• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 8 maart 2016
  • ECLI:NL:GHARL:2016:1788
  • Zaaknummer: 200.152.499/01

Hof: OPS, vordering niet verjaard, werkgever aansprakelijk, deskundigenbericht ter vaststelling causaal verband

Werknemer, scheepsschilder, stelt dat hij lijdt aan OPS, die is veroorzaakt door (piek)blootstelling aan oplosmiddelen bij de werkgever en stelt de werkgever aansprakelijk. 1. Vordering niet verjaard. Het enkele feit dat omstreeks 2000/2001 vermoedde dat zijn klachten konden samenhangen met zijn werk, houdt naar het oordeel van het hof niet in dat hij daadwerkelijk daarmee bekend was. Het hof oordeelt dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment waarop benadeelde in 2009 bij het Solvent Team bevestiging vond voor zijn vermoeden dat zijn klachten gerelateerd waren aan werk met oplosmiddelen. 2. Het hof komt tot het oordeel dat de werkgever de stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan onvoldoende heeft onderbouwd. 3.Causaal verband. Het hof oordeelt dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de klachten van werknemer (kunnen) zijn veroorzaakt door de (piek)blootstelling gedurende zijn betrekkelijk korte dienstverband bij werkgever. Het hof acht een deskundigenbericht noodzakelijk.

ECLI:NL:GHARL:2016:1788

Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak: 08-03-2016

Datum publicatie: 24-03-2016

Zaaknummer: 200.152.499200.152.499/01

Rechtsgebieden: Civiel recht

Bijzondere kenmerken: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Scheepsschilder spreekt ex-werkgever aan. Hij stelt dat hij lijdt aan OPS, die is veroorzaakt door (piek)blootstelling aan oplosmiddelen bij de werkgever. Beroep op verjaring in eerste aanleg gehonoreerd, maar door het hof verworpen. Werkgever heeft haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldoen onvoldoende onderbouwd. Deskundigenbericht naar verband tussen (piek)blootstelling en klachten.

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.152.499200.152.499/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 574276 CV EXPL 13-734)

 

arrest van 8 maart 2016

 

in de zaak van

 

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.J. Van, kantoorhoudend te Amsterdam,

 

tegen

 

Schildersbedrijf De Graaf B.V.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: De Graaf,

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen.

 

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 14 maart 2013, 20 februari 2014 en 24 april 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

 

2 Het geding in hoger beroep

 

2.1 Het verloop van de procedure is als volgt:

– de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 juli 2014,

– de memorie van grieven, met productie 22,

– de memorie van antwoord met een productie.

 

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

 

2.3 Met zijn appeldagvaarding heeft [appellant] beroep ingesteld tegen de vonnissen van 20 februari 2014 en 24 april 2014. De vordering van [appellant] luidt, blijkens de conclusie in de memorie van grieven:

“de beroepen vonnissen te vernietigen en deskundigen te benoemen, om vervolgens het in eerste aanleg gevorderde alsnog toe te wijzen en geïntimeerde te veroordelen in de kosten van deze procedure in beide instanties.”

 

3 De feiten

 

3.1 In het tussenvonnis van 20 februari 2014 heeft de kantonrechter onder 1.1 tot en met 1.17 een reeks feiten vastgesteld. Daartegen is geen grief gericht en ook anderszins is niet van bezwaar tegen de weergave gebleken. Die feiten zijn, aangevuld met wat verder over de feiten vaststaat, als volgt, waarbij het hof, anders dan de kantonrechter, niet alle overgelegde schriftelijke verklaringen citeert.

 

3.2 [appellant], geboren op [geboortedatum], is vanaf 1967 achtereenvolgens werkzaam geweest in de navolgende functies bij genoemde werkgevers:

– van 1967 tot 1977 heeft hij als schilder gewerkt bij Langhout BV;

– van 1977 tot 1980 heeft hij als constructieschilder gewerkt bij Pepping Doom;

– van 1980 tot 1981 heeft hij als spuiter / straler gewerkt bij De Graaf;

– van 1981 tot 1996 heeft hij als spuiter / straler gewerkt bij Kuurman;

– van 1996 tot 1999 heeft hij als constructieschilder gewerkt bij Peiningen.

Op 15 februari 1999 is [appellant] in dienst getreden bij De Graaf als fulltime schilder /

spuiter van schepen.

 

3.3 Op 12 februari 1999 heeft [appellant] de volgende persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) ontvangen: veiligheidsbril, oordoppen, ruimzichtbril (scheepsbouw), volgelaatmasker voor gebruik met perslucht, 5 paar varkenssplit werkhandschoenen, 2 paar spuithandschoenen, 2 paar nepreen handschoenen en 2 paar stoffen handschoenen.

Bij de uitreiking van deze PBM’s heeft [appellant] verklaard instructie te hebben gehad over het juiste gebruik, wanneer de PBM’s moeten worden toegepast (inclusief de risico’s), het onderhoud en de vervanging. In de instructie is [appellant] er op gewezen dat het gebruik van PBM’s verplicht is. [appellant] heeft verklaard zich overeenkomstig de instructie te zullen gedragen.

 

3.4 Op 3, 10 en 17 mei 1999 heeft [appellant] de opleiding ‘Basisveiligheid’ gevolgd. Op 26 mei 1999 is aan [appellant] het certificaat van vakbekwaamheid uitgereikt, waaruit blijkt dat hij het examen Basisveiligheid (VGA) met goed gevolg heeft afgelegd. Dit certificaat was geldig tot 26 mei 2009.

 

3.5 De werkzaamheden van [appellant] bij De Graaf bestonden uit het zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde schoonmaken, ontvetten, schuren, voorbewerken, schilderen en spuiten van de schepen, die casco uit Roemenië kwamen. Met uitzondering van het schuren, kwamen bij alle werkzaamheden die [appellant] bij De Graaf verrichtte oplosmiddelen vrij.

 

3.6 De Graaf is sinds 10 mei 1994 gecertificeerd. De Graaf heeft eerst het ISO 9002/1994 certificaat verkregen en met ingang van 25 februari 1999 VCA (veiligheids checklist aannemers, versie 1997/01).

 

3.7 De Gezondheidsraad heeft in augustus 1999 het rapport “Piekblootstelling aan organische oplosmiddelen” uitgebracht. In de samenvatting van dit rapport staat onder meer:

“Blootstelling aan vluchtige organische oplosmiddelen tijdens het werk kan chronische toxische encefalopathie (CTE) veroorzaken, met een ziektebeeld dat wordt gekenmerkt door geheugenstoornissen, verminderd concentratievermogen, mentale traagheid, vermoeidheid, depressiviteit en prikkelbaarheid. CTE wordt ook aangeduid als organisch psychosyndroom of OPS. De naam CTE wordt hier gebruikt omdat deze niet alleen naar het effect chronische encefalopathie verwijst, maar ook naar de toxische oorzaak. Vluchtige organische oplosmiddelen bestaan uit koolwaterstoffen inclusief geoxygeneerde en gehalogeneerde verbindingen. Veel organische oplosmiddelen op de markt zijn mengsels die speciaal worden gemaakt om te worden verwerkt in verf, inkt, lijmen en schoonmaakmiddelen en andere producten.

