• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Amsterdam
  • 6 december 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:5231
  • Zaaknummer: 200.178.042/01

Hof: psychische schade na bankoverval in 1990, vordering verjaard

Werkneemster stelt bank aansprakelijk voor (psychische) schade na gewapende overval in 1990. Het hof oordeelt dat de vordering is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Dat wil niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken (HR 24 april 2000, (Van Hese/De Schelde). Hiervan is geen sprake; de schade is niet naar haar aard verborgen gebleven.

ECLI:NL:GHAMS:2016:5231

 

Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 06-12-2016 Datum publicatie 06-02-2017 Zaaknummer 200.178.042/01

Rechtsgebieden

ECLI:NL:GHAMS:2016:5231

 

Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 06-12-2016 Datum publicatie 06-02-2017 Zaaknummer 200.178.042/01

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Werkneemster stelt bank aansprakelijk ter zake van gewapende bankoverval van meer dan 20 jaar voordien. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW heeft in beginsel een absoluut karakter. Onaanvaardbaarheid als bedoeld in art. 6:2 BW zal zich slechts bij uitzondering kunnen voordoen. In casu niet zo’n uitzondering.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF AMSTERDAM

 

 

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

 

 

 

zaaknummer : 200.178.042/01

 

zaaknummer rechtbank : 3956617 EA VERZ 15-243

 

 

 

 

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 december 2016 (bij vervroeging)

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

 [appellante] ,

 

wonend te [woonplaats] ,

 

appellante,

 

advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,

 

 

 

 

tegen:

 

 

 

 

ABN AMRO BANK N.V.,

 

gevestigd te Amsterdam,

 

geïntimeerde,

 

advocaat: mr. J. Streefkerk te Voorburg.

 

 

 

 

1 Het geding in hoger beroep

 

 

 

 

Partijen worden hierna [appellante] en ABN AMRO genoemd.

 

 

 

 

[appellante] is bij dagvaarding van 3 september 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 10 juni 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gegeven tussen haar als verzoekster en ABN AMRO als verweerster.

 

 

 

 

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

 

– memorie van grieven;

 

– memorie van antwoord (tevens voorwaardelijke vordering ex artikel 843a Rv);

 

– conclusie van antwoord in incident.

 

 

 

Ten slotte is arrest gevraagd.

 

 

 

 

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten van beide instanties, met nakosten.

 

 

 

 

ABN AMRO heeft geconcludeerd primair tot bekrachtiging van de bestreden beschikking en subsidiair – voor het geval het hof niet aanstonds het oordeel van de kantonrechter omtrent de verjaring zou bekrachtigen – dat [appellante] wordt veroordeeld om het volledige medische dossier in het geding te brengen, in het bijzonder het complete huisartsenjournaal betreffende de jaren 1990 – 2014, teneinde met inachtneming van die bescheiden verder te procederen, een en ander met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het geding (naar het hof begrijpt:) in hoger beroep, met de nakosten en wettelijke rente.

 

 

 

 

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

 

 

 

 

2 Feiten

 

 

 

 

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, waartegen bij vonnis van 28 augustus 2015 hoger beroep is opengesteld, onder 1. (1.1. tot en met 1.6.) een aantal feiten vastgesteld. Deze zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

 

 

 

( i) [appellante] is op 1 mei 1982 in dienst getreden bij een rechtsvoorgangster van ABN AMRO.

 

 

 

(ii) Op 21 september 1990 heeft een bankoverval plaatsgevonden in het filiaal waar [appellante] werkzaam was.

 

 

 

 

(iii) In juni of juli 1994 heeft [appellante] een bijeenkomst bijgewoond voor werknemers die een bankoverval hebben meegemaakt.

 

 

 

 

(iv) Het huisartsenjournaal dat [X] , huisarts te [plaats] , ten behoeve van [appellante] heeft bijgehouden luidt, voor zover van belang, als volgt:

 

 

 

 

“20-02-1998 (…) Depressieve episode zonder melancholische kenmerken, chronisch sinds 1991 (…) ontstaan na situatie in 1991, beroving VSB bank, tegelijkertijd inbraak huis en hoogoplopend conflict met bovenburen (…)”

 

 

 

( v) In het medisch dossier van [appellante] bevindt zich een brief van psychiater [Y] van 6 februari 2004, gericht aan GGZ Dijk en Duin. Deze brief luidt, voor zover belang, als volgt:

 

 

 

“(…) In 1991 heeft ze ( [appellante] , hof) in Amsterdam een zware bankoverval meegemaakt. Kort daarop een inbraak. Vanaf die tijd is haar gewicht gaan stijgen en is zij gaan kwakkelen met haar gezondheid. Gezien haar eetprobleem is zij genoodzaakt tot strakke structuur in haar dagindeling. Het meest recente verzoek van de bank was of zij aan de balie in de Bijlmer werkzaam zou willen zijn. Naar haar idee lopen hier allemaal potentiële bankovervallers rond met bivakmutsen op of capuchons over hun hoofd getrokken. Hier kan zij niet naar terug. (…)

