• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 24 oktober 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:9215
  • Zaaknummer: 200.187.727/01

Hof: regresvordering WAM-verzekeraar op verzekerde zonder rijbewijs toegewezen

WAM-verzekeraar heeft letselschade en autoschade vergoed en neemt regres op haar verzekerde die niet beschikte over een geldig rijbewijs. In de polis is bepaald dat geen dekking bestaat indien de bestuurder niet in het bezit is van een geldig rijbewijs. Die uitsluiting geldt echter niet voor de verzekerde die aantoont dat hem terzake redelijkerwijs geen verwijt treft. Voor het hof staat vast dat het rijbewijs ongeldig was ten tijde van het ongeluk. Op de verzekerde rust de bewijslast dat hij niet bekend was met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en dat hij daar ook redelijkerwijs niet mee bekend kon zijn. De verzekerde heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dit kan blijken.

 

ECLI:NL:GHARL:2017:9215

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 24-10-2017
Datum publicatie 26-10-2017
Zaaknummer200.187.727/01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie

 

Verzekeringszaak. Uitsluiting van de dekking en de uitzondering daarop. In de polis is bepaald dat onder meer geen dekking bestaat indien de bestuurder niet in het bezit is van een geldig rijbewijs. Die uitsluiting geldt echter niet voor de verzekerde die aantoont dat hem terzake redelijkerwijs geen verwijt treft. Uitleg van de polisbepaling en verdeling van de bewijslast. Voor het hof staat vast dat het rijbewijs ongeldig was ten tijde van het ongeluk. Op de verzekerde rust de bewijslast dat hij niet bekend was met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en dat hij daar ook redelijkerwijs niet mee bekend kon zijn.

De verzekerde heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dit kan blijken.
VindplaatsenRechtspraak.nl

 

Uitspraak

 

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

 

afdeling civiel recht, handel

 

 

zaaknummer gerechtshof 200.187.727

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/151659 / HA ZA 14-60)

 

 

arrest van 24 oktober 2017

 

 

in de zaak van

 

 

 [appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.T. Pel, kantoorhoudend te Hattem,

 

 

tegen:

 

 

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: ASR,

advocaat: mr. Ph. Ekering, kantoorhoudend te Rotterdam.

 

 

1 Het geding in eerste aanleg

 

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 11 maart 2015 en 14 oktober 2015 die de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle heeft gewezen.

 

 

2 Het geding in hoger beroep

 

 

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 maart 2016,

– de memorie van grieven,

– de memorie van antwoord,
– het tussenarrest uitgesproken op 25 april 2017,
– de comparitie van partijen gehouden op 7 september 2017, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

 

2.2
Na afloop van de comparitie heeft het hof arrest bepaald op het door [appellant] voorafgaand aan de comparitie overgelegde procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

 

2.3
[appellant] vordert in hoger beroep bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van de vonnissen van 11 maart 2015 en 14 oktober 2015, met afwijzing van de vorderingen van ASR in eerste aanleg en veroordeling van ASR in de proceskosten in beide instanties en in de nakosten.

 

 

3 De vaststaande feiten

 

 

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het (bestreden) tussenvonnis van 11 maart 2015. Aangevuld met enkele feiten waar in hoger beroep eveneens van kan worden uitgegaan, komen de feiten neer op het volgende.

 

3.2

Op 10 juli 2011 is [appellant] met zijn personenauto betrokken geweest bij een

verkeersongeval in Apeldoorn. [appellant] is toen op de kruising van de [a-straat] met de [b-straat] in botsing gekomen met een andere auto. Door die botsing is schade ontstaan aan de beide auto’s. Daarnaast heeft de inzittende in de auto van [appellant] ,

mw. [B] , letsel opgelopen.