De aandoening CTE werd voor het eerst beschreven in de Scandinavische literatuur bij schilders, automonteurs, metaalarbeiders en werkers in de scheepsbouw aan het eind van de jaren zeventig. Het biologisch mechanisme dat de relatie tussen blootstelling aan oplosmiddelen en het ontstaan van CTE kan verklaren, is niet opgehelderd. Op dit moment zijn arbeidstoxicologen het er wel over eens dat chronische blootstelling aan concentraties beneden de MAC-waarde het ontstaan van CTE niet bevordert. (…) Uit epidemiologisch onderzoek bij werkers in de betrokken beroepsgroepen blijkt dat vaak melding wordt gemaakt van een dronken gevoel tijdens en direct na de blootstelling aan hoge concentraties oplosmiddeldampen. Op basis hiervan wordt het mogelijk geacht dat kortdurende hoge blootstelling, ook wel piekblootstelling, een belangrijke factor zou kunnen zijn die tot CTE leidt.”

 

3.8 Op 17 oktober 2000 is [appellant] met rug- en knieklachten uitgevallen.

 

3.9 Verzekeringsarts [verzekeringsarts] van SFB uitvoeringsorganisatie heeft op 2 maart 2001 informatie opgevraagd bij de huisarts van [appellant] ten behoeve van zijn oordeelsvorming over arbeidsongeschiktheid. [verzekeringsarts] maakt in haar verzoek melding van het feit dat [appellant] een meniscusoperatie niet zit zitten en klaagt over vermoeidheid en een vlek op de lever, stelt dat hij erg vergeetachtig wordt en denkt aan OPS. “Een verwijzing voor nader onderzoek zag ik niet zitten. Graag verneem ik van u of hij zich bij u ook met klachten van vergeetachtigheid heeft gemeld en wat uw visie hierop is. Ook verneem ik graag de bevindingen van de internist”, aldus [verzekeringsarts].

 

3.10 De toenmalige huisarts van [appellant] heeft [appellant] (onder meer) op 9 maart 2001 gezien. In de patiënteninformatie heeft hij genoteerd: “Is vergeetachtig. Korte termijn gestoord. Vergat in verleden ook afspraken met de fysiotherapeut. Moet alles opschrijven. Verder erg opstandig. OPS?” In de daaropvolgende brief aan [verzekeringsarts] heeft de huisarts geschreven: “Op uw verzoek, onderstaande gegevens betreffende bovengenoemde patiënt. Hij is inderdaad vergeetachtig. Met name het korte termijngeheugen lijkt gestoord. Vegeet afspraken, moet alles opschrijven. Jarenlang schilder en wijt zijn geheugenklachten zelf aan OPS. Mogelijk zal dit nog eens onderzocht moeten worden (Maar waar?)”

 

3.11 In haar onderzoeksverslag van 22 mei 2001 schrijft de verzekeringsarts onder meer:

”’Betrokkene claimt korte termijngeheugenproblemen als mogelijk gevolg van OPS. Hij heeft dit ook aangekaart bij de huisarts. (…) Van een stoornis in het korte termijn geheugen heb ik niets kunnen merken tijdens diverse gesprekken die ik met betrokkene voerde. (…) Korte termijngeheugen rept hij niet meer over. Als ik zeg dat hij moet afvallen wat hij vervelend vindt dan zegt hij dat ik dat al eerder heb gezegd, hetgeen ook zo is; dus met zijn geheugen is niet veel mis. (…) Normale geheugen en concentratie functies. Betrokkene verkeert in een normaal psychisch evenwicht. In de diverse gesprekken heb ik nooit iets gemerkt van geheugenverlies”.’

 

3.12 Per einde wachttijd, op 16 oktober 2001, werd [appellant] op grond van zijn rug- en knieklachten voor 35-45% arbeidsongeschikt beschouwd. Na bezwaar werd hij in februari 2002 volledig arbeidsongeschikt geoordeeld. Sindsdien heeft [appellant] geen betaalde werkzaamheden meer verricht.

 

3.13 In het kader van de bezwaarprocedure is hij onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts [X]. In haar rapportage van 17 mei 2002 heeft [X] onder meer geschreven: “Omdat belanghebbende (en zijn vrouw) klagen over vergeetachtigheid is werk waarbij veel uit het hoofd gedaan wordt of waar hij aan veel dingen moet denken niet geschikt.” In de medische status heeft [X] onder meer opgemerkt: – bij de anamnese: “Wat vergeetachtig, weet soms niet of hij al gegeten heeft. Wil OPS laten onderzoeken.” – bij het psychisch onderzoek: “Het contact is goed. Hij reageert toch wel adequaat. De aandacht is goed. De stemming is neutraal. De affectmodulatie is adequaat. Het activiteiten- en interesseniveau is normaal. De waarneming en oriëntatie in tijd en plaats is ongestoord. De inprenting is tijdens het onderzoek niet gestoord. Er zijn geen manifeste concentratiestoornissen en geen angstklachten.” – en bij de conclusie: “Vergeetachtigheid, mogelijk door inactiviteit en veroudering.”

 

3.14 In een brief van 5 juli 2002 heeft verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] van UWV Bouwnijverheid aan de internist van [appellant] informatie gevraagd om de arbeidsongeschiktheid in het kader van de UWV te kunnen beoordelen. In die brief heeft hij onder meer geschreven: “Ook speelt tussendoor (al vele jaren) zijn eigen visie dat hij OPS heeft opgelopen als schilder. (…) Wat zijn uw bevindingen tot nu toe (diabetes, leveraandoening, OPS)?” In een rapport van 11 juli 2002 heeft [verzekeringsarts 2] geschreven: “Daarnaast spelen onbegrepen klachten; betrokkene denkt zelf aan OPS, maar daarvoor bestaat op dit moment geen bewijs.”

De internist heeft in reactie op het verzoek van [verzekeringsarts 2] verwezen naar twee brieven aan de huisarts van [verzekeringsarts 2]. In deze brieven wordt niets vermeld over OPS.

 

3.15 Begin 2009 is [appellant] onderzocht door het Solvent Team Enschede (oplosmiddelen onderzoek) van het Medisch Spectrum Twente. Op 27 maart 2009 is door neuroloog [neuroloog] aan de huisarts van [appellant] verslag gedaan: “Samenvattend heeft patiënt circa 35 jaar als constructieschilder gewerkt. Er zijn chronische klachten ontstaan van een karakterverandering met prikkelbaar en geagiteerd gedrag, stemmingswisselingen, een verminderd geheugen en concentratie en chronische hoofdpijn. (…) Mate van blootstelling: patiënt is beoordeeld door de heer [Y], arbeidshygiënist.

Patiënt heeft van 1967 tot 1999 als constructieschilder gewerkt bij diverse werkgevers. Het werk bestond onder meer uit het ontroesten, stralen en schilderen. Watertanks van de watermaatschappij moesten ook aan de binnenzijde worden bewerkt. Er was blootstelling aan loodmenie, chloor / rubberverven en vluchtige verdunners. Als bescherming werd vaak een zakdoek gebruikt. Later pas een half gelaatsmasker. De huid werd ook vaak met verdunners gereinigd. Vanaf 1999 heeft patiënt nog 1,5 jaar als scheepsschilder gewerkt. De totale blootstelling wordt aangegeven als laag, matig of hoog. Bij patiënt was er een hoge blootstelling.

Neuropsvchologisch onderzoek: in het gesprek vertelt patiënt over de gezinssituatie. Door een echtscheiding van de oudste dochter, heeft patiënt 2 kleinzoons in huis. Patiënt heeft soms moeite om de drukte te verdragen. Bij het neuropsychologisch onderzoek worden er duidelijke afwijkingen gevonden, zie bijgaande een kopie van het verslag. De bevindingen passen bij een chronische toxische encefalopathie (de schildersziekte).

