• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 7 maart 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:1960
  • Zaaknummer: 200.152.499/01

Hof: vier deskundigen benoemd ter vaststelling verband gezondheidsklachten en blootstelling aan oplosmiddelen

Beroepsziekte als gevolg van blootstelling aan oplosmiddelen bij schildersbedrijf in 1999-2000?
Het hof heeft in eerder tussenarrest overwogen dat nog niet vaststaat dat de gezondheidsklachten van werknemer zijn veroorzaakt (dan wel dat aannemelijk is dat ze kunnen zijn veroorzaakt) door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij het schildersbedrijf en dat nader onderzoek noodzakelijk is. Het hof benoemt vier deskundigen benoemen die betrokken zijn bij Ika-Ned, een arbeidshygiënist, een neuroloog, een psycholoog en een psychiater. Het hof is met werknemer van oordeel dat niet volstaan kan worden met de IMWD-vraagstelling en neemt de door werknemer voorgestelde vraagstelling over.

ECLI:NL:GHARL:2017:1960

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 07-03-2017
Datum publicatie 09-03-2017
Zaaknummer200.152.499/01

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Het hof benoemt deskundigen ter beantwoording van de vraag of sprake is van een beroepsziekte als gevolg van de blootstelling van betrokkene aan oplosmiddelen.

VindplaatsenRechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2017-0213

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN 

 

 

 

 

locatie Leeuwarden

 

 

 

 

afdeling civiel recht, handel

 

 

 

 

zaaknummer gerechtshof 200.152.499/01

 

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 574276 CV EXPL 13-734)

 

 

 

 

arrest van 7 maart 2017 

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [appellant] ,

 

wonende te [A] ,

 

appellant,

 

in eerste aanleg: eiser,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. A.J. Van, kantoorhoudend te Amsterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

Schildersbedrijf De Graaf B.V.,

 

gevestigd te [B] ,

 

geïntimeerde,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: De Graaf,

 

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen.

 

 

 

 

 

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 maart 2016 hier over.

 

 

 

 

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

 

 

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de benoeming van een deskundige.

 

 

1.2

Beide partijen hebben een akte uitlating deskundigenbericht genomen. Aan de akte van [appellant] is een productie gehecht met informatie over de door [appellant] voorgestelde deskundigen.

 

 

1.3

[appellant] heeft de vanaf het tussenarrest van het hof gewisselde stukken overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

 

 

 

2 Verder over de grieven

 

 

2.1

Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat nog niet vaststaat dat de gezondheidsklachten van [appellant] zijn veroorzaakt (dan wel dat aannemelijk is dat ze kunnen zijn veroorzaakt) door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij De Graaf en dat nader onderzoek naar het verband tussen deze blootstelling en de klachten noodzakelijk is. Het hof tekent daarbij aan dat het gaat om het verband tussen alleen de blootstelling in 1999-2000 en de gezondheidsklachten, niet om het verband tussen deze klachten en de blootstelling in 1999-2000 alsmede de (mogelijke) blootstelling in andere periodes (waaronder in 1980-1981 bij de Graaf). [appellant] heeft immers uitdrukkelijk gesteld dat alleen de (piek)blootstelling bij zijn werkzaamheden in 1999-2000 voor De Graaf de klachten heeft veroorzaakt.

 

 

2.2

Het hof is, met [appellant] , van oordeel dat het onderzoek niet beperkt kan blijven tot een onderzoek door alleen medici. Het hof heeft in het tussenarrest weliswaar melding gemaakt van de mogelijke benoeming van een neuroloog en een psychiater (en eventueel een neuropsycholoog), maar toen niet uitgesloten dat ook een blootstellingsdeskundige – een toxicoloog of een arbeidshygiënist – zou kunnen worden benoemd. Nu partijen van mening verschillen over het effect van de blootstelling van gevaarlijke stoffen op de gezondheid van [appellant] , acht het hof het dienstig niet alleen deskundigen op het gebied van de gezondheid, medici, maar ook een deskundige op het gebied van het effect van gevaarlijke stoffen te benoemen. Het verdient naar het oordeel van het hof de voorkeur dat de te benoemen deskundigen in teamverband werken.

