• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Amsterdam
  • 16 juni 2015
  • ECLI:NL:GHAMS:2015:2306
  • Zaaknummer: 200.138.675-01

Hof: jongen onder metro, deskundigenbericht noodzakelijk om toedracht vast te stellen

Benadeelde, 14 jarige jongen, wordt overreden door metro op metrostation, nadat hij is mee gerend met al rijdende metro en tussen twee rijtuigen is gekomen. De rechtbank had de vordering afgewezen. Het hof is van oordeel dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de details van de feitelijke toedracht, met name op het punt van wat de metrobestuurder exact heeft kunnen waarnemen. Het hof laat vooralsnog in het midden of van een metrobestuurder gelijkgeschakeld moet worden met een trambestuurder, van wie t.o.v. voetgangers (HR, NJ 2001 en NJ 2005, 286) dezelfde mate van zorgvuldigheid verlangd wordt als van bestuurders van een motorrijtuig; in elk geval is vereist is dat de bestuurder rechtens enig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan kan alleen sprake zijn als de bestuurder op haar cabinemonitor beelden heeft kunnen zien van. Het hof gelast een deskundigenbericht om duidelijk te verkrijgen. Indien vast komt te staan dat de bestuurder beelden van benadeelde heeft kunnen zien, geldt t.a.v. de eventuele verwijtbaarheid van de bestuurder, dat door de bestuurder ook rekening gehouden moest worden met (verkeers)fouten van andere weggebruikers, tenzij deze zo onwaarschijnlijk zijn dat de bestuurder daar in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden.

ECLI:NL:GHAMS:2015:2306

Instantie: Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak 16-06-2015

Datum publicatie 19-02-2016

Zaaknummer 200.138.675-01

Formele relaties: Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:4273

Rechtsgebieden: Civiel recht

Bijzondere kenmerken: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Vervolg van tussenarrest 15 juli 2014. Jongen van 14 jaar overreden door metrovoertuig. omvang van de zorgvuldigheidsplicht van de bestuurder van een metrovoertuig. Deskundigenbericht noodzakelijk.

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team IAOF zaaknummer : 200.138.675/01 zaak/rolnummer rechtbank : 521384/ HA ZA 12-839

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2015

 

inzake

 

[APPELLANT][APPELLANT], wonend te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. J.R.E. Alberts te Amsterdam,

 

tegen

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEMEENTELIJK VERVOERBEDRIJF EXPLOITATIE B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. de naamloze vennootschap N.V. VERZEKERINGSBEDRIJF GROOT AMSTERDAM, gevestigd te Amsterdam geïntimeerden, advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

 

1 Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant], GVB en VGA genoemd. In deze zaak is op 15 juli 2014 een arrest in het incident gewezen; ingevolge dat arrest dient [appellant] (en niet langer [X]) als appellant te worden aangemerkt. Voor het verloop van het geding tot dan toe worden verwezen naar voornoemd arrest. GVB en VGA hebben daarna een memorie van antwoord (met producties) ingediend. GVB en VGA heeft vervolgens pleidooi gevraagd en [appellant] een comparitie. Ter comparitiezitting op 13 februari 2015 zijn partijen verschenen, vergezeld van hun advocaten, en hebben inlichtingen verstrekt. De advocaat van [appellant] heeft het woord gevoerd aan de hand van Aantekeningen comparitie die in het dossier gevoegd zijn. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. GVB en VGA hebben geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing, uitvoerbaar bij voorraad, over de proceskosten. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

 

2 Feiten De rechtbank heeft, voor zover van belang, in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn als zodanig in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

 