Conclusie: patiënt heeft een duidelijk klachtenpatroon en er is langdurige blootstelling geweest aan oplosmiddelen als constructieschilder en scheepsschilder gedurende 35 jaar. De bevindingen bij neuropsychologisch onderzoek passen bij een chronische toxische encefalopathie (de schildersziekte). Wij adviseren patiënt in de toekomst niet meer met oplosmiddelen te werken. Er volgt in de toekomst nog een herhalingsonderzoek om het beloop te volgen.”

 

3.16 In het verslag van 27 maart 2009 van het neuropsychologisch onderzoek van de eveneens aan het Solvent Team verbonden klinisch psycholoog / neuropsycholoog [neuropsycholoog] is onder meer het volgende vermeld:

“Anamnese

Klachten

(…) De klachten zijn al een aantal jaren aanwezig, maar volgens patiënt en zijn echtgenote de laatste tijd verergerd. De nieuwe huisarts heeft toen dit onderzoek aangekaart. Volgens patiënt is vooral zijn ‘korte lontje’ pas na de afkeuring in 2000 ontstaan, maar later geeft hij aan dat in de afkeuringsbrief al wel chronische toxische encefalopathie als mogelijke (deel)verklaring was opgenomen. Hij geeft dan aan dat er ook toen al klachten waren, vooral geheugenproblemen (bijv. gas aan laten staan met pan erop). Er is toen al een onderzoek bij het Solvent Team aangekaart, maar patiënt vond dit destijds te belastend. (…)

Sociale omstandigheden en dagbesteding Patiënt is afgekeurd sinds 2000. Hij is gestopt met zijn hobby duivensport, en besteedt veel tijd aan zijn poes. Hij is gehuwd en heeft 3 kinderen, 2 dochters en een zoon. Met de zoon heeft hij geen contact door een conflict met de schoondochter. Dit geeft veel spanning, omdat het gezin van zijn zoon tegenover hem woont. Op dit moment hebben ze twee kleinzoons van 16 en 20 (van de oudste dochter) bij hen in huis genomen, na een scheiding van hun dochter.

Dit geeft veel spanningen. De GGZ is ingeschakeld, om de alternatieven voor uithuisplaatsing te onderzoeken. De echtgenote loopt op dit moment vanwege hartklachten in het ziekenhuis.(…)

 

Samenvatting en conclusie

Mogelijk licht suboptimale inzet bij een op benedengemiddeld intellectueel niveau functionerende man. Het regulier NPO geeft echter geen aanwijzingen voor onderpresteren op de geheugentaken. Problemen worden vooral gevonden op de tempogerelateerde taken en

het executieve domein/visuoconstructie. Mede gezien de zeer hoge blootstelling, denken wij

dat er aanwijzingen zijn voor CTE.”

 

3.17 Meerdere oud-collega’s van [appellant] hebben schriftelijke verklaringen afgelegd omtrent de arbeidsomstandigheden bij De Graaf. Oud-voorman [Oud-voorman] heeft onder meer geschreven dat hij van 1995 tot 2006 als voorman in dienst is geweest bij De Graaf en dat [appellant] in zijn ploeg zat. Over de werkzaamheden heeft hij verklaard: “Als eerste werden de schepen schoongemaakt met thinner om te ontvetten. We deden dit meestal met meerdere tegelijk. Dit deden we met een doek of een kwast. We namen thinner mee het schip in. Tijdens het schoonmaken werden leren / katoenen werkhandschoenen gedragen. Hier dringt alles doorheen. Er werd geen masker gedragen tijdens het schoonmaakwerk.

Er werden alleen oplosmiddelhoudende verven gebruikt. (…) Na het schoonmaakwerk werden de moeilijk te spuiten hoeken en gaten voorgestreken met meerdere lagen verf, dit moest zowel binnen als buiten gebeuren. Na het schilderwerk spoten we de lasnaden vol. Ook dat gebeurde met meerdere tegelijkertijd, alles moest zo snel mogelijk gebeurd zijn. En daarna begon het spuiten van de grote oppervlakten. We waren meestal een aantal dagen achter elkaar aan het spuiten. Tijdens het spuit- en schilderwerk moest in krappe ruimtes gewerkt worden zoals dubbele bodems en wanden en in de voorpiek. Deze bodems en wanden waren ongeveer 60 cm hoog. Je moest door mangaten waar je net met je schouder doorheen kon. Op bepaalde plekken, zoals in de voorpiek, was er maar 1 mangat. Er was dus geen enkele ventilatie. Officieel mag je niet eens zo werken. Er werd gedreigd met ontslag als je er iets over zei.

Bij plekken waar er meerdere mangaten waren was er enigszins maar nog steeds zeer minimaal sprake van ventilatie. Er waren afzuigslagen aanwezig, bedoeld voor het afzuigen van lasrook. Deze slangen waren ook nog erg onpraktisch gezien de mangaten waar ze doorheen zouden moeten. In de praktijk kwam het erop neer dat het gebruik van de afzuigslangen niet mogelijk was.

Het werk was fysiek erg zwaar werk. De te spuiten ruimtes waren erg krap, met name de dubbele wanden en bodems zoals gezegd. Je moest daarin kruipen met de spuit die vast zit aan een looplamp. Je moest dan op je zij liggen en kruipen door de ruimte heen. In de machinekamer zaten allerlei leidingen en buizen in de weg waar je omheen of onderdoor moest spuiten. Dan stond je in heel vervelende houdingen. Ik zweette zoveel tijdens het werk dat ik er zo een aantal kilo ’s van afviel. Je moest zowel mentaal als fysiek erg sterk zijn om dit werk vol te houden.

Bij het binnenspuitwerk gebruikten we een volgelaatmasker met koolstoffilters. De filters waren niet altijd in voorraad. Het voorschrift was om in geval van binnenspuitwerk een volgelaatsmasker met filtertype A/P2 of verseluchtmasker te gebruiken. In de praktijk blijkt het gebruik van een verseluchtmasker niet mogelijk. Hierbij moet naast het snoer en de spuitslang nog een luchtslang mee worden genomen in de ruimte. In een liggende houding in kleine ruimtes wordt het masker telkens verschoven. Niemand gebruikte dus deze verse luchtmaskers. Ik had na het spuitwerk buiten vaak brandende ogen.

We hadden een katoenen werkoveral. Tijdens het spuiten deden we een witte spuitoveral over de katoenen overal aan. Onder de katoenen overal had je overigens nog eigen kleren aan.

De spuitoveral was erg dun en scheurde snel en vaak kapot. De verf trok door de overal heen. Het trok de huid in, je kreeg er een rood verbrande huid van.

We maakten de handen schoon met thinner. Door het verschuiven van het volgelaatsmasker werd het gezicht vies van verf. Dit werd dan door een collega schoongemaakt met thinner.

De buitenkant van het schip schilderden en spoten we ook zoals eerder verteld. Vooral antifauling was een erg smerige verf. Na het spuiten van deze verf brandden mijn ogen.

