• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 7 maart 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:942
  • Zaaknummer: 200.204.157_01

Hof (kort geding): immateriële belang vader bij indienen klacht onvoldoende voor inzage in medisch dossier

Vader vraagt inzage in medisch dossier van dochter die zelfmoord heeft gepleegd in psychiatrische instelling ter voorbereiding van een klacht tegen de behandelend psychiater.
Het hof is voorshands van oordeel dat als regel nabestaanden van een overleden patiënt er een rechtens te respecteren belang bij hebben om een klacht te kunnen indienen tegen een behandelaar van de overleden patiënt, wegens een vermeend door die behandelaar gemaakte medische fout. In dit geval speelt daarbij geen materieel belang nu de vergoeding van de overlijdensschade minnelijk tussen partijen is geregeld. Het immateriële, emotionele, belang van de vader bij het kunnen indienen van een klacht vormt geen dusdanig zwaarwegend belang voor inzage in het medisch dossier, dat daarvoor het – algemeen maatschappelijke – belang van geheimhouding zou moeten wijken.

ECLI:NL:GHSHE:2017:942

 

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch Datum uitspraak07-03-2017 Datum publicatie10-03-2017 Zaaknummer 200.204.157_01

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6602

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Hoger beroep kort geding

Inhoudsindicatie

 

kort geding; medisch beroepsgeheim; geen afgifte medisch dossier aan nabestaande wegens ontbreken zwaarwegend belang; geen veronderstelde toestemming.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Afdeling civiel recht

 

 

 

zaaknummer 200.204.157/01

 

 

 

 

arrest van 7 maart 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

GGz Breburg Groep,

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

appellante,

 

hierna aan te duiden als GGz,

 

advocaat: mr. B.L.M. Middeldorp te Etten-Leur,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

 [geïntimeerde] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

 

advocaat: mr. M.C. Hoogendam te Leusden,

 

 

 

 

op het bij exploot van dagvaarding van 17 november 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 21 oktober 2016, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen GGz als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

 

 

 

 

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/321340/KG ZA 16-635)

 

 

 

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

 

 

 

 

2 Het geding in hoger beroep

 

 

 

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

 

de memorie van antwoord.

 

 

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

 

 

 

 

3 De beoordeling

 

 

 

3.1.

De feiten

 

 

 

Het hof gaat uit van de feiten die door de voorzieningenrechter zijn vastgesteld en waartegen geen grieven zijn gericht. Deze feiten komen, voor zover nodig aangevuld door het hof, op het volgende neer.

 

– [geïntimeerde] is de vader van [kind] , geboren op [geboortedatum] 1977 en overleden op [datum] 2013 (hierna : [kind] ).

 

– [kind] is overleden als gevolg van suïcide.

 

– Tot haar overlijden was [kind] in verband met een ernstige psychiatrische aandoening langdurig in behandeling bij GGz.

 

– [geïntimeerde] heeft een schriftelijke klacht tegen GGz ingediend bij de Klachtencommissie van GGz. De Klachtencommissie heeft bij tussenbeslissing van 12 mei 2014 GGz in de gelegenheid gesteld diverse stukken uit het medisch dossier van [kind] (hierna: het medisch dossier) te overleggen. GGz heeft deze stukken niet overlegd. De Klachtencommissie heeft bij beslissing van 7 juli 2014 – voor zover hier van belang – de klacht genummerd 1 (met betrekking tot behandeling psychose, opname en medicatie) gegrond verklaard.

 

– GGz heeft een gedeelte van het medisch dossier met [geïntimeerde] gedeeld (rapportages van gesprekken waarbij één of meer familieleden aanwezig zijn geweest) en zij heeft hem voor het overige te kennen gegeven dat zij niet bereid is inzage in of afgifte van het medisch dossier te geven.

 

– Op 1 maart 2016 heeft [geïntimeerde] bij het Regionaal tuchtcollege (RTC) een klacht ingediend tegen de behandelend psychiater.

 

– De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft het GGz herhaaldelijk, laatstelijk bij brief van 17 juni 2016, verzocht het gehele medisch dossier aan [geïntimeerde] af te geven. GGz heeft dit geweigerd.

 

– Het RTC heeft de door [geïntimeerde] ingediende klacht beoordeeld zonder de beschikking te hebben over het medisch dossier. Bij uitspraak van 8 augustus 2016 heeft het Regionaal tuchtcollege de klacht afgewezen. [geïntimeerde] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Centraal tuchtcollege (CTC).