 

 

2.3

Het hof zal een viertal deskundigen benoemen die betrokken zijn bij Ika-Ned dat, anders dan De Graaf opmerkt, niet alleen bedrijfsartsen in dienst heeft, maar ook gebruik maakt van de diensten van andere medici. Het betreft de arbeidshygiënist dr. [C] , de neuroloog dr. [D] , de psycholoog dr.

[E] en de psychiater dr. [F] . Ika-Ned zal de coördinatie van het onderzoek door deze deskundigen voor haar rekening nemen en voor de facturering van de kosten van de deskundigen zorgdragen.

 

 

2.4

Partijen verschillen van mening over de aan de deskundigen te stellen vragen. Volgens De Graaf kan volstaan worden met een vraagstelling conform het IWMD-model causaal, [appellant] opteert voor een veel uitgebreidere vraagstelling. Het hof is met [appellant] van oordeel dat niet volstaan kan worden met de IMWD-vraagstelling waaraan De Graaf refereert, de IWMD vraagstelling causaal verband na ongeval. Deze vraagstelling is bedoeld voor onderzoeken door medisch deskundigen en ziet, zoals de naam al aangeeft, op het causaal verband na ongeval. In dit geval is geen sprake van een ongeval, maar van een blootstelling aan gevaarlijke stoffen (te weten vluchtige stoffen) en wordt het onderzoek niet alleen verricht door medici. Het hof zal dan ook uitgaan van de door [appellant] voorgestelde vraagstelling, met enkele aanpassingen. Het hof tekent daarbij aan dat De Graaf als bezwaar tegen de door [appellant] voorgestelde vraagstelling slechts heeft aangevoerd dat de vraagstelling ook betrekking heeft op de blootstelling. Naar het oordeel van het hof zijn vragen over de (mogelijke) gevolgen van de blootstelling essentieel voor een oordeel over het verband tussen de blootstelling en de gezondheidsklachten van [appellant] .

 

 

2.5

Het hof zal de door [appellant] voorgestelde vraagstelling echter niet volledig volgen:

– het hof zal vraag 12 achterwege laten, omdat deze naast vraag 11 geen toegevoegde waarde heeft;

– het hof zal de vragen toespitsen op de blootstelling in 1999-2000;

– het hof zal expliciet vragen naar de mogelijke invloed van de stresserende gezinssituatie van [appellant] op het ontstaan en voortbestaan van diens gezondheidsklachten;

– het hof zal ook vraag 16 achterwege laten. Deze vraag zou pas aan de orde komen indien het verband tussen de gezondheidsklachten van [appellant] en de blootstelling in 1999-2000 is vastgesteld en dan ter discussie staat of [appellant] dezelfde gezondheidsklachten zou hebben gehad indien De Graaf haar zorgplicht niet zou hebben geschonden. Het gaat bij deze vraag niet om het causaal verband tussen de blootstelling en de gezondheidsklachten, het onderwerp van het deskundigenbericht, maar om het causaal verband tussen de gezondheidsschade en de schending van de zorgplicht door De Graaf. De vraag naar dit causaal verband is niet door De Graaf, op wie ter zake stelplicht en bewijslast rusten, opgeworpen en behoeft dan ook geen beantwoording;

– het hof zal enkele vragen herformuleren.

 

 

2.6

Het hof komt al met al tot de volgende vraagstelling:

Blootstelling

 

1. Heeft u voor uw beoordeling van deze casus en de beantwoording van de hierna

 

volgende vragen voldoende blootstellingsgegevens ontvangen betreffende de werkzaamheden van [appellant] bij De Graaf in 1999-2000? Zo nee, welke informatie wilt u nog ontvangen?

 

2. Kunt u op grond van de aan u ter beschikking gestelde feitelijke informatie en

 

eventuele door u zelf verkregen aanvullende informatie aangeven:

 

a. welke werkzaamheden [appellant] tijdens zijn dienstverband met De Graaf in 1999-2000

 

 

heeft verricht?

b. of [appellant] tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden in aanraking is gekomen

 

of heeft kunnen komen met vluchtige oplosmiddelen?

 

c. wat de intensiteit was van deze blootstelling (mate, duur en piekblootstellingen)?

