• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 3 mei 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:1748
  • Zaaknummer: 200.158.602_01

Hof: letselschadeadvocaat niet aansprakelijk voor adviseren eindafwikkeling zonder voorbehoud

Destijds 12-jarige meisje met pre-existent beenlengteverschil loopt in 1994 beenbreuk op bij ongeval. Vanaf 2008 krijgt zij steeds meer last van enkel en raakt arbeidsongeschikt. Zij stelt letselschadeadvocaat aansprakelijk voor het adviseren van een vaststellingsovereenkomst zonder voorbehoud. Het hof oordeelt dat de advocaat niet heeft gehandeld in strijd met wat
redelijkerwijze van een letselschadeadvocaat mag worden verlangd. Hij heeft zich laten voorlichten door medisch deskundigen. Hij behoefde de deskundigheid van de verzekeringsgeneeskundige niet in twijfel diende te trekken. Het hof oordeelt voorts ‘dat, voor zover in de verwijten benadeelde besloten ligt dat een letselschadeadvocaat te allen tijde dient aan te sturen op het opnemen van een voorbehoud voor het geval zich in de toekomst alsnog schade voor zou doen, geldt dat de aard van een vaststellingsovereenkomst met zich brengt dat de daarbij betrokken partijen een bestaande onzekerheid willen wegnemen en zich daarom vastleggen op een afspraak waarbij zij in elk geval weten waar zij aan toe zijn.’

ECLI:NL:GHSHE:2016:1748

Instantie: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

Datum uitspraak: 03-05-2016

Datum publicatie: 4-05-2016

Zaaknummer: 200.158.602_01

Rechtsgebieden: Civiel recht

Bijzondere kenmerken : Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Beroepsaansprakelijkheid letselschadeadvocaat in verband met advisering bij ongevalsletsel, opgelopen door minderjarige. Geen voorbehoud gemaakt bij vaststellingsovereenkomst voor eventueel later optredende gebreken.

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl  

 

Uitspraak 

GERECHTSHOF ‘s-Hertogenbosch  

Afdeling civiel recht 

zaaknummer 200.158.602/01 

 

arrest van 3 mei 2016 

 

in de zaak van  

 

[appellante], 

wonende te [woonplaats] , 

appellante, 

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht, 

 

tegen 

 

[geïntimeerde], 

wonende te [woonplaats], 

geïntimeerde, 

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , 

advocaat: mr. L.C. Dufour te Amsterdam, 

 

op het bij exploot van dagvaarding van 14 augustus 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 juni 2014, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. 

 

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/174854/HA ZA 12-374) 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 

 

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding in hoger beroep;

– de memorie van grieven met elf producties

– de memorie van antwoord met drie producties.

 Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 

 

3 De beoordeling 

 

3.1. De volgende feiten staan vast.

 

3.1.1. [appellante] is in december 1994 – zij was toen 12 jaar oud – aangereden door een auto, waarvan de bestuurder verzekerd was bij Ohra. Haar rechteronderbeen/enkel is gebroken en haar been is toen in het loopgips gezet. Een maand later, in januari 1995, kwam zij op het ijs ten val, waarbij de patellapees (knieschijfpees) is gescheurd. Zij is daar vervolgens aan geopereerd. Alle betrokkenen gaan ervan uit dat het letsel als gevolg van de val op het ijs in oorzakelijk verband staat met het verkeersongeval van een maand eerder.

 

3.1.2. Bijgestaan door [geïntimeerde] heeft [appellante] destijds – dat wil zeggen: in 1998 – een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) met Ohra gesloten, waarbij een schadevergoeding van ƒ 6.050,– (ƒ 1.050,– materiële schade en ƒ 5.000,– smartengeld) werd afgesproken, tegen finale kwijting en zonder enig voorbehoud. Deze vergoeding is uitgekeerd.

 

3.1.3. Voorafgaand aan het ongeval was [appellante] reeds onder behandeling bij een orthopeed, wegens beenlengteverschil (toen 1 cm, later 1,5 cm), bekkenscheefstand, scoliose (S-stand van de ruggengraat, van de voor- of achterzijde van het lichaam gezien) en gibbus (verkromming van de ruggengraat).

 

3.1.4. Vanaf juli 2008 heeft [appellante] – naar zij stelt – allengs meer last van haar linkerenkel, maar vooral haar linkerknie ondervonden, met als gevolg dat zij haar beroep (zij was werkzaam in de zorg) niet meer, althans niet ongewijzigd, kon uitoefenen. Zij stelt daardoor schade te hebben geleden. Als gevolg van de voorbehoudsloze vso is verhaal op Ohra als verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval uitgesloten.