 

 

3.3
Ten tijde van de aanrijding was de auto van [appellant] tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ASR. ASR is als WAM-verzekeraar van de auto aangesproken tot vergoeding van de door de aanrijding ontstane schade aan de andere auto en van de letselschade van de inzittende in de auto van [appellant] .
ASR heeft als WAM-verzekeraar van [appellant] de aansprakelijkheid van [appellant] voor het ongeval erkend en de schade vergoed.

 

3.4

Op de verzekering van [appellant] bij ASR zijn onder andere de “Bijzondere

Voorwaarden Personenverzekering Aansprakelijkheid” (hierna: de bijzondere

polisvoorwaarden) van toepassing. Hierin is onder meer opgenomen:

“Artikel 9

Aanvullende uitsluitingen

Naast de uitsluitingen die in de Algemene Voorwaarden zijn opgenomen, gelden de volgende bepalingen.

Wij verlenen geen dekking voor schade die is ontstaan:

(…)
3 Rijbewijs

ais de feitelijke bestuurder niet in het bezit is van een geldig wettelijk

voorgeschreven rijbewijs voor de personenauto, met de eventueel

daaraan gekoppelde aanhanger.

(…).
4 Rijbevoegdheid

als de feitelijke bestuurder niet bevoegd is een motorrijtuig te besturen op grond van een wet of van

een onherroepelijke rechterlijke uitspraak waarin de rijbevoegdheid is ontzegd;

(…)

De uitsluitingen in lid 1 t/m 4 gelden niet voor de verzekerde die aantoont dat de genoemde omstandigheden zich buiten zijn medeweten en tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem redelijkerwijs geen verwijt treft.

 

Artikel 10

Verhaal op de verzekerde

Het is mogelijk dat wij volgens de WAM, een overeenkomende buitenlandse wet of op grond van deze

verzekering schade en kosten moeten voldoen, die wij, door het ontbreken van dekking op grond van de Algemene of Bijzondere Voorwaarden van deze verzekering, niet zouden hebben vergoed. In dat geval hebben wij het recht het bedrag van de schade en kosten te verhalen op de verzekerde aan wie de omstandigheden, die hebben geleid tot het ontbreken van verzekeringsdekking, kunnen worden toegerekend.”

 

 

3.5
Bij (aangetekende) brief van 5 oktober 2012 heeft ASR aan [appellant] onder meer bericht dat haar uit het proces-verbaal van de onder 3.2 genoemde aanrijding is gebleken dat [appellant] ten tijde van de aanrijding niet beschikte over een geldig rijbewijs, dat [appellant] daarom geen rechten kan ontlenen aan de verzekering en dat de schade daarom van hem teruggevorderd zal worden. In de brief wordt [appellant] verzocht over te gaan tot betaling van de voorlopige schade van € 25.000,-.

 

3.6
[appellant] heeft de door ASR gedane schade-uitkeringen niet terugbetaald.

 

3.7

In het hiervoor onder 3.4 bedoelde proces-verbaal van politie (gesloten op

5 augustus 2011) is over het rijbewijs van [appellant] het volgende opgenomen:
“Verdachte [appellant] toonde mij, verbalisant [C] op 10 juli 2011 op de plaats van aanrijding een geldig rijbewijs B. Bij nadere informatie aan het politiebureau bleek volgens de gegevens van het

Centraal Register Rijbewijzen dat het rijbewijs van verdachte [appellant] op 6 juli 2011 geheel ongeldig was verklaard.

Op 14 juni 2011 werd verdachte [appellant] hier telefonisch over benaderd door mij, verbalisant [C] en hem daarbij verteld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hij verklaarde aan mij, verbalisant [C] , dat hij niet wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Uit de getuigeverklaring van [B] , blijkt echter dat verdachte [appellant] op de datum van aanrijding dit wel wist.

Een uitdraai van het CB register met deze gegevens is bij dit proces-verbaal gevoegd.”

