• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 25 april 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:1847
  • Zaaknummer: 200.186.862_01

Hof: studievertraging na seksueel misbruik toegerekend, behoudens tegenbewijs

Benadeelde vordert schade, waaronder studievertraging – na seksueel misbruik. Appellant betwist het causaal verband. Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik tot aanzienlijke schadelijke gevolgen – zowel lichamelijk als geestelijk – voor het slachtoffer kunnen leiden. Die schade moet in beginsel als gevolg van het handelen van appellant aan hem worden toegerekend, tenzij appellant aannemelijk maakt dat de schade ook zonder het seksueel misbruik zou zijn ontstaan. Daaraan doet niet af een eventuele vóór het incident bestaande bijzondere lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid (predispositie). Het hof laat appellant toe tot bewijslevering, maar gelast hieraan voorafgaand een comparitie.

ECLI:NL:GHSHE:2017:1847

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak 25-04-2017
Datum publicatie 26-04-2017
Zaaknummer200.186.862_01

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8736, Overig

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

 

Vordering tot schadevergoeding wegens studievertraging na zedendelict. Betwist causaal verband.

 

Predispositie.

 

Bewijslastverdeling.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Afdeling civiel recht

 

 

 

zaaknummer 200.186.862/01

 

 

 

 

arrest van 25 april 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

hierna aan te duiden als [appellant] ,

 

advocaat: mr. B.H. Vader te Oost-Souburg,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

 [geïntimeerde] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

 

advocaat: mr. J.A.M. de Kerf te Goes,

 

 

 

 

op het bij exploot van dagvaarding van 24 februari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 december 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

 

 

 

 

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/283804/HA ZA 14-463)

 

 

 

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

 

 

 

 

2 Het geding in hoger beroep

 

 

 

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

 

de memorie van grieven van 17 mei 2016 met producties;

 

de memorie van antwoord van 28 juni 2016.

 

 

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

 

 

 

 

3 De beoordeling

 

 

 

3.1.

 

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

 

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Middelburg van 1 augustus 2012 is [appellant] veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met [geïntimeerde] op 31 mei 2010, strafbaar gesteld bij artikel 247 Sr. [geïntimeerde] was toen 13 jaar oud. De rechtbank achtte bewezen dat [appellant] toen de bedekte vagina van [geïntimeerde] heeft aangeraakt/betast, de nek/hals van [geïntimeerde] heeft gezoend/gekust en [geïntimeerde] zijn geslachtsdeel heeft laten betasten. Dit strafvonnis is onherroepelijk geworden.

 

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] :

 

1. voor recht te verklaren dat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en daarvoor aansprakelijk is;

 

2. [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van € 27.841,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2010.

 

 

3.2.2.

 

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij ten gevolge van de door [appellant] bij haar gepleegde ontuchtige handelingen schade heeft geleden, die [appellant] dient te vergoeden. [geïntimeerde] heeft haar schadevordering als volgt gespecificeerd:

 

smartengeld € 2.000,–

 

niet vergoede medische kosten € 611,07

 

reiskosten € 628,10

 

ziekenhuisdaggeldvergoeding € 252,–

 

porto- en telefoonkosten € 50,–

 

studievertraging, conform letselschaderichtlijn € 16.000,–

 

onkosten moeder € 2.704,–

 

kosten juridische bijstand € 5.596,–

 

subtotaal € 27.841,17 + wettelijke rente

 

 

 

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

 

 

3.3.

 

In het bestreden eindvonnis van 23 december 2015 heeft de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 18.761,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2010. [appellant] werd tevens in de proceskosten veroordeeld. Beide veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

 

De rechtbank oordeelde daartoe als volgt. Het strafrechtelijk vonnis waarbij [appellant] is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met [geïntimeerde] levert dwingend bewijs op van dat feit. [appellant] is aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde] door zijn onrechtmatig handelen heeft geleden. Zou [geïntimeerde] al voor het voorval te kampen hebben gehad met geestelijke en lichamelijke problemen, dan doorbreekt dat het causaal verband tussen het handelen van [appellant] en de schade van [geïntimeerde] in beginsel niet. In het geval van letselschade wordt in beginsel ruim toegerekend. Ten aanzien van de gevorderde kosten wegens studievertraging overwoog de rechtbank dat [geïntimeerde] die vordering heeft beperkt tot een vertraging van één jaar, dat voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] zonder het onrechtmatig handelen van [appellant] in ieder geval zonder vertraging met succes het VMBO theoretische leerweg (hof: door partijen ook aangeduid als Mavo) had kunnen doorlopen, dat het aan [appellant] is om te stellen en te bewijzen dat de studievertraging een andere oorzaak heeft en dat [appellant] daartoe onvoldoende heeft gesteld en tegen de hoogte van het gevorderde bedrag van € 16.000,– geen verweer heeft gevoerd.

 

 

 

 

De rechtbank wees de volgende bedragen toe:

 

€ 1.000,– smartengeld

 

€ 305,– medische kosten

 

€ 406,40 reiskosten

 

€ 252,– verblijfskosten ziekenhuis

 

€ 50,– porto- en telefoonkosten

 

€ 16.000,– studievertraging

 

€ 1.000,– kosten moeder

 

€ 18.761,40 totaal + wettelijke rente.

 

[appellant] werd voorts veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 1.328,80.

 

 

 

3.4.1.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft in zijn appeldagvaarding gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen. In zijn memorie van grieven heeft [appellant] zijn hoger beroep echter beperkt tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 16.000,– wegens studievertraging en de kostenveroordeling. De eerste grief is gericht tegen het door de rechtbank aangenomen causale verband tussen het onrechtmatig handelen van [appellant] en de wegens studievertraging gestelde schade. Met de tweede grief maakt [appellant] bezwaar tegen de toewijzing door de rechtbank van het bedrag van € 16.000,– wegens studievertraging. Met zijn derde grief voert [appellant] aan dat de rechtbank hem ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld. Volgens [appellant] had de rechtbank de kosten moeten compenseren.

 

 

3.4.2.

[geïntimeerde] heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis voor zover daarbij haar vorderingen zijn afgewezen. Gelet hierop en op de beperking door [appellant] van zijn hoger beroep, gaat het in dit hoger beroep enkel nog om de gevorderde schade wegens studievertraging en het in verband daarmee door de rechtbank toegewezen bedrag van € 16.000,– en de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling.

 

 

3.4.3.

[appellant] heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. De door [geïntimeerde] gestelde schade is niet veroorzaakt door de door [appellant] op 31 mei 2010 bij [geïntimeerde] gepleegde ontuchtige handelingen (hierna: het seksueel misbruik), maar door al vóór het seksueel misbruik bij [geïntimeerde] bestaande geestelijke en lichamelijke problemen. Deze vormen een zelfstandige grond voor de door [geïntimeerde] gestelde letselschade. Omtrent die problemen en het daardoor veroorzaakte schoolverzuim heeft de moeder van [geïntimeerde] een verklaring afgelegd, die niet door [geïntimeerde] is betwist. Verder heeft [geïntimeerde] omtrent het seksueel misbruik tegenstrijdige verklaringen afgelegd en haar behandelaars en schooldirecteur hebben klakkeloos aangenomen dat wat [geïntimeerde] hen vertelde (dat zij door [appellant] was verkracht) waar was. Het is aan [geïntimeerde] om het gestelde causale verband te bewijzen en niet aan [appellant] om het tegendeel te bewijzen, aldus [appellant] .

 

 

3.4.4.

[geïntimeerde] heeft, samengevat, het volgende betoogd. [appellant] heeft een veiligheidsnorm c.q. persoonlijke integriteitsnorm geschonden die letselschade tot gevolg heeft. Het is aan [appellant] om aan te tonen dat zonder het seksueel misbruik de schade ook zou zijn opgetreden. Dat de gevolgen van het seksueel misbruik voor [geïntimeerde] veel ernstiger en langer van duur zijn dan normaliter te verwachten was (predispositie) doet daar niet aan af, aldus [geïntimeerde] . Het is thans niet meer met zekerheid vast te stellen of [geïntimeerde] ook zonder het seksueel misbruik was blijven zitten, maar die onzekerheid komt in beginsel voor rekening van [appellant] . [geïntimeerde] is van de Havo naar de Mavo gegaan en in het schooljaar 2011/2012 in Mavo 2 blijven zitten. Dat kwam onder meer doordat zij veel moest verzuimen wegens chronische darmproblemen, met ziekenhuisopname tot gevolg. Die darmproblemen had zij vóór het seksueel misbruik niet. De pre-existente problemen zouden normaal gesproken niet een doublure in Mavo 2 tot gevolg hebben gehad, aldus [geïntimeerde] .

 

 

3.5.1.

Het hof zal de grieven 1 en 2 gezamenlijk behandelen.

 

 

3.5.2.

Vaststaat dat [appellant] de in de strafprocedure bewezenverklaarde ontuchtige handelingen (rov. 3.1) bij [geïntimeerde] heeft gepleegd. [appellant] heeft dit ook niet betwist.

 

 

3.5.3.

[appellant] heeft evenmin betwist dat hij door zijn handelwijze onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] . Voor de daardoor veroorzaakte schade is [appellant] aansprakelijk.

 

 

3.5.4.

Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik tot aanzienlijke schadelijke gevolgen – zowel lichamelijk als geestelijk – voor het slachtoffer kunnen leiden. Ook [appellant] heeft zich dat als jong volwassene kunnen en moeten realiseren. Maar ook al zou dat anders zijn, [appellant] heeft, gelet op de strekking van de norm van artikel 247 Sr. tot bescherming van de seksuele integriteit van kinderen beneden de 16 jaar, door zijn handelen een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven geroepen. Dat risico heeft verwezenlijkt. Als niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat immers vast dat [geïntimeerde] na het seksueel misbruik op 31 mei 2010 zowel lichamelijke als geestelijke klachten (nader benoemd in rov. 3.5.6) heeft gehad, waarvoor zij is behandeld. Die schade moet in beginsel als gevolg van het handelen van [appellant] aan hem worden toegerekend, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat de schade ook zonder het seksueel misbruik zou zijn ontstaan, aldus HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264. Daaraan doet niet af een eventuele vóór het incident bij [geïntimeerde] bestaande bijzondere lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid (partijen spreken wisselend over “predispositie” en “pre-existentie”; het hof noemt deze termen hierna gezamenlijk “predispositie”).

 

 

3.5.5.

Het vorenstaande kan anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden. [appellant] heeft daartoe gewezen op aanwijzingen voor lichamelijke en geestelijke problemen van [geïntimeerde] vóór het seksueel misbruik, die bovendien tot schoolverzuim zouden hebben geleid. Die aanwijzingen duiden weliswaar op een zekere predispositie, maar zijn niet van dien aard dat zij op zichzelf genomen de juistheid van de stelling van [appellant] dat de gestelde schade óók zonder het seksueel misbruik zou zijn ontstaan bevestigen en dat het in dit stadium aan [geïntimeerde] zou zijn om het causale verband tussen het seksueel misbruik en de gestelde schade te bewijzen.

 

 

3.5.6.

