• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 19 september 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:4109
  • Zaaknummer: 200.194.138_01

Hof: toedracht ongeval tussen twee fietsers tijdens inhalen staat niet vast, vordering afgewezen

Eiser op elektrische fiets wordt ingehaald door gedaagde op mountainbike. De fietsers raken elkaar; eiser komt ten val en loopt letsel op. Gedaagde stelt dat eiser tijdens het inhalen plotseling naar links kwam. De door de eiser gestelde feitelijke toedracht – dat hij rustig rechtdoor fietste zonder uit te wijken en dat de hem inhalende fietser onvoldoende afstand hield en tijdens het inhalen tegen zijn arm aanfietste – is niet komen vast te staan. Vordering afgewezen.

ECLI:NL:GHSHE:2017:4109
Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
200.194.138_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Aanrijding tussen twee fietsers tijdens inhaalmanoeuvre in nabijheid van zijweg naar links. De door de eiser gestelde feitelijke toedracht – dat hij rustig rechtdoor fietste zonder uit te wijken en dat de hem inhalende fietser onvoldoende afstand hield en tijdens het inhalen tegen zijn arm aanfietste – is niet komen vast te staan. Vordering van eiser tot schadevergoeding daarom afgewezen.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0757
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.194.138/01
arrest van 19 september 2017
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. H.J.W. Weekers te Roermond,
op het bij exploot van dagvaarding van 9 juni 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis in verzet van 13 april 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als geopposeerde en [geïntimeerde] als opposant.
1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/200425, rolnummer HA ZA 14-756)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in verzet.
Aan de betreffende verzetprocedure is een verstekprocedure voorafgegaan waarin de rechtbank op 8 oktober 2014 een eindvonnis heeft gewezen onder zaaknummer C/03/194365 en rolnummer HA ZA 14-448.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
• –
de dagvaarding in hoger beroep;
• –
de memorie van grieven;
• –
de memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3 De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
• –
Op [datum] 2012 fietste [appellant] , op dat moment 70 jaar oud, op een elektrisch aangedreven herenfiets in [plaats] met een snelheid van ongeveer 10 à 15 kilometer per uur over het eenrichtingsfietspad gelegen aan de [straat] in zuidwestelijke richting. Op dezelfde tijd fietste [geïntimeerde] , op dat moment (omstreeks) 39 jaar oud, op hetzelfde fietspad op een mountainbike (zonder fietsbel) in dezelfde richting met een snelheid van ongeveer 20 à 25 kilometer per uur.
• –
Vóór de afslag naar links naar de [laan] – ter hoogte van het viaduct van de [verkeersweg] – is [geïntimeerde] [appellant] gaan inhalen. [appellant] en [geïntimeerde] hebben elkaar vervolgens geraakt. [appellant] is daarbij naar links gevallen. Of ook [geïntimeerde] is gevallen is tussen partijen in geschil.
• –
Door deze val heeft [appellant] een ‘pertrochantere femurfractuur’ (hof: een breuk van het dijbeen nabij de heup) aan de linkerzijde opgelopen.
• –
Naar aanleiding van dit ongeval is een proces-verbaal opgemaakt door de politie, waarin op bladzijde 3 onder meer het volgende staat:
“TP lag BE [appellant] op het fietspad op de grond, om hem heen stonden een aantal behulpzame omstanders en BE [geïntimeerde] .
Beiden BE’s waren tegen elkaar aan gefietst waarna [appellant] dit letsel had opgelopen. [appellant] fietste over het fietspad vanuit [straat] in de richting van de [weg] . THV het hiergelegen viaduct wilde hij linksaf richting [stadsdeel] . Op dit moment wilde BE [geïntimeerde] , die in dezelfde richting fietste, hem links passeren, waarna hun botsten en [appellant] ten val kwam.