3 Beoordeling

3.1 Het gaat hier om een letselschadezaak. [appellant] is op 19 november 2010 op het bovengrondse metrostation Lelylaan te Amsterdam door een metrovoertuig overreden en heeft daarbij ernstig, blijvend letsel opgelopen (hierna ook: het ongeval). [appellant] was ten tijde van het ongeval veertien jaar oud. GVB exploiteert de betreffende metrolijn, VGA is haar aansprakelijkheidsverzekeraar. Het metrovoertuig en het perron zijn eigendom van de gemeente Amsterdam en worden beheerd door GVB. [appellant] heeft, voor zover thans nog van belang, zijn vordering gebaseerd op onrechtmatige daad. Hij stelt dat sprake is van een fout van de metrobestuurder, gevaarzetting en schending van de verzwaarde zorgvuldigheidsplicht (analoog aan art. 185 WVW) jegens hem. Hij stelt daarom GVB als werkgever van de bestuurder van de metro ten tijde van het ongeval en als beheerder van het metrovoertuig en het metrostation aansprakelijk voor de schade ten gevolge van het ongeval. VGA is uit hoofde van art. 7:954 BW aangesproken. De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat, kort samengevat en voor zover thans van belang, niet is komen vast te staan dat het letsel van [appellant] is veroorzaakt door een fout van de metrobestuurder of het GVB. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met twaalf grieven op.

3.2 Grief II (die is onderverdeeld in vier subgrieven) klaagt – in de kern – erover dat de rechtbank de vordering heeft afgewezen zonder behoorlijk feitenonderzoek, met name naar de vraag wat de metrobestuurder exact heeft kunnen waarnemen. Met partijen is ter zitting besproken dat onvoldoende duidelijkheid over de details van de feitelijke toedracht bestaat, met name ook op het punt van wat de metrobestuurder exact heeft kunnen waarnemen; na het bekijken van de beelden op de overgelegde beelddrager is het hof dat oordeel nog steeds toegedaan. Weliswaar is op de beelden van de overgelegde beelddrager zichtbaar dat [appellant] naar de metrotrein toeliep, dat de deuren toen al dicht waren en het voertuig al even in beweging was toen hij in de opening tussen twee rijtuigen en vervolgens op het spoor terecht kwam, maar dat is niet voldoende voor de vereiste duidelijkheid. Het hof licht dat hierna toe.

3.3 De vordering van [appellant] is gebaseerd op onrechtmatige daad. Beoordeling van de feiten zal dus plaats vinden aan de hand van art. 6:162 BW. In het kader van de beoordeling van de vraag of de metrobestuurder een fout heeft gemaakt, stelt het hof vast dat het gaat om een aanrijding tussen een voetganger en een metrovoertuig. Daarmee rijst de vraag naar de omvang van de zorgvuldigheidsplicht van de bestuurder van een metrovoertuig met het oog op de bescherming die een kwetsbare verkeersdeelnemer als een voetganger behoeft, in verband met de zeer ingrijpende gevolgen die een botsing met een metrovoertuig voor hem kan hebben. Van een trambestuurder wordt ten opzichte van voetgangers (HR, NJ 2001 en NJ 2005, 286) dezelfde mate van zorgvuldigheid verlangd als van bestuurders van een motorrijtuig. [appellant] stelt dat die maatstaf hier ook van toepassing is; GVB en VGA betwisten dat en wijzen op de verschillen tussen de wijze waarop de tram en de metro aan het verkeer deelnemen. Vooralsnog kan dit debat onbeslist blijven, nu ook als van de door [appellant] voorgestane gelijkschakeling van metrobestuurders met trambestuurders zou worden uitgegaan, voor aansprakelijkheid vereist is dat de bestuurder rechtens enig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan kan alleen sprake zijn als de bestuurder op haar cabinemonitor beelden heeft kunnen zien van [appellant]. Hieromtrent bestaat bij het hof vooralsnog onvoldoende duidelijkheid.