Aan het einde van de werkdag maakten we de kwasten en spuiten schoon. Dit deden we in de container. We maakten de kwasten en pistolen schoon met thinner. De spuiten werden doorgespoten met thinner. Als het goed weer was deden we dit buiten en anders in de container, de thinner werd dan in een bak gespoten. Het pistool maakten we schoon met een kwast met thinner. Zowel de verfkwasten als het pistool werden in een open bak thinner gezet. In de container stonden dan ook altijd meerdere open bakken thinner. We droegen geen mondmasker tijdens het werk in de container.

In dezelfde container werd de verf gemengd. De verf, ver harder en/ of verdunner werden met de hand gemengd in open blikken met behulp van een mixer. In de container was geen afzuig- en/ of ventilatiesysteem aanwezig. Je viel bij binnenkomst van deze container bijna om van de dampen. (…) We verspoten 450-500 liter verf per dag, dat is gemiddeld zo’n 10 blikken. Als er geschilderd werd dan gebruikten we 20 tot 40 liter verf per dag, op z’n minst.

De pauzes werden in een aparte keet gehouden. Hierin werden geen verfproducten bewaard.

We hielden de werkkleding aan tijdens de pauze. De werkkleding en de laarzen waren bijna altijd nat met verf de dampen bleven er aan hangen. Maar wij waren gewend om in de verflucht te zitten.

Wij hebben geen voorlichting gekregen bij De Graaf over de gevaren van de oplosmiddelen en OPS. Ik hoorde er zelf pas later van, via de krant en informatie van de vakbond.

We zongen wel eens tijdens het werk zonder dat we het door hadden. Dan voelden we ons dronken zonder dat we gedronken hadden maar door het werken met de oplosmiddelen.

Ik had zelf last van de oplosmiddelen en collega ’s ook. Ik heb collega ’s wel eens zien overgeven door de dampen van de oplosmiddelen. Ze werden dan spierwit. Soms zei ik dan dat ze een luchtje moesten gaan scheppen. Maar zoiets kon ik niet te vaak doen want als de baas werknemers buiten zag zitten werd hij boos, dat mocht niet. Terwijl het erg harde werkers waren. Veel mensen die bij De Graaf gewerkt hebben, hebben gezondheidsproblemen gekregen.

Niemand durfde wat te zeggen over de slechte arbeidsomstandigheden omdat je dan bang was voor ontslag. Wij hebben ooit wel de Arbeidsinspectie gebeld omdat de werkgever niets aan de arbeidsomstandigheden deed zoals aanvoer van verse lucht. Er veranderde helaas niets aan de arbeidsomstandigheden”.

 

3.18 Ook oud-collega’s [oud-collega’s] hebben gedetailleerde schriftelijke verklaringen afgelegd omtrent de wijze waarop het werk werd uitgevoerd. Deze verklaringen komen grotendeels overeen met die van [Oud-voorman]. De echtgenote van [appellant] heeft in haar schriftelijke verklaring uiteengezet wat zij opmerkte wanneer [appellant] thuiskwam na het werk. Zij heeft onder meer verklaard dat [appellant] verfspetters op zijn handen had en dat hij iedere dag schone kleren aan moest, omdat de kleren die hij onder zijn overal aan had erg stonken en er vaak verf op zat. Soms leek het alsof [appellant] dronken was als hij thuiskwam, ofschoon [appellant] geen alcohol drinkt, aldus de echtgenote.

 

3.19 De Graaf heeft een schriftelijke verklaring van haar uitvoerder [uitvoerder] overgelegd, waarin, voor zover van belang, het volgende staat:

“De beweringen dat we zonder pbm ’s (persoonlijke beschermingsmiddelen) werkten in tanks of besloten ruimtes is pertinent niet waar.

Sinds wij VCA gecertificeerd zijn nu al ruim 15 jaar wordt er absoluut niet gewerkt zonder persoonlijke bescherming middelen. Ook voor die tijd gebruikten we beschermingsmiddelen, maar na het behalen van onze WA diploma’s en het VCA certificaat van Schildersbedrijf De Graaf eindjaren 90 was het niet gebruiken uit den boze en bij weigeren reden voor ontslag.

In het begin waren de regels voor bepaalde mensen moeilijk te accepteren maar vanuit het bedrijf werd het verplicht gesteld en we moesten er ook voor tekenen. Iedere spuiter is altijd in het bezit geweest van een vol gelaatsmasker, en voorwerkers van een half gelaatsmasker. Filters zijn altijd ruim voldoende aanwezig. Er wordt vanuit het bedrijf ook alles aangedaan om veilig en gezond te werken. Volgens mijn collega’s [collega 1] en [collega 2] die zich [appellant] wel kunnen herinneren vond [appellant] een masker tijdens het schilderen altijd lastig in verband met zijn baard. Hij heeft bij De Graaf nooit gespoten”.

 

3.20 In een door De Graaf overgelegde schriftelijke verklaring van de heer [collega 1] staat dat na de ISO-certificering van De Graaf alle medewerkers een PMB kregen uitgereikt, dat er altijd voldoende tot deze PBM behorende beschermingsmiddelen voorhanden waren en dat de medewerkers daar gebruik van moesten maken. [appellant] – door [collega 1] aangeduid als “ [appellant] ” – wilde geen gebruik maken van het masker omdat dit lastig was met roken. [appellant] werd de hand boven het hoofd gehouden door zijn voorman, door [collega 1] aangeduid als “ [Oud-voorman] ”, die volgens [collega 1] een vriend van [appellant] was.

 

3.21 Bij brief van 3 februari 2011 heeft [appellant] De Graaf aansprakelijk gesteld voor het

ontstaan van chronische toxische encefalopathie (hierna: CTE), in de hiervoor aangehaalde stukken en door partijen ook wel aangeduid als OPS (het hof zal beide begrippen gebruiken). Op 14 februari 2011 heeft De Graaf aansprakelijkheid afgewezen.

 

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

 

4.1 [appellant] heeft, na wijziging van eis bij repliek, gevorderd voor recht te verklaren dat De Graaf aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, en voorts De Graaf te veroordelen tot betaling van die schade, nader op te maken bij staat, met wettelijke rente vanaf 31 oktober 1996 dan wel de datum van dagvaarding in eerste aanleg en onder veroordeling van De Graaf in de proceskosten.

 

4.2 De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 20 februari 2014 naar aanleiding van het beroep van De Graaf op verjaring onder 5.12 overwogen dat, wanneer er voor de benadeelde voldoende aanknopingspunten zijn voor het bestaan van aansprakelijkheid van een voldoende bepaalde persoon, van hem enig onderzoek mag worden gevergd. De benadeelde heeft de gehele verjaringstermijn van vijf jaar om onderzoek te doen nadat daartoe voor hem voldoende aanleiding is ontstaan. Onder 5.14 en 5.15 overweegt de kantonrechter dat van belang kan zijn of [appellant] in maart 2001 al dacht aan OPS, omdat hij erg vergeetachtig werd, of dat de huisarts toen al onderzoek bij het Solvent Team heeft aangekaart, waarvan [appellant] heeft afgezien. Daartoe heeft de kantonrechter om nadere informatie gevraagd. In het tussenvonnis is de kantonrechter ook al ingegaan op de vraag hoe de vordering van [appellant] dient te worden beoordeeld wanneer het verjaringsverweer niet slaagt. Zij heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld te reageren op door De Graaf bij conclusie van dupliek in het geding gebrachte stukken over de omstandigheden waaronder [appellant] zijn werk heeft gedaan bij De Graaf. Ook heeft zij aangegeven behoefte te hebben aan voorlichting over de vraag of de gezondheidsklachten van [appellant] veroorzaakt kunnen zijn door piekblootstellingen en over de vraag in hoeverre overige spanningen kunnen hebben bijgedragen aan de klachten van [appellant] en/of de bij het neuropsychologisch onderzoek gevonden afwijkingen kunnen veroorzaken. In dat verband diende [appellant] informatie te verstrekken over zijn thuissituatie. Ten slotte is de kantonrechter in het tussenvonnis ingegaan op de vraag of, indien komt vast te staan dat De Graaf aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW, sprake is van alternatieve of proportionele causaliteit en heeft zij overwogen dat het met betrekking tot de interpretatie van de medische gegevens voor de hand ligt dat zij zich laat voorlichten door een ter zake deskundige arts. De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast.