 

3.8

Als bijlage bij het proces-verbaal is onder meer gevoegd een uitdraai uit het CRB-register. Die vermeldt dat op 29 juni 2011 van [appellant] de inlevering op 6 juli 2011 is gevorderd van een volledig ongeldig rijbewijs.
Tevens is bijgevoegd een proces-verbaal van een verhoor van [B] . Over het rijbewijs van [appellant] verklaart zij:
“Ik kan nog verklaren dat [appellant] na de aanrijding aan mij vroeg om aan de politie te vertellen dat ik als bestuurder in auto had gereden omdat hij geen geldig rijbewijs had. Ik kon echter

niet van mijn plaats komen in verband met mijn letsel en ben blijven zitten totdat de politie kwam. Ik heb dus ook niet op zijn verzoek gereageerd.” 

 

 

 

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

 

 

4.1
ASR heeft in eerste aanleg, na vermindering van eis, veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 33.790,23, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 31.868,09 vanaf 19 december 2013, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

 

4.2
[appellant] heeft verweer gevoerd.

 

4.3

De rechtbank heeft op 11 maart 2015 een tussenvonnis gewezen en vervolgens op

14 oktober 2015 een eindvonnis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad. Daarin is [appellant] veroordeeld tot betaling aan ASR van een bedrag van € 29.290,72, vermeerderd met de wettelijke rente over € 27.368,58 vanaf 19 december 2013, en in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat “moet worden aangenomen dat [appellant] ten tijde van de aanrijding op 10 juli 2011 niet in het bezit was van een geldig wettelijk voorgeschreven rijbewijs, althans dat hij van die ongeldigheid op de hoogte was”, dat op grond van artikel 9 lid 3 van de bijzondere polisvoorwaarden daarom geen dekking bestaat voor de schade, en dat ASR op grond van artikel 10 van de bijzondere polisvoorwaarden het recht heeft de schade en kosten te verhalen op [appellant] . Onder vermindering en afwijzing van enkele van de door ASR gevorderde schadeposten heeft de rechtbank het toewijsbare bedrag van de vordering bepaald op € 29.290,72, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 27.368,58 vanaf 19 december 2013. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

 

 

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

 

 

5.1
[appellant] heeft vijf grieven (genummerd 1 tot en met 5) opgeworpen tegen de vonnissen van 11 maart 2015 en 14 oktober 2015. Daarbij is grief 1 gericht tegen het tussenvonnis en zijn de overige grieven zijn gericht tegen het eindvonnis.

 

5.2

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 11 maart 2015 onder 4.5, samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat zij behoefte heeft aan nadere informatie over de status van het rijbewijs van [appellant] op 10 juli 2011, en heeft op de voet van artikel 22 Rv. aan [appellant] opgedragen om stukken die daar meer licht op kunnen werpen in te brengen. Daarbij is overwogen dat vooral [appellant] toegang tot die informatie zal kunnen krijgen, bijvoorbeeld door die op te vragen bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Ook is [appellant] opgedragen nadere stukken over te leggen met betrekking tot een staandehouding op

25 juli 2011 vanwege overtreding van artikel 9 lid 4 Wegenverkeerswet 1994 [toevoeging hof: rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd dan wel de overgifte daarvan is gevorderd].
In grief 1 komt [appellant] hiertegen op. Volgens hem miskent de rechtbank dat op ASR de bewijslast rust dat op 10 juli 2011 zijn rijbewijs ongeldig was en dat hij daarmee ook bekend was.

 

5.3

Deze grief faalt bij gebrek aan belang. De vraag op wie in deze zaak de bewijslast rust en of daaraan is voldaan, komt in hoger beroep ook via de andere grieven al aan de orde.