3.4 In het geval zou komen vast te staan dat de bestuurder beelden van [appellant] heeft kunnen zien en wordt toegekomen aan de beoordeling van eventuele verwijtbaarheid van de bestuurder, dan geldt daarbij als uitgangspunt dat door de bestuurder ook rekening gehouden moest worden met (verkeers)fouten van andere weggebruikers, zoals hier [appellant], tenzij deze zo onwaarschijnlijk zijn dat de bestuurder daar in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden. Voorshands lijkt het gedrag van [appellant] in de richting van een fout (en daarmee eigen schuld) aan zijn zijde te wijzen; vast staat immers dat het ging om het aanraken van en meerennen met een wegrijdende metro, vlak langs het voertuig. Nu vast staat dat schooljeugd vaak rond de tijd van de dag dat het ongeval gebeurde op het perron aanwezig was en het een algemeen ervaringsfeit is dat schooljeugd min of meer roekeloos gedrag kan vertonen, gaat het – in het geval dat de bestuurder beelden van [appellant] heeft kunnen zien – om de vraag of daarmee (met roekeloos gedrag) in concreto rekening gehouden moest worden, waarbij het aankomt op wat de bestuurder op welk moment precies kon zien. Van belang kan voorts zijn welke mogelijkheden de bestuurder had om de verwezenlijking van de kwade kansen op een ongeval te verkleinen. Ook op deze punten bestaat onduidelijkheid.

3.5 Het hof acht daarom in dit stadium, alvorens verdere beslissingen te nemen, een deskundigenbericht noodzakelijk, ten eerste naar het zicht van de bestuurder op het betreffende perrondeel voor en tijdens het ongeval, ten tweede naar de mogelijkheden voor de bestuurder om de kwade kans op een ongeval te verkleinen.

3.5.1 Het gaat voor wat betreft het zicht van de bestuurder in de eerste plaats om de tijdsspanne. Het hof heeft uit de (op dit punt niet weersproken) toelichting van GVB ter zitting begrepen dat de beelden die getoond worden op de monitor in de cabine van de metrobestuurder afkomstig zijn van aparte camera’s (te onderscheiden van de beveiligingscamera’s, waarvan de beelden in het geding zijn gebracht); het doorgeven van de live-beelden van die camera’s wordt gereguleerd door een schakeling. Daartoe is onder de metrotrein een sensor gemonteerd en wordt op de monitor in de cabine een tamelijk gedetailleerd beeld van het perron weergegeven totdat de betreffende sensor een bepaald punt in de rail passeert, waarna het beeld geheel wegvalt. Uit de toelichting van GVB ter zitting heeft het hof begrepen dat de sensor zich in dit geval op twee plaatsen kan hebben bevonden, maar dat vooralsnog niet duidelijk is op welke van deze twee mogelijke plaatsen de sensor zich in dit specifieke geval bevond. De deskundige zal gevraagd worden zo mogelijk vast te stellen waar de sensor zich in dit specifieke geval bevond en, mocht dit niet mogelijk zijn, beide mogelijkheden in acht te nemen. Ook met betrekking tot hetgeen de bestuurder feitelijk kon zien op de beelden – met name: de breedte van de strook van het perron langs de metro die op de beelden te zien valt – verwacht het hof dat het deskundigenbericht opheldering kan verschaffen.

3.5.2 Los daarvan is van belang welke maatregelen de bestuurder ten dienste stonden om [appellant] te waarschuwen dan wel het ongeval te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.

3.5.3 De deskundige zal in de gelegenheid gesteld moeten worden het betreffende metrovoertuig dan wel een daarop zoveel mogelijk gelijkend voertuig te onderzoeken, de positionering en het beeld van de camera’s die de monitor van de bestuurder voeden te bekijken alsmede de verdere situatie op het metrostation. Uit de mededelingen van partijen ter zitting maakt het hof op dat een dergelijk onderzoek mogelijk is, nu van relevante wijzigingen in de situatie ter plaatse (ten opzichte van die ten tijde van het ongeval) geen sprake is en het betreffende (type) voertuig nog gebruikt wordt. Ook de administratie waaruit mogelijk kan worden opgemaakt waar de sensor zich ten tijde van het ongeval bevond, moet – aldus GVB – nog beschikbaar zijn. GVB heeft zich bereid verklaard aan een dergelijk onderzoek medewerking te verlenen. De deskundige zal vanzelfsprekend ook moeten kunnen beschikken over de door [appellant] in het geding gebrachte beelden van de beveiligingscamera’s.