 

3.2. [appellante] verwijt [geïntimeerde] een groot aantal tekortkomingen bij de begeleiding. In haar memorie van grieven sub 22 omschrijft [appellante] deze als volgt: 

a.[geïntimeerde] heeft de ouders van [appellante] noch [appellante] zelf bij de aanvang van zijn dienstverlening voldoende informatie gegeven over het te volgen traject en de wijze waarop tot een passende schadevergoeding zou kunnen worden gekomen. 

b. Advies en informatie over de indertijd bestaande mogelijkheden om tot schadevergoeding te komen zijn niet gegeven. 

c. Uitleg over de voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten is niet gegeven. 

d. Uitleg over de mogelijkheden en de wijze waarop toekomstige schade wordt begroot is niet gegeven; 

e. Van een behoorlijke verslaglegging van de werkzaamheden door [geïntimeerde] ten behoeve van [appellante] is geen sprake geweest. 

f. [geïntimeerde] heeft onnodig veel tijd verloren laten gaan met het in beweging krijgen van zijn medisch adviseur. 

g. Aan de wel ontvangen medische adviezen heeft [geïntimeerde] niet dan wel onvoldoende aandacht besteed. 

h.[geïntimeerde] heeft [appellante] noch haar ouders betrokken bij de onderhandelingen met de wederpartij over de hoogte van de te vergoeden schade. Zij zijn buiten de onderhandelingen met de wederpartij gehouden. 

i. [geïntimeerde] heeft de van de wederpartij ontvangen brieven niet doorgestuurd naar [appellante] en haar ouders. De “soap” met de medisch adviseur van [geïntimeerde] en de daaruit voortvloeiende aan [geïntimeerde] toe te rekenen vertraging is hun volledig ontgaan. 

j. [geïntimeerde] heeft de ouders van [appellante] zonder enige toelichting geadviseerd de reeds opgestelde vso te tekenen. 

k. Alvorens de door de ouders te tekenen vso aan de wederpartij te sturen heeft [geïntimeerde] de vso door de toen nog minderjarige [appellante] laten tekenen, met voorbijgaan van de verplichting ex artikel 1: 345 BW, welke bepaling een rechterlijke machtiging voor het sluiten van een dergelijke overeenkomst verplicht stelt. 

l. [geïntimeerde] heeft nadat hij de gebrekkige vso naar de wederpartij had gestuurd een tardieve poging gedaan om daarin alsnog een voorbehoud voor het uitvoeren van een littekencorrectie te doen opnemen.

m. [geïntimeerde] heeft ten onrechte berust in de te verwachten afwijzing van dat verzoek door de wederpartij. De vso was op dat moment nog vernietigbaar wegens het ontbreken van een rechterlijke machtiging ex artikel 1: 345 BW.

n. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] aan een medisch deskundige de vraag heeft voorgelegd of het geringe beenlengteverschil van [appellante] in combinatie met de beide letsels van [appellante] als gevolg van het ongeval van 6 december 1994 en van de val van 7 januari 1995 mogelijk in de toekomst aanleiding tot verdergaande beperkingen zouden hebben kunnen geven. Van een advocaat die zich letselschadespecialist noemt mag worden verwacht dat hij zich rekenschap geeft van de mogelijke gevolgen van de beide fracturen voor [appellante] in de toekomst, met name gelet op de jonge leeftijd van [appellante]. 

o. Van een expertise opdracht over deze kwestie noch van een vraag aan een medisch adviseur van de zijde van [geïntimeerde] is gebleken. [geïntimeerde] heeft eenvoudigweg niet gedacht aan de mogelijkheid van toekomstige nog niet ingetreden gevolgen. Niettegenstaande heeft de schaderegeling jaren geduurd en bestond daartoe dus alle gelegenheid. 

p. [geïntimeerde] heeft [appellante] noch haar ouders gewezen op de mogelijkheid om een voorlopige of voorwaardelijke regeling van de schade te treffen. 

q. Bij de onderhandelingen over de hoogte van de schade is met geen woord gerept over toekomstige ontwikkelingen noch is aannemelijk dat deze bij de onderhandelingen een rol hebben gespeeld. Over een voorbehoud is door [geïntimeerde] met de wederpartij niet gesproken alvorens de vso was getekend. 

r. Zonder overleg met [appellante] of haar ouders is [geïntimeerde] akkoord gegaan met een vso zonder voorbehoud voor een toekomstige verslechtering van de bestaande klachten, hoewel daarvoor gezien de leeftijd, de bestaande prepositie en de beide als gevolg van het ongeval opgelopen letsels alle aanleiding bestond.

 

3.2.1. Als kernverwijt formuleert [appellante] dat [geïntimeerde] bij het tot stand brengen van de vso het niet daarheen heeft geleid dat in die vso een voorbehoud is gemaakt voor toekomstige ontwikkelingen in de medische situatie van [appellante] , voor zover verband houdende met de linkerknie en/of de linkerenkel van [appellante]

 

3.3. [geïntimeerde] betwist tekort te zijn geschoten, betwist het oorzakelijk verband tussen zijn handelwijze en het feit dat er in de vso geen voorbehoud is opgenomen, en betwist het oorzakelijk verband tussen de ongevallen en de thans bij [appellante] optredende beperkingen.

