• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 21 maart 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:1103
  • Zaaknummer: 200.182.121_01

Hof: rapport neuroloog niet consistent, partijen hieraan niet gebonden

Causaal verband tussen in 1975 opgelopen hersenletsel en decompensatie in 2008?
Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft deskundigenonderzoek door neuroloog en neuropsycholoog plaatsgevonden. Het hof oordeelt dat de conclusie van de neuroloog dat de decompensatie in 2008 ook zonder ongeval zou zijn opgetreden, (te) veel vraagtekens op. Het rapport van de neuroloog beantwoordt naar het oordeel van het hof niet aan de daaraan te stellen eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica. Naar het oordeel van het hof is dan ook nader/nieuw onderzoek naar dat verband nodig en kunnen partijen niet worden aan de uitkomsten van het rapport van de neuroloog en het daarmee samenhangende rapport van de neuropsycholoog. Het nieuwe deskundigenonderzoek dient in het kader van de beoordeling van het integrale geschil tussen partijen te worden verricht en dus in de procedure ten principale.

ECLI:NL:GHSHE:2017:1103


Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

21-03-2017

Datum publicatie

24-03-2017

Zaaknummer

200.182.121_01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Verband tussen in 1975 opgelopen hersenletsel en decompensatie in 2008? Deskundigenonderzoek op gezamenlijk verzoek van partijen. Kan een partij aan de uitkomst van dat deskundigenonderzoek worden gehouden? Het hof oordeelt dat één van de uitgebrachte rapporten niet aan de daaraan te stellen eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica voldoet en dat de benadeelde niet aan dat rapport is gebonden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.182.121/01

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.L.M. Simons te Gulpen,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: Nationale Nederlanden,

advocaat: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 augustus 2016 in het hoger beroep van de beschikking in het deelgeschil van 13 mei 2015, aangevuld bij beschikking van 9 juli 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen onder zaaknummer C/03/201940/HA RK 15-25.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het tussenarrest van 9 augustus 2016;

·        

de aanvulling op het deskundigenbericht van dr. [neuroloog 2] naar aanleiding van de in het tussenarrest van 18 november 2016 geformuleerde vragen ;

·        

het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 december 2016;

·        

de akte na comparitie van [appellant] van 17 januari 2017;

·        

de akte na comparitie van Nationale Nederlanden van 17 januari 2017.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.1.

Het hof roept in herinnering dat het hier gaat om een deelgeschil in een procedure omtrent – kort gezegd – de afwikkeling van schade die ’t [appellant] stelt te hebben geleden ten gevolge van een ongeval in 1975, waarbij [appellant] hersenletsel heeft opgelopen. Op verzoek van partijen hebben de neuroloog dr. [neuroloog 2] ( [neuroloog 2] ) en de klinisch neuropsycholoog drs. [neuropsycholoog 2] ( [neuropsycholoog 2] ) gerapporteerd zoals in het tussenarrest is weergegeven. [appellant] wil niet gebonden zijn aan de uitkomsten van het rapport van [neuroloog 2] en wenst voorts, dat Nationale Nederlanden gebonden is aan hetgeen [neuropsycholoog 2] heeft gerapporteerd. Nationale Nederlanden wenst het rapport [neuroloog 2] wel als uitgangspunt te nemen bij de verdere (schade)afwikkeling.

6.1.2.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen dat het zich nog onvoldoende voorgelicht acht. Het hof heeft een comparitie van partijen gelast met als doel het vragen van een nadere toelichting aan [neuroloog 2] en [neuropsycholoog 2] op hun rapportages. Het hof heeft in dat kader in het tussenarrest al enkele vragen vermeld. [neuroloog 2] heeft op voorhand schriftelijk op die vragen geantwoord op 18 november 2016. Vervolgens hebben op de comparitie van partijen beide deskundigen een toelichting op hun rapportages gegeven en (nadere) vragen van het hof en van partijen beantwoord.

6.1.3.