Voor zover de grief beoogt aan te voeren dat [appellant] ten onrechte is opgedragen nadere stukken in het geding te brengen, is de grief zonder belang. Nadere stukken die [appellant] ter uitvoering van die opdracht in het geding heeft gebracht, behoren tot de gedingstukken en kunnen daaruit niet meer worden verwijderd en/of weggedacht. Het hof merkt daarbij nog op dat [appellant] ook niet vóór het inbrengen van die stukken bezwaar heeft gemaakt tegen de door de rechtbank aan hem verstrekte opdracht.
Terzijde stelt het hof vast dat [appellant] ter uitvoering van die opdracht overigens geen aanvullende bescheiden in het geding heeft gebracht over de status van zijn rijbewijs; [appellant] heeft alleen de eerder bij het proces-verbaal al gevoegde uitdraai van het CRB (zie 3.7) opnieuw overgelegd. Wel heeft hij nog aanvullende stukken (het proces-verbaal van politie) ingebracht over de staandehouding op 25 juli 2011. Voor de beoordeling van deze zaak zijn die nader overgelegde stukken echter niet van doorslaggevend belang. [appellant] is door de (uitvoering van de) opdracht derhalve ook niet in zijn belang getroffen.

 

5.4

Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat moet worden aangenomen dat [appellant] niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en dat hij daarvan op de hoogte was. Volgens [appellant] miskent de rechtbank dat voor het ontbreken van polisdekking vereist is dat het rijbewijs ongeldig was én dat hij daarmee ook bekend was.
Volgens [appellant] geldt dat, zo er al vanuit zou moeten worden gegaan dat zijn rijbewijs op

10 juli 2011 ongeldig was, hij daarvan toen in ieder geval niet op de hoogte was.

De grief stelt aldus de vraag aan de orde of op 10 juli 2011 was voldaan aan de voorwaarden voor uitsluiting van de dekking, op de grond dat het rijbewijs van [appellant] toen ongeldig zou zijn geweest.
5.5 Voor het hof staat genoegzaam vast dat het rijbewijs van [appellant] op 10 juli 2011 inderdaad ongeldig was.
Dat blijkt op zichzelf al uit de overgelegde en niet (gemotiveerd) betwiste uitdraai uit het CRB-register dat is gevoegd bij het proces-verbaal van de aanrijding (zie 3.8) en het strookt ook met wat [appellant] in hoger beroep nader heeft verklaard aangaande zijn rijbewijs.
Hij heeft verklaard dat vóór het ongeval aan hem een EMG (Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer) was opgelegd -naar het hof begrijpt: de educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid als bedoeld in artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994. Ook heeft hij verklaard dat hij enige tijd vóór het ongeval een keer voor die cursus te laat is gekomen – volgens [appellant] maar vier minuten, maar enige onderbouwing daarvan heeft hij niet overgelegd – en dat hij daardoor toen niet meer aan de cursus mocht deelnemen. Artikel 132 lid 2 juncto lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt in dit verband dat bij gebreke van het verlenen van medewerking aan de EMG-maatregel, het CBR onverwijld besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de bestuurder kenbaar is gemaakt.
Dat zijn rijbewijs ongeldig was lijkt door [appellant] overigens ook niet te worden betwist (memorie van grieven 27).

 

 

5.6
Nu [appellant] op 10 juli 2011 niet in het bezit was van een geldig rijbewijs beroept ASR zich in beginsel terecht op de uitsluiting van de verzekeringsdekking opgenomen in artikel 9 van de bijzondere voorwaarden (zie 3.4).
Het slot van dat artikel bepaalt echter dat de uitsluiting niet geldt voor de verzekerde die aantoont dat de omstandigheid voor uitsluiting zich buiten zijn wil heeft voorgedaan en dat hem daar redelijkerwijs geen verwijt van treft.
Het hof leidt uit het tussen partijen gevoerde debat af dat zij het er over eens zijn dat die bepaling zo moet worden uitgelegd dat ASR zich niet op die uitsluiting kan beroepen indien [appellant] op 10 juli 2011 niet wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Het slot van artikel 9 legt de bewijslast daarvan uitdrukkelijk bij de verzekerde. [appellant] heeft zich niet beroepen op de nietigheid of vernietigbaarheid van die bepaling en het hof ziet daar ambtshalve ook geen grond voor; die bewijslastverdeling is in overeenstemming met het algemene uitgangspunt in het bewijsrecht dat wie zich op het rechtsgevolg van een bepaalde omstandigheid beroept – in dit geval de aanwezigheid van een uitzondering op een uitsluitingsgrond – daar de bewijslast van draagt (art. 150 Rv.). Het hof is verder niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die met zich brengen dat in dit geval die bewijslast toch niet op [appellant] zou moeten rusten.