AMBU is tp gekomen en hebben BE [appellant] meegenomen naar de EH te [plaats] om te onderzoeken wat hij aan zijn heup heeft. (…)
De gegevens van [appellant] zijn met zijn toestemming doorgegeven aan [geïntimeerde] . Hij zal nog contact met hem opnemen en afhankelijk van het letsel zorgen dat alles netjes geregeld word.”
• –
Ter afwikkeling van de schade heeft [appellant] ‘ [B.V.] B.V.’ ingeschakeld. [B.V.] B.V. heeft [geïntimeerde] meermaals, voor het eerst bij brief van 19 juni 2012, aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] ten gevolge van het ongeval heeft geleden.
• –
Op 6 september 2012 heeft [geïntimeerde] telefonisch contact gehad met de toenmalige belangenbehartiger van [appellant] . [geïntimeerde] heeft in dat gesprek gezegd dat het ongeval niet zijn fout was en dat, kort gezegd, [appellant] bij het afslaan bij [geïntimeerde] in de flank is gefietst. De belangenbehartiger heeft [geïntimeerde] gevraagd zijn lezing over de toedracht per e-mail te bevestigen. [geïntimeerde] heeft daarop per e-mail van 6 september 2012 onder meer het volgende meegedeeld aan de belangenbehartiger van [appellant] :
“Ik (…) kwam meneer voor mij tegen met de fiets.
Mondeling heb ik gebeld en geprobeerd meneer voorbij te fietsen.
Maar meneer wou linksaf de straat in (…), dit deed meneer echter zonder achterom te kijken oftewel zijn linkerhand uit te steken.
Toen ik meneer halfweg voorbij was ging meneer linksaf en kwam met zijn voorwiel in mijn trapper met alle ongelukken vandien.”
• –
Op verzoek van [appellant] heeft in verband met zijn geschil met [geïntimeerde] op 22 juli 2013 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden bij de rechtbank Limburg, locatie Roermond, sector kanton. Bij deze gelegenheid zijn [appellant] en [geïntimeerde] als getuigen gehoord.
• –
[appellant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“Ik fietste over het fietspad onder het viaduct door. Na het viaduct wilde ik links afslaan. Op enig moment was ik aan het begin van het viaduct en ik schat dat ik ongeveer 10 meter verder linksaf moest slaan. Met beide handen had ik het stuur nog vast. Ik stond op het punt om naar links te kijken, ik bedoel achterom te kijken of er auto’s aankwamen. (…) Plotseling voelde ik dat iemand tegen mijn linker arm aanreed. Daardoor viel ik naar links op de grond. Ik zag toen dat het een andere fietser was, (…). Volgens mij fietste ik zo’n 10 a 15 km per uur. De andere fietser fietste beduidend sneller. Ik heb geen bel gehoord, hij had ook geen bel en ik heb ook niemand horen roepen. Het fietspad ter plekke is redelijk breed. In ieder geval breed genoeg voor twee fietsers. Het fietspad is alleen bestemd voor één richting. (…) Naderhand hoorde ik van omstanders dat [geïntimeerde] mij niet had gezien. Ik denk niet dat ik rijdend over het fietspad een beweging naar links heb gemaakt.”
– [geïntimeerde] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“(…) Ik fietste over dat fietspad en zag voor mij [appellant] fietsen. Ik denk dat ik 20 a 25 km per uur fietste. Ik wilde deze fietser inhalen. Ik heb geen bel op mijn fiets en riep met luide stem “tring tring”. [appellant] fietste netjes op het fietspad aan de rechter zijde en ik kon makkelijk links voorbij. Toen ik langs zijkwam stuurde hij naar links. Voor mij was het onverwachts. Mijn trapper kwam naar ik meen in zijn voorwiel terecht en toen ik omkeek zag ik dat deze fietser op de grond lag. (…)
(…) Ik heb [appellant] duidelijk gezien en wilde hem links voorbij fietsen. (…)
Als je het viaduct onder doorgaat kan je linksaf. Op het punt waar je links af kan slaan is het ongeval gebeurd. Daar is [appellant] ook op de grond terecht gekomen. Naar mijn idee gaat het om de weg linksaf direct na het viaduct. Precies weet ik het niet maar de weg naar links is iets buiten het viaduct, misschien een meter of twee. Ik blijf erbij dat [appellant] naar links stuurde en mijn trapper in zijn voorwiel kwam. In ieder geval raakte hij mij met zijn voorwiel. Hoe dat precies is gebeurd weet ik niet.