 

4.3 Nadat de comparitie had plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 24 april 2014 overwogen dat [appellant] in de periode 2001/2002 meerdere malen en bij verschillende artsen te kennen heeft gegeven dat hij zelf zijn klachten aan OPS weet en doorverwezen wilde worden voor verder onderzoek, hetgeen ondanks toenemende klachten niet is gebeurd. Naar het oordeel van de kantonrechter was [appellant] in 2001/2002 bekend met het aan OPS gerelateerde ziektebeeld en had hij binnen vijf jaar nogmaals om nader onderzoek moeten vragen, hetgeen redelijkerwijs binnen vijf jaar tot het daadwerkelijk instellen van een rechtsvordering of andere stuitingshandeling had kunnen leiden.

Nu geen adequate verklaring is gegeven voor het stilzitten is de vordering volgens de kantonrechter verjaard.

 

4.4 De vordering is bij eindvonnis van 24 april 2014 afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

 

5 De beoordeling in hoger beroep

 

5.1 [appellant] betoogt met zijn niet genummerde grieven – ten onrechte stelt De Graaf dat [appellant] geen grieven heeft geformuleerd; hij miskent dat grieven niet aan bepaalde vormvereisten hoeven te voldoen, maar dat voldoende duidelijk moet zijn dat en waarom appellant zich niet met het bestreden vonnis kan verenigen – dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn vordering is verjaard en hij verzoekt het hof de bestreden vonnissen op dit punt te vernietigen, het beroep op verjaring te verwerpen en het geschil inhoudelijk te beoordelen.

 

5.2 Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad op 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3240 heeft overwogen dat naar vaste rechtspraak de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus moet worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle terzake dienende omstandigheden.

 

5.3 Zoals de kantonrechter ook zelf onder 5.11 van haar tussenvonnis overwoog, kan bij lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, van daadwerkelijke

bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid, die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn, pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd, zo oordeelde de Hoge Raad op 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0694, herhaald in HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041).

 

5.4 Het enkele feit dat [appellant] omstreeks 2000/2001 vermoedde dat zijn klachten konden samenhangen met zijn werk, houdt naar het oordeel van het hof niet in dat [appellant] daadwerkelijk daarmee bekend was. [appellant] is immers op medisch gebied bepaald geen deskundige, terwijl de door hem geraadpleegde artsen de diagnose niet hebben gesteld, de keuringsartsen daar geen nader onderzoek naar hebben gedaan en uit hun rapporten ook volgt dat zij [appellant] niet steunden in diens vermoeden dat sprake was van OPS, en [appellant] tot 2008 evenmin is doorverwezen voor nader onderzoek naar deze beroepsziekte, hoewel hij daar wel om heeft gevraagd. Het hof verwerpt het verweer van De Graaf dat uit de brief van 27 maart 2009 van klinisch psycholoog/neuropsycholoog [neuropsycholoog], aangehaald in rechtsoverweging 3.16, blijkt dat ten tijde van de afkeuring al onderzoek door het Solvent Team is aangekaart maar dat [appellant] dat te belastend vond. Dit is slechts vermeld bij de anamnese (waarin ook ten onrechte staat dat [appellant] in 2000 is afgekeurd) en vindt geen enkele bevestiging in andere bronnen. In de anamnese, die is gebaseerd op hetgeen [appellant] [neuropsycholoog] heeft verteld, wordt verwezen naar een “afkeuringsbrief”, waarin melding zou zijn gemaakt van OPS. Uit de hiervoor aangehaalde stukken betreffende de afkeuring van [appellant] volgt echter dat de bij de afkeuring betrokken verzekeringsgeneeskundigen juist onvoldoende grondslag aanwezig achtten voor de diagnose OPS. Overigens vermeldt [neuropsycholoog] in haar brief ook dat [appellant] benedengemiddeld scoorde op de afgenomen intelligentietest.

 

5.5 Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment waarop [appellant] in 2009 bij het Solvent Team in Enschede bevestiging vond voor zijn vermoeden dat zijn klachten gerelateerd waren aan werk met oplosmiddelen. Voorheen was slechts sprake van vermoedens van [appellant] (en mogelijk van zijn naasten), die echter niet door een arts werden bevestigd. De vordering van [appellant] was dan ook niet verjaard ten tijde van het aanhangig maken van de zaak in eerste aanleg bij dagvaarding van 28 januari 2013.

 

5.6 Het voorgaande brengt mee dat het vonnis van de kantonrechter niet in stand kan blijven en dat het hof het geschil thans inhoudelijk dient te beoordelen, met inachtneming van hetgeen partijen in eerste aanleg en in appel hebben aangevoerd.

 

5.7 De kantonrechter heeft in het tussenvonnis het door De Graaf gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellant] wegens schending van de waarheidsplicht verworpen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter en met hetgeen de kantonrechter aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Dit verweer van De Graaf wordt dan ook gepasseerd.

 

5.8 [appellant] baseert zijn vordering op art. 7:658 BW en legt daaraan de stelling ten grondslag dat hij, zoals volgt uit de aangehaalde rapporten van het Solvent Team, lijdt aan CTE, althans aan gezondheidsklachten, die het gevolg is (zijn) van de blootstelling aan oplosmiddelen gedurende het verrichten van zijn werkzaamheden voor De Graaf. Uit de onder 3.17 geciteerde verklaring van [Oud-voorman], die in grote lijnen wordt bevestigd door de verklaringen van oud-collega’s [oud-collega’s], blijkt dat bij De Graaf intensief werd gewerkt met oplosmiddelen in niet geventileerde ruimten en zonder adequate bescherming tegen huidcontact met, of inademing van, oplosmiddelen. [appellant] meent dat hiermee in voldoende mate is aangetoond dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij De Graaf in een zodanige mate aan oplosmiddelen is blootgesteld, dat dit de oorzaak kan zijn geweest van de nadien bij hem vastgestelde CTE, althans – indien de diagnose CTE niet kan worden gesteld – van de gezondheidsklachten waaraan hij lijdt. Dat hij geen vijf jaar, maar een jaar en acht maanden voor De Graaf heeft gewerkt, doet daaraan niet af, volgens [appellant], nu bij zijn werkzaamheden sprake is van piekblootstellingen en uit medische vakliteratuur ( [appellant] verwijst naar het onder 3.7 aangehaalde rapport van de Gezondheidsraad) blijkt dat deze piekblootstellingen een belangrijke factor zijn bij het ontstaan van CTE. Dat [appellant] ook bij andere werkgevers met oplosmiddelen in aanraking is gekomen, doet volgens [appellant] niet af aan de aansprakelijkheid van De Graaf. Volgens [appellant] is hij in dienst van die andere werkgevers niet in zodanige mate aan oplosmiddelen blootgesteld dat die blootstellingen kunnen worden gekwalificeerd als een zelfstandige oorzaak van zijn klachten. Het staat volgens [appellant] niet vast dat bij die werkgevers sprake is geweest van piekblootstellingen of blootstellingen boven de MAC-waarde. Dat laatste is wel nodig, wil die blootstelling relevant zijn, omdat volgens het meergenoemde rapport van de Gezondheidsraad chronische blootstelling aan concentraties beneden de MAC-waarde het ontstaan van CTE niet bevordert. [appellant] wijst er voorts op dat, mede gelet op het in 1976 in werking getreden Publicatieblad 139 inzake verfverwerking van de Arbeidsinspectie, werkgevers vanaf het begin van de jaren tachtig rekening moesten houden met het feit dat blootstelling aan oplosmiddelen schade kon toebrengen aan de gezondheid van werknemers. De Graaf heeft de op haar rustende zorgplicht geschonden.