 

 

Mogelijke blootstelling elders

 

3. Heeft u in de aan u ter beschikking gestelde feitelijke informatie en eventuele door

 

 

uzelf verkregen aanvullende informatie concrete aanwijzingen gevonden om te

 

kunnen veronderstellen dat [appellant] op andere wijze (bijvoorbeeld in dienst

 

van andere werkgevers, tijdens kluswerkzaamheden of in het leefmilieu) in hogere

 

mate dan de gemiddelde bevolking van ons land is blootgesteld aan vluchtige

 

oplosmiddelen?

 

4. Als u de vorige vraag bevestigend hebt beantwoord, kunt u dan aangeven wat de

 

 

intensiteit was van deze blootstelling (mate, duur en piekblootstellingen) en of deze

 

blootstelling op zichzelf genomen (dus los van de andere blootstellingen) kan

 

worden gekwalificeerd als een voldoende oorzaak voor het ontstaan van de

 

klachten van [appellant] ?

 

 

Gezondheidsschade

 

5. Heeft u voor uw beoordeling van deze casus en de beantwoording van de volgende

 

 

vragen voldoende medische/bedrijfsgeneeskundige gegevens ontvangen? Zo nee,

 

welke informatie wilt u nog ontvangen?

 

6. Kunt u, op basis van de anamnese, de medische informatie uit de behandelende

 

 

sector, de resultaten van uw eigen onderzoek en de overige, door u relevant

 

bevonden informatie aangeven:

– welke klachten de heer [appellant] zelf aangeeft?

 

– wanneer deze klachten zijn ontstaan?

– wat het beloop is geweest van deze klachten?

– welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat?

 

7. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de

 

 

informatie die is verkregen van [appellant] zelf, de feiten zoals die uit het

 

medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel

 

hulponderzoek?

 

8. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de

 

 

reactie was van [appellant] op de door u geconstateerde inconsistenties en

 

welke conclusies u daaruit trekt?

 

9. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Kunt u daarbij uw differentiaaldiagnostische

 

 

overwegingen geven?

 

 

Causaal verband

 

10. Kunt u beschrijven wat er in de medische literatuur bekend is over het oorzakelijk

 

 

verband tussen enerzijds de klachten en beperkingen, behorend bij de diagnose die

 

u stelt (zie vraag 9) en blootstelling aan vluchtige oplosmiddelen anderzijds? 

11. Kan, gelet op uw antwoord op vraag 10, het ontstaan van de klachten en beperkingen, behorend bij de diagnose die u stelt worden gerelateerd aan de omstandigheden waaronder [appellant] zijn werkzaamheden in 1999-2000 in opdracht van De Graaf moest uitvoeren, in die zin dat deze arbeidsomstandigheden de kans op het ontstaan van deze klachten en beperkingen hebben vergroot? Kunt u aangeven met welke mate van waarschijnlijkheid dat het geval is?

 

12. Welke andere oorzaken of risicofactoren, anders dan de aan de

 

 

arbeidsomstandigheden bij De Graaf in 1999-2000 gerelateerde, worden in de medische

 

literatuur beschreven in verband met de klachten en beperkingen, behorend bij

 

de diagnose die u stelt?

13. Kunt u voor elk van deze oorzaken of risicofactoren aangeven of concrete

 

aanwijzingen aanwezig zijn op grond waarvan mag worden verondersteld dat deze

 

in het geval van [appellant] een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de klachten en beperkingen, behorend bij de diagnose die u stelt? Wilt u daarbij ook aandacht schenken aan stresserende gezinsomstandigheden die zich hebben voorgedaan?

 

14. Als u de vorige vraag bevestigend hebt beantwoord, kunt u dan voor elk van de

 

bedoelde oorzaken of risicofactoren aangeven met welke mate van waarschijnlijkheid deze bij [appellant] hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten en beperkingen, behorend bij de diagnose die u stelt?

 

15. Acht u het aannemelijk dat de klachten, behorend bij de diagnose die u stelt, 

 

 

op enig moment ook zouden zijn ontstaan als [appellant] in 1999-2000 niet bij De Graaf zou hebben gewerkt?

 

 

Overig

16. Heeft u nog opmerkingen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de

 

(eventuele) blootstelling, de gestelde diagnose/beperkingen en het mogelijke causaal verband daartussen? 