[neuroloog 2] heeft tijdens de comparitie onder meer verklaard:

Ik heb de aandachtsstoornis en de impulsstoornis als gevolg van het hersenletsel geduid. Een toename van deze klachten is niet toe te schrijven aan het hersenletsel. De toename van de klachten heeft dus geen neurologische oorzaak tenzij sprake zou zijn van een andere neurologische oorzaak dan het hersenletsel, maar deze heb ik niet gevonden.

(…)

U vraagt mij of het mogelijk is dat andere klachten of een toename van klachten kunnen zijn ontstaan door overcompensatie of copinggedrag waarmee de heer [appellant] de verminderde impulscontrole heeft geprobeerd de baas te blijven.

Dat zou inderdaad kunnen maar dan gaat het over niet-neurologische mechanismen die betrekking hebben op de ziel. Dat is mijn vakgebied niet. (…)

Een toename van de klachten kan wel veroorzaakt zijn door dementie en epilepsie, beide ongevalsgerelateerd, maar voor deze neurologische aandoeningen heb ik in 2012 geen aanwijzingen gevonden.

(…)

Op uw vraag of ik een neuropsychiatrische expertise nodig vind antwoord ik dat de toename van de concentratiestoornis en de impulsstoornis niet neurologisch verklaard kan worden en dat een psychiater die toename zou kunnen onderzoeken.(…)

Overigens heb ik niet een toename van neurologische functiestoornissen kunnen vaststellen, enkel een toename van klachten.

(…)”

6.1.4.

[neuropsycholoog 2] heeft tijdens de comparitie onder meer verklaard:

(…)

Mij valt op dat er steeds wordt gesproken over een toename van klachten, maar in mijn visie is er daar geen sprake van. Er is van begin af aan sprake geweest van klachten. Ook in 1978 en 2009 zijn concentratie- en geheugenstoornissen vastgesteld.

(…)

Er is sprake van lichte stoornissen, wat niet wil zeggen dat er sprake is van lichte gevolgen, maar deze lichte stoornissen vind je niet door middel van een screenend onderzoek zoals een neuroloog dat uitvoert. Er is geen verschil in bevindingen in de diverse neuropsychologische onderzoeken; de interpretatie van de testresultaten is wel anders.

De lichte klachten, qua concentratie- en impulsstoornis, die lichte beperkingen meebrengen maken dat het een hele lange tijd goed kan gaan. Daarbij moeten we bedenken dat de heer [appellant] jarenlang psychotherapie heeft gehad wat hem kan hebben geholpen bij het omgaan met zijn klachten. Op enig moment kunnen aspecten zoals veranderingen in de werkomgeving, digitalisering, veroudering van de betrokkene zelf en dergelijke meer problemen veroorzaken, maar de klachten zijn dan hetzelfde bleven. Het feit dat de heer [appellant] een moeilijke jeugd heeft gehad zal zijn mogelijkheid om met zijn klachten om te gaan wel hebben bemoeilijkt, maar dat neemt niet weg dat de klachten hun oorzaak vinden in het hersenletsel. (…)

De moeilijke jeugd en de perfectionistische karakterstructuur hebben invloed gehad omdat de heer [appellant] zich extra zal hebben moeten inspannen om met zijn klachten om te gaan waardoor hij eerder zal zijn “overgelopen”.

Ik denk niet dat medicatie van invloed is geweest op de testresultaten omdat de testresultaten niet significant afwijken van die van de eerdere neuropsychologische onderzoeken. Bovendien was het tempo van de informatieverwerking tijdens de tests goed.

(…)

Er zijn geen aanwijzingen, zoals gezegd, dat alcohol iets heeft veroorzaakt in het brein. Daarvoor is het geheugen te goed. Wel kan alcohol mede een rol hebben gespeeld bij de decompensatie in 2008, maar alcoholgebruik verklaart niet de aard van de klachten.

De aard van de klachten en consistentie van de klachten maken het aannemelijk dat het gerelateerd is aan het hersenletsel.”

6.1.5.

In zijn akte na comparitie heeft [appellant] geconcludeerd dat [neuroloog 2] , die in zijn rapportage van 17 november 2012 kritiek had geuit op de bevindingen van [neuropsycholoog 2] en aan die bevindingen voorbij leek te gaan, dat niet adequaat en consistent heeft gemotiveerd.

Nationale Nederlanden heeft in haar akte na comparitie betoogd dat na de door [neuroloog 2] en [neuropsycholoog 2] gegeven toelichting op hun rapportages geconcludeerd kan worden dat de conclusies van deze deskundigen meer met elkaar op één lijn liggen.

6.2.1.

[neuroloog 2] heeft in zijn rapport aangegeven dat een toename van klachten en beperkingen niet op zijn vakgebied kunnen worden verklaard en dat hij, op grond hiervan, derhalve aanneemt dat deze toename ook in de hypothetische situatie zonder ongeval in dezelfde mate en dezelfde termijn met zeer grote waarschijnlijkheid zou zijn opgetreden, maar niet door neurologische of ongevalsgerelateerde factoren zou worden veroorzaakt.

Het hof is van oordeel dat met name voormelde aanname niet naar behoren is onderbouwd en dat om deze reden [appellant] niet gebonden is aan de inhoud van het rapport. Het hof neemt in de eerste plaats de conclusie van [neuropsycholoog 2] in aanmerking. Tussen de deskundigen [neuroloog 2] en [neuropsycholoog 2] is de diagnose en het gegeven dat het letsel tot beperkingen voor [appellant] heeft geleid en nog leidt, niet in geschil. De vraag is echter welke invloed de beperkingen hebben (gehad) op zijn gedrag en welbevinden. De stelling van [neuroloog 2] dat de beperkingen niet toenemen, wordt niet zozeer bestreden door [neuropsycholoog 2] , maar zij stelt, onderbouwd (namelijk met verwijzing naar het hebben van psychotherapie), dat [appellant] een langere tijd met deze beperkingen zodanig heeft kunnen omgaan dat hij toch aan het arbeidsproces heeft kunnen deelnemen. De beperkingen zijn in de loop der tijd dan ook niet toegenomen, maar op enig moment hebben de beperkingen zodanig veel invloed op zijn gedrag en welbevinden gekregen dat hij zich uit het arbeidsproces heeft moeten terugtrekken. [neuropsycholoog 2] concludeert dat de aard van de klachten en de consistentie van de klachten het aannemelijk maken dat zij gerelateerd zijn aan het hersenletsel.

De hiervoor genoemde aanname van [neuroloog 2] sluit dus het scenario zoals door [neuropsycholoog 2] is omschreven, niet uit. Het enkele feit dat beperkingen niet toenemen, betekent niet dat [appellant] in de loop der tijd niet meer hinder van deze beperkingen kan gaan ervaren.

Tot slot sluit [neuroloog 2] zelf (pv cvp p. 2 onderaan) niet uit dat de decompensatie is ontstaan door overcompensatie of copinggedrag waarmee [appellant] de verminderde impulscontrole heeft geprobeerd de baas te blijven. [neuroloog 2] benadrukt, begrijpelijkerwijs, dat overcompensatie en copinggedrag niet-neurologische mechanismen zijn die niet tot zijn vakgebied behoren, maar indien dit mechanismen zijn waarmee [appellant] de door het hersenletsel veroorzaakte beperkingen de baas probeerde te blijven, roept de conclusie dat de decompensatie in 2008 ook zonder ongeval zou zijn opgetreden, (te) veel vraagtekens op. In zoverre beantwoordt het rapport van [neuroloog 2] naar het oordeel van het hof niet aan de daaraan te stellen eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica.

6.2.2.

Die, kort gezegd, onvoldoende onderbouwing heeft betrekking op een (naar kan worden aangenomen) voor partijen essentieel punt, namelijk het al of niet aanwezig zijn van een verband tussen de decompensatie in 2008 en het daarmee gepaard gaande inkomensverlies enerzijds en het hersenletsel anderzijds. Naar het oordeel van het hof is dan ook nader/nieuw onderzoek naar dat verband nodig en kunnen partijen niet en zeker niet zonder meer gehouden worden aan de uitkomsten van het rapport [neuroloog 2] , maar evenmin aan die van het met het rapport [neuroloog 2] samenhangende rapport [neuropsycholoog 2] . Dat betekent dat eerstgenoemd verzoek van [appellant] (niet gebonden aan rapport [neuroloog 2] ; rov. 3.2.1, 3.3.1 en 3.3.2 tussenarrest van 9 augustus 2016) toewijsbaar is en het tweede (wel gebonden aan rapport [neuropsycholoog 2] en bevindingen [deskundige] en [neuroloog 3] ; zie genoemde rechtsoverwegingen in het tussenarrest) niet.