 

5.9 De Graaf heeft betwist dat [appellant] aan CTE lijdt, althans aan gezondheidsklachten die kunnen zijn ontstaan door de arbeidsomstandigheden gedurende de twintig maanden waarin [appellant] bij haar heeft gewerkt. Van een relevante blootstelling was bij het werk voor De Graaf geen sprake. Er gold (en geldt) een strikt veiligheidsbeleid. De andersluidende verklaringen die [appellant] van oud-collega’s heeft overgelegd zijn onjuist. [oud-collega’s] hebben volgens De Graaf eigen belangen, nu zij De Graaf eveneens aansprakelijk hebben gesteld voor bij hen ontwikkelde CTE. Indien [appellant] zich daar niet aan zou hebben gehouden, is sprake van opzet of grove schuld. De klachten van [appellant] kunnen ook worden gerelateerd aan de problematische gezinssituatie van [appellant]. De Graaf wijst erop dat [appellant] het overgrote deel van zijn werkzame leven van 35 jaar heeft gewerkt bij andere bedrijven, waar [appellant] (wel) werd blootgesteld aan oplosmiddelen. [appellant] zal bovendien, net als andere schilders, ook na het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid hebben bijgeklust. [appellant] heeft (ook) op dit punt volgens De Graaf ten onrechte onvoldoende informatie verstrekt. Als [appellant] al CTE heeft ontwikkeld of andere gezondheidsklachten die kunnen worden veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen, heeft die blootstelling zich bij deze andere bedrijven en bij het bijklussen voorgedaan. Als De Graaf al aansprakelijk zou zijn, is zij uiterst subsidiair van oordeel dat zij voor hooguit 4% proportioneel aansprakelijk is.

 

5.10 De vordering van [appellant] is toewijsbaar indien (1) bij [appellant] sprake is van CTE althans van gezondheidsklachten die door de blootstelling aan oplosmiddelen zijn veroorzaakt en deze blootstelling bij De Graaf heeft plaatsgevonden (in dat geval is sprake van schade in de uitoefening van de werkzaamheden in de zin van artikel 7:658 BW), (2) De Graaf in haar zorgplicht is tekortgeschoten, (3) er sprake is van causaal verband tussen deze zorgplichtschending en de gezondheidsschade van [appellant] en (4) [appellant] daardoor schade heeft geleden. Op [appellant] rusten, zoals de kantonrechter in het tussenvonnis ook heeft overwogen, stelplicht en bewijslast ten aanzien van het onder 1 omschreven vereiste. Daarbij geldt wel, zoals de Hoge Raad in zijn (ook door de kantonrechter aangehaalde) arrest van 7 juni 2013 (ECLI:HR:2013:BZ1721) onder verwijzing naar eerdere rechtspraak heeft overwogen, dat wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel, de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, is nodig (a) dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook (b) dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is, aldus de Hoge Raad. Bovendien geldt, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA8369), dat van De Graaf, als werkgever die op grond van art. 7:658 lid 2 BW door een werknemer wordt aangesproken, in het kader van de motivering van de betwisting van de stellingen van [appellant] mag worden gevergd dat zij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die meer in haar sfeer dan in die van [appellant] liggen. Daarbij valt te denken aan informatie over de gevaarlijke stoffen waarmee in het kader van haar bedrijfsvoering werd gewerkt en aan informatie over de aard, de mate en de duur van de blootstelling waaraan haar werknemers aan gevaarlijke stoffen worden blootgesteld. In dit verband wijst het hof erop dat De Graaf, op grond van artikel 4.2 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) – welke bepaling vanaf 1 juli 1997, toen het Arbobesluit van toepassing werd, al gold – gehouden is in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RIE) op grond van artikel 5 (toen nog artikel 4) van de Arbeidsomstandighedenwet de aard, mate en duur van de blootstelling te beoordelen. Deze verplichting is in de leden 2 t/m 4 van het Arbobesluit uitgewerkt (waarbij lid 2 op 10 september1999 iets is uitgebreid). In genoemde bepalingen is onder meer bepaald dat de werkgever, wiens werknemers aan gevaarlijke stoffen kunnen worden blootgesteld, dient vast te stellen aan welke gevaarlijke stoffen de werknemer kan worden blootgesteld, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en op welke wijze (via de huid, door inademing of door een combinatie) blootstelling kan plaatsvinden en wat het blootstellingsniveau is.

 

5.11 Voor wat betreft het onder 2 vermelde vereiste van de zorgplicht geldt dat De Graaf dient te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat zij niet in haar zorgplicht is tekortgeschoten. Daarbij is van belang dat in een situatie waarin werknemers met gevaarlijke stoffen werken van een werkgever mag worden verwacht dat hij voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van zijn werknemers zorgdraagt. De werkgever dient daartoe in elk geval de aard, mate en duur van de blootstelling in kaart te brengen en doeltreffende maatregelen te treffen ter voorkoming of beperking van de blootstelling. Wat dat laatste betreft dient de werkgever voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is gevaarlijke stoffen te vervangen door stoffen die minder gevaarlijk zijn. Indien vervanging redelijkerwijs niet mogelijk is dan wel gevaar voor de gezondheid ook na vervanging resteert dient de werkgever zodanige werkprocessen, uitrustingen en materialen toe te passen dat het vrijkomen van die stoffen wordt voorkomen of beperkt. Indien ook dat redelijkerwijs niet mogelijk is, dient de werkgever zodanige organisatorische maatregelen te nemen dat gevaar voor de gezondheid wordt voorkomen of beperkt, of indien ook dat niet mogelijk is dan wel het gevaar voor de gezondheid niet wegneemt aan de werknemers persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen. Uiteraard dient de werkgever in het laatste geval ook te controleren of van de verstrekte persoonlijke beschermingsmiddelen daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt. Daarnaast dient de werkgever de werknemer te instrueren over de omgang met gevaarlijke stoffen.

 

5.12 Het hof zal met inachtneming van het bovenstaande beoordelen of [appellant] met de tot op heden in het geding gebrachte stukken en verklaringen heeft bewezen, dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij De Graaf de door hem gestelde gezondheidsklachten heeft opgelopen, dan wel of aan de vereisten voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel is voldaan en ook of De Graaf heeft bewezen, dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.