 

3.4. De rechtbank heeft het laatste in voorgaande rechtsoverweging genoemde verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd en zonder [appellante] in de gelegenheid te stellen bewijs bij te brengen de vordering afgewezen. Daartegen is [appellante] in hoger beroep gekomen. Zij stelt onder meer dat de beslissing van de rechtbank een verrassingsbeslissing was en dat de rechtbank ten onrechte haar bewijsaanbod met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen de gebeurtenissen in 1994/1995 en het vanaf 2008 ontstane letsel niet heeft gehonoreerd; zij herhaalt – gemotiveerd – dat bewijsaanbod.

 

3.5. Tegen dat oordeel heeft [appellante] een aantal grieven geformuleerd. Met randnummer 16 van de memorie van grieven stelt [appellante] dat sprake is van een verrassingsbeslissing; dit is te omschrijven als grief A. Met randnummer 19 van de memorie van grieven wijst [appellante] erop dat de rechtbank ten onrechte een specifiek bewijsaanbod heeft gepasseerd; het hof merkt dit aan als grief B. Grief 1 is gericht tegen de volgens [appellante] te beperkte weergave van een rapport van dr. [deskundige] van 20 november 2009. Grief 2 heeft betrekking op rapportage van Arboned en ziet aldus op de omvang van de beperkingen. Grieven 3 en 4 stellen vooral het oorzakelijk verband tussen de gebeurtenissen van 1994/1995 en de vanaf 2008 optredende beperkingen aan de orde. Grief 5 heeft betrekking op de proceskosten.

 

3.6. Voor toewijzing van de vordering van [appellante] dient – cumulatief – vast komen te staan: 

i. dat [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt door niet aan te sturen op een overeenkomst waarin een voorbehoud was opgenomen en door (de ouders van) [appellante] ook niet in die zin te adviseren; 

ii. dat er een oorzakelijk verband valt aan te wijzen tussen de wijze waarop [geïntimeerde] destijds heeft gehandeld en het feit dat er geen voorbehoudsloze overeenkomst tot stand is gekomen; 

iii. dat de thans optredende beperkingen geheel of voor een deel zijn te herleiden tot het in 1994/1995 opgelopen letsel. 

 

3.6.1. Voor elementen sub i) en ii) geldt dat deze een samenhang vertonen. De verplichting van [geïntimeerde] in het kader van juridische bijstand is een inspanningsverplichting waarbij voor hem – ook destijds – de norm gold van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat. Resultaat is daarbij niet gegarandeerd en als Ohra onder geen beding in het gegeven geval zou hebben ingestemd met welk voorbehoud dan ook kan dat niet aan [geïntimeerde] worden toegerekend, ongeacht de wijze waarop hij heeft gehandeld.

 

3.6.2. Nu het ging om drie cumulatieve vereisten als hiervoor omschreven kon de rechtbank volstaan met het bespreken van slechts één van die elementen, te weten het element als bedoeld onder iii). Van een verrassingsbeslissing was geen sprake, nu het verweer dat er geen oorzakelijk verband bestond tussen het ongeval en de vanaf 2008 opgetreden beperkingen door [geïntimeerde] was gevoerd. Grief A, welke opkomt tegen de door de rechtbank gevolgde marsroute, faalt daarom en dat geldt in zoverre ook voor grief 3.

Ten onrechte heeft de rechtbank echter het in onderdeel van de inleidende dagvaarding sub 32 geformuleerde bewijsaanbod genegeerd. Immers, niet uitgesloten was dat [appellante] het oorzakelijk verband als bedoeld sub iii) zou hebben kunnen bewijzen. Grief B slaagt en zou eventueel kunnen leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

 

3.6.3. De door de rechtbank gekozen volgorde leidt ertoe dat de hiervoor in r.o. 3.6 sub i) en ii) genoemde elementen onbesproken zijn gebleven. Zouden grief 3, voor zover nog onbesproken, grief 4 en grief 1 tot vernietiging van het vonnis leiden, dan zouden die elementen alsnog moeten worden besproken. Aangezien – in zoverre is het hof het met [appellante] eens – niet ongebruikelijk is om de diverse relevante aspecten in de hiervoor genoemde volgorde te bespreken, zal ook het hof eerst het element sub i), alsmede – indien daar aanleiding voor is – het element sub ii) bespreken vooraleer aan element sub iii) toe te komen.

 

3.6.4. In hetgeen hiervoor onder r.o. 3.6 is overwogen ligt besloten dat het oorzakelijk verband tussen het ongeluk in 1994 en de vanaf 2008 aan het licht getreden gebreken onderscheiden moet worden van het oorzakelijk verband tussen de wijze waarop [geïntimeerde] heeft gehandeld en het niet-bewilligen in een voorbehoud bij de vso.

 

3.7. Het hof verwijst naar de hiervoor omschreven verwijten (r.o. 3.2).

Voor de verwijten sub a. tot en met e. en h. tot en met j. geldt dat wat er van die verwijten ook zij, gesteld noch gebleken is in hoeverre die tot de schade – en hier is bedoeld: het niet tot stand komen van een voorbehoudsloze vso – zouden kunnen hebben bijgedragen. Hooguit vormen deze, eventueel, de achtergrond waartegen concrete verwijten dienen te worden bezien.