 

Conclusie:

 

Depressie met eetstoornis in remissie bij vrouw met werkproblematiek (…)

 

  1. posttraumatische stressstoornis

 

  1. persoonlijkheidsstoornis

 

Gaarne persoonlijkheidsonderzoek waarin duidelijk wordt of er sprake is van posttraumatische stressstoornis dan wel persoonlijkheidsproblematiek. (…)”

 

 

 

(vi) In een brief aan de medisch adviseur van de gemachtigde van [appellante] van 6 maart 2014 vermeldt Y. Schaap, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, onder meer het volgende:

 

 

 

 

“Ik heb cliënte 2 maal gezien (…)

 

Zij scoorde hoog op de volgende klachten: somberheid, angstklachten, slaapproblemen, eetproblemen, werkproblemen, rigide vasthouden aan eigen regels rond eten, last van opgekropte woede,

 

Zij gaf aan dat de klachten begonnen waren na het meemaken van een bankoverval.

 

Ik heb geen behandeling gestart daar zij zich afmeldde.”

 

 

 

 

(vii) Bij brief van 20 juni 2014 is de arbeidsovereenkomst van [appellante] beëindigd met als ingangsdatum 1 november 2014.

 

 

 

 

3 Beoordeling

 

 

 

3.1

[appellante] vordert een verklaring voor recht dat ABN AMRO aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van “de gewapende bankoverval”, met benoeming van een deskundige ter vaststelling van de geleden en te verwachten schade alsmede met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten. ABN AMRO heeft zich tegen de vordering verweerd onder meer door aan te voeren dat de vordering van [appellante] is verjaard. Blijkens de bestreden beschikking heeft de kantonrechter dit verweer gehonoreerd en voor recht verklaard dat de rechtsvordering van [appellante] is verjaard. Tegen laatstgenoemde beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] op met zes grieven. ABN AMRO heeft de grieven bestreden.

 

 

3.2

De grieven strekken ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de vordering van [appellante] is verjaard en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

 

 

3.3

Het gaat in dit geding om de vraag of een vordering tot schadevergoeding nog geldend kan worden gemaakt in een geval dat zich hierdoor kenmerkt dat na de bankoverval meer dan twintig jaren zijn verstreken voordat de vordering is ingesteld. Bij de beoordeling van deze vraag moet worden vooropgesteld dat de termijn van twintig jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij, waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten, meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dat wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken (vgl. HR 24 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (Van Hese/De Schelde)).

 

 

3.4

Naar het oordeel van het hof doet zich in de onderhavige zaak geen uitzonderlijk geval voor in de hiervoor bedoelde zin. Daartoe is het volgende redengevend. Van de schade die [appellante] als gevolg van de bankoverval stelt te hebben geleden kan niet gezegd worden dat die naar haar aard verborgen is gebleven. Vaststaat dat [appellante] zich in verband met psychische klachten in 1998 heeft gewend tot haar huisarts. In een door de huisarts bijgehouden huisartsenjournaal is immers bij de datum 20 februari 1998 vermeld dat toen sprake was van al jarenlang bestaande en chronisch geworden psychische klachten die mede in verband stonden met ‘beroving VSB Bank’ (zie hiervoor onder 2 sub (iv)). Voorts is gebleken dat [appellante] zich in verband met die psychische klachten in 2004 na verwijzing een consult heeft gehad met psychiater Romeijn. Blijkens de brief van deze psychiater, gedateerd 6 februari 2004, wordt als mogelijke oorzaak van de klachten de bankoverval genoemd (zie hiervoor onder 2 sub (v)). Op grond van deze feiten moet worden geoordeeld dat [appellante] zich heeft kunnen realiseren dat zij door de bankoverval van 21 september 1990 mogelijk (psychische) schade leed zodat het onderhavige geval niet gelijkgesteld kan worden met het geval waarin de schade naar haar aard verborgen is gebleven en deze pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. De stelling van [appellante] dat de diagnose PTSS eerst in 2012 is gesteld en dat zij toen pas het verband heeft gelegd tussen de psychische schade en de bankoverval doet aan het voorgaande niet af, nu – zoals hiervoor overwogen – [appellante] eerder bekend was met de psychische klachten en zich in verband daarmee had gewend, eerst tot haar huisarts en later, na verwijzing, tot een psychiater en bij die gelegenheden telkens heeft verklaard dat zij een bankoverval had meegemaakt en dat zij sindsdien kampte met psychische klachten, zoals hiervan ook blijkt uit de brief van 6 maart 2014 van sociaal psychiatrisch verpleegkundige Schaap (zie hiervoor onder 2 sub (vi)).

 

 

3.5

De slotsom is dat de grieven falen en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. Aan bespreking van de vordering van ABN AMRO ex artikel 843a komt het hof niet toe, nu aan de voorwaarde daarvoor niet is voldaan. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

 

 

 

4 Beslissing

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

bekrachtigt de bestreden beschikking;

 

 

 

 

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, C.M. Aarts, en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 december 2016.