verstaan een buiten de uitoefening van de werkzaamheden gelegen omstandigheid die aan de werknemer moet worden toegerekend, zoals roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. Die laatste drie omstandigheden kunnen de werknemer weliswaar niet worden verweten, maar komen in de verhouding tot de werkgever voor zijn risico.

 

Hier is van belang dat de medisch deskundige mede de gesteldheid (predispositie) van [appellant] als oorzaak heeft genoemd. Voorts kan in dit kader het deskundigenrapport over de arbeidsomstandigheden van belang zijn.

 

Over deze proportionele aansprakelijkheid hebben partijen nog nauwelijks debat gevoerd.

 

Partijen kunnen de getuigenverhoren mede benutten voor de beantwoording van de vraag in welke mate c.q. voor welk percentage de arbeidsomstandigheden enerzijds en de genetische aanleg van [appellant] anderzijds hebben bijgedragen aan het ontstaan van de a-specifieke rugklachten. (hoogte van de proportionele aansprakelijkheid.)

 

 

 

13.2.

Het deskundigenrapport

 

 

13.2.1.

 

Bij laatstgenoemd tussenarrest is een deskundige benoemd ten einde de volgende vragen te beantwoorden (rov. 10.4):

 

  1. Kunt u – aan de hand van de verklaring van partijen en eventueel nader (feitelijk) onderzoek, waarbij valt te denken aan een proefopstelling, en/of berekening – een (nauwkeurige) schatting geven van het gemiddelde gewicht en de spreidingsbreedte van de rolcontainers en pallets (met een handpompwagen te bedienen) en de daarmee gepaard gaande krachten die moeten worden uitgeoefend om de rolcontainers met koelversproducten en de rolcontainers met groenten (in de vrachtauto en daarbuiten) c.q. de pompwagen met pallets te draaien en voort te bewegen (horizontaal en over een helling) en voor het tillen van kratten bij het laden en (over)laden?

 

  1. Welke (ARBO)-normen golden er rond 2000 met betrekking tot het gewicht van te draaien en voort te duwen rolcontainers en handpompwagens met pallets en wat was destijds de (maximale) belasting waaraan werknemers mochten worden blootgesteld? Zo er geen specifieke normen gelden, bestaan er dan vergelijkbare normen (of later gestelde normen) van vergelijkbare aard?

 

  1. Kunt u aangeven of en in hoeverre bij de antwoorden uit de vragen 1 en 2 de geldende normen zijn overschreden?

 

  1. Zijn er andere aspecten die voor de beoordeling door het hof van belang kunnen zijn en zo ja, welke zijn dat?

 

 

 

 

Deze vragen zijn aldus beantwoord:

 

Antwoord vraag 1

 

Er werden gewichten gehanteerd van 3 tot 15 kg voor wat betreft het aanpassen van de pallets. Dat wil zeggen het zo nodig aanpassen van de belading van de pallets die klaar stonden om te worden vervoerd naar de klanten.

 

Voor gewichten en krachten verwijs ik kortheidshalve naar de voorliggende rapportage.

 

Antwoord vraag 2

 

Er zijn geen vastgestelde normen. De Commissie Signalering Arbeidsomstandighedenrisico’s stelt “Nu het formuleren van gezondheidskundige advieswaarden niet mogelijk is, constateert de commissie dat de tabellen van Mital tot op heden de meest bruikbare uitspraken oplevert voor het inschatten van de gezondheidsrisico’s van kracht zetten, duwen en trekken in de arbeidssituatie”. Retrospectief bezien is dat niet anders dan ten tijde van het werk van betrokkene bij, destijds, [B.V. voorheen genaamd] B.V. Daarom zijn door mij de Mital tabellen gehanteerd.

 

Antwoord vraag 3

 

Bij verplaatsingen van rolcontainers worden de meetgegevens (let op Mital tabellen) niet overschreden. Dit met uitzondering van een meting bij een supermarkt waar een flinke drempel werd aangetroffen. Als betrokkene de vracht voor de deur van de supermarkten afleverde dan is een variatie in hellingshoeken en drempels geen te nemen obstakel. Maar uit het handboek blijkt dat hij wel degelijk de rolcontainers naar binnen moest brengen zodat dit argument niet opgaat. Probleem is dat niet duidelijk is hoe de situaties op de losadressen was.

 

De pompwagen gaat zowel met aanzetkracht (AK) als ook met vol houdkracht (VK) de maximale kracht voor duwen en trekken te boven (uitgaande van de Mital tabel).

 

Antwoord vraag 4

 

nee.

 

Het hof merkt op dat uit de opmerking bij het * onder tabel 7 op pagina 21 van het rapport blijkt dat er geen overschrijding van de Mital-waarden is geweest bij draaibewegingen met de handpompwagen, maar wel ten aanzien van de aanzet en de volhoudkracht (bij beladingen van 352 tot 652 kg).