 

 

2.7

Partijen verschillen van mening over het voorschot op de kosten van de deskundigen. Volgens De Graaf dient [appellant] het voorschot te betalen, [appellant] meent dat het voorschot door De Graaf dient te worden voldaan. [appellant] wijst er in dat verband op dat De Graaf jegens hem haar zorgplicht heeft geschonden door hem bloot te stellen aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen.

 

 

2.8

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Het enkele feit dat De Graaf ten aanzien van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen haar zorgplicht heeft geschonden, betekent nog niet dat zij aansprakelijk is jegens [appellant] . Daartoe is nodig dat ook vaststaat dat [appellant] (enige) schade heeft geleden ten gevolge van die blootstelling. Dat dit het geval is, staat nu juist niet vast. Zoals het hof in genoemd tussenarrest heeft overwogen, rusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van de schade op [appellant] . Om die reden dient [appellant] het voorschot op de kosten van de deskundigen te dragen. Het beroep van [appellant] op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF7423) gaat niet op, nu in die zaak de aansprakelijkheid niet meer ter discussie stond, nog daargelaten dat de zaak betrekking had op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten, waaronder medische kosten, waarvoor de wet een eigen regeling kent (6:96 lid 2 sub b BW), en niet op de kosten van een onderzoek door een deskundige.

 

 

2.9

Het hof zal [appellant] dan ook belasten met het voorschot op de kosten van de deskundigen. De kosten zijn door Ika-Ned begroot op € 6.000,- ex BTW, zodat het hof het voorschot zal vaststellen op – naar boven afgerond – € 7.500,-.

 

 

 

 

 

3 De beslissing

Het gerechtshof, alvorens nader te beslissen:

 

 

benoemt tot deskundigen: de arbeidshygiënist dr. [C] , de neuroloog dr. [D] , de psycholoog dr. [E] en de psychiater dr. [F] , p.a. [a-straat] , [G] , e-mail: secretariaat@ [—–] .nl,

 

 

 

om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de in rechtsoverweging 2.6 vermelde vragen;

 

 

 

 

bepaalt dat de deskundigen tijdens het onderzoek partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;

 

 

 

 

bepaalt dat de deskundigen een concept-deskundigenbericht aan partijen zullen sturen en partijen in de gelegenheid zullen stellen op dat concept te reageren alvorens een definitief bericht uit te brengen. In het definitieve deskundigenbericht zullen de deskundigen de reacties van partijen op het concept bespreken;

 

 

 

 

bepaalt dat [appellant] aan de deskundigen een kopie van het volledige procesdossier ter beschikking zal stellen;

 

 

 

 

beveelt partijen om aan de deskundigen alle door dezen gewenste inlichtingen te verstrekken;

 

 

 

 

bepaalt de termijn waarbinnen de deskundige het door hem uit te brengen rapport (ondertekend en met redenen omkleed) ter griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden) zal inleveren op drie maanden na het bericht van de griffie betreffende de ontvangst van het voorschot;

 

 

 

 

bepaalt het voorschot van de kosten van de deskundigen op € 7.500,- (incl. btw), tenzij partijen (of een van hen) binnen twee weken na heden in een brief aan het hof bezwaar maken (maakt) tegen de hoogte van het voorschot, in welk geval het hof bij afzonderlijke beslissing op het bezwaar zal beslissen;

 

 

 

 

bepaalt dat [appellant] het voorschot dient te betalen, conform de nota met betaalinstructies die [appellant] zal ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

 

 

 

 

bepaalt dat dit voorschot uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van de nota van het Landelijk Dienstencentrum moet zijn voldaan;

 

bepaalt dat de deskundigen niet met het onderzoek zullen starten voordat de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald;

 

 

 

 

bepaalt dat de deskundigen zich – door tussenkomst van de griffie – met vragen en opmerkingen zullen wenden tot mr. H. de Hek, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;

 

 

 

 

draagt de griffier op een afschrift van dit arrest aan de deskundigen te verzenden;

 

 

 

 

verwijst de zaak naar de roldatum van vier weken na de datum waarop het definitieve deskundigenbericht ter griffie is ingeleverd voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] ;

 

 

 

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J.H. Kuiper en mr. M.E.L Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.