• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • ECLI:NL:GHSHE:2014:1717
  • Zaaknummer: HD 200.032.775_01

Hof: mishandeling, veroorzaker niet aansprakelijk voor pre-existente psychische klachten

Schadevergoedingsvordering na mishandeling in 2003. Uitspraak na neurologische en psychiatrische expertise, ter beantwoording van de vraag of gestelde klachten (o.a. heftige stemmingswisselingen, concentratieverlies), zijn veroorzaakt door die mishandeling. Het hof overweegt dat de veroorzaker het slachtoffer dient te nemen zoals deze is, dus inclusief pre-existente klachten, persoonlijkheid en moeilijke privé-situatie. Dit leidt er evenwel niet toe dat veroorzaker aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt door al bestaande klachten. Het hof komt tot het oordeel dat er geen verlies van arbeidsvermogen is als gevolg van het ongeval. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de deskundige heeft vastgesteld dat reeds sprake was van agressieregulatieproblematiek, antisociale karaktertrekken en middelenmisbruik, en dat benadeelde aantoonbaar hersenletsel had door een scooterongeval in 2001. Smartengeld voor snijwonden, losse tand, haematoom: € 1000.

ECLI:NL:GHSHE:2014:1717
Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak: 10-06-2014
Datum publicatie: 11-06-2014
Zaaknummer:
HD 200.032.775_01
Formele relaties: Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:65 Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Schadevergoedingsvordering na mishandeling, waaronder ook verlies verdienvermogen. Na deskundigenonderzoek door m.n. psychiater in verband met ernstige pre-existente problematiek wordt deze vordering afgewezen, omdat op grond van dit rapport moet worden geconcludeerd dat arbeidsvermogensschade niet is veroorzaakt door mishandeling. Smartengeld wel toewijsbaar; het hof acht gelet op de omstandigheden een bedrag van € 1.000 billijk. Beroep op matiging afgewezen.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.032.775/01

arrest van 10 juni 2014

in de zaak van

[de man],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. P. Bouman te Helmond,

tegen

[de man],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.A.N.H. Verkoeijen te Venlo,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 8 juni 2010, 15 maart 2011, 23 augustus 2011, 6 november 2012, 19 maart 2013 en 21 januari 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 82570/HA ZA 07-836 gewezen vonnis van 25 februari 2009.

25 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het deskundigenbericht van 25 september 2013;
– het tussenarrest van 21 januari 2014 (waarbij [appellant] na eerder geweigerd uitstel alsnog de gelegenheid is gegeven een memorie na deskundigenbericht te nemen);
– de memorie na deskundigenonderzoek van [appellant] van 18 maart 2014.
Vervolgens is arrest bepaald.

26 De verdere beoordeling

26.1. Bij tussenarrest van 19 maart 2013 is de psychiater drs. J.L.M. Schoutrop tot deskundige benoemd. Het hof heeft dit psychiatrisch deskundigenonderzoek gelast omdat de eerder door het hof benoemde neuroloog Bernsen had aangegeven zijn rapport niet te kunnen afronden in verband met uit de door hem opgevraagde (medische) informatie gebleken ernstige pre-existente persoonlijkheidsproblematiek van [appellant]. Daarom was volgens Bernsen een psychiatrisch onderzoek aangewezen. Daarop is ook aan Schoutrop de IWMD-vraagstelling ter beantwoording voorgelegd, met dien verstande dat gelet op de ernstige pre-existente persoonlijkheidsproblematiek van [appellant] de vragen 2a en 2c zijn aangevuld door de deskundige expliciet te vragen bij de beantwoording op deze problematiek in te gaan.