 

3.7.1. Voor de verwijten sub k., l. en m. geldt dat hier weliswaar van een tekortkoming van [geïntimeerde] sprake lijkt te zijn – deze geeft dat ook toe – , maar dat het verband met het niet tot stand komen van een vso waarin geen voorbehoud is opgenomen niet is toegelicht. Gesproken wordt over het voorbehoud in verband met een littekencorrectie, maar die is helemaal niet aan de orde.

Voor zover in het verwijt van [appellante] besloten ligt dat het ontbreken van de machtiging heeft bijgedragen aan het ontbreken van een voorbehoud ten aanzien van eventuele toekomstige beperkingen als die waarvan thans sprake is geldt dat zulks feitelijk niet is onderbouwd en bij gebreke daarvan niet voor de hand ligt. Gesteld noch gebleken is dat indien de vso zonder voorbehoud aan de kantonrechter zou zijn voorgelegd, deze daaraan zijn goedkeuring zou hebben onthouden vanwege het ontbreken van zodanig voorbehoud.

Ook het argument dat [appellante] de mogelijkheid om – zolang de verjaring van de vordering ex art. 1:346 BW nog liep – de vso te vernietigen had kunnen “gebruiken”, naar het hof begrijpt om alsnog een overeenkomst met voorbehoud af te dwingen, gaat niet op, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat binnen de in art. 3:52 BW genoemde termijn van drie jaren er zich een aanleiding had voorgedaan om die overeenkomst open te breken; de eerste nadere gebreken manifesteerden zich immers eerst vanaf 2008, dus ruim 10 jaar nadat de vso was getekend.

 

3.7.2. Voor het verwijt sub f. geldt het volgende.

Uit de inhoud van diverse van de hierna te noemen stukken, onder meer inhoudende correspondentie tussen [geïntimeerde] , zijn medisch adviseur en Schadetax, blijkt van wrevel bij [geïntimeerde] ten aanzien van de traagheid waarmee [verzekeringsgeneeskundige] rapporteerde en reageerde en van gelijke wrevel bij Schadetax ten aanzien van de volgens haar onvoldoende voortvarende handelwijze van [geïntimeerde] (en [verzekeringsgeneeskundige] ). In de verwijten van [appellante] aan het adres van [geïntimeerde] lijkt besloten te liggen dat [geïntimeerde] , door zijn eigen weinig doortastende houding en doordat hij [verzekeringsgeneeskundige] te lang heeft laten doormodderen, bij de wederpartij Schadetax/Ohra zoveel wrevel heeft gewekt dat reeds daarom deze niet tot enige concessie aangaande een te maken voorbehoud bereid zou zijn geweest

Wat daarvan zij, aangenomen moet worden dat Schadetax als professioneel schadebedrijf haar oordeelsvorming en besluitvorming niet laat vertroebelen door enige vorm van wrevel als hiervoor omschreven. Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken welke ertoe leiden dat er enig oorzakelijk verband aangenomen kan worden tussen het eventueel onvoldoende actief optreden van [geïntimeerde] enerzijds en het niet-tot stand komen van een voorbehoudsloze vso anderzijds. Dat de wrevel bij Schadetax uiteindelijk in het nadeel van [appellante] heeft gewerkt blijkt nergens uit.

 

3.8. Het kernverwijt van [appellante] aan [geïntimeerde] .

 

3.8.1. De kernverwijten aan [geïntimeerde] liggen in onderdelen n. en o. besloten (waarbij ook het verwijt sub g. een rol speelt); de onderdelen p., q. en r. zijn daar vooral uitwerkingen van en daaraan komt geen zelfstandige betekenis toe.

 

3.8.2. In verband met de beoordeling van die verwijten is van belang over welke stukken het hof beschikt. In het dossier bevinden zich, wat de periode van 1994-1999 betreft, de volgende stukken: 

1.brief [verzekeringsgeneeskundige] aan [geïntimeerde] 8.12.95 (i.d. 14) 

2.brief [verzekeringsgeneeskundige] aan [geïntimeerde] 1.5.96 (cva 1) 

3.brief [orthopedisch chirurg 1] aan [verzekeringsgeneeskundige] 12.11.96 (i.d. 20) 

4.brief [verzekeringsgeneeskundige] aan [geïntimeerde] 10.12.96 (cva 2) 

5.brief [geïntimeerde] aan [appellante] 20.2.97 (i.d. 8) 

6.kg-dagvaarding [geïntimeerde] aan [verzekeringsgeneeskundige] 18.3.97 (cva 3) 

7.brief [orthopedisch chirurg 1] aan [verzekeringsgeneeskundige] 29.7.97 (cva 5) 

8.brief [verzekeringsgeneeskundige] aan [geïntimeerde] 9.9.97 (cva 4)  

9.brief [geïntimeerde] aan [verzekeringsgeneeskundige] 24.11.97 (cva 6) 