U zegt mij dat de politie een paar regels op papier heeft gezet waaronder de mededeling dat ik nog contact zou opnemen met [appellant] en afhankelijk van het letsel alles netjes zou regelen. Het kan zijn dat ik iets dergelijks heb gezegd ik bedoelde daar echter mee dat ik dat zou doen als ik aansprakelijk zou zijn en dat ben ik niet. (…).”
3.2.1.
Het bestreden vonnis van 13 april 2016 is gewezen in een verzetprocedure. Aan die procedure is een verstekprocedure voorafgegaan. In die procedure vorderde [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 26.912,41, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, zijnde 7 juli 2014.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door bij het inhalen van [appellant] tegen [appellant] aan te fietsen, waardoor [appellant] ten val is gekomen. Volgens [appellant] moet [geïntimeerde] daarom de schade die [appellant] door de val heeft geleden, vergoeden.
Volgens [appellant] bedraagt de door hem geleden materiële schade € 11.912,41 en de immateriële schade (“inclusief rente tot aan datum dagvaarding”) € 15.000,–.
3.2.3.
[geïntimeerde] is in de betreffende procedure niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. De rechtbank heeft [appellant] vervolgens bij tussenvonnis van 27 augustus 2014 in de gelegenheid gesteld bepaalde stukken over te leggen. Nadat [appellant] van die gelegenheid gebruik had gemaakt, heeft de rechtbank bij het verstekvonnis van 8 oktober 2014, kort gezegd, de vordering van [appellant] toegewezen.
3.2.4.
[geïntimeerde] heeft verzet ingesteld tegen het verstekvonnis. In de verzetprocedure heeft [geïntimeerde] gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door [appellant] ingestelde vordering en geconcludeerd tot, zakelijk weergegeven, vernietiging van het verstekvonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.5.
In het nu bestreden verzetvonnis van 13 april 2016 heeft de rechtbank geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] met de wijze waarop hij de inhaalmanoeuvre heeft uitgevoerd, onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Om die reden heeft de rechtbank:
• –
het verstekvonnis van 8 oktober 2014 vernietigd;
• –
de vordering van [appellant] alsnog afgewezen;
• –
[appellant] in de proceskosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure veroordeeld.
3.3.1.
[appellant] heeft acht grieven aangevoerd tegen het verzetvonnis van 13 april 2016. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het, opnieuw rechtdoende, alsnog bekrachtigen van het verstekvonnis van 8 oktober 2014, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen en beoordelen of de vordering van [appellant] kan worden toegewezen op de gronden die [appellant] in de memorie van grieven naar voren heeft gebracht.
3.3.2.
Volgens [appellant] is de toedracht van het ongeval als volgt geweest.
[appellant] fietste aan de – bezien vanuit zijn rijrichting – rechterzijde van het fietspad en [appellant] volgde daarbij een rechte lijn. [appellant] was weliswaar voornemens om bij de [laan] af te slaan naar links, maar toen het ongeval zich voordeed was de locatie waar hij linksaf wilde gaan nog ongeveer 10 meter verwijderd. [appellant] had nog niet omgekeken en nog niet naar links gestuurd toen [geïntimeerde] , die hem met een aanzienlijk hogere snelheid van achteren naderde en aan een inhaalmanoeuvre was begonnen, tegen de arm van [appellant] aanfietste. Deze aanrijding vond plaats omdat [geïntimeerde] onvoldoende afstand had bewaard tot [appellant] .