 

– Het RTC heeft bij uitspraak van 16 november 2016 de klacht van [geïntimeerde] d.d. 3 maart 2016 tegen de behandelend gz-psycholoog afgewezen. Ook deze klacht is behandeld zonder dat het RTC de beschikking had over het medisch dossier van [kind] .

 

– De vergoeding van de overlijdensschade is tussen partijen minnelijk geregeld tegen finale kwijting, zonder dat GGz aansprakelijkheid heeft erkend (brief ARAG d.d. 11 juni 2015 en brief GGz d.d. 15 juli 2015, door GGz overgelegd ten behoeve van de behandeling van de mondelinge behandeling in eerste aanleg).

 

 

3.2.

Het geding in eerste aanleg

 

 

 

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd GGz te gebieden om – kort gezegd – aan hem, [geïntimeerde] , binnen twee dagen na betekening van het vonnis een afschrift van het volledige medisch dossier van [kind] over de periode 2011 tot [datum] 2013 ter beschikking te stellen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

 

De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep als volgt, beperkt, uitvoerbaar bij voorraad toegewezen:

 

‘gebiedt GGz om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [geïntimeerde] een afschrift ter beschikking te stellen van het volledig voorhanden zijnde medisch dossier betreffende mevrouw [kind] (geboren op [geboortedatum] 1977 en overleden op [datum] 2013), voor zover dit dossier betrekking heeft op de periode 27 maart 2012 tot het moment van overlijden, zijnde [datum] 2013, en veroordeelt GGz om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 2.000,– voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij hieraan niet voldoet, met een maximum van € 20.000,– aan te verbeuren dwangsommen.’

 

GGz werd veroordeeld in de proceskosten.

 

 

 

3.3.

Het hoger beroep

 

 

 

GGz heeft onder aanvoering van dertien grieven gevorderd het vonnis waarvan beroep te vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

 

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van GGz in de proceskosten van het hoger beroep.

 

In hoger beroep ligt ter beoordeling de vordering van [geïntimeerde] , zoals beperkt toegewezen in eerste aanleg, voor. Voor het overige ligt de zaak in volle omvang aan het hof voor; de grieven worden gezamenlijk behandeld. Bij de beoordeling moet worden bezien of het waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen.

 

 

 

3.4.

Spoedeisend belang

 

 

 

Ook in hoger beroep moet worden uitgegaan van spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering. Verondersteld moet immers worden, nu niet anders is gesteld of gebleken, dat [geïntimeerde] nog steeds een afschrift van het medisch dossier wenst om de gronden van zijn hoger beroep tegen de uitspraak inzake de klacht tegen de psychiater (en – gelet op het gestelde in zijn memorie van antwoord nummer 25 – mogelijk ook een hoger beroep tegen de uitspraak inzake de klacht tegen de gz-psycholoog) bij het CTC te onderbouwen.

 

 

 

3.5.

De verdere beoordeling

 

 

3.5.1.

 

De voorzieningenrechter heeft met juistheid en onbestreden door partijen overwogen dat artikel 7:457 BW inzage verbiedt in medische dossiers aan anderen dan de patiënt (onder wie de nabestaanden van de patiënt), tenzij de patiënt zijn/haar toestemming heeft gegeven [dit is hier niet het geval, hof], en verder dat dat artikel niet alleen beoogt de belangen van de patiënt te beschermen maar ook het algemeen (maatschappelijk) belang van de toegankelijkheid van de zorg: een ieder moet zich vrijelijk tot hulpverleners kunnen wenden zonder ervoor beducht te hoeven zijn dat hun in vertrouwen verstrekte gegevens met derden worden gedeeld.

 

Algemeen wordt aangenomen, dat het beroepsgeheim ook na het overlijden van de patiënt blijft gelden. Er kan – voor zover hier van belang – slechts dan inbreuk op het belang van geheimhouding worden gemaakt als er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden (HR 20 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1201). Als uitzondering op het beroepsgeheim geldt het geval dat op grond van concrete aanwijzingen de toestemming van de patiënt moet worden verondersteld (vgl. KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens”, prod. 11 inl dagv).

 

 

 

3.5.2.

