• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Amsterdam
  • 2 februari 2016
  • Publicatie nummer: (nog) niet gepubliceerd
  • Zaaknummer: 200.160.655/01

Hof: medisch advies behoeft niet te worden overgelegd

Ten overvloede overweegt het hof dat gelet op de uitspraak van het HvJEU van 17 juli 2014 (nr. C-141/12 en nr. C- 372/12) het verzoek om afgifte van het volledige advies van de medisch adviseur van verzekeraar niet voor toewijzing in aanmerking zou komen. Het onderscheid dat het HvJEU in zijn uitspraak maakt dat gegevens die in een juridische analyse zijn vermeld persoonsgegevens zijn, maar dat de juridische analyse als zodanig geen persoonsgegeven vormt, is een onderscheid dat in de onderhavige zaak ook opgeld doet. De medische analyse bevat geen informatie over de belanghebbende die door de belanghebbende zelf gecontroleerd kan worden op de juistheid ervan. Alleen die gegevens worden door de Wbp beschermd. Dit leidt ertoe dat verzekeraar alleen gehouden zou zijn geweest om de gegevens betreffende Geïntimeerde te verstrekken die de feitelijke basis van het medisch advies vormen en niet ook het medisch advies als zodanig.
Het verzoek tot het bevelen van de verzekeraar tot overlegging van het medisch advies is niet gedaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 lid 2 Wbp binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke, waaruit volgt dat de gevraagde gegevens niet worden verstrekt.

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.160.655/01

zaaknummer/rekestnummer rechtbank Noord-Holland : C/14/153200/HA RK 14-50

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 februari 2016

 

inzake

1. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRAMED BA, gevestigd te Voorburg,

2. Appellant 2, wonend te [Woonplaats],

3. STICHTING RODE KRUIS ZIEKENHUIS, gevestigd te Beverwijk,

appellanten,

advocaat: mr. O.L. Nunes te Utrecht,

 

tegen:

[Geïntimeerde],

wonend te [Woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.F. Klungers te Alkmaar.

1. Procesverloop

Appellanten worden hierna gezamenlijk aangeduid als Centramed c.s. en – voor zover nodig – afzonderlijk Centramed. [Appellant 2] en het ziekenhuis genoemd. Geïntimeerde wordt [Geïntimeerde] genoemd.

1.1 Centramed c.s. zijn bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 3 december 2014, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 4 september 2014, gegeven onder bovengenoemd zaaknummer. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [Geïntimeerde] in zijn verzoek niet ontvankelijk zal verklaren, althans zijn verzoek zal afwijzen, met veroordeling van [Geïntimeerde] in de proceskosten, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de te wijzen beschikking.

1.2 Op 10 februari 2015 is ter griffie van het hof een verweerschrift van [Geïntimeerde] ingekomen, waarin [Geïntimeerde] concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van Centramed c.s. in hun verzoek dan wel tot afwijzing daarvan met veroordeling van Centramed c.s. in de proceskosten.

1.3 Op 26 augustus 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Centramed zijn verschenen I.D. Meijer en mr. A.E. Santen, bijgestaan door mr. Nunes voornoemd, die het standpunt van Centramed c.s. nader heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Daarnaast is [Geïntimeerde] verschenen, bijgestaan door mr. Klungers voornoemd, die het verweer van [Geïntimeerde] nader heeft toegelicht.

Vervolgens is uitspraak bepaald.
 

2. Beoordeling

2.1 Het gaat in deze zaak – voor zover voor de beoordeling van het beroep van belang – om het volgende.

2.1.1 [Geïntimeerde] heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld vanwege vermeende fouten bij de behandeling van zijn gebroken pols. Ter beoordeling van die schadeclaim heeft de verzekeraar van het ziekenhuis, Centramed, een medisch adviseur ingeschakeld. Centramed heeft (de raadsman van) [Geïntimeerde] op 17 oktober 2013 laten weten dat uit het onderzoek geen onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis is gebleken, zodat aansprakelijkheid van het ziekenhuis ontbreekt.

2.1.2 De raadsman van [Geïntimeerde] heeft vervolgens bij brief van 21 oktober 2013 Centramed verzocht om afgifte van het advies van haar medisch adviseur. Deze brief luidt als volgt: “In goede orde ontving ik uw brief van 17 oktober 2013 waarin u mij te kennen geeft dat u van mening bent dat uw verzekerde niet aansprakelijk is voor de gevolgen zoals ik heb omschreven. Bij uw brief ontbrak het advies van uw medisch adviseur, [Medische Adviseur Centramed]. Ik heb u in mijn brief van 31 juli op de toepasselijke jurisprudentie gewezen. Ik verzoek u vriendelijk dit advies per omgaande aan mij toe te sturen, zodat ik dit kan bespreken met cliënt en mijn medisch adviseur. Indien ik het advies niet ontvang binnen de gestelde termijn zal ik middels een kort geding afgifte afdwingen

2.1.3 Centramed heeft bij brief van 12 november 2013 gereageerd.
Centramed schrijft daarin – kort samengevat – dat zij niet aan het verzoek van [Geïntimeerde] zal voldoen, omdat het een intern medisch advies betreft en er gelet op de jurisprudentie geen rechtsgrond voor of verplichting toe is het bedoelde advies te verstrekken.
 