Voor wat betreft de behandelcontacten na het seksueel misbruik overweegt het hof het volgende. Als niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat [geïntimeerde] vanaf mei 2010 diverse behandelcontacten heeft gehad bij Emergis, centrum voor geestelijke gezondheidszorg, kinder- en jeugdpsychiatrie (cvr prod. 16) en vanaf november 2011 in behandeling is (geweest) bij GZ-psycholoog k&j (het hof neemt aan: kinder- en jeugd) / orthopedagoog [orthopedagoog] (cvr prod. 15). Laatstgenoemde vermeldt dat sprake is van extreme buikpijn, volgens [geïntimeerde] veroorzaakt door het seksueel misbruik. De klachten zouden tot schoolverzuim leiden. Verder heeft de kinderarts [kinderarts] in een brief van 23 januari 2012 (cvr prod. 18) weliswaar vermeld dat [geïntimeerde] in oktober 2009 (hof: dus vóór het seksueel misbruik) is gezien wegens een regionaal pijnsyndroom en dat toen al sprake was van angsten, maar tevens dat zij [geïntimeerde] in het najaar van 2011 terug zag met chronische buikpijnproblemen, waarna een chronische obstipatie en een urineweginfectie werden vastgesteld. Volgens de kinderarts komen bij een psychologisch trauma (zoals een verkrachting) een verhoogde kans op obstipatie en aanhoudende urineweginfecties zeer vaak voor. Het enkele feit dat deze kinderarts is afgegaan op de kennelijk door [geïntimeerde] aan het seksueel misbruik toegekende kwalificatie “verkrachting”, terwijl deze (ernstiger) vorm van misbruik strafrechtelijk niet is komen vast te staan, maakt de vermelding van de kinderarts niet zonder waarde. Seksueel misbruik zoals de bewezenverklaarde ontucht kan in het algemeen immers als een psychologisch trauma worden aangemerkt en wordt in ieder geval als zodanig door [geïntimeerde] ervaren.

 

 

3.5.7.

 

[appellant] heeft aangevoerd dat de behandelaars van [geïntimeerde] , evenals de directeur van de school waar [geïntimeerde] haar Mavo-opleiding heeft afgerond, de versie die [geïntimeerde] geeft van het seksueel misbruik klakkeloos aannemen en het door hen veronderstelde verband tussen het seksueel misbruik enerzijds en de gezondheidsklachten c.q. de studievertraging anderzijds onvoldoende onderbouwen. Gelet op het in rov. 3.4.3 weergegeven betoog van [appellant] en het voorgaande, heeft [appellant] kennelijk begrepen dat [geïntimeerde] heeft beoogd de door het hof in rov. 3.5.6 genoemde producties aan haar vordering ten grondslag te leggen.

 

Het hof overweegt dat met de hiervoor aangehaalde informatie van diverse hulpverleners op zichzelf genomen nog niet is aangetoond dat de gestelde schade het gevolg is van het seksueel misbruik, maar dat verandert niets aan het feit dat [appellant] door zijn handelwijze een risico ter zake van het ontstaan van lichamelijk en/of geestelijk letsel in het leven heeft geroepen en dat dat risico zich heeft verwezenlijkt (rov. 3.5.4). Het is dan aan [appellant] om aannemelijk te maken dat de gestelde schade ook zonder het seksueel misbruik zou zijn ontstaan, vgl. het in rov. 3.5.4 genoemde arrest. In zoverre slaagt de eerste grief niet.

 

 

 

3.5.8.

[appellant] , die een bewijsaanbod heeft gedaan, zal tot bewijslevering worden toegelaten. Indien [appellant] bewijs wil leveren, zal daarvoor naar het voorshandse oordeel van het hof een deskundigenbericht noodzakelijk zijn. Het in verband met een deskundigenonderzoek te betalen voorschot zal het hof ten laste van [appellant] brengen nu zijn aansprakelijkheid vast staat. Het hof sluit niet uit dat behalve een onderzoek door een psychiater en/of psycholoog, tevens een onderzoek door een deskundige op het gebied van een schoolloopbaan noodzakelijk wordt. Dit mede in verband met grief 2 en het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] , indien zij zonder vertraging de Havo had afgemaakt, in 2013/2014 eindexamen zou hebben gedaan, zij nu in datzelfde schooljaar eindexamen op Mavo-niveau heeft gedaan en zij daarom geen studievertraging heeft opgelopen. [appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] kennelijk doelt op schade als gevolg van een lager opleidingsniveau. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het blijven zitten in de tweede klas van de Mavo een studievertraging oplevert en dat daarnaast het terugzakken van een Havo-niveau naar een Mavo-niveau als afzonderlijke schadepost in het kader van verlies van arbeidsvermogen zou kunnen worden beoordeeld. Zij heeft er terecht op gewezen dat zij al bij inleidende dagvaarding haar vordering op dit punt om praktische redenen heeft beperkt tot het forfaitaire bedrag voor één jaar studievertraging conform de Letselschade Richtlijn.