 

5.13 Het hof stelt voorop dat [appellant] het ontstaan van zijn gezondheidsklachten uitdrukkelijk verbindt aan de door hem in de jaren 1999 en 2000 voor De Graaf verrichte werkzaamheden en niet aan de werkzaamheden die hij voor andere werkgevers heeft verricht gedurende zijn loopbaan als schilder. In de brief van zijn advocaat ter voorbereiding op de comparitie in eerste aanleg is weliswaar aangegeven dat in de periode 1980-1981, toen [appellant] een jaar voor De Graaf heeft gewerkt, de arbeidsomstandigheden vergelijkbaar waren met die van 1999-2000, maar [appellant] heeft daaraan geen consequenties verbonden. Hij heeft de aansprakelijkheid van De Graaf niet gerelateerd aan de periode 1980-1981, maar uitsluitend aan de periode 1999-2000 en de toen door hem ondergane piekblootstellingen. In genoemde brief heeft [appellant] ten aanzien van zijn dienstverbanden met andere werkgevers doen opmerken, dat bij die dienstverbanden sprake was van een relatief lage blootstelling aan oplosmiddelen. Dat betekent dat in eerste instantie cruciaal is of, zoals [appellant] stelt, bij zijn werkzaamheden voor De Graaf in 1999-2000 sprake is geweest van piekblootstellingen en, indien dat het geval is, of deze piekblootstellingen de gezondheidsklachten van [appellant] kunnen hebben veroorzaakt. Het hof zal zich dan ook concentreren op de werkomstandigheden bij De Graaf in 1999-2000.

 

5.14 Dat [appellant] in de relevante periode bij De Graaf heeft gewerkt met gevaarlijke stoffen staat, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld, niet ter discussie. Volgens De Graaf is [appellant] echter niet blootgesteld aan hoge concentraties gevaarlijke stoffen. Zij is sinds 1994 VCA-gecertificeerd en die certificering is in 1999 vernieuwd. Een belangrijk onderdeel van de certificering ziet op bescherming van werknemers en de veiligheid van de arbeidsomstandigheden. De werkzaamheden worden aldus ingericht dat piekblootstellingen niet voorkomen, aldus De Graaf. Er zijn voor de werknemers P-bladen beschikbaar betreffende de stoffen waarmee wordt gewerkt en op deze P-bladen wordt beschreven welke voorschriften in acht genomen moeten worden om gevaar van blootstelling te voorkomen. Haar werknemers worden uitgebreid geïnstrueerd over de in acht te nemen veiligheidsvoorschriften, onder andere over de omgang met gevaarlijke stoffen. Dat is ook bij [appellant] het geval geweest. Verder heeft [appellant] het VCA-certificaat basisveiligheid behaald. De Graaf stelt in ruime mate persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar. [appellant] heeft voor de ontvangst daarvan getekend, evenals voor de ontvangst van instructies over het gebruik van die middelen, het gebruik van P-bladen, veiligheidsrichtlijnen betreffende verfproducten. Werknemers die zich houden aan de veiligheidsvoorschriften worden dan ook niet blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, aldus De Graaf.

 

5.15 De Graaf heeft de stelling van [appellant] dat hij bij zijn werkzaamheden voor De Graaf zodanig is blootgesteld aan gevaarlijke stoffen – meer in het bijzonder oplosmiddelen – dat sprake was van piekblootstellingen met hetgeen hiervoor is weergeven uitvoerig weersproken. Toch hebben de stellingen van De Graaf deels een nogal abstract karakter, omdat onduidelijk blijft met welke stoffen [appellant] heeft gewerkt, hoe onveilig die stoffen zijn en onder welke omstandigheden [appellant] met die stoffen heeft gewerkt. Ten aanzien van het laatste stelt het hof vast dat in de door [appellant] overgelegde schriftelijke verklaringen gedetailleerd is uiteengezet dat er in krappe, niet geventileerde, ruimtes moest worden gewerkt en dat in die ruimtes het gebruik van afzuigslangen en/of van een volgelaat- of verseluchtmasker niet mogelijk was. De Graaf heeft weliswaar in zijn algemeenheid gesteld dat die verklaringen niet betrouwbaar zijn, maar zij is niet (specifiek) ingegaan op hetgeen in de verklaringen over de arbeidsomstandigheden is vermeld. In de door De Graaf zelf overgelegde verklaringen wordt daar ook slechts zeer summier aandacht aan geschonken. Voor hetgeen in de door [appellant] overgelegde verklaringen is vermeld over het reinigen van handen, gelaat en gereedschappen (spuitkoppen en kwasten) met thinner en over het mengen van verf en verharder geldt hetzelfde. Volgens De Graaf heeft zij zich, als VCA-gecertificeerd bedrijf, stipt aan de veiligheidsvoorschriften gehouden, maar wat dat betekent voor bedoeld reinigen en mengen is het hof onduidelijk. Nu de werknemers van De Graaf met gevaarlijke stoffen werkten en daaraan dus werden, of op zijn minst konden worden, blootgesteld, was De Graaf, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.10 is overwogen, gehouden in het kader van de RIE onder meer in kaart te brengen met welke gevaarlijke stoffen werd gewerkt, onder welke omstandigheden werd gewerkt, hoe blootstelling kon plaatsvinden en wat het blootstellingsniveau was. De Graaf heeft geen RIE in het geding gebracht. Zij heeft ook niet gesteld dat de hiervoor vermelde informatie in een RIE is terug te vinden en wat daarover in de RIE is vermeld. Ook heeft zij niet gesteld dat in het kader van de VCA-certificering de genoemde informatie (wel) is verzameld. Nu deze informatie geheel in de sfeer van De Graaf ligt – De Graaf diende deze in het kader van de RIE te verzamelen -, lag het op de weg van De Graaf deze informatie in het geding te brengen ter betwisting van de stelling van [appellant] dat hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden piekblootstellingen heeft ondergaan. De Graaf heeft dat nagelaten en daardoor de stelling van [appellant] onvoldoende weersproken. Het hof zal dan ook van de juistheid van deze stelling uitgaan.

5.16 Hetgeen hiervoor is overwogen over het ontbreken van essentiële gegevens omtrent de aard, mate en duur van de blootstelling heeft ook gevolgen voor de beoordeling van de stelling van De Graaf dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. De inhoud en omvang van de zorgplicht van een werkgever in wiens bedrijf met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, is afhankelijk van de concrete risico’s bij de uitvoering van de werkzaamheden in het bedrijf van de werkgever. Wanneer, zoals hier, die risico’s niet nauwkeurig in kaart kunnen worden gebracht, omdat onduidelijk is met welke gevaarlijke stoffen precies wordt gewerkt, onder welke omstandigheden en wat het blootstellingsniveau is, kan ook niet worden beoordeeld of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dat de werkgever gecertificeerd is en dat de werknemers uitvoerig zijn geïnstrueerd over het werken met gevaarlijke stoffen en een uitgebreid pakket persoonlijke beschermingsmiddelen hebben ontvangen, betekent nog niet dat de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Indien de werkgever in die situatie bijvoorbeeld ten onrechte heeft nagelaten om de stoffen waarmee gewerkt wordt te vervangen door niet of minder gevaarlijke stoffen, terwijl deze vervanging wel van hem gevergd kon worden, dan wel de werkprocessen zodanig te wijzigen dat de blootstelling aan gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk werd teruggedrongen, is hij ondanks de gedegen instructie en het uitgebreide pakket beschermingsmiddelen toch in zijn zorgplicht tekortgeschoten. Uit de stellingen van De Graaf volgt slechts dat zij [appellant] afdoende heeft geïnstrueerd en van beschermingsmiddelen heeft voorzien en dat zij volgens het VCA-keuringsinstituut haar zaken op orde had, maar niet dat zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om het gevaar van blootstelling aan (hoge concentraties) gevaarlijke stoffen bij de bron (in de keuze van stoffen en in de gekozen werkwijzen) aan te pakken. In dit verband wijst het hof erop dat De Graaf nauwelijks is ingegaan op het betoog van [appellant] dat er met oplosmiddelen gewerkt moest worden in niet of nauwelijks geventileerde ruimtes.