2.1.4 Op 3 februari 2014 heeft de raadsman van [Geïntimeerde] opnieuw een brief aan Centramed gestuurd, waarin hij – kort samengevat – met een beroep op artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verzoekt om een kopie van het advies van de medisch adviseur. Centramed heeft hierop bij brief van 11 februari 2014 afwijzend gereageerd.

2.2 [Geïntimeerde] heeft bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 25 maart 2014, de rechtbank verzocht om op grond van artikel 46 Wbp te bepalen dat Centramed het medisch rapport van haar medisch adviseur aan [Geïntimeerde] ter beschikking moet stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Centramed c.s. hebben verweer gevoerd.

2.3 De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat Centramed binnen twee weken na betekening van die beschikking aan [Geïntimeerde] een afschrift dient te verstrekken van het advies van haar medisch adviseur. Het beroep richt zich tegen die beslissing en de gronden waarop deze berust.

2.4 Centramed c.s. hebben zich primair op het standpunt gesteld dat [Geïntimeerde] in zijn verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu hij zijn verzoek niet binnen de in de Wet bescherming persoonsgegevens genoemde termijn van zes weken bij de rechtbank heeft ingediend. Het hof overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge het bepaalde in artikel 46 lid 2 Wbp moet een verzoek aan de rechtbank de verantwoordelijke te bevelen tot afschrift van en/of inzage in de gevraagde bescheiden (als bedoeld in artikel 35 Wbp) te worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke, waaruit volgt dat de gevraagde gegevens niet worden verstrekt. Anders dan de rechtbank heeft beslist, is het hof van oordeel dat de brief van de raadsman van [Geïntimeerde] aan Centramed van 21 oktober 2013 (hiervoor geciteerd onder 2.1.2) als een verzoek als bedoeld in artikel 35 Wbp is aan te merken. Niet alleen verwijst de raadsman in de brief van 21 oktober 2013 ter onderbouwing van zijn verzoek naar de in zijn eerdere brief van 31 juli 2013 genoemde toepasselijke jurisprudentie, maar bovendien heeft hij in de brief van 31 juli 2013 uitdrukkelijk gerefereerd aan die wet ( “Overigens is het u bekend dat cliënt vervolgens recht heeft, in het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens, op een kopie van het schriftelijk advies van uw medisch adviseur”) en geeft hij Centramed in die brief te kennen haar in rechte te zullen betrekken indien zij het gevraagde advies niet verstrekt. Hieruit volgt dat het verzoek van 31 juli 2013 reeds is gedaan met het oog op de in de Wbp gegeven mogelijkheid afgifte van/inzage in bescheiden te vragen, hetgeen de raadsman van [Geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep ook heeft erkend. Dit betekent dat als ‘antwoord van de verantwoordelijke’ aangemerkt moet worden de brief van Centramed van 12 november 2013, zodat de termijn van artikel 46 lid 2 Wbp een aanvang heeft genomen op 13 november 2013 en eindigde op 30 december 2013. Dat de raadsman van [Geïntimeerde] bij brief van 3 februari 2014 nogmaals om verstrekking van het advies heeft gevraagd, ditmaal met een nadrukkelijk beroep op artikel 35 Wbp, maakt het voorgaande niet anders. Nu [Geïntimeerde] het onderhavige verzoek eerst op 24 maart 2014 bij de rechtbank heeft ingediend, is dit ingediend nadat de termijn daarvoor was verstreken.

De rechtbank had [Geïntimeerde] dan ook in zijn verzoek niet ontvankelijk dienen te verklaren.

Hef hof zal thans beslissen zoals de rechtbank had moeten doen.

2.6 Ten overvloede overweegt het hof nog dat gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 17 juli 2014 (nr. C-141/12 en nr. C- 372/12) het onderhavige verzoek van [Geïntimeerde] om afgifte van het volledige advies van de medisch adviseur van Centramed niet voor toewijzing in aanmerking zou komen.
Het onderscheid dat het HvJEU in zijn uitspraak maakt ten aanzien van gegevens in een juridische analyse, namelijk dat gegevens van de aanvrager die in een juridische analyse zijn vermeld persoonsgegevens zijn, maar dat de juridische analyse als zodanig geen persoonsgegeven vormt, is een onderscheid dat in de onderhavige zaak ook opgeld doet. Evenals de juridische analyse in de door het HvJEU berechte zaak, bevat de medische analyse in de onderhavige zaak geen informatie over de belanghebbende die door de belanghebbende zelf gecontroleerd kan worden op de juistheid ervan. Alleen die gegevens worden door de Wbp beschermd. Dit leidt ertoe dat Centramed alleen gehouden zou zijn geweest om de gegevens betreffende [Geïntimeerde], zoals die in het advies zijn opgenomen, aan deze te verstrekken die de feitelijke basis van het medisch advies vormen en niet ook het medisch advies als zodanig. Gelet op de uitkomst van deze zaak kan de wijze waarop aan een dergelijk verzoek zou kunnen worden voldaan in het midden blijven.
 

2.7 [Geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.
 

3. Beslissing

 

Het hof:

 

vernietigt de bestreden beschikking;

 

en opnieuw rechtdoende:

verklaart [Geïntimeerde] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

 

verwijst [Geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties en begroot die kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Centramed c.s. gevallen, in eerste aanleg op € 608,- aan verschotten en 904,- aan salaris en in hoger beroep op € 704,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris.

 

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, R.J.F. Thiessen en A.M.A. Verscheure en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.