3.6 Het hof stelt voor de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen: 1. wilt u het blikveld dat de bestuurder (via de cabinemonitor) had ten tijde van het ongeval zo duidelijk mogelijk beschrijven en in dat verband met name aangeven hoe breed de strook van het perron langs de metro is die op de bewuste beelden te zien valt? Hoe goed is de kwaliteit van het beeld en over welke afstand zijn daarop details te onderscheiden, ook als het een beeld van een bewegend object (of persoon) betreft? Illustratie aan de hand van foto’s/beeldmateriaal wordt op prijs gesteld. 2. hoe lang na het vertrek van de metro blijven beelden zichtbaar? a. in welk tijdsbestek en in welke mate neemt de omvang van het blikveld daarbij af (of toe) ten opzichte van hetgeen onder 1 beschreven is? b. maakt het verschil op welke van de twee mogelijke plaatsen de sensor is aangebracht? Zo ja, wilt u dan de vragen onder 1 en 2a voor beide plaatsen beantwoorden? c. hebt u kunnen vaststellen waar de sensor ten tijde van het ongeval zich bevond? Zo neen, valt te zeggen welke plaats de meest waarschijnlijke is? d. zijn er voor de bestuurder nog andere mogelijkheden om waar te nemen wat er op het perron gebeurt vanaf het moment van vertrek van het voertuig? 3. Kunt u aan de hand van de beschikbare beelden van de beveiligingscamera’s, de situatie op het perron en hetgeen uit uw onderzoek met betrekking tot de beelden op de cabinemonitor is gebleken, een uitspraak doen over de mogelijkheid dat de bestuurder [appellant] op de cabinemonitor heeft kunnen zien en zo ja, wat zij van [appellant] heeft kunnen zien? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag, in het geval u geen uitspraak heeft kunnen doen over de plaats van de sensor, beide mogelijke sensorplaatsen betrekken? 4. Als de bestuurder [appellant] heeft kunnen zien, welke middelen had de bestuurder dan tot haar beschikking om het ongeval te vermijden of de gevolgen minder ernstig te doen zijn? a. als zulke middelen ter beschikking stonden: wat was (althans met welke mate van waarschijnlijkheid) het effect geweest van het toepassen van die middelen op de vermijdbaarheid of de ernst van de gevolgen van het ongeval? b. als remmen een optie was, hoe lang is dan de remweg? als remmen geen optie was, waarom niet? Verzoeke bij beantwoording van vraag 4 uit te gaan van een oplettende en met normale snelheid reagerende bestuurder (u kunt uitgaan van een reactietijd van één seconde) en de antwoorden zo duidelijk mogelijk toe te lichten. b. Zijn er andere omstandigheden die van belang zijn of aanvullende opmerkingen die u van belang acht om te maken? Zo ja, wilt u die dan toelichten?

3.7 Het hof zal partijen bij gelijktijdige akte in de gelegenheid stellen zich over de persoon van de deskundige en de vraagstelling uit te laten en de zaak daartoe naar de rol verwijzen. Het hof stelt het op prijs als partijen met een gezamenlijk voorstel (eventueel alleen aanzien van de persoon van de deskundige) komen.

3.8 [appellant] zal, als degene op wie in beginsel de bewijslast rust, het voorschot ten behoeve van de deskundige dienen te betalen.

3.9 Nadat het deskundigenbericht is uitgebracht, krijgen partijen gelegenheid daarop te reageren.

3.10 Iedere verdere beslissing op en bespreking van de grieven wordt aangehouden.

 

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 14 juli 2015 voor een akte aan beide zijden met het hiervoor onder 3.7 omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, A.S. Arnold en M.M. Goslings, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.