 

 

 

13.2.2.

 

De deskundige is aan hand van een door hem uitgevoerd feitenonderzoek uitvoerig ingegaan op vraag 1. Aan dit onderzoek ligt het antwoord op vraag 3 ten grondslag. [appellant] meent dat dit onderzoek ten aanzien van de rolcontainers ontoereikend is geweest, geen getrouwe weergave geeft van de destijds werkelijke situatie. Zo zou onvoldoende rekening zijn gehouden met het handboek chauffeurs, met de hoogte van de containers (volgens [appellant] ) en met het partijrapport van [rapport] , alsmede met oneffenheden in de ondergrond. Het hof gaat aan deze stellingname voorbij.

 

De deskundige heeft bij de aanvang van zijn onderzoek geconstateerd dat de situatie veranderd was ten opzichte van die welke indertijd bestond (p. 5 onderaan). De deskundige heeft toen in overleg met partijen, en derhalve op grond van zijn visie op de situatie zoals die toen was, zijn onderzoek gedaan en zijn bevindingen gerapporteerd. Daarmee moet het dan gedaan worden temeer omdat de werkelijke situatie niet meer eenduidig valt vast te stellen (zie p. 30/31 van het rapport). De deskundige is overigens op tal van plaatsen uitgegaan van de door [appellant] beschreven situatie. Dat [appellant] (in die gevallen waarin geen overschrijding is geconstateerd) een andere herinnering aan de werkelijke situatie had, dan die waarvan de deskundige is uitgegaan, en een voor hem meer gunstigere proefopstelling had gewenst, doet niet af aan de conclusies van het rapport. Deze zijn naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en volgen ook logisch uit de daaraan voorafgaande bevindingen van de deskundige. Dat de proefopstelling zoals die waarvan de deskundige is uitgegaan zozeer afwijkt van de werkelijke situatie dat deze onbruikbaar is, kan het hof niet vaststellen. Evenmin hoefde de deskundige zijn rapport uit te breiden tot een situatie als die welke [appellant] gewenst acht. Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige in toereikende mate rekening gehouden met de opvattingen van [appellant] . Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek.

 

[appellant] heeft nog gesteld (p. 6 memorie) dat de deskundige onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het gemiddelde gewicht voor het tillen van kratten bij het laden en overladen door alleen het tilgewicht te noemen en daarbij de tilnormen niet te betrekken. De deskundige heeft dienaangaande opgemerkt dat hem niet gevraagd is naar de wijze hoe daarbij getild werd. Deze opmerking van [appellant] heeft betrekking op zijn stelling dat de rolcontainers hoger moesten worden geladen dan twee meter, zodat hij kratten tot boven zijn hoofd moest tillen. Het hof heeft dienaangaande inderdaad geen specifieke vragen aan de deskundige gesteld. Het hof is bij de vraagstelling uitgegaan van de ‘normale’ situatie, dat is de situatie zoals die door de deskundige, in overleg met partijen, als meest getrouw wordt aangemerkt. De deskundige heeft zich aan die opdracht gehouden en zijn bevindingen hierop geënt. Het hof heeft geen concrete aanwijzingen dat de onderzoekssituatie zodanig afwijkt van de feitelijke situatie in het verleden dat de resultaten buiten beschouwing moeten worden gelaten of dat nader onderzoek geïndiceerd is. De bezwaren van [appellant] falen.

 

 

 

13.2.3.

 

[geïntimeerde] stelt (punt 11 memorie na deskundigenbericht) kort gezegd dat inzake de handpompwagens geen separate grief is aangevoerd zodat de resultaten dienaangaande buiten beschouwing moeten worden gelaten.

 

[geïntimeerde] miskent daarmee dat het hof anders dan de kantonrechter oordeelt over de causaliteitsvraag, zodat ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep de vraag of schending van 7:658 BW heeft plaatsgevonden in volle omvang voorligt, waarbij de fysieke belasting van [appellant] , ook die met betrekking tot de handpompwagen, in de beoordeling betrokken moet worden.

 

 

 

13.2.4.

De deskundige heeft op vragen 2 en 3 geantwoord dat er ten tijde van de uitgeoefende werkzaamheden geen vastgestelde normen golden en dat de tabellen van Mital de meest bruikbare uitspraken opleveren. [appellant] deelt deze mening. [geïntimeerde] benadrukt (punten 15-18 memorie na deskundigenbericht) dat er geen normen golden en relativeert de waarde die aan die Mitalnormen moet worden toegekend. Ook noemt [geïntimeerde] de korte duur van het dienstverband waarmee de deskundige onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

 

 

13.2.5.