26.2. Schoutrop heeft na bestudering van het dossier [appellant] op 17 mei 2013 anamnestisch en psychiatrisch onderzocht. In zijn rapport zijn de resultaten van dat onderzoek weergegeven, bestaande uit een korte samenvatting van de informatie uit het medisch dossier, een weergave van de anamnese, somatische anamnese en van het psychiatrisch onderzoek, gevolgd door zijn overwegingen en conclusies. Vervolgens beantwoordt Schoutrop de hem gestelde vragen.
De naar aanleiding van het conceptrapport door de advocaat van [appellant] aan Schoutrop gestelde aanvullende vragen zijn beantwoord in een aan het rapport gehechte bijlage I.

26.3. In zijn overwegingen en conclusies schrijft Schoutrop op p. 16/17:
“Betrokkene legt de oorzaak van al zijn problemen bij het ongeval in 2003. Dit is mijn inziens onjuist.
Op grond van de anamnese, het psychiatrisch onderzoek en de informatie uit het medisch dossier, is mijn conclusie dat er sprake was van al veel langer bestaande problematiek. Vanaf de middelbare LTS periode is sprake van middelenmisbruik: in eerste instantie vooral alcohol, de laatste jaren was er ook drugsgebruik. Betrokkene is veelvuldig betrokken geweest bij vechtpartijen. Er zijn altijd problemen geweest in relaties en er was veel psychosociale problematiek.
Het ongeval in 2001 heeft geleid tot aantoonbaar hersenletsel en mogelijk cognitieve beperkingen. Het is moeilijk om dit laatste precies in kaart te brengen, omdat ook andere factoren een rol spelen bij de beperkingen van betrokkene. Betrokkene is waarschijnlijk altijd iemand geweest met een lage/matige intelligentie en er is altijd al sprake geweest van beperkingen in het sociaal/maatschappelijk functioneren.
Ik acht het zeer onwaarschijnlijk dat het hersenletsel restloos genezen was kort voor het incident in 2003 (zoals betrokkene aangeeft), gezien de ernst van de problematiek en de lange herstelperiode.

Ik vind in het dossier eigenlijk geen duidelijke aanwijzingen voor het feit dat het incident in 2003 heeft geleid tot nieuwe of ernstigere hersenbeschadiging. Ook bij het recent verrichte neuropsychologisch onderzoek en de neurologische expertise kon dit niet worden aangetoond.
Ik acht het waarschijnlijk dat betrokkene na de lange herstelperiode na het ongeval in 2001, kwetsbaar was voor nieuwe tegenvallers. Het incident in het café heeft hem uit zijn evenwicht gebracht en gezien zijn beperkte mogelijkheden om om te gaan met problemen was het moeilijk om opnieuw de balans in zijn leven terug te vinden. Het incident is voor betrokkene gaan dienen als het verklaringsmodel voor alles wat er in zijn leven niet goed ging.
Daarnaast gaat betrokkene in zijn visie op de gang van zaken voorbij aan het feit dat er al jarenlang sprake was van stoornissen in de agressieregulatie en van overmatig middelengebruik.
Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat betrokkene mogelijk vaker een schedeltrauma heeft gehad t.g.v. vechtpartijen. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld dat er in 2010 opnieuw een commotio cerebri zou zijn geweest (…).