Volgens [appellant] volgt uit deze toedracht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door tegen hem aan te fietsen en [appellant] zo ten val te brengen.
3.3.3.
[geïntimeerde] heeft dit betoog van [appellant] bestreden. Volgens [geïntimeerde] is de toedracht van het ongeval als volgt geweest.
[appellant] fietste aan de – bezien vanuit zijn rijrichting – rechterzijde van het fietspad in een rechte lijn. [geïntimeerde] naderde [appellant] van achteren en zette een inhaalmanoeuvre in. Op dat moment had [geïntimeerde] geen aanleiding om aan te nemen dat [appellant] naar links zou gaan sturen. [appellant] fietste rechtdoor, keek niet om en gaf geen richting aan. Er was op dat moment ruimschoots voldoende ruimte om [appellant] in te halen. Toen [geïntimeerde] halverwege langszij [appellant] was gekomen, stuurde [appellant] echter opeens naar links. Daardoor raakten [appellant] en [geïntimeerde] elkaar en is [appellant] ten val gekomen.
Volgens [geïntimeerde] volgt uit deze toedracht dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat het ongeval te wijten is aan het rijgedrag van [appellant] .
3.3.4.
Omdat [appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op de door [appellant] gestelde wijze tegen hem aan te fietsen, rust op hem de bewijslast van de door hem gestelde toedracht van het ongeval. [appellant] heeft dat in de toelichting op grief I erkend.
3.3.5.
Tussen partijen staat vast dat er slechts twee getuigen zijn die het ongeval hebben waargenomen: [appellant] en [geïntimeerde] . Beiden zijn partij in dit geschil en beiden hebben tijdens het voorlopig getuigenverhoor een getuigenverklaring afgelegd. Art. 164 lid 1 Rv laat de partijgetuigen-verklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig art. 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933). [appellant] heeft in de toelichting op grief I erkend, dat aan de bewijskracht van zijn getuigenverklaring in zoverre een beperking kleeft.
3.3.6.
[appellant] heeft in de toelichting op grief I wel aangevoerd dat het voor hem onmogelijk is om te bewijzen dat het ongeval op de door hem gestelde wijze heeft plaatsgevonden, aangezien alleen hijzelf en [geïntimeerde] getuige zijn geweest van het ongeval. Dat het bij deze stand van zaken, waarin [appellant] en [geïntimeerde] een verschillend standpunt innemen over de toedracht van het ongeval, voor [appellant] moeilijk is om de juistheid van zijn standpunt te bewijzen, brengt echter niet mee dat de bewijslast niet op [appellant] zou moeten rusten. [appellant] is nu eenmaal de partij die zich in de onderhavige procedure beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde toedracht van het ongeval. Daarbij past dat [appellant] , overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, de bewijslast draagt van die toedracht. Voor zover [appellant] met grief I een andere bewijslastverdeling heeft willen bepleiten, kan de grief geen doel treffen.
3.4.1.
Het hof ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of [appellant] erin is geslaagd de door hem gestelde toedracht – waarin hij niet naar links is uitgeweken maar rechts is blijven houden en [geïntimeerde] desondanks tegen hem aan is gefietst – te bewijzen.
3.4.2.
Naar het oordeel van het hof moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Het enige bewijsmiddel dat duidelijk in het voordeel van [appellant] is, is de door hemzelf afgelegde getuigenverklaring. Naar het oordeel van het hof is voor die getuigenverklaring onvoldoende steunbewijs aanwezig. [appellant] heeft in de toelichting op grief II wel gesteld dat uit de aard van het letsel dat hij heeft opgelopen, moet worden afgeleid dat de toedracht van het ongeval is geweest zoals hij heeft gesteld en niet zoals [geïntimeerde] heeft gesteld. [geïntimeerde] heeft dat betoog van [appellant] echter gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dit betoog onvoldoende onderbouwd. In zoverre verwerpt het hof grief II.
3.4.3.
[appellant] heeft voorts gesteld dat [geïntimeerde] direct na het ongeval tegen omstanders heeft gezegd dat hij [appellant] helemaal niet had gezien. Ook die stelling kan echter niet bijdragen aan het door [appellant] te leveren bewijs. [geïntimeerde] heeft immers uitdrukkelijk betwist dat hij ooit tegen iemand heeft gezegd dat hij [geïntimeerde] niet had gezien. Gelet op die betwisting staat de stelling van [appellant] niet vast en kan die stelling dus ook niet aan het door [appellant] te leveren bewijs bijdragen. [appellant] heeft ook geen namen van de betreffende omstanders genoemd en hij heeft niet aangeboden deze omstanders als getuigen te laten horen.
3.4.4.
[appellant] heeft voorts aangevoerd dat uit de tekst van de e-mail van [geïntimeerde] van 6 september 2012 moet worden afgelegd dat de toedracht van het ongeval is geweest zoals door [appellant] geschetst, althans dat [geïntimeerde] [appellant] is gaan inhalen terwijl voor [geïntimeerde] op dat moment al duidelijk was dat [appellant] linksaf wilde slaan. Het hof volgt [appellant] daar niet in. Het hof begrijpt de in de e-mail door [geïntimeerde] gegeven omschrijving van de toedracht van het ongeval aldus, dat [appellant] opeens linksaf sloeg zonder achterom te kijken en zonder zijn hand uit te steken, terwijl [geïntimeerde] al met de inhaalmanoeuvre bezig was en zich al vrijwel naast [appellant] bevond. Dat [geïntimeerde] al vóór het inzetten van de inhaalmanoeuvre aanleiding had om aan te nemen dat [appellant] linksaf wilde slaan, is naar het oordeel van het hof niet af te leiden uit de tekst van het e-mailbericht. Ook in zoverre is geen steunbewijs aanwezig voor de door [appellant] afgelegde getuigenverklaring.
3.4.5.
Daar komt bij dat [geïntimeerde] als getuige de door [appellant] geschetste toedracht van het ongeval uitdrukkelijk heeft betwist. Het hof concludeert daarom dat niet is komen vast te staan dat de toedracht van het ongeval is geweest zoals door [appellant] is gesteld. Dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door tegen [appellant] aan te rijden terwijl [appellant] zonder uit te wijken aan de rechterzijde van het fietspad reed, is dus niet komen vast te staan.
3.4.6.
[appellant] heeft aan het slot van de memorie van grieven nog aangeboden bewijs te leveren van zijn stellingen. Het hof passeert dat bewijsaanbod omdat tussen partijen vast staat dat er slechts twee getuigen zijn geweest die het ongeval hebben waargenomen, te weten de partijen zelf. Deze getuigen hebben tijdens het voorlopig getuigenverhoor al een getuigenverklaring afgelegd en [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt wat deze getuigen nog meer of anders kunnen verklaren. [appellant] heeft voorts aangeboden om de politieagenten te laten horen die na het ongeval ter plaatse zijn gekomen. Vast staat echter dat deze politieagenten het ongeval niet hebben zien gebeuren. [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt omtrent welk relevant feit deze politieagenten een verklaring zouden kunnen afleggen. Het hof passeert daarom het bewijsaanbod dat [appellant] heeft gedaan.
3.5.1.
[appellant] heeft in de toelichting op grief V gewezen op het feit dat [geïntimeerde] geen bel op zijn fiets had. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het ontbreken van een bel op de fiets van [geïntimeerde] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Volgens de eigen stelling van [appellant] , die in zoverre door [geïntimeerde] wordt gedeeld, fietste [appellant] in een rechte lijn aan de rechterzijde van het fietspad toen [geïntimeerde] de inhaalmanoeuvre inzette. [geïntimeerde] had op dat moment dus geen aanleiding om op grond van het rijgedrag van [appellant] aan te nemen dat [appellant] opeens naar links zou kunnen sturen of om aan te nemen dat anderszins sprake was van een dreigend gevaar. Het stond [geïntimeerde] bij die stand van zaken vrij om een inhaalmanoeuvre in te zetten zonder [appellant] door een geluidsignaal te waarschuwen. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat het gebruiken van geluidssignalen in het verkeer op grond van artikel 28 RVV 1990 alleen is toegestaan ter afwending van dreigend gevaar. Uit de stellingen van partijen volgt dat [geïntimeerde] in dit geval bij het inzetten van de inhaalmanoeuvre geen aanleiding had om de aanwezigheid van een dreigend gevaar aan te nemen.
3.5.2.
Daar komt nog bij dat [geïntimeerde] heeft betwist dat hij [appellant] niet door een geluidssignaal heeft gewaarschuwd. Volgens [geïntimeerde] heeft hij luid “tring tring” geroepen. Dat [geïntimeerde] [appellant] is gaan inhalen zonder hem te waarschuwen staat dus niet vast. Om meerdere redenen kan dus niet worden gezegd dat het ontbreken van de bel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.
3.5.3.
Volledigheidshalve stelt het hof vast dat [appellant] zijn vordering niet heeft gebaseerd op de stelling dat hij kort voor het ongeval naar links heeft gestuurd en dat hij dit niet zou hebben gedaan indien [geïntimeerde] hem door middel van een geluidssignaal zou hebben gewaarschuwd voor het feit dat hij een inhaalmanoeuvre ging beginnen. Ook in die situatie zou de vordering van [appellant] overigens niet toewijsbaar zijn aangezien het ontstaan van het ongeval in die veronderstelde situatie moet worden toegeschreven aan het door [appellant] :
• –
in strijd met artikel 18 lid 1 RVV 1990 bij het linksaf slaan niet voor laten gaan van een bestuurders die op dezelfde weg zich naast dan wel links dicht achter hem bevond;
• –
in strijd met artikel 17 lid 2 RVV 1990 niet aangeven van richting alvorens linksaf te slaan.
3.6.
Tot slot acht het hof ook het snelheidsverschil tussen [appellant] en [geïntimeerde] niet zodanig groot dat daarin onrechtmatig gedrag van [geïntimeerde] is gelegen. Een snelheid van 20 tot 25 kilometer per uur is geenszins ongebruikelijk op een fietspad waarop zich ook e-bikes en snorfietsen mogen bevinden
3.7.1.
Het hof concludeert evenals de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof verwerpt daarom de grieven en het hof zal het bestreden vonnis van 13 april 2016 bekrachtigen.
3.7.2.
[geïntimeerde] heeft aan het slot van de memorie van antwoord veroordeling van [appellant] gevorderd tot terugbetaling van al hetgeen [geïntimeerde] op grond van het verstekvonnis aan [appellant] heeft voldaan. Die vordering is in feite een sequeel van het instellen van verzet tegen het verstekvonnis. [geïntimeerde] had deze vordering dus in de verzetdagvaarding moeten instellen. Het hof zal deze vordering daarom niet toewijzen in het dictum van dit arrest. Dat laat onverlet dat [appellant] al hetgeen [geïntimeerde] op grond van het verstekvonnis van 8 oktober 2014 aan [appellant] heeft betaald, aan [appellant] moet terugbetalen. Bij het onderhavige arrest wordt immers beslist dat de rechtbank het verstekvonnis van 8 oktober 2014 terecht heeft vernietigd. Dat brengt mee dat de rechtsgrond voor de betalingen die [geïntimeerde] aan [appellant] heeft gedaan, door het wijzen van het verzetvonnis van 13 april 2016 vervallen is, en dat [appellant] al het betaalde moet terugbetalen aan [geïntimeerde] .
3.7.3.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd.
4 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/200425 en rolnummer HA ZA 14-756 tussen partijen gewezen vonnis van 13 april 2016;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 718,– aan griffierecht en op € 1.158,– aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 september 2017.
griffier rolraadsheer