5.7
[appellant] heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit kan blijken dat hij op 10 juli 2011 niet bekend was met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en daar redelijkerwijs ook niet mee bekend kon zijn. Hij heeft zich enkel beroepen op de hiervoor vermelde vrijspraak door de politierechter op 20 september 2013. Het hof acht die vrijspraak echter geen toereikende onderbouwing voor de stelling van [appellant] , nu die is gedaan in een strafrechtelijke procedure en uit de aantekening van het mondeling vonnis niet blijkt wat de motivering is geweest voor de vrijspraak. Dit laatste is van belang, omdat uit het proces- verbaal van die zaak blijkt dat [appellant] ontkende te hebben gereden. Bovendien komt in het civiele recht een ruimere betekenis toe aan het begrip “redelijkerwijs niet kon weten”, en rust in een strafrechtelijke procedure de bewijslast volledig bij het Openbaar ministerie, terwijl die hier op [appellant] rust.

 

5.8

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
De wet schrijft voor dat van de ongeldigverklaring mededeling moet worden gedaan aan de betrokkene. Een dergelijke mededeling pleegt aangetekend te worden verzonden naar het adres waarop de betrokkene staat ingeschreven. [appellant] heeft nagelaten om ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet bekend was met de ongeldigverklaring bij het CBR te verifiëren of ook in zijn geval (aangetekend) mededeling is gedaan van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Bij gebreke van een verklaring van het CBR dat in zijn geval is verzuimd om die mededeling te doen, moet het er voor worden gehouden dat aan [appellant] wel aangetekend mededeling is gedaan van de ongeldigverklaring.

[appellant] heeft verder niets aangevoerd dat zou kunnen verklaren waarom desondanks die mededeling hem niet heeft bereikt. Dat klemt, nu [appellant] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij op 10 juli 2011 nog stond ingeschreven in [D] , maar dat hij inmiddels al was verhuisd naar [A] . Indien als gevolg daarvan een naar zijn inschrijvingsadres in [D] verzonden mededeling [appellant] niet mocht hebben bereikt, dient dat in beginsel voor zijn rekening en risico te blijven, nu dit dan geweten dient te worden aan een niet tijdige inschrijving op zijn nieuwe adres en aan het feit dat hij kennelijk heeft verzuimd om zorg te dragen voor (doorzending van) postbezorging naar zijn nieuwe adres.
 heeft er verder ook geen verklaring voor kunnen geven dat hij volgens [B] op 10 juli 2011 direct na het ongeval tegen haar gezegd zou hebben dat zijn rijbewijs ongeldig was (zie r.o. 3.8). [appellant] betwist die verklaring weliswaar ten stelligste, maar heeft niet kunnen verklaren hoe [B] ten tijde van het ongeval al bekend kon zijn met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
Grief 2 faalt derhalve.

 

5.9
Voor zover [appellant] nog heeft aangeboden (nader) bewijs te leveren van het feit dat hij niet bekend was met een ongeldigverklaring van zijn rijbewijs wordt aan dat aanbod voorbijgegaan. [appellant] heeft niet aangegeven op welke wijze hij (nader) bewijs wenst te leveren, zodat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd. Bovendien omvat het aanbod niet tevens het aanbod om te bewijzen dat hij met de ongeldigverklaring redelijkerwijs ook niet bekend had kunnen zijn.
Het hof gaat ook voorbij aan het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat er geen reden bestaat voor uitsluiting van de polisdekking. Aan dat aanbod komt geen zelfstandige betekenis toe naast het (verworpen) aanbod met betrekking tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Overigens is een juridisch oordeel over het al dan niet bestaan van een uitsluitingsgrond ook niet vatbaar voor bewijslevering.