26.4. De vragen worden door de deskundige, verkort weergegeven, als volgt beantwoord:
Vraag 1f (Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?)
Antwoord: “Er is sprake van complexe problematiek, waarbij een aantal te onderscheiden problemen ontstaan. Het is echter heel moeilijk tot onmogelijk om het precieze aandeel van de afzonderlijke factoren die een rol spelen te benoemen.
Er is sprake van een al lang bestaande neiging tot overmatig alcohol- en drugsmisbruik. Hoewel betrokkene tijdens de anamnese bij mij aangaf dat hij op het mome^-nt van het onderzoek bij mij geen drugs meer gebruikte en zeer matig alcohol. Dit zou betekenen dat er op dit ogenblik sprake is van een (mogelijke tijdelijke) remissie van middelenmisbruik. Daarnaast is sprake van een stoornis in de impulsregulatie. Deze problematiek bestond zeer waarschijnlijk al voor het ongeval in 2001. Het is mogelijk dat de gestoorde agressieregulatie door het ongeval in 2001 en de daarbij opgetreden cerebrale beschadigingen, versterkt is.
Ten aanzien van de bij het laatste verrichte neuropsychologisch onderzoek gevonden cognitieve beperkingen is niet met zekerheid te stellen dat deze veroorzaakt zijn door verworven hersenletsel. Een vergelijking met de situatie voor het ongeval in 2001 is nauwelijks mogelijk. Ik sluit zeker niet uit dat deze beperkingen ook daarvoor al bestonden. Ik acht het niet erg waarschijnlijk dat na het incident in 2003 de cognitieve beperkingen zijn toegenomen.
Ten aanzien van de persoonlijkheid mag gesproken worden over een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Deze stoornis bestond al voor het ongeval in 2001. Het is mogelijk dat ten gevolge van de cerebrale beschadigingen uit het verleden betrokkene minder controle kan uitoefenen op zijn gedrag. Ook spelen de beperkte intellectuele mogelijkheden en matige coping skills een rol.
Met betrekking tot de somatiek is er sprake van een status na een aantal schedel- en hersentrauma’s, die mogelijk geleid hebben tot een toename van cognitieve beperkingen.”
Vraag 2a (Bestonden voor de mishandeling bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die onderzochte nog steeds heeft? Kunt u daarbij met name aandacht besteden aan de klachten en afwijkingen als gemeld in de brief van psychiater [psychiater] van 12 oktober 2010?)
Antwoord: “Ik ben het voor het grootste deel eens met de opvattingen van collega [psychiater].
Ook voor het ongeval in 2001 was er sprake van agressieregulatie problematiek en antisociale karaktertrekken. Toen bestonden dezelfde beperkingen die er nu zijn, zij het waarschijnlijk in mindere mate. Zij wijst in haar brief terecht op de rol van het middelenmisbruik, dat voor het ongeval in 2001 ook al bestond.
Het ongeval in 2001 heeft zeer waarschijnlijk een rol gespeeld bij een verscherping van de bestaande problematiek. Ten aanzien van het incident in 2003 ben ik niet overtuigd dat dit een bijzonder grote rol heeft gespeeld. Ik doel dan vooral op het feit dat ik het niet waarschijnlijk acht dat er sprake is geweest van een nieuwe hersenbeschadiging. Dat betrokkene door het incident uit zijn evenwicht is gebracht en dat hij niet in staat is geweest om om te gaan met dit incident is duidelijk. Er is mijn inziens echter, zoals eerder aangegeven, vooral sprake van attributie:
betrokkene heeft klachten die hij al had toegeschreven aan het gebeuren in 2003.”