10.brief [medisch deskundige] aan [geïntimeerde] 31.3.9w8 (i.d. 9) 

11.brief [geïntimeerde] aan [appellante] 23.4.98 (mva 4) 

12.brief Schadetax aan [geïntimeerde] 12.10.98 (i.d. 7)  

13.brief [geïntimeerde] aan Schadetax 28.10.98 (i.d. 6)  

14.brief [geïntimeerde] aan [appellante] 28.10.98 (mva 5) 

15.brief Schadetax aan [geïntimeerde] 10.11.98 (i.d. 5) 

16.brief [geïntimeerde] aan [appellante] 17.11.98 (i.d. 18)  

17.vso 9.12.98 (i.d. 4) 

18.brief [geïntimeerde] aan Schadetax 14.12.98 (i.d. 10)  

19.brief Schadetax aan [geïntimeerde] 12.1.99 (i.d. 11) 

 

3.8.3. In de hierna te citeren brieven is de alinea-aanduiding en -nummering telkens toegevoegd door het hof.

 

3.8.4.  

De brief sub 1) (brief van [verzekeringsgeneeskundige] aan [geïntimeerde] van 8 december 1995) luidt onder meer als volgt: 

a) “Op 07-01-1995 kwam zij zeer ongelukkig ten val … Door deze val ontstond een quadriceps [vierhoofdige dijspier aan de voorzijde van het been; hof] ruptuur aan de bovenpool van de patella [knieschijf; hof]. … Zij is echter niet klachtenvrij. Na gymnastiekles op school heeft zij altijd enige tijd last van de linkerknie, deze verdwijnt daarna spontaan.

b) Bij onderzoek zie ik echter fase afwijkingen die zeker in de toekomst grote gevolgen zullen hebben.

c) Zij heeft een fase bekkenscheefstand van 1 ¾ cm ten nadelen van links. Tevens een lichte rotatie van het bekken links-voor. Er bestaat een forse reactieve scoliose om de bekkenscheefstand te corrigeren.

d) 1) De linkerknie heeft een groot ontsierend litteken van ongeveer 12 cm frontaal over de patella in verticale richting.

d) 2) De patella staat laag en heeft een ander aspect dan rechts.

d) 3)Er is nog een quadriceps-atrofie van het linkerbovenbeen van 3 cm.

e) Aangezien betrokkene geen verdere behandeling meer heeft heb ik haar terug verwezen naar de specialist. Behandeling is in dit stadium, bij een kind in deze leeftijd beslist noodzakelijk. Noch haar ouders, noch zijzelf beseffen waarschijnlijk de verstrekkende gevolgen als deze casus niet goed wordt aangepakt.”

 

3.8.5. De brief sub 3) (brief van [orthopedisch chirurg 1] aan [verzekeringsgeneeskundige] van 12 november 1996) luidt onder meer als volgt:

f) “Betrokkene is sinds lange tijd bij ons bekend met een licht beenlengteverschil ten nadele van links van ongeveer 1 cm en ook na correctie nog steeds een lichte scoliose die niet volledig geëquilibreerd was.

g) Op 06-12-’94 werd zij op de fiets door een auto aangereden en liep hierbij een fissuur [scheur of breuk zonder verplaatsing in het bot; hof] op van het distale 1/3 deel van de tibia [scheenbeen; hof] zonder dislocatie waarbij de epifyse [uiteinde van het bot; hof] niet betrokken leek te zijn. De fissuur liep tot aan de epifysair schijf [groeischijf; hof]. Zij werd behandeld met een gips.

h) Gelukkig is de fissuur goed genezen en bij onze controle welke het laatst plaats vond op 03-07-’96 vonden wij een beenlengteverschil van 1,5 cm ten nadele van links bij een lichaamslengte van 1.68m en een skeletleeftijd conform de kalenderleeftijd en nog steeds een lichte scoliose met lichte gibbus die overigens in de jaren niet duidelijk is toegenomen in ernst. Het lopen is in orde en zij had ook eigenlijk geen duidelijke klachten.

i) Ons inziens is de fractuur dan ook restloos genezen. Zij blijft wel onder controle i.v.m. het beenlengteverschil dat voor de fractuur reeds aanwezig was. Klaarblijkelijk heeft deze fissuur ook niet geleid tot een versterkte lengtegroei.”

 

3.8.6. De brief sub 4) (brief van [verzekeringsgeneeskundige] aan [geïntimeerde] van 10 december 1996) luidt onder meer als volgt:

j) “Aangezien ik betrokkene destijds zag met een fors been lengte-verschil met scoliose heb ik met name hiernaar geïnformeerd.

Uit de informatie van [orthopedisch chirurg 1] blijkt dat deze Chantal reeds langer kende met een beenlengte-verschil van 1 cm t.n.v. links met een lichte scoliose.”

 

3.8.7. De brief sub 7) (brief van [orthopedisch chirurg 1] aan [verzekeringsgeneeskundige] van 29 juli 1997) vangt aan met een beschrijving van beenlengteverschil, scoliose en gibbus) en eindigt met: 

k) “… en verder geen afwijkingen aan steun- en bewegingsapparaat.”