 

5.17 De slotsom is dat De Graaf haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof komt dan ook niet toe aan een bewijsopdracht (aan De Graaf) op dit punt.

 

5.18 De vraag die resteert, is of de gezondheidsklachten van [appellant] veroorzaakt zijn (dan wel of aannemelijk is dat ze veroorzaakt kunnen zijn) door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij De Graaf. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat dit nog niet vaststaat. Daartoe is het volgende redengevend.

 

5.18.1 Het in rechtsoverweging 3.15 aangehaalde rapport van dr. [neuroloog] van het Solvent Team, waarop [appellant] zich baseert, vormt weliswaar een aanwijzing dat sprake is van een verband tussen de in het rapport gereleveerde klachten en de blootstelling, maar vormt een te smalle basis voor de conclusie dat dat verband bestaat. Allereerst zijn de conclusies van dr. [neuroloog] gebaseerd op een langdurige blootstelling aan oplosmiddelen (een blootstelling gedurende 35 jaar), terwijl [appellant] juist heeft gesteld dat alleen de (piek)blootstelling bij De Graaf in 1999-2000 relevant is geweest. De conclusies zijn dan ook gebaseerd op andere blootstellingsgegevens dan door [appellant] aan zijn vordering ten grondslag zijn gelegd. Bovendien is het rapport mede gebaseerd op de uitkomsten van neuropsychologisch onderzoek, terwijl niet valt uit te sluiten dat die uitkomsten negatief zijn beïnvloed door de spanningsklachten van [appellant] als gevolg van problemen in de privésfeer. Ten slotte geeft dr. [neuroloog] zelf aan dat hij [appellant] nog eens wil onderzoeken om het beloop (naar het hof aanneemt: van de klachten) te kunnen volgen, maar dit onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. Met het onderzoek van het Solvent Team is het bewijs van het verband tussen de gezondheidsklachten van [appellant] en de blootstelling bij De Graaf (in de periode 1999-2000) dan ook nog niet geleverd.

 

5.18.2 Van belang is verder dat de artsen die [appellant] in de periode kort na de blootstelling hebben gezien, zijn huisarts en de verzekeringsgeneeskundigen, niet hebben geconcludeerd tot een verband tussen de klachten van [appellant] en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Zij zagen zelfs geen aanleiding [appellant] te verwijzen voor verder onderzoek.

 

5.18.3 Verder staat ter discussie of de door [appellant] gestelde klachten wel veroorzaakt kunnen worden door een blootstelling gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar. De Graaf heeft in dit verband gewezen op een deskundigenonderzoek dat is weergegeven in een arrest van het voormalige gerechtshof Leeuwarden van 18 september 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BX7965). Dat onderzoek is in opdracht van het hof verricht door een tweetal deskundigen en had een algemeen karakter, in die zin dat aan de deskundigen enkele algemene vragen over de (destijds) heersende wetenschappelijke opvattingen betreffende het ontstaan van OPS/CTE zijn voorgelegd. De deskundigen gaan in hun rapport ook in op het verband tussen piekblootstellingen en het ontstaan van CTE. In hun antwoord op vraag 3c hebben zij hun bevindingen samengevat. Die luiden als volgt: “De veronderstelling dat piekblootstelling het ontstaan van CTE zou kunnen bevorderen kan noch bewezen worden noch ontkend worden, al zijn er serieuze aanwijzingen voor een dergelijk effect. Een drempel voor effecten door piekblootstelling kan niet aangegeven worden. Opname van oplosmiddelen via de huid kan tot extra inwendige belasting leiden, maar dit blijft beperkt tot ca 10% extra t.o.v. de geïnhaleerde dosis.”

[appellant] heeft niet aangevoerd dat deze bevindingen van de deskundigen, die ook in lijn zijn met het in rechtsoverweging 3.7 aangehaalde onderzoek van de Gezondheidsraad, onjuist zijn, zodat het hof vooralsnog van de juistheid van deze bevindingen uitgaat. Dat betekent dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de klachten van [appellant] (kunnen) zijn veroorzaakt door de (piek)blootstelling gedurende zijn betrekkelijk korte dienstverband bij De Graaf.

 

5.18.4 De Graaf heeft er nog op gewezen dat de klachten van [appellant] ruimschoots na de gestelde blootstelling zijn ontstaan. Een verband tussen de klachten en de blootstelling ligt dan ook niet voor de hand, meent De Graaf. Het hof volgt De Graaf niet in dit betoog, omdat (in elk geval) een deel van de klachten al in maart en mei 2001 is gedocumenteerd door de huisarts en de verzekeringsgeneeskundigen. Zij maken immers melding van concentratieklachten en geheugenverlies. 5.18.5 Onduidelijk is of er, zoals De Graaf betoogt, verband is tussen (een deel van) de klachten van [appellant] en diens stresserende gezinssituatie. In dit verband herinnert het hof eraan dat Registratierichtlijn H002 betreffende OPS als exclusie-criterium de aanwezigheid van recente ‘Life-events’ vermeldt.

 

5.19 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat nader onderzoek noodzakelijk is naar het verband tussen de klachten van [appellant] en de blootstelling. [appellant] heeft daarop al geanticipeerd door een concept vraagstelling op te stellen en een deskundige voor te dragen. De Graaf heeft de vraagstelling en de voordracht bekritiseerd, maar heeft zelf nog geen voorstel gedaan.

 

5.20 Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich, met inachtneming van hetgeen het hof hiervoor heeft beslist over e blootstelling en de zorgplicht, (opnieuw) uit te laten over specialisme en persoon van de te benoemen deskundige(n), de aan deze(n) te stellen vragen en het voorschot op de kosten. Het hof overweegt dat nu [appellant] al is onderzocht door een Solvent Team het niet voor de hand ligt dat een deskundige wordt benoemd die is verbonden aan een ander Solvent Team. Gelet op hetgeen vaststaat over de klachten van [appellant] zou de benoeming van een neuroloog met expertise op het gebied van OPS en van een psychiater, dit met het oog op de invloed van eventuele psychische problemen op de klachten van [appellant], het meest voor de hand liggen. Eventueel zou in het kader van het deskundigenonderzoek opdracht gegeven kunnen worden tot een neuropsychologisch onderzoek. Het verdient uiteraard aanbeveling wanneer partijen proberen te komen tot een gezamenlijke voordracht. Indien zij daarin niet slagen, dienen zij per discipline elk maximaal drie namen van te benoemen deskundigen te vermelden, met een toelichting en drie namen (eveneens met toelichting) van deskundigen die zij niet benoemd willen zien.

 

5.21 Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte uitlating deskundigenbericht door beide partijen.

 

6 De beslissing

 

Het gerechtshof:

 

alvorens nader te beslissen

 

verwijst de zaak naar de rol van 19 april 2016 voor akte uitlating deskundigenbericht door beide partijen;

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J.H. Kuiper en mr. M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 maart 2016.