6.2.3.

Bij een nieuw deskundigenonderzoek zou ook kunnen worden betrokken een onderzoek naar andere eventuele neurologische aandoeningen als dementie en epilepsie, beide volgens [neuroloog 2] ongevalsgerelateerd (pv cvp p. 3 bovenaan) en zo nodig ook naar mogelijk bij [appellant] aanwezige problemen op het gebied van slaapapneu.

6.2.4.

In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen een nieuw deskundigenonderzoek in dit hoger beroep (vooralsnog) niet opportuun te achten. Het hof handhaaft dat oordeel. Het deskundigenonderzoek dient in het kader van de beoordeling van het integrale geschil tussen partijen te worden verricht en dus in de procedure ten principale. Deze procedure is, nadat de inleidende dagvaarding was uitgebracht, in afwachting van het arrest in dit deelgeschil geschorst.

6.2.5.

Het voorgaande betekent ook dat het bij het tweede verzoek van [appellant] , subsidiair gedane verzoek (bevel aan Nationale Nederlanden om mee te werken aan een nieuw deskundigenbericht) terecht door de rechtbank is afgewezen. [appellant] heeft bij dat subsidiaire verzoek geen belang. Voor een in de bodemprocedure te gelasten deskundigenonderzoek is medewerking van Nationale Nederlanden op zichzelf genomen immers niet noodzakelijk.

Dit laat onverlet dat partijen er ook voor kunnen kiezen in onderling overleg een nadere/nieuwe vraagstelling te formuleren en gezamenlijk (een) nieuwe deskundige(n) opdracht te geven.

6.3.

De slotsom is dat de bestreden beschikking in het deelgeschil ten dele wordt vernietigd. Hoewel niet alle verzoeken van [appellant] zijn toegewezen, dient naar het oordeel van het hof Nationale Nederlanden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden gezien en zal zij daarom in de aan de zijde van [appellant] gevallen kosten worden veroordeeld. Het voorschot voor de deskundigen (€ 5.808,00 incl. btw) is reeds aan Nationale Nederlanden in rekening gebracht. De deskundigenkosten zijn definitief begroot op € 3.993,00 (incl. btw) voor [neuroloog 2] en op € 1.490,75 (incl. btw) voor [neuropsycholoog 2] , totaal derhalve op € 5.483,75 (incl. btw) en komen ten laste van Nationale Nederlanden.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking in het deelgeschil van 13 mei 2015, aangevuld bij beschikking van 9 juli 2015, doch uitsluitend voor zover daarbij het verzoek sub 1 van [appellant] is afgewezen (conventie) en de door Nationale Nederlanden sub 3 verzochte verklaring voor recht dat het rapport [neuroloog 2] als uitgangspunt dient te gelden bij de schadeafwikkeling met [appellant] ten gevolge van het ongeval van 16 maart 2015, werd toegewezen (reconventie),

in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [appellant] tegenover Nationale Nederlanden inzake het geschil over de gevolgen van het hersenletsel niet gebonden is aan de uitkomsten van het rapport [neuroloog 2] ;

wijst het anders of meer door [appellant] sub 1 verzochte af;

wijst het door Nationale Nederlanden sub 3 verzochte af;

bekrachtigt de bestreden beschikking in het deelgeschil voor het overige;

veroordeelt Nationale Nederlanden in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 77,84 aan dagvaardingskosten, op

€ 311,– aan griffierecht en op € 2.235,– aan salaris advocaat;

bepaalt dat de kosten van de deskundigen [neuroloog 2] en [neuropsycholoog 2] van € 3.993,00 (incl. btw) respectievelijk € 1.490,75 (incl. btw), totaal derhalve € 5.483,75 (incl. btw), voor rekening van Nationale Nederlanden komen;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.A. Wabeke en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 maart 2017.

griffier rolraadsheer