 

3.8.8. De brief sub 8) (brief van [verzekeringsgeneeskundige] aan [geïntimeerde] van 9 september 1997) verwijst nar de eerdere brieven van [orthopedisch chirurg 1] .

 

3.8.9. De brief sub 10) (brief van [medisch deskundige] aan [geïntimeerde] van 31 maart 1998) luidt onder meer als volgt: 

l) “Cliënte is bekend met een predispositie ten aanzien van orthopedische problematiek. Zij wordt hiervoor jaarlijks gecontroleerd door collega [orthopedisch chirurg 1] , orthopedisch chirurg, recentelijk in september 1997. Zijn laatste schrijven dateert van 29.07.97. Toen kwam hij tot de conclusie, dat er geen afwijkingen aan het steun- en bewegingsapparaat waren en er slechts predispositionele factoren een rol speelden. Hij wijst hierbij op de scoliose, gibbus en het beenlengteverschil.

m) Volgens de moeder van cliënte is er na het ongeval een dunner bovenbeen overgebleven. Ook is sprake van een ontsierend litteken. …

n) Collega [orthopedisch chirurg 1] heeft cliënte geadviseerd om geen kracht- en loopsporten te doen. Ik heb de moeder uitgelegd dat dit gebaseerd is op de voor het ongeval aanwezige skeletafwijkingen. De moeder suggereerde een beoordeling door mij. Ik heb haar voorgesteld om het litteken met fibrosevorming aan de knie en de atrofie aan het bovenbeen te beoordelen en u vervolgens te adviseren inzake een eindregeling.

o) Ik zie geen reden om de casus over 2/3 jaar af te handelen. Het percentage blijvende invaliditeit zal tussen de 0 en 2 % gelegen zijn, waarbij geen specifieke medische beperkingen een rol zullen spelen. Hiermee bedoel ik, dat de medische beperkingen ook al aanwezig waren zonder het ongeval.”

 

3.8.10. Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder meer overgelegd een brief van 31 oktober 2014 van dr. [deskundige] . Deze luidt onder meer als volgt.

p) Ik wil (…) nog eens onder uw aandacht brengen de brieven van [verzekeringsgeneeskundige] , verzekeringsgeneeskundige [zie de in r.o. 3.8.3 geciteerde brief, onderdelen d) 2) en d) 3); hof], die op 08-12-1995 aan mr. [geïntimeerde] aangeeft dat de linkerknie een groot ontsierend litteken laat zien, dat de patella laag staat en dat er nog steeds quadricepsatrofie is van 3 cm. hetgeen in mijn beoordeling fors is.

q) Met nadruk stelt hij [ [verzekeringsgeneeskundige] , hof] dat behandeling in dit stadium bij een kind van deze leeftijd beslist noodzakelijk is.

r) Overigens later geeft [verzekeringsgeneeskundige] in zijn brief van 01-05-1996 verslag over de voortgang … en in zijn brief van 10 december 1996 praat hij zelfs over een eindtoestand, maar over de prognose geeft hij daarbij geen mening. …

Kennelijk heeft [ [verzekeringsgeneeskundige] ] zich alleen gebaseerd op de berichtgevingen van orthopedisch chirurg [orthopedisch chirurg 1] die op enig moment het mijns inziens twijfelachtige standpunt heeft ingenomen dat er geen sprake meer zou zijn van medische restklachten of gevolgen.

s) Verderop stelt [deskundige] : de passage [in de verslaglegging van [medisch deskundige] ] dat de medische beperkingen ook al aanwezig waren zonder het ongeval kan ik niet goed duiden … Zou daarmee bedoeld zijn het … geringe beenlengteverschil en de licht S-vormige scoliose, dan zij opgemerkt dat die klachten nimmer de bij Chantal ongevalsgerelateerde klachten doen verklaren, laat staan in verband daarmee staan. …

[G]ezien de verslagen van de orthopedisch chirurg in [plaats] , dr. [orthopedisch chirurg 2] , denk ik dat er genoeg redenen zijn om vast te stellen dat er ernstige kraakbeendegeneratie is opgetreden, louter en alleen door het ongeval zelf.

Ik ben van mening dat dat in een eerder stadium ook te verwachten was, gezien de mal-alignment van de patella en dat daar zeker ten aanzien van de belangenbehartiging onvoldoende aandacht aan is besteed c.q. dat dat gebagatelliseerd is.

Er is altijd een fors risico voor verslechtering geweest en ik ben bang dat dat niet in de overwegingen betrokken is geweest.

t) In conclusie stel ik dus dat betrokkene een kraakbeenproblematiek heeft ontwikkeld van de linkerknie, louter en alleen ten gevolge van de patellapeesruptuur die optrad bij immobilisatie wegens een onderbeenfractuur en dat het beloop daarvan … reeds in de periode 1995-1998 te voorzien was.

