• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 3 februari 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:639
  • Zaaknummer: 20-000229-16

Hof, strafzaak: terecht beroep op noodweer, geen schadevergoeding.

Voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het slachtoffer zocht de confrontatie en sloeg de verdachte eerst met een gebalde vuist in het gezicht. Verdachte kon niet weglopen. De klap terug was geboden voor zelfverdediging en stond in redelijke verhouding. Dat de gevolgen van de klap ernstig zijn brengt niet mee dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Vonnis toewijzing schade vernietigd.

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak 03-02-2017
Datum publicatie 13-07-2017
Zaaknummer 20-000229-16
Rechtsgebieden Strafrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie Vrijspraak van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’. Uitgaansgeweld. Geslaagd beroep op noodweer.
Wetsverwijzingen Wetboek van Strafrecht 41, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2006-02-01
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-000229-16
Uitspraak : 3 februari 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 27 januari 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-126837-15 tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 6.981,07 met vermeerdering van de wettelijke rente en een veroordeling van de verdachte in de proces- en executiekosten. Het overige gedeelte van de vordering is gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk afgewezen. Ten slotte is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, eveneens met vermeerdering van de wettelijke rente.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft voorts primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij en subsidiair verweer gevoerd tegen de hoogte daarvan.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 april 2015 te Eindhoven, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer] (met kracht) met een (tot vuist gebalde) hand tegen het gezicht, althans het hoofd, te stompen/slaan (waardoor genoemde [slachtoffer] ten val kwam), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten cerebrum veneuze epidurale bloeding (hersenletsel met bloeding) en/of een of meer contusiehaarden (hersenkneuzingen) ten gevolge heeft gehad.

Vrijspraak

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding van een anders lijf. Zijn vriend [vriend verdachte] werd immers geslagen door aangever [slachtoffer] . De verdachte is tussenbeide gekomen. Vervolgens keerde [slachtoffer] zich tegen de verdachte en sloeg hem. De verdachte moest zich daartegen verdedigen. Om de wederrechtelijke aanranding te doen stoppen, heeft de verdachte vervolgens [slachtoffer] een klap gegeven. Daaropvolgend is [slachtoffer] gevallen.

Het hof overweegt als volgt.

In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in art. 300 van het Wetboek van Strafrecht ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de gedraging van de verdachte en moet hij bijgevolg van het ten laste gelegde worden vrijgesproken. Het hof verstaat het verweer daarom als een vrijspraakverweer.

Voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.
De verdachte is in de nacht van 24 op 25 april 2015 samen met, onder meer, zijn vriend [vriend verdachte] gaan stappen in Eindhoven. Zij liepen na afloop naar de auto om naar huis te gaan. De andere vrienden waren reeds bij de auto. Toen de verdachte en [vriend verdachte] de Vestdijk overstaken, sprak verdachte een meisje aan. Het meisje maakte deel uit van een groep waarvan ook aangever [slachtoffer] deel uitmaakte. Vervolgens is een woordenwisseling ontstaan tussen de verdachte, [vriend verdachte] en [slachtoffer] .

Over hetgeen zich daarna heeft afgespeeld acht het hof met name van belang de verklaringen van verdachte en [vriend verdachte] alsmede de beschrijving van de camerabeelden waarin de aanleiding tot het ten laste gelegde is beschreven.
Aangever [slachtoffer] kan zich van het voorval niets herinneren en uit de getuigenverklaringen van personen die zich in zijn groep bevonden blijkt dat zij slechts deels het incident hebben gezien, terwijl ook de andere personen die zich bij verdachte in de groep bevonden reeds vooruit waren gelopen naar de auto en het incident niet hebben waargenomen.
Het hof neemt derhalve bij gebrek aan andere aanwijzingen over de loop der gebeurtenissen de verklaringen van verdachte en de bij de politie afgelegde verklaring van [vriend verdachte] tot uitgangspunt, welke verklaringen voor een deel ondersteund worden door de beschrijving van de camerabeelden.