Het hof neemt in aanmerking dat uit de medische rapportage van [deskundige] een verband is gebleken tussen de rugklachten van [appellant] en de werkomstandigheden en dat in het onderzoek door metingen is vastgesteld dat de werkomstandigheden inderdaad (over)belastend waren. Daaraan doet niet af dat niet gezegd kan worden dat bestaande normen niet werden overschreden, omdat er destijds nog geen concrete normen golden. Aan de eerste zinsnede van artikel 7:658 lid 2 BW is daarmee voldaan. Het hof dient thans de tenzij-bepaling te onderzoeken.

 

 

13.2.6.

Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vraag of een werkgever op grond van de op hem rustende zorgplicht die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, beantwoord dient te worden aan de hand van de in de betrokken periode geldende maatstaven. Wanneer, zoals hier, concrete voorschriften ontbreken, dient aan de hand van de concrete omstandigheden te worden beoordeeld of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Daarbij is onder meer van belang of het gevaar dat zich heeft gerealiseerd, kenbaar was op het moment dat de veiligheidsmaatregelen getroffen werden (vgl. rov. 4.2.2 van HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721).

 

 

13.2.7.

 

De enkele omstandigheid dat concrete en specifieke normen ontbraken (punt 33 memorie [geïntimeerde] ) is derhalve onvoldoende voor afwijzing van de vordering. Het omgekeerde is ook niet het geval: de enkele omstandigheid dat er Mital-tabellen c.q. Mital-normen (van 1997) bestaan en dat deze zijn geschonden is onvoldoende voor de conclusie dat [geïntimeerde] haar zorgplicht heeft geschonden.

 

Het hof wijst op rov. 4.2.3 van laatstgenoemd arrest:

 

Het hof heeft weliswaar met juistheid geoordeeld dat het enkele feit dat tot 1990 het gevaar van kanker door blootstelling aan verf en oplosmiddelen niet kenbaar was, nog niet doorslaggevend is, maar zijn oordeel dat uit de aangehaalde vakliteratuur en het Publicatieblad P-139 volgt dat [eiseres] bekend behoorde te zijn met “de gevaren verbonden aan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen”, en dat zij – zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld – op die grond maatregelen had moeten treffen dan wel instructies had moeten geven die hadden bijgedragen tot de beperking van die gevaren, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Het hof heeft – in het licht van de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden, zoals hiervoor in 4.2.1 samengevat – nagelaten te vermelden welke zorgplicht [eiseres] naar zijn oordeel heeft geschonden en welke maatregelen zij had moeten nemen, of welke instructies zij had moeten geven, en het heeft aldus zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

 

 

 

13.2.8.

In het licht hiervan dient te worden geoordeeld dat er (bij gebreke aan destijds geldende normen) geen sprake is van een concrete en specifieke normoverschrijding, maar dat anderzijds het hof de deskundige voorshands wel zal volgen in zijn beoordeling (dat sprake is geweest van overbelasting) aan de hand van de Mital-tabellen.

 

 

13.3.

De bewijslast ten aanzien van [geïntimeerde] stelling dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden rust op haar. Zij heeft bewijs aangeboden en zij kan tot bewijslevering worden toegelaten.

 

 

13.4.

[appellant] heeft materiële en immateriële schadevergoeding gevorderd op te maken bij staat. Gelet op het tijdsverloop van deze procedure – en met het oog op een eventueel te treffen schikking – acht het hof het gewenst dat hij zijn vordering nader specificeert en zo veel mogelijk concrete bedragen noemt alsook deze zo veel mogelijk staaft met schriftelijke bescheiden. Hij dient opgave te doen vóór de hierna te bepalen comparitie van partijen. Het hof zal het getuigenverhoor doen voorafgaan door een comparitie van partijen teneinde te bezien of een schikking kan worden bereikt.

 

 

13.5.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

 

 

 

14 De uitspraak

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. M.J.H.A Venner-Lijten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ‘s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rechtsoverweging 13.4 vermelde doeleinden;

 

 

 

 

verzoekt [appellant] de hiervoor onder 13.4 bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

 

 

 

 

laat [geïntimeerde] toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aangenomen causaal verband tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsklachten;.

 

 

 

 

laat [geïntimeerde] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij haar zorgplicht jegens [appellant] niet heeft geschonden;

 

 

 

 

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M.J.H.A. Venner-Lijten als raadsheer-commissaris aansluitend op de comparitie van partijen;

 

 

 

 

verwijst de zaak naar de rol van 17 mei 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

 

 

 

 

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

 

 

 

 

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

 

 

 

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, H.A.W. Vermeulen en M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 april 2016.

 

 

 

 

griffier rolraadsheer