 

5.10
De grieven 3 en 4 klagen erover dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op het (subsidiaire) verweer van [appellant] dat de bestuurder van de auto waarmee [appellant] in botsing is gekomen in een hoge mate medeschuld treft aan de botsing en dat de rechtbank bij de toewijzing van de verschillende schadeposten daar geen rekening mee heeft gehouden.

 

5.11
Die grieven zijn terecht voorgesteld in zoverre dat ook het hof uit het vonnis van de rechtbank niet blijkt dat de rechtbank op dat verweer is ingegaan. Zij slagen echter niet, in die zin dat zij niet resulteren in een vernietiging van het bestreden vonnis.
Omtrent de toedracht van het ongeluk staat, mede op grond van hetgeen [appellant] daarover zelf heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling, vast dat [appellant] rijdend over de [a-straat] de met stoplichten beveiligde kruising met de [b-straat] is genaderd, dat hij daarbij reed over de rechterrijbaan bestemd voor het rechts afslaande verkeer, dat hij bij groen licht voor het rechts afslaande verkeer die kruising is opgereden maar daarbij rechtdoor is gereden terwijl het stoplicht voor het recht doorgaande verkeer nog op rood stond, en dat hij vervolgens op de kruising in botsing is gekomen met een auto die vanaf de [b-straat] de kruising opreed.
Uit die toedracht volgt dat [appellant] in beginsel volledig aansprakelijk is voor het ongeluk; hij is immers door rood licht een kruising opgereden. Of [appellant] dat nu bewust heeft gedaan of, zoals hijzelf verklaart, bij vergissing is daarbij niet van belang.
Voor medeschuld van de andere bestuurder heeft [appellant] zich erop beroepen dat die met een (veel) te hoge snelheid reed. [appellant] heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd die deze stelling onderbouwen. Hij heeft er alleen op gewezen dat de botsing met grote kracht heeft plaatsgevonden. Dat is echter onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de bestuurder van de andere auto met een (veel) te hoge snelheid heeft gereden. Uit niets blijkt dat de schade die is ontstaan alleen kan worden verklaard door aan te nemen dat de andere bestuurder met een te hoge snelheid moet hebben gereden.

 

5.12
De grieven 3 en 4 falen derhalve. Voor zover [appellant] nog heeft aangeboden bewijs te leveren van het feit dat hij niet volledig aansprakelijk is voor de aanrijding, gaat het hof daaraan voorbij, nu [appellant] deze stelling onvoldoende heeft ontwikkeld om tot nadere bewijslevering te worden toegelaten. Bovendien heeft [appellant] niet aangegeven op welke wijze hij dat bewijs wenst te leveren, zodat het aanbod ook onvoldoende is gespecificeerd.

 

5.13

Grief 5 richt zich tegen de proceskostenveroordeling. In het falen van de andere grieven ligt besloten dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd en dat [appellant] derhalve terecht is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Daarmee faalt ook

grief 5.

 

 

 

6 De slotsom

 

 

6.1
De grieven falen, zodat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd.

 

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ASR zullen worden vastgesteld op € 1.957,- aan griffierecht en € 2.316,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief III).

 

6.3
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

 

 

7 De beslissing

 

 

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

 

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 11 maart 2015 en 14 oktober 2015;

 

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ASR vastgesteld op € 1.957,- voor verschotten en op € 2.316,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

 

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. D.J. Keur en mr. L. Janse, en is bij door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

24 oktober 2017.