 

 

3.5.9.

Met betrekking tot een eventuele predispositie overweegt het hof nog het volgende. In het kader van het causaal verband in de zin van toerekening naar redelijkheid (artikel 6:98 BW) moeten de gevolgen van een predispositie bij een schending van een (veiligheids)norm zoals hier aan de orde is, in beginsel aan de onrechtmatige daad worden toegerekend. Vervolgens kan de predispositie echter (wel) een rol spelen bij de schadebegroting.

 

 

3.6.

 

Het hof realiseert zich dat de hiervoor geschetste verdere procesgang voor beide partijen belastend kan zijn. [appellant] wordt met bewijslevering en vooralsnog met de kosten van een deskundigenonderzoek belast, [geïntimeerde] wordt geconfronteerd met een onderzoek door (de) deskundige(n) naar haar lichamelijke en geestelijke gesteldheid vóór het seksueel misbruik en het al of niet bestaan van een verband met de door haar gestelde studievertraging. Voor een dergelijk onderzoek zal overlegging van (para)medische documentatie door [geïntimeerde] noodzakelijk zijn. Voor beide partijen geldt verder dat zij nog langer in het ongewisse zijn omtrent de uitkomst van deze procedure.

 

Het hof acht daarom een comparitie van partijen wenselijk. Op de comparitie wenst het hof nader geïnformeerd te worden omtrent het precieze schoolverloop van [geïntimeerde] na 31 mei 2010, mede omdat blijkens productie 4 bij inleidende dagvaarding [geïntimeerde] in Mavo 3 is blijven zitten en bij memorie van antwoord (23) wordt gesteld dat zij in Mavo 2 is blijven zitten. De stukken ter onderbouwing van dat schoolverloop dienen uiterlijk veertien dagen voor de zitting aan het hof en aan de advocaat van [appellant] te worden toegezonden. Verder zullen partijen zich op de zitting kunnen uitlaten omtrent eventueel te benoemen deskundigen (personen en deskundigheid) en omtrent aan de deskundige te stellen vragen. Daarnaast zal de zitting worden benut voor het beproeven van een minnelijke regeling. Uitgangspunt bij een comparitie is dat partijen persoonlijk verschijnen, vergezeld van hun advocaat. In dit specifieke geval zal het hof [geïntimeerde] niet bevelen persoonlijk te verschijnen, aangezien het hof niet kan uitsluiten dat [geïntimeerde] een persoonlijke verschijning als te belastend zal ervaren. Mocht [geïntimeerde] niet willen verschijnen, dan dient haar advocaat in ieder geval over de gevraagde inlichtingen te beschikken en gemachtigd te zijn om een minnelijke regeling te treffen. Ook dient [geïntimeerde] in dat geval voor haar advocaat telefonisch bereikbaar te zijn voor de duur van de zitting.

 

 

 

3.7.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

 

 

 

4 De uitspraak

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

bepaalt dat partijen in persoon – met dien verstande dat [geïntimeerde] van persoonlijke verschijning mag afzien onder de in 3.6 genoemde voorwaarden – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. M.A. Wabeke als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ‘s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.6 vermelde doeleinden;

 

 

 

 

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 2 mei 2017 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten over de periode juni t/m augustus 2017;

 

 

 

 

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

 

 

 

 

verzoekt [geïntimeerde] de hiervoor onder 3.6 bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

 

 

 

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, J.W. van Rijkom en J.M.H. Evers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 april 2017.

 

 

 

 

Griffier rolraadsheer