Zwaarwegend belang/veronderstelde toestemming

 

 

 

[geïntimeerde] heeft gesteld dat hij zijn hoger beroep tegen de beslissing(en) van het RTC waarin zijn klacht(en) tegen de behandelend psychiater [en mogelijk ook de behandelend gz-psycholoog, hof] is (zijn) afgewezen, wil kunnen onderbouwen en dat hij daarom een afschrift van het medisch dossier nodig heeft. De klacht(en) zijn gebaseerd op het vermoeden van [geïntimeerde] dat er fouten zijn gemaakt in de behandeling van [kind] en dat een juiste medische behandeling het overlijden van [kind] had kunnen voorkomen. [geïntimeerde] beroept zich daarbij onder meer op de beslissing van de Klachtencommissie van GGz van 7 juli 2014, waarin – voor zover hier van belang – de klacht dat het psychotisch toestandsbeeld van [kind] onvoldoende aandacht heeft gehad en dat zij op een onjuiste, onzorgvuldige wijze behandeld is, gegrond is verklaard. Mogelijk hadden de signalen van de familie en van [kind] moeten leiden tot heroverweging van het beleid over opname en medicatie, aldus de Klachtencommissie.

 

Het hof is voorshands van oordeel dat als regel nabestaanden van een overleden patiënt er een rechtens te respecteren belang bij hebben om een klacht te kunnen indienen tegen een behandelaar van de overleden patiënt, wegens een vermeend door die behandelaar gemaakte medische fout. In dit geval speelt daarbij geen materieel belang van [geïntimeerde] nu de vergoeding van de overlijdensschade minnelijk tussen partijen is geregeld.

Het immateriële, emotionele, belang van [geïntimeerde] bij het kunnen indienen van zodanige klacht, welke mogelijkheid een rol kan spelen bij de rouwverwerking vormt – hoe zwaarwegend ook vanuit menselijk perspectief – daarmee echter, behoudens bijkomende omstandigheden, nog geen dusdanig zwaarwegend belang voor inzage in het medisch dossier, dat daarvoor het – algemeen maatschappelijke – belang van geheimhouding zou moeten wijken.

Omtrent bijkomende omstandigheden of andere belangen welke tot een andere afweging aanleiding zouden moeten geven is door [geïntimeerde] onvoldoende gesteld, noch is daarvan voldoende gebleken.

 

Bij de vraag of en in hoeverre de veronderstelde toestemming van de overleden patiënt ertoe zou moeten leiden dat het medische dossier wel aan familieleden kan worden afgegeven, stelt het hof voorop dat die toestemming niet kan worden voorondersteld op grond van het enkele bestaan van een nauwe familierelatie. Die te veronderstellen toestemming dient minst genomen aannemelijk te worden gemaakt door, in dit geval, [geïntimeerde] . Zulks geldt in dit geval te meer, nu GGz heeft gesteld dat er momenten zijn geweest dat [kind] heeft aangegeven geen toestemming te willen verlenen om informatie aan de familie, ook [geïntimeerde] , te verstrekken. GGz heeft dit onderbouwd met een schriftelijke aantekening d.d. 5 september 2012 van de maatschappelijk werker van [kind] betreffende een gesprek met [kind] zonder de ouders: “Ouders weten van veel niet af, horen ze ook niet van ons.” (prod. 4 mvg) en met een schriftelijke verklaring van de gz-psycholoog, waaruit volgt dat [kind] een aantal zaken in vertrouwen wilde bespreken en dat [geïntimeerde] nooit bij de behandelgesprekken van [kind] met de gz-psycholoog aanwezig is geweest (prod. 3 mvg). Daaraan kan niet afdoen dat [geïntimeerde] , zoals hij stelt, intensief bij het ziekteproces van zijn dochter [kind] betrokken is geweest en een nauwe band met haar had. Indien en voor zover [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat [kind] niet wenste dat de gegevens aan haar vader ter hand zouden worden gesteld, miskent hij dat hij degene is die aannemelijk dient te maken dat [kind] dat wel zou hebben gewild.

 

 

 

 

Op het wetsvoorstel met betrekking tot het nieuwe artikel 7:458a BW kan het hof niet vooruitlopen. Het is overigens niet te verwachten dat toepassing daarvan tot een andere uitkomst zou hebben geleid.

 

 

 

3.5.3.

 

Het voorgaande betekent dat de grieven slagen en dat niet waarschijnlijk is dat de vordering van [geïntimeerde] in een bodemgeschil zal worden toegewezen.

 

Het karakter van dit kort geding maakt dat voor bewijslevering geen plaats is.

 

 

 

3.6.

Slotsom

 

 

 

Het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] moet alsnog worden afgewezen.

 

Gelet op de aard van de zaak zal het hof de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep tussen partijen compenseren.

 

 

 

 

4 De uitspraak

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

vernietigt het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 21 oktober 2006;

 

 

 

 

opnieuw rechtdoende:

 

 

 

 

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

 

 

 

 

compenseert de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en M.A. Wabeke en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 maart 2017.

 

 

 

 

griffier rolraadsheer