Door [vriend verdachte] is verklaard (dossierpagina’s 90-92) dat [slachtoffer] agressief was naar hem en verdachte en dat [slachtoffer] aangaf te willen vechten. De verdachte en [vriend verdachte] wilden hun weg vervolgen richting de parkeerplaats van de auto. [slachtoffer] kwam de verdachte en [vriend verdachte] achterna en zei herhaalde malen dat hij wilde vechten. Toen zij bovenaan de helling achter het Pullmanhotel waren aangekomen heeft [slachtoffer] [vriend verdachte] belaagd. Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] inzake het uitlezen van camerabeelden (dossierpagina 55). [vriend verdachte] heeft zich afgeweerd door [slachtoffer] een duw te geven. Door de verdachte is verklaard dat [slachtoffer] agressief was, dat [vriend verdachte] probeerde weg te lopen en dat [slachtoffer] [vriend verdachte] in het gezicht sloeg. Daarop is de verdachte voor [slachtoffer] gaan staan, om zodoende [vriend verdachte] te beschermen. De verdachte probeerde op die wijze [slachtoffer] tegen te houden, zodat [vriend verdachte] kon weglopen. Bij gebreke van contra-indicaties is het voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat [slachtoffer] vervolgens de verdachte met gebalde vuist in het gezicht sloeg. De verdachte heeft hierop [slachtoffer] een vuistslag gegeven. [slachtoffer] viel toen achterover, waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat [slachtoffer] degene was die de confrontatie zocht met [vriend verdachte] en verdachte en dat [slachtoffer] [vriend verdachte] belaagde en sloeg en vervolgens de verdachte met een gebalde vuist in het gezicht sloeg. Daaruit leidt het hof af dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer] .

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of het slaan van [slachtoffer] door de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen die aanranding.
Verdachte heeft hierover verklaard dat hij handelde uit zelfverdediging en om [vriend verdachte] in bescherming te nemen en dat hij op dat moment geen andere mogelijkheid zag, mede omdat [slachtoffer] agressief was, steeds de confrontatie zocht en wilde vechten en [vriend verdachte] belaagde. Weglopen was volgens de verdachte onder de gegeven omstandigheden dan ook geen optie.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden en gelet op de verklaring van verdachte is het hof van oordeel dat de door de verdachte gegeven klap aan [slachtoffer] geboden was door de noodzakelijke verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
[slachtoffer] is de verdachte en [vriend verdachte] achterna gelopen. [slachtoffer] was agressief en heeft herhaalde malen kenbaar gemaakt dat hij wilde vechten. [vriend verdachte] werd op enig moment door [slachtoffer] belaagd en geslagen. Daarop is de verdachte voor [slachtoffer] gaan staan, om zodoende [slachtoffer] tegen te houden en [vriend verdachte] te beschermen. Verdachte kreeg vervolgens een vuistslag in het gezicht. Naar het oordeel van het hof kon, gelet op de ontstane bedreigende situatie en gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer] steeds de confrontatie zocht, niet van de verdachte worden gevergd zich aan de aanranding door [slachtoffer] te onttrekken. Dit was voor de verdachte op dat moment geen reëel alternatief.

Naar het oordeel van het hof stond de door de verdachte gegeven klap niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. De verdachte kreeg van [slachtoffer] een vuistslag in het gezicht. De verdachte sloeg toen met een vuist in het gezicht van [slachtoffer] . Door deze klap is [slachtoffer] zeer ongelukkig ten val gekomen. De verdachte en [slachtoffer] stonden op dat moment op een helling. [slachtoffer] viel door de klap achterover de helling af. Door de val heeft [slachtoffer] ernstig hersenletsel opgelopen. Dat de gevolgen van de door de verdachte gegeven klap ernstig zijn brengt niet mee dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden.

Gelet op het vorenstaande was het geven van de klap door verdachte geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen de wederrechtelijke aanranding daarvan door [slachtoffer] . Aldus slaagt het beroep op noodweer. Mitsdien zal de verdachte van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.371,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is door de politierechter bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.981,07. De politierechter heeft de vordering voor het overige gedeelte deels afgewezen (post kleding ad € 400,00) en deels niet-ontvankelijk verklaard (voor het overige, zijnde € 989,93).

De benadeelde partij heeft de volledige vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Nu aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof zal daarnaast overgaan tot veroordeling van de benadeelde partij in de proces- en executiekosten aan de zijde van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk;

verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:
mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,
en op 3 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.