26.5. De advocaat van [appellant] heeft de deskundige naar aanleiding van zijn opmerking in het rapport (hof: op p. 17 en 20) dat ‘er sprake is een status na een aantal schedel/hersentrauma’s die mogelijk hebben geleid tot een toename van cognitieve beperkingen’ gevraagd in welke mate het ongeval uit 2001 ten opzichte van de mishandeling in 2003 heeft bijgedragen tot een toename van de cognitieve beperkingen, en of het mogelijk is dat de mishandeling in 2003 heeft bijgedragen tot een toename van de beperkingen en zo ja, in welke mate?
Schoutrop heeft daarop zijn opmerking onder meer als volgt verduidelijkt: “Het belangrijkste schedel/hersentrauma was zonder twijfel het ongeval in 2001. Dit is ook het best gedocumenteerd. Daarnaast was er het ongeval uit 2003. Uit het verslag van de neuropsychologe uit 2011 komt naar voren dat betrokkene in 2010 opnieuw een commotio cerebri heeft gehad.
Los van de schedel/hersentrauma’s wil ik ook wijzen op het langdurige alcohol en drugsgebruik van betrokkene, waarvan bekend is dat dit kan bijdragen aan het ontstaan of verergeren van cognitieve problematiek.
Mijn conclusie is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het hersenletsel, dat betrokkene bij het ongeval in 2001 heeft opgelopen, op het moment van het incident in 2003 volledig en restloos was genezen. […..]
Ik heb bij mijn onderzoek of in de informatie in het dossier geen duidelijke aanwijzingen kunnen vinden dat het incident in 2003 heeft geleid tot nieuwe of ernstigere hersenbeschadigingen. Op grond van het dossier en mijn onderzoek acht ik het onwaarschijnlijk dat er sprake is geweest van een commotio cerebri bij dit incident.
Het recent verrichte neuropsychologisch onderzoek (februari 2011) en de neurologische expertise (februari 2012) geeft geen argumenten voor de conclusie dat de gevonden beperkingen van betrokkene een gevolg zijn van de gebeurtenis in 2003.”
Op de vraag van de advocaat van [appellant] of Schoutrop een onderzoek door een psycholoog relevant acht, antwoordt Schoutrop dat hij dat tijdens zijn onderzoek heeft overwogen, maar dat niet geïndiceerd acht omdat recent uitvoerig neuropsychologisch onderzoek is verricht en er geen nieuwe ontwikkelingen zijn die een nieuw onderzoek noodzakelijk maken. Ten slotte heeft de advocaat van [appellant] aan Schoutrop gevraagd of hij het mogelijk acht dat, waar [appellant] aangeeft voor januari 2003 weer volledig aan het werk te zijn geweest, [appellant] door de in het rapport geconstateerde attributie beperkingen ervaart om zijn arbeid te kunnen verrichten. Schoutrop heeft daarop geantwoord: “De door mij gebruikte term attributie verwijst in dit verband naar het mechanisme waarin betrokkene zijn klachten en beperkingen verklaart door deze toe te schrijven aan het ongeval in 2003. Betrokkene is door het incident uit zijn evenwicht geraakt, en door zijn beperkingen (zoals gebrekkige coping skills, cognitieve beperkingen, persoonlijkheidstrekken) is hij niet in staat geweest om de gebeurtenis te relativeren of een plaats te geven in zijn leven. Het incident is voor hem de verklaring voor de beperkingen waar hij in zijn leven tegen aan liep. Zoals in het rapport aangegeven is dit onterecht […..] Betrokkene gaat voorbij aan het feit dat er voor het ongeval in 2003 al een stoornis in de agressieregulatie was. Er was eveneens al sprake van middelenmisbruik, persoonlijkheidsproblematiek en cognitieve stoornissen.” Voorts merkt Schoutrop op dat de stelling van [appellant] dat hij op het moment van het ongeval in 2003 een korte periode zonder problemen heeft gefunctioneerd in zijn werk alleen wordt ondersteund door het verhaal van [appellant] en niet wordt onderbouwd door informatie uit het medisch dossier.

26.6. Het hof is van oordeel dat de aanvullende vragen van de advocaat van [appellant] door de deskundige helder en duidelijk zijn beantwoord. Het rapport is naar het oordeel van het hof consistent en de conclusies zijn goed onderbouwd. Het hof neemt die conclusies over en maakt die tot de zijne.

26.7. Ter beantwoording ligt voor de vraag of de door [appellant] gestelde klachten en beperkingen, te weten dat hij sinds de mishandeling door [geïntimeerde] in 2003 slecht bestand is tegen stress en spanning, dat er sprake is van heftige stemmingswisselingen, dat hij sneller lichamelijk vermoeid raakt, dat er sprake is van aanzienlijk verlies aan concentratievermogen en hoofdpijn, zijn veroorzaakt door die mishandeling. Juist vanwege de gebleken ernstige pre-existente problematiek van [appellant] was het in het onderhavige geval de vraag of die klachten niet reeds hun oorzaak vonden in het [appellant] in 2001 overkomen ongeval, in combinatie met zijn persoonlijkheid. Zoals in de arresten van 6 november 2012 en van 19 maart 2013 overwogen, heeft de veroorzaker het slachtoffer te nemen zoals deze is, dus inclusief pre-existente klachten, persoonlijkheid en moeilijke privé-situatie. Dit betekent in het onderhavige geval concreet dat als reeds bij [appellant] bestaande klachten door de mishandeling door [geïntimeerde] zijn verergerd of versterkt, die verergering of versterking aan de mishandeling moet worden toegerekend en [geïntimeerde] dus voor de schade, voor zover veroorzaakt door de verergering of versterking van de klachten, aansprakelijk is. Dit leidt er evenwel niet toe dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt door al bestaande klachten.

26.8. Anders dan [appellant] leidt het hof niet uit het deskundigenbericht af dat het aannemelijk is te achten dat er causaal verband bestaat tussen het incident in 2003 en de beperkingen van [appellant] tot het verrichten van arbeid. Weliswaar wijst [appellant] er terecht op dat uit het rapport volgt dat hij door dit incident uit zijn evenwicht is gebracht, maar dat dit tot gevolg heeft gehad dat hij beperkt was in het verrichten van arbeid kan naar het oordeel van het hof uit dit rapport niet worden afgeleid. Daarbij neemt het hof met name de volgende constateringen van de deskundige in aanmerking:
– voor het ongeval in 2001 was er bij [appellant] sprake van agressieregulatieproblematiek, antisociale karaktertrekken en middelenmisbruik;
– het ongeval in 2001 heeft bij [appellant] aantoonbaar geleid tot hersenletsel en mogelijk cognitieve beperkingen;
– gezien de ernst van dat letsel en de lange herstelperiode is zeer onwaarschijnlijk dat dit hersenletsel kort voor het incident in 2003 restloos was genezen;
– er zijn geen duidelijke – medische – aanwijzingen dat het incident in 2003 heeft geleid tot nieuwe of ernstigere hersenbeschadigingen en het is onwaarschijnlijk dat bij dit incident sprake is geweest van een commotio cerebri (hof: hersenschudding);
– het is niet erg waarschijnlijk dat na het incident in 2003 de cognitieve beperkingen zijn toegenomen.
Schoutrop concludeert dan ook in zijn antwoord op vraag 2a dat het ongeval in 2001 zeer waarschijnlijk een rol heeft gespeeld bij de verscherping van de op dat moment bij [appellant] al bestaande problematiek en dat het incident in 2003 daarbij niet een bijzonder grote rol heeft gespeeld.
Het hof is van oordeel dat op grond daarvan niet kan worden gezegd dat de reeds bestaande klachten en beperkingen van [appellant] door de mishandeling van [geïntimeerde] zijn versterkt of verergerd.

26.9. Bernsen heeft in zijn rapport de vraag opgeworpen of de door het scooterongeval uit 2001 veroorzaakte cognitieve stoornissen ten tijde van de mishandeling in 2003 nog aanwezig waren en – in het verlengde daarvan – of en in welke mate de gestelde cognitieve klachten te wijten zijn aan de mishandeling van [appellant] door [geïntimeerde]. Beide vragen zijn op grond van het rapport van Schoutrop nu beantwoord. Om die reden acht het hof het niet nodig dat Bernsen zijn rapport alsnog afrondt. Het hof heeft Bernsen daarvan op de hoogte gesteld.

26.10. De conclusie is dat de arbeidsvermogensschade van [appellant] niet is veroorzaakt door de mishandeling door [geïntimeerde] in 2003. Derhalve moet de vordering van [appellant] tot vergoeding van arbeidsvermogensschade worden afgewezen.
26.11.
[appellant] vordert daarnaast vergoeding van immateriële schade. Onder verwijzing naar een aantal uitspraken opgenomen in de Smartengeldgids 2006 vordert [appellant] een bedrag van € 20.000. [geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant] recht heeft op smartengeld en voorts de hoogte van het bedrag betwist.
26.12.
Op grond van artikel 6:106 BW heeft [appellant] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. De mishandeling waarvoor [geïntimeerde] jegens hem aansprakelijk is heeft immers wel geleid tot enig lichamelijk letsel bij [appellant].
Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag ingeval van letsel rekening te houden met de aard en de ernst van het letsel alsmede met de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Voorts dient de rechter bij de begroting aansluiting te zoeken bij de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met inachtneming van de geldontwaarding.

26.13. Wat het letsel van [appellant] betreft, staat als niet weersproken vast staat dat sprake was van een trauma capitis, twee snijwonden, waarvan een wond met vijf hechtingen is gehecht en een wond is geplakt, een losse voortand en een hematoom van het linkeroog. Het gaat in dit geval dus – hoewel het slaan met een barkruk tegen iemands hoofd op zichzelf een ernstig feit is waarvan zeer wel ernstiger letsel het gevolg kan zijn – om relatief gering letsel (zie het overzicht van de letselcategorieën, Smartengeldgids, 19de druk 2014, p. 12/13). De gevolgen van het letsel zijn voor [appellant] niet erg ingrijpend geweest, want zoals hiervoor is gebleken niet is komen vast te staan dat hij door dit letsel gedurende langere tijd arbeidsongeschikt is geweest. Naar het oordeel van het hof is het onderhavige geval redelijk vergelijkbaar met de gevallen als besproken in de nummers 736, 737 en 739 tot en met 740 van genoemde Smartengeldgids.
In die gevallen bestond het letsel uit onder meer verscheidene bloeduitstortingen, schrammen, builen op het hoofd, een blijvend litteken (nr 736), kneuzing linkeroogkas, losse tanden, kneuzing linkerknie (nr 737), bloeduitstorting achterhoofd, schaafwond (nr 739), korte tijd buitenbewustzijn door mishandeling (nr 740). De door Nederlandse rechters in die gevallen toegekende vergoedingen variëren van € 317 tot € 904, waarbij reeds met de geldontwaarding rekening is gehouden. Het hof acht in dit geval een bedrag van € 1.000 een billijke vergoeding.
[geïntimeerde] heeft zich beroepen op matiging. Tijdens de comparitie heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij behalve zijn inkomsten uit de ijzer- en metaalhandel geen andere inkomsten heeft, dat hij ook geen uitkering ontvangt en dat hij om rond te kunnen komen vaak bij familieleden eet. Het hof leidt daaruit af dat de draagkracht van [geïntimeerde] weliswaar beperkt is, maar nu [geïntimeerde] heeft nagelaten die draagkracht concreter te onderbouwen, gaat het hof ervan uit dat hij gelet op de hoogte van het toegewezen bedrag aan smartengeld, desondanks tot betaling daarvan in staat moet worden geacht. Het beroep op matiging wordt daarom afgewezen.
De wettelijke rente is als niet weersproken toewijsbaar zoals gevorderd, dus met ingang van 26 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening.

26.14. Dit alles leidt ertoe dat het beroepen vonnis wordt vernietigd. [geïntimeerde] wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, zowel van de eerste aanleg, zij het dat de kosten van de niet-gehouden getuigenverhoren voor rekening blijven van [appellant], als van het hoger beroep (waaronder de kosten van de deskundigenberichten). Aangezien van de totale vordering slechts een gering bedrag wordt toegewezen, gaat hof ten aanzien van de advocaatkosten in dit geval ook uit van het bij het toegewezen bedrag behorende liquidatietarief, zijnde tarief I.

27 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 1.000,00 inzake immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, zowel in die van de eerste aanleg als van dit hoger beroep, welke kosten tot aan de dag van de uitspraak aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg worden begroot op € 1.272,55 aan verschotten en op € 768,00 aan salaris advocaat en in hoger beroep op € 1.806,93 aan verschotten, op € 1.896,00 aan salaris advocaat en op
€ 8.841,15 inzake deskundigenkosten, laatst genoemd bedrag te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juni 2014.