 

3.9. Het hof overweegt als volgt.

 

3.9.1. Uit de brief van [deskundige] blijkt dat deze – zij het achteraf – anders aankijkt tegen de in het licht van het bekende ongevalsgevolg te verwachten gevolgen op langere termijn dan destijds [orthopedisch chirurg 1] , en in het kielzog daarvan [verzekeringsgeneeskundige] (en [medisch deskundige]).

Het hof kan niet beoordelen of [orthopedisch chirurg 1] – en daarmee [verzekeringsgeneeskundige] – destijds inderdaad ten onrechte een te optimistische visie ten aanzien van de te verwachten ontwikkelingen ten toon hebben gespreid, doch is van oordeel dat zulks ook niet van doorslaggevend belang is.

Waar het om gaat is dat [geïntimeerde] , advocaat en jurist maar geen medicus, zich diende te realiseren dat hij op medisch gebied een leek was en zich dus door een deskundige diende te laten voorlichten. Daarbij diende hij ervoor zorg te dragen dat hij een redelijk bekwaam adviseur raadpleegde. En terwijl [geïntimeerde] en/of Schadetax de nodige vraagtekens hebben geplaatst bij de voortvarendheid van het handelen van [verzekeringsgeneeskundige] , blijkt nergens uit dat deze inhoudelijk niet voor zijn taak berekend was en dat [geïntimeerde] dat ook had moeten begrijpen.

 

3.9.2. Het hof leest de eerste brief van [verzekeringsgeneeskundige] aldus dat daarin sub a) en d) gewag wordt gemaakt van de ongevalsgevolgen, en sub b) en c) van het aantreffen van – voor [verzekeringsgeneeskundige] kennelijk onbekende en onverwachte – andere niet onbetekenende afwijkingen, te weten het beenlengteverschil, de scoliose en de gibbus.

 

3.9.3. Als [verzekeringsgeneeskundige] dan vervolgens sub e) met nadruk wijst op de noodzaak om terug te gaan naar de specialist omdat het leed anders niet is te overzien, dan heeft hij kennelijk het oog op de kwesties als bedoeld sub b) en c). Dat blijkt met name uit het gegeven dat hij sub b) reeds had gewezen op de grote gevolgen voor de toekomst.

Terwijl [deskundige] er in zijn brief – sub q) – van uit lijkt te gaan dat [verzekeringsgeneeskundige] in diens eerste brief had aangegeven dat de noodzaak van behandeling samenhing met het letsel aan de patellapees en de quadriceps, komt het hof dus tot een andere conclusie.

 

3.9.4. Voor de eerste brief van [orthopedisch chirurg 1] geldt dat hij sub g) en i) gewag maakt van het gebroken been, dat werd gegipst, maar niet van de patellapeesruptuur. Sub f) en h) wordt gewag gemaakt van beenlengteverschil, scoliose en gibbus. Hoe dan ook, onder i) is sprake van een restloos herstel. Dat laatste geldt ook voor de tweede brief van [orthopedisch chirurg 1] .

 

3.9.5. Uit de brieven sub 1, 3, 4, 7, en 8 kan naar ’s hofs oordeel daarom redelijkerwijze niet anders afgeleid worden dan dat destijds, van eind december 1995 tot begin 1998, alle betrokken medici – voor zover uit hun brieven kenbaar – ervan uitgingen dat uitsluitend het reeds bestaande beenlengteverschil op termijn tot ernstige gezondheidsklachten aanleiding zou kunnen geven, terwijl kennelijk geen hunner rekening hield met de mogelijkheid dat ook de fractuur of ruptuur (dan wel de gevolgen daarvan, zoals atrofie) later zouden kunnen gaan opspelen.

Geen van de overige genoemde stukken, voorafgaande aan het sluiten van de vso, wijst op mogelijke gevolgen of latere gevolgen welke veroorzaakt zijn, of mede veroorzaakt zijn, door het letsel dat het gevolg was van de aanrijding of de val op het ijs. Wat de gevolgen van dat ongeval betreft was sprake van een eindtoestand.

 

3.9.6. Enkel in brief 10), het advies van [medisch deskundige] , lijkt sprake te zijn van mogelijke problemen in de toekomst met betrekking tot de knie. Hij heeft het over fibrosevorming aan de knie en atrofie bij het bovenbeen. Dat lijkt eerder te wijzen op ongevalsgevolgen dan op reeds bestaande skeletgerelateerde afwijkingen. Echter, vervolgens trekt [medisch deskundige] die conclusie zelf niet. Naar ’s hofs oordeel is dat onvoldoende om, gegeven de in 3.6.1. genoemde norm, van [geïntimeerde] te verwachten dat hij hier op door had moeten vragen.

 

3.9.7. De situatie waarop [geïntimeerde] zijn advisering aan (de ouders van) [appellante] diende af te stemmen laat zich derhalve als volgt omschrijven:

– [geïntimeerde] is op medisch gebied een leek

– [geïntimeerde] heeft zich laten voorlichten door medisch deskundigen

– er zijn geen aanwijzingen voorhanden waaruit blijkt dat [geïntimeerde] de deskundigheid van [verzekeringsgeneeskundige] in twijfel diende te trekken

– [verzekeringsgeneeskundige] had zich, kenbaar voor [geïntimeerde] , laten voorlichten door een orthopedisch chirurg uit het AZM

– de rapportage van de medisch deskundigen [verzekeringsgeneeskundige] en [medisch deskundige] en van orthopedisch chirurg [orthopedisch chirurg 1] gaven geen aanleiding om te verwachten dat het letsel dat [appellante] had opgelopen bij de aanrijding in 1994 of de val op het ijs in 1995 op langere termijn zou kunnen leiden tot de ontwikkeling van (uitgebreide) klachten.

 

3.9.8. Het hof verwijst naar de verwijten sub n. en o.

Naar ’s hofs oordeel stelt [appellante] met die verwijten te strenge eisen aan wat redelijkerwijze van een letselschadeadvocaat mag worden verlangd. Diverse geraadpleegde medici hamerden op de in de toekomst te verwachten problemen als gevolg van het beenlengteverschil, maar kwamen met betrekking tot de ongevalsgevolgen tot de slotsom komen dat deze restloos waren genezen en plaatsten daar zelf geen enkele kanttekening bij, en kwamen tot de conclusie dat er (in zoverre) een eindtoestand was ingetreden.

Als in die situatie een letselschadeadvocaat niet of onvoldoende bedacht is geweest op de mogelijkheid dat juist, of mede, het ongevalsletsel in de toekomst gebreken zou kunnen veroorzaken of daartoe zou kunnen bijdragen, kan niet worden gezegd dat die letselschadeadvocaat, door bij de aansprakelijkheidsverzekeraar van de wederpartij niet aan te dringen op het opnemen van een voorbehoud, niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend letselschadeadvocaat betaamt

 

3.9.9. Voor de verwijten p., q. en r. geldt dat deze uiteindelijk alle te herleiden zijn tot de stelling dat [geïntimeerde] had behoren te weten of te beseffen dat de kans bestond dat het ongeval uit 1994/1995 jaren later alsnog tot nadelige gevolgen zou kunnen leiden. Dat hij dat had behoren te weten of daarmee rekening had behoren te houden is, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, door [appellante] onvoldoende onderbouwd.

 

3.9.10. Voor zover in de verwijten van [appellante] besloten ligt dat een letselschadeadvocaat te allen tijde dient aan te sturen op het opnemen van een voorbehoud voor het geval zich in de toekomst alsnog schade voor zou doen geldt dat de aard van een vso met zich brengt dat de daarbij betrokken partijen een bestaande onzekerheid willen wegnemen en zich daarom vastleggen op een afspraak waarbij zij in elk geval weten waar zij aan toe zijn. Die onzekerheid kan betrekking hebben, bijvoorbeeld, op de omvang van een bepaalde schade, maar ook op ontwikkelingen in de toekomst.

De wens zich zekerheid te verschaffen staat in zoverre op gespannen voet met het opnemen van voorbehouden. Dat wil niet zeggen dat voorbehouden niet kunnen voorkomen, maar daar zal dan veelal een duidelijke aanleiding voor zijn. Bij gebreke daarvan – in dit geval: bij gebreke van concrete aanwijzingen dat het letsel uit 1994/1995 in de toekomst nog voor problemen zou gaan zorgen – ligt het maken van voorbehouden niet voor de hand.

 

3.9.11. Voor de hiervoor besproken verwijten geldt dus ofwel dat, ook al zijn de verwijten terecht voorgedragen (bijvoorbeeld: de art. 1:345 BW-kwestie; eventueel: het te laks opereren van [geïntimeerde] en/of onvoldoende aansturen door deze van [verzekeringsgeneeskundige] ; en eventueel: het onvoldoende informeren van [appellante] ), het oorzakelijk verband tussen die fouten en het niet opnemen van enig voorbehoud in de vso omtrent toekomstige schade niet aannemelijk is geworden, ofwel dat de verwijten als zodanig onterecht zijn voorgedragen (bijvoorbeeld: het verwijt dat [geïntimeerde] rekening had moeten houden met mogelijke gebreken in de toekomst).

 

3.10. Het vorenstaande betekent dat de vraag naar het oorzakelijk verband als bedoeld in r.o. 3.6 sub iii) in het geheel niet aan de orde komt, en dus ook niet het daarop toegespitst bewijsaanbod evenmin als de medische stukken van dr. [deskundige] e.a. welke dat oorzakelijk verband zou(den) aantonen.

 

3.11. Het hof komt dus uiteindelijk, ook al slaagt grief 4, tot eenzelfde eindoordeel als de rechtbank, reden waarom het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep. 

 

4 De uitspraak 

 

Het hof: 

 

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep; 

 

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot heden begroot op € 308,– voor vast recht en € 894,– voor salaris advocaat, en op € 131,– voor nakosten indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,– vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; 

 

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, M.J.H.A. Venner-Lijten en J.W. van Rijkom en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 mei 2016.