• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 27 juni 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:5372
  • Zaaknummer: 200.163.655

Hof: geen bindende eindbeslissing in deelgeschil over materiële rechtsverhouding; hoger beroep niet ontvankelijk

Benadeelde, werkzaam als ZZP-er, loopt in 2009 bij eenzijdig verkeersongeval in auto van het bedrijf van zijn ouders ernstig letsel op. Hij heeft het bedrijf aansprakelijk gesteld op grond van het feit dat geen behoorlijke verzekering was afgesloten voor deelname aan het verkeer (art 7:611 BW). De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat nader onderzoek en bewijslevering was, waarvoor de deelgeschilprocedure niet geschikt is en heeft het verzoek afgewezen. Het hof verklaart benadeelde niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep. Nu de grieven in wezen aanvoeren dat de deelgeschilrechter ten onrechte géén bindende eindbeslissingen heeft genomen, maar zich overigens niet richten tegen in de beschikking als zodanig aan te wijzen bindende eindbeslissingen omtrent de materiële rechtsverhouding, concludeert de rechtbank dat benadeelde niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep.

ECLI:NL:GHARL:2017:5372

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

27-06-2017

Datum publicatie

28-09-2017

Zaaknummer

200.163.655

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Hoger beroep van deelgeschilbeschikking. Niet ontvankelijk.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.163.655

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 376780 en 380191 (bodemzaken) en 338835 (deelgeschil))

 

arrest van 27 juni 2017

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A. Kolder,

 

tegen:

 

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijfsnaam] B.V.,

gevestigd te Hengelo,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [bedrijfsnaam],

advocaat: mr. H. Grootjans,

2. de naamloze vennootschap

Reaal Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Reaal,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

 

1

Het geding in eerste aanleg

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de deelgeschilbeschikking van 17 juli 2013 die de rechtbank Midden-Nederland heeft gegeven, alsmede naar de dagvaardingen van 28 augustus 2014 en 22 oktober 2014 van [appellant] in de bodemprocedures. Voorts verwijst het hof naar de rolbeslissing van 26 oktober 2016 waarbij de rechtbank Midden-Nederland het eerder reeds verleende appelverlof op schrift heeft gesteld.

 

2

Het geding in hoger beroep

 

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 december 2014,

– de memorie van grieven (met producties),

– de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep (met producties) van de zijde van Reaal,

– de memorie van antwoord (met producties), van de zijde van [bedrijfsnaam],

– de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties),

– de schriftelijke pleidooien.

 

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

 

3

De vaststaande feiten

 

3.1

Het hof gaat uit van de navolgende feiten.

 

3.2

[appellant], geboren op 3 augustus 1978, is als zelfstandige zonder personeel (zzp′er) werkzaam in zijn [bedrijfsnaam], destijds een eenmanszaak geheten [appellant] [bedrijfsnaam].

 

3.3

[bedrijfsnaam] is het [bedrijfsnaam] van de ouders van [appellant].

 

3.4

Op zondag 25 januari 2009 omstreeks 19.00 uur is [appellant] als bestuurder van de bedrijfsauto van [bedrijfsnaam] (hierna: de bedrijfsauto) een eenzijdig ongeval overgekomen, waarbij hij ernstig gewond is geraakt.

 

3.5

De bedrijfsauto was voor de WAM verzekerd bij SNS assuradeuren. Bij SNS was een ongevallenverzekering voor inzittenden afgesloten (inclusief bestuurder), met een maximum uitkering bij blijvende invaliditeit van € 45.000,00.

 

3.6

Reaal is de verzekeraar van de aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB) van [bedrijfsnaam].

 

4

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

 

4.1

In de deelgeschilprocedure heeft [appellant] verzocht dat de rechtbank 1) zou bepalen dat [bedrijfsnaam] en Reaal aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval, alsmede dat de rechtbank 2) hen zou veroordelen om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden, dit onder 3) bepaling van de kosten in verband met de behandeling van het verzoek op € 7.123,78 met rente. [bedrijfsnaam] en Reaal hebben verweer gevoerd.

 

4.2

De rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2013 het volgende overwogen. Zij zal er veronderstellenderwijs van uit gaan dat het ongeval op 25 januari 2009 aan [appellant] is overkomen tijdens werkzaamheden die hij verrichtte ter uitvoering van een opdracht van [bedrijfsnaam], in het kader van de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam]. In dat geval kan artikel 7:611 BW echter geen grondslag zijn voor vergoeding van schade door het [bedrijfsnaam] aan [appellant]. De rechtbank ziet namelijk geen aanknopingspunten om artikel 7:611 BW naar analogie van toepassing te achten in de relatie tussen opdrachtgever en zzp’er. Voorts heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of in de contractuele relatie tussen het [bedrijfsnaam] en [appellant], aangevuld met de eisen van artikel 6:248 BW, voortvloeit dat het [bedrijfsnaam] zorgt voor een behoorlijke verzekering, indien zij van [appellant] verlangt dat die zich ten behoeve van het werk in het verkeer begeeft. Voor de beoordeling van die vraag achtte de rechtbank van belang of [appellant] van het [bedrijfsnaam] de instructie had gekregen om bij uitvoering van de werkzaamheden gebruik te maken van de bedrijfsauto. Verder achtte zij – voor zover er geen sprake was van een dergelijke instructie – van belang of [appellant] er van op de hoogte kon zijn dat voor de bedrijfsauto geen inzittendenschadeverzekering was afgesloten, zodat hij het risico bij gebruik van de bedrijfsauto kon afwegen. Aangezien de beantwoording van die vragen nader onderzoek en bewijslevering vergt, waarvoor de deelgeschilprocedure niet geschikt is, heeft de rechtbank de punten 1 en 2 van het verzoek afgewezen. Zij heeft de kosten begroot op € 7.130,78.

 

4.3

[appellant] heeft vervolgens twee afzonderlijke bodemprocedures aanhangig gemaakt. Jegens [bedrijfsnaam] heeft hij gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zij jegens hem te kort is geschoten in haar verplichting om voor een behoorlijke verzekering zorg te dragen. Jegens het [bedrijfsnaam] én Reaal heeft hij voorts nog gevorderd dat zij worden veroordeeld tot betaling van alle schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het door het [bedrijfsnaam] niet afsluiten van een behoorlijke verzekering, op te maken bij staat, alsmede tot afgifte van een deugdelijke fiscale garantie, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de kosten van het geding. Het [bedrijfsnaam] en Reaal hebben nog niet van conclusie van antwoord gediend, aangezien direct na het aanbrengen van de dagvaardingen in de bodemprocedure tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking is opengesteld.

 

5

De beoordeling van de grieven en de vordering

 

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.1

Uit de onder 1 genoemde rolbeslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2016 blijkt dat de rechtbank verlof heeft verleend tot het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking van 17 juli 2013. Het hoger beroep in de zaak tussen [appellant] en Reaal is tijdig ingesteld, namelijk bij dagvaarding in hoger beroep van

12 december 2014, terwijl [appellant] Reaal in de bodemprocedure heeft doen dagvaarden op 28 augustus 2014, tegen de zitting van 17 september 2014 en hij [bedrijfsnaam] in de bodemprocedure heeft doen dagvaarden op 22 oktober 2014.

 

5.2

Verder is voor de ontvankelijkheid van belang of het hoger beroep wordt ingesteld met betrekking tot – kort gezegd – bindende eindbeslissingen betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen. In artikel 1019bb Rv is bepaald dat tegen de beschikking in een deelgeschil geen hoger beroep openstaat. Indien evenwel een bodemprocedure aanhangig is gemaakt tussen de bij het deelgeschil betrokken partijen kan tegen een beschikking in een deelgeschil “als van een tussenvonnis” appel worden ingesteld indien binnen drie maanden na de eerste roldatum appel wordt ingesteld nadat de bodemrechter in eerste aanleg daartoe de mogelijkheid heeft geopend, voor zover de beschikking beslissingen bevat als bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv (artikel 1019cc lid 3 aanhef en onder a Rv). In artikel 1019cc lid 1 Rv is bepaald dat de bodemrechter gebonden is aan de beschikking in het deelgeschil voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten van partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding.

 

5.3

Dat geïntimeerden zich niet op het standpunt hebben gesteld dat [appellant] gezien artikel 1019bb Rv niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep, betekent nog niet dat [appellant] in het hoger beroep ook (op alle onderdelen) ontvankelijk is. Het hof dient, zo nodig ambtshalve, zelf de ontvankelijkheid te beoordelen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

 

5.4

Met de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade is beoogd te bevorderen dat geschillen over letsel- en overlijdensschade eenvoudig en door middel van een minnelijke regeling kunnen worden afgewikkeld. De wetgever wilde met de deelgeschilprocedure vooral het buitengerechtelijk traject bij de afhandeling van personenschade versterken door de deelnemers aan dat traject de mogelijkheid te bieden om reeds tijdens de onderhandelingsfase de rechter te adiëren en op eenvoudige wijze een rechterlijke uitspraak te verkrijgen over een deelgeschil dat partijen verdeeld houdt en daardoor het bereiken van een minnelijke regeling blokkeert (vgl. Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 2 en 3). Gelet op deze bedoeling van de deelgeschilprocedure is het hiervoor gerelateerde (geclausuleerde) rechtsmiddelenverbond van artikel 1019bb Rv eenvoudig te begrijpen. Juist omdat tegen de beslissing in de deelgeschiluitspraak geen hoger beroep mogelijk is, is dit volgens de wetgever een extra stimulans voor partijen om de buitengerechtelijke onderhandelingen zelf af te ronden. Die stimulans wordt door het toelaten van allerlei uitzonderingen tenietgedaan (vgl. Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 13 en 19 en Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 8, p. 13).

 

5.5

Aan een uitdrukkelijke en zonder voorbehoud gegeven beslissing in de deelgeschilbeschikking betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen in het deelgeschil is de rechter in de bodemprocedure op dezelfde wijze gebonden als hij zou zijn gebonden aan een tussenvonnis in de bodemprocedure (artikel 1019cc lid 1 Rv). Met deze formulering heeft de wetgever aansluiting gezocht bij de leer van de bindende eindbeslissing (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 20 en Kamerstukken I 2009-2010, 31 518, C, p. 12). De gebondenheid betreft alleen de materiële rechtsverhouding tussen partijen, derhalve niet de, zoals de parlementaire geschiedenis dat omschrijft “procedurele beslissingen” (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 20). Met “procedurele beslissingen” wordt onder meer gedoeld op “de verplichting tot medewerking aan verdere medische of arbeidsdeskundige onderzoeken en op beslissingen ter verdere instructie van de onderhandelingen in het deelgeschil” (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 5, p.1). Overigens wordt in de parlementaire geschiedenis onderkend dat procedurele en materiële beslissingen nauw met elkaar kunnen samenhangen en dat soms sprake is van “grensgevallen” (Kamerstukken II 2007 – 2008, 31 518, nr. 3, p. 20).

Door de verwijzing van artikel 1019cc lid 3 aanhef en onder a naar artikel 1019cc lid 1 Rv is alleen tussentijds appel mogelijk tegen – kort gezegd – bindende eindbeslissingen betreffende de materiële rechtsverhouding, niet tegen (al dan niet bindende) procedurele eindbeslissingen. Het hof zal tegen deze achtergrond de ontvankelijkheid van [appellant] beoordelen.

 

5.6

De deelgeschilrechter heeft het volgende beslist, waartegen [appellant], blijkens de memorie van grieven, in zijn tussentijds hoger beroep opkomt:

– veronderstellenderwijs gaat de rechtbank er vanuit dat het ongeval aan [appellant] is overkomen tijdens de werkzaamheden die hij verrichtte ter uitvoering van een opdracht van [bedrijfsnaam], in het kader van de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam] (rov. 4.4);

– de rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de jurisprudentie op grond waarvan de zzp’er onder omstandigheden een beroep kan doen op de bescherming van artikel 7:658 lid 4 BW, eveneens van toepassing te laten zijn op artikel 7:611 BW (rov. 4.6);

– de rechtbank zal, ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, onderzoeken of de uit artikel 6:248 BW voortvloeiende eisen van redelijkheid en billijkheid een grondslag voor de gevorderde schade kunnen vormen (rov. 4.7);

– bij de invoering van artikel 7:658 lid 4 BW is beoogd bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met de werknemer vergelijkbare positie bevinden. In zoverre komt bij de beoordeling uit hoofde van 6:248 BW belang toe aan de in het kader van artikel 7:658 lid 4 BW ontwikkelde jurisprudentie (rov. 4.8);

– voor beantwoording van de vraag of in de contractuele relatie tussen [bedrijfsnaam] en [appellant] vereist is dat [bedrijfsnaam] zorgt voor een behoorlijke verzekering, indien zij van [appellant] verlangt dat hij zich ten behoeve van het werk in het verkeer begeeft, is onder meer van belang of [appellant] ter uitvoering van de opdracht de keuze had om de werkzaamