• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 17 december 2013
  • ECLI:NL:GHARL:2013:9641
  • Zaaknummer: 200.116.697-01

Hof: terecht beroep op opzetclausule ‘nieuwe stijl’ na brandstichting

Appellant heeft brand gesticht op korenveld; hiervoor is hij strafrechtelijk veroordeeld. Kan AVP-verzekeraar een beroep op de opzetclausule ‘nieuwe stijl’ doen? Het hof oordeelt dat aan het in het strafvonnis bewezen verklaarde opzet niet de dwingende bewijskracht van artikel 161 Rv toekomt, nu de strafrechtelijke kwalificatie ‘opzet’ en het civielrechtelijk begrip ‘opzet’ een verschillende lading hebben. Het strafrechtelijk begrip ‘opzet’ neemt de gemiddeld normale mens tot uitgangspunt, terwijl het verzekeringsrecht een veel subjectievere invalshoek hanteert die noopt tot een grotere mate van terughoudendheid in het aanvaarden van opzet. Wel is het hof van oordeel dat uit de aard van de door appellant gepleegde handelingen, te weten het stichten van branden door met een aansteker koren respectievelijk een bank in een woning aan te steken, voorshands, behoudens tegenbewijs, het opzettelijk karakter van dit wederrechtelijk handelen volgt.

ECLI:NL:GHARL:2013:9641
Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak: 17-12-2013
Datum publicatie: 18-12-2013
Zaaknummer: 200.116.697-01
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Verzekeringszaak. Beroep op de opzetclausule ‘nieuwe stijl’ door de verzekeringsmaatschappij in verband met brandstichting. Het hof oordeelt dat aan het strafvonnis niet de dwingende bewijskracht toekomt van artikel 161 lid 1 Rv, nu de strafrechtelijke kwalificatie ‘opzet’ en het civielrechtelijk begrip ‘opzet’ een verschillende lading hebben. Wel volgt uit de aard van de gepleegde handelingen naar het oordeel van het hof voorshands, behoudens tegenbewijs, het opzettelijk karakter daarvan.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.116.697/01
(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 195175/ HZ ZA 12-55)

arrest van de tweede kamer van 17 december 2013

in de zaak van

[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. H. Boven, kantoorhoudend te Kampen,

tegen

Achmea Schadeverzekering N.V.,
tevens handelend onder de naam Interpolis,
gevestigd te Apeldoorn,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: Achmea,
advocaat: mr. R.F.L.M. van Dooren, kantoorhoudend te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 22 augustus 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure is als volgt:
– de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 november 2012,
– de memorie van grieven,
– de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3 De vordering in de memorie van grieven van [appellant] luidt: “dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zal beslissen overeenkomstig de vorderingen van appellant, zoals geformuleerd bij appeldagvaarding d.d. 8 november 2012, te weten dat het Gerechtshof het vonnis d.d. 22 augustus 2012, waarvan hoger beroep werd ingesteld, zal vernietigen en – opnieuw recht doende – de vorderingen van appellant, eiser in eerste aanleg, zal toewijzen en geïntimeerde zal veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties.”

2.4 De conclusie van de memorie van antwoord luidt: “tot niet-ontvankelijkheid van appellant in diens vordering in hoger beroep, althans tot ontzegging daarvan als ongegrond en onbewezen en voorts, desnodig met verbetering van de gronden waarop hetzelve berust, tot bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 22 augustus 2012 op tegenspraak tussen partijen onder rolnummer 195175/HZ ZA 12-55 gewezen en met veroordeling van appellant, bij arrest en uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op het hoger beroep gevallen.”

3 De feiten

3.1 De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil.

3.2 [appellant], geboren [in 1992], heeft per 21 mei 2010 een ‘Alles in een polis’ afgesloten bij Achmea. Daartoe behoort een aansprakelijkheidsverzekering. In artikel 2 van de op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke Algemene Voorwaarden is onder meer het volgende bepaald: ‘De verzekerde is verplicht om zodra hij op de hoogte is of hoort te zijn van een gebeurtenis die voor ons tot een verplichting kan leiden:
1 deze gebeurtenis zo spoedig mogelijk aan ons te melden en alle gegevens te verstrekken en stukken door te zenden; (…)
5 zo spoedig mogelijk bij ons te melden dat er tegen hem een strafvervolging wordt ingesteld. (…)’

3.3 Op de verzekeringsovereenkomst zijn tevens van toepassing de ‘Bijzondere voorwaarden aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren.’ Artikel 4 bevat, voor zover relevant, de volgende uitsluitingsbepaling:
‘1 Opzet/seksuele gedragingen
a Niet gedekt is de aansprakelijkheid:
– van de verzekerde voor schade die is veroorzaakt door en/of voortvloeit uit zijn opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten: – (…)’

3.4 Bij onherroepelijk, op tegenspraak gewezen, strafvonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 december 2010 is ten aanzien van [appellant] bewezen verklaard, voor zover van belang dat:
‘07/650223-10
1. hij op 25 juli 2010 te Mariënberg, gemeente Hardenberg, opzettelijk brand heeft gesticht op een korenveld, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk dat koren met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan dat korenveld en bosschages/struiken geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat korenveld en/of die bosschages/struiken en/of zich in de (directe) nabijheid van dat korenveld bevindende woningen en/of spoorlijn en/of trein(en) te duchten was; (…)
3. hij op 2 augustus 2010 te Mariënberg, gemeente Hardenberg, opzettelijk brand heeft gesticht in een leegstaande woning gelegen aan de Kloosterdijk 3, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een in die woning staande bank aangestoken met een aansteker, ten gevolge waarvan die bank en die woning geheel zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of bomen en/of struiken/bosschages, te duchten was.’
Het vonnis vermeld dat er geen feiten of omstandigheden zijn die de strafbaarheid van [appellant] uitsluiten. In het vonnis staat verder, voor zover van belang:
‘Op 30 september 2010 heeft [psychiater], psychiater, een psychiatrisch rapport opgemaakt. Hierin heeft hij geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een vitaal depressief beeld, alcoholmisbruik, een autisme spectrumstoornis en add. Deze stoornissen waren ten tijde van de ten laste gelegde delicten aanwezig en beïnvloedden op dat moment de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. De psychiater adviseert de rechtbank derhalve verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.’

3.5 De rechtbank heeft [appellant] verminderd toerekeningsvatbaar geacht en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 901 dagen met aftrek van de tijd die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht waarvan 730 dagen voorwaardelijk, met een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder intramurale behandeling van [appellant] in de inrichting FPA De Boog in Warnsveld.

3.6 De benadeelden van de onder 3.4 vermelde brandstichtingen, [benadeelde 1] en [benadeelde 2], zijn door hun verzekeraar Univé schadeloos gesteld. Op grond van subrogatie heeft Univé [appellant] aangesproken tot betaling van, in totaal, € 146.392,91 vermeerderd met rente en kosten.

3.7 [appellant] heeft Achmea op 11 november 2011 van de schade van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op de hoogte gesteld en hij heeft Achmea daarbij verzocht dekking te willen verlenen op grond van de aansprakelijkheidsverzekering. Bij brief van 29 november 2011 heeft Achmea aan [appellant] bericht dat zij geen polisdekking verleent. Volgens Achmea voldeed [appellant] niet aan zijn verplichtingen bij schade nu hij Achmea niet op tijd over de ontstane schades heeft geïnformeerd. Voorts deed Achmea een beroep op de uitsluitingsclausule van artikel 4 lid 1 (a) van de Bijzondere Voorwaarden.

3.8 Accare, instelling voor Forensische Jeugd-en orthoPsychiatrie (hierna: Accare) heeft op 16 januari 2009 en 26 januari 2009 psychologisch onderzoek verricht naar [appellant]. In de rapportage van 23 februari 2009 staat (onder: Vraagstelling) dat het onderzoek ertoe dient om de intelligentie van [appellant] te bepalen en neuropsychologische-en persoonlijkheidsaspecten te onderzoeken. Het rapport vermeldt onder meer:
‘Zeer zorgelijk is het feit dat hij brandstichting heeft gebruikt als middel om zijn zin door te drijven, zonder te realiseren wat de gevolgen kunnen zijn van zijn gedrag, slechts redenerend vanuit zijn eigen egoïstische motieven, met geen enkele vorm van empathie. Het feit dat het stichten van de brand bij hem vervolgens enkel positieve gevoelens oproept (spanning, kick) en hij nog altijd overweegt om hetzelfde middel nog altijd te gebruiken om te bewerkstelligen wat hij wil, schetst een zorgelijk risico op recidive. (…)
Concluderend is er sprake van een jongen met een beneden gemiddelde intelligentie. Er is sprake van een jongen met een zeer negatief oordeel over zichzelf en de wereld, met veel opgekropte negatieve gevoelens. Hij is impulsief en kan bij opgelopen spanningen of problemen agressief reageren. Er komen in het onderzoek veel aanwijzingen naar voren van aanlegproblematiek. Er zijn symptomen zichtbaar van een Pervasieve Ontwikkelingsstoornis (zoals de door ouders genoemde sociale gedragsproblemen, problemen in de sociale cognitie zoals de moeite met perspectiefname, reflecteren, mentaliseren, egocentrisme, onvoldoende afstemming in sociaal opzicht, weinig flexibiliteit in denken, moeite met veranderingen). Daarnaast zijn er symptomen zichtbaar van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (aandachtsproblemen, impulsief en hyperactief gedrag). Door deze problematiek zijn er veel problemen ontstaan in de aansluiting in sociaal opzicht. [appellant] is in het verleden veelvuldig gepest en ervaart nog altijd problemen in de contacten met anderen. Daarbij zijn ook in het gezin problemen tussen ouders en hem ontstaan, vooral nadat [appellant] na de verhuizing zijn bewegingsvrijheid is kwijtgeraakt. Er is daarbij een toename ontstaan van zowel externaliserende gedragsproblemen (dwingend gedrag, ruzies, agressie) als internaliserende gedragsproblemen (stemmingsklachten). [appellant] heeft een pessimistische inslag en heeft onvoldoende copingstrategieën om zijn problemen aan te pakken. Zijn suïcidale uitingen en anderzijds de brandstichting zijn voor hem een uiting hiervan en het laatste een middel om zijn zin door te drijven, zonder te realiseren wat de gevolgen kunnen zijn van zijn gedrag, slechts redenerend vanuit zijn eigen egoïstische motieven. In de behandeling is psycho-educatie, het uitbreiden van zijn copingvaardigheden en het terugbrengen van de opgelopen spanningen, zeker in de thuissituatie, van belang.’

3.9 Op verzoek van de rechter-commissaris heeft psychiater [psychiater] (hierna: [psychiater]) in verband met de hem verweten brandstichtingen een psychiatrisch onderzoeksrapport over [appellant] uitgebracht, gedateerd 30 september 2010. Daarin valt onder meer het volgende te lezen:
‘(…) 1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
[appellant] lijdt aan een vitaal depressief beeld, alcoholmisbruik, een autisme spectrum stoornis en add
2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?
Alle bij “1” beschreven stoornissen waren ten tijde van al de ten laste gelegde delicten aanwezig.
3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)?
Ja, voor alle ten laste gelegde feiten.
4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd dan gemotiveerd aangeven:
a. op welke manier dat gebeurde,
De ontstane depressieve stemmingsstoornis gecombineerd met de symptomen van impulsiviteit en overprikkeling uit de add en autisme spectrum stoornis, waarvoor geen adequate oplossingsstrategie te vinden leek maakte betrokkene wanhopig en deed hem neigen naar heftige emotie om tot rust te komen en zijn woede af te reageren. Aanvankelijk door vernieling later door de ten laste gelegde brandstichtingen. (…)
b. in welke mate dat gebeurde,
Dat gebeurde in sterke mate
c. Welke conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is.
Rapporteur zou de rechtbank willen adviseren op grond van bovenstaande verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
5a. Welke factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?
Psychotische overprikkeling met desintegratieangsten en achterdocht, stemmingsproblemen (slechte stemming: depressie, wisselende stemmingen) impulsief handelen en verminderde sociale oplossingsstrategieën door een autisme spectrum stoornis.
d. Welke andere factoren en condities moeten hierbij in ogenschouw worden genomen?
Secundair alcoholmisbruik als zelfmedicatie tegen een deel van de bij “a” beschreven symptomen, kunnen uiteindelijk een stemmingsstoornis onderhouden en verergeren en kunnen bijdragen aan een verminderde rem op het plegen van een delict, door vermindering van remmende angsten voor consequenties.
e. Is iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?
Na adequate behandeling middels farmacologische interventies en stemming (antidepressiva), psychotische overprikkeling (antipsychotica) en add (ritalin) is psychotherapeutische bewerking nodig van de opgelopen traumata en begeleiding om zelfstandig wonen en leven mogelijk te maken. (…)’

4 De vordering en de beslissing in eerste aanleg

4.1 [appellant] heeft in deze vrijwaringszaak gevorderd, kort samengevat, dat Achmea wordt veroordeeld tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst door betaling van de schade in verband met de onder 3.4 vermelde brandstichtingen aan Univé voor zover [appellant] in de hoofdzaak tussen Univé en [appellant] wordt veroordeeld tot betaling aan Univé, vermeerderd met rente en kosten. Achmea voert twee verweren. Allereerst beroept zij zich ter afwering van de vordering op de onder 3.3 vermelde, in artikel 4 van haar Bijzondere voorwaarden opgenomen uitsluitingsbepaling (hierna: de opzetclausule) nu de schade is veroorzaakt door het opzettelijk wederrechtelijk handelen – te weten opzettelijke brandstichting – door [appellant]. In de tweede plaats stelt zij onder verwijzing naar het onder 3.2 vermelde artikel 2 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden dat [appellant] niet tijdig aan de op hem rustende meldingsplicht heeft voldaan en dat zij ook om die reden geen dekking hoeft te verlenen.

4.2 De rechtbank heeft het beroep van Achmea op de opzetclausule gehonoreerd en de vordering van [appellant] op die grond afgewezen.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1 De grieven bestrijden het oordeel van de rechtbank dat Achmea zich terecht op de opzetclausule heeft beroepen, en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5.2 De vordering van [appellant] strekt ertoe dat Achmea op grond van de aansprakelijkheidsverzekering dekking verleent voor de schade die het gevolg is van de beide brandstichtingen. Achmea beroept zich bij wijze van verweer tegen die vordering op de opzetclausule, krachtens welke bepaling niet is gedekt aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade die is veroorzaakt door en/of voortvloeit uit zijn opzettelijk tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten. De vraag die thans ter beantwoording voorligt is of Achmea zich kan beroepen op de opzetclausule nu [appellant] stelt dat hij als gevolg van een stoornis in zijn geestvermogens geen opzet heeft gehad op de brandstichting. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat op Achmea de last rust de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de schade is veroorzaakt door het opzettelijk wederrechtelijk handelen van [appellant].

5.3 Daartoe beroept Achmea zich op het onder 3.4 vermelde onherroepelijk geworden en op tegenspraak gewezen strafvonnis, waarbij bewezen is verklaard dat [appellant] op 25 juli 2010 en op 2 augustus 2010 opzettelijk brand heeft gesticht door met een aansteker koren respectievelijk een bank in een woning aan te steken ten gevolge waarvan een korenveld en bosschages/struiken gedeeltelijk en de bank en de woning geheel zijn verband.

5.4 Het hof is van oordeel dat aan het in het strafvonnis bewezen verklaarde opzet niet de dwingende bewijskracht van artikel 161 Rv toekomt, nu de strafrechtelijke kwalificatie ‘opzet’ en het civielrechtelijk begrip ‘opzet’ een verschillende lading hebben. Het strafrechtelijk begrip ‘opzet’ neemt de gemiddeld normale mens tot uitgangspunt, terwijl het verzekeringsrecht een veel subjectievere invalshoek hanteert die noopt tot een grotere mate van terughoudendheid in het aanvaarden van opzet. Dat laatste houdt verband met het verschil in doeleinden die in beide gebieden worden nagestreefd. Wel is het hof van oordeel dat uit de aard van de door [appellant] gepleegde handelingen, te weten het stichten van branden door met een aansteker koren respectievelijk een bank in een woning aan te steken, voorshands, behoudens tegenbewijs, het opzettelijk karakter van dit wederrechtelijk handelen volgt.

5.5 Ten betoge dat het opzet heeft ontbroken voert [appellant] allereerst aan dat bij hem sprake was van een zodanige stoornis van zijn geestvermogens dat hij niet in staat was om zijn wil te bepalen en van brandstichtingen af te zien, zodat hem van dat handelen geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts betoogt hij dat zijn opzet niet gericht is geweest op wederrechtelijk handelen, omdat de brandstichtingen het gevolg waren van zijn onvermogen de overprikkeling in zijn hoofd te stoppen. Dat laatste staat echter los van de vraag of [appellant] wist dat brandstichting niet mag. Dat hij dat niet wist, wordt door hem niet gesteld en reeds daarop strandt dit deel van zijn betoog.

5.6 Met de rechtbank (in rov. 4.6) is het hof van oordeel dat van opzettelijk handelen geen sprake is indien [appellant] heeft gehandeld onder invloed van een stoornis van de geestvermogens van zodanige aard, dat hem geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij door de stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen en van dit handelen af te zien.

5.7 De onder 3.9 genoemde conclusies van [psychiater] en de bevindingen waarop zij berusten zijn door Achmea niet (voldoende) gemotiveerd weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Daarmee is gegeven dat de in geding zijnde brandstichtingen door [appellant] weliswaar in sterke mate zijn beïnvloed door de gediagnosticeerde stoornissen bij [appellant], maar op grond daarvan kan het hof nog niet de conclusie trekken dat die stoornissen van zodanige aard waren dat [appellant] als gevolg daarvan niet meer in staat was zichzelf te weerhouden van het stichten van de branden, en dat hij aldus het vermogen miste tot kiezen tussen wèl handelen of niet handelen. Dat kan ook niet worden afgeleid uit het onder 3.8 genoemde rapport van Accare. Het hof leest de toelichting op de grieven echter aldus, dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat hij ten tijde van de brandstichtingen het vermogen miste om te kiezen tussen wel handelen en niet handelen zen in zoverre niet in staat was zijn wil te bepalen en van de brandstichtingen af te zien. Nu hij bewijs aanbiedt van zijn stellingen omtrent zijn psychische toestand ten tijde van de brandstichtingen (memorie van grieven sub 20.) zal het hof zal hem tot het leveren van (nader) tegenbewijs toelaten als hierna te melden. De zaak zal eerst naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door [appellant] waarin hij kan aangeven of, en zo ja op welke wijze, hij (nader) tegenbewijs wenst te leveren.

5.8 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Indien de grieven slagen, brengt de devolutieve werking van het appel overigens mee dat het hof nog wel het tweede verweer van Achmea dient te bespreken, te weten dat zij geen dekking hoeft te verlenen vanwege de omstandigheid dat [appellant] haar niet tijdig van de schade en de strafvervolging op de hoogte heeft gesteld.

De beslissing

Het gerechtshof,

laat [appellant] toe tot het leveren van (nader) tegenbewijs tegen het voorshands vaststaande feit dat hij op 25 juli 2010 en 2 augustus 2010 opzettelijk wederrechtelijk brand heeft gesticht,

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 14 januari 2014 voor het nemen van een akte door Van der Graag tot het onder 5.7, laatste volzin, genoemde doel,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, mr. L. Janse en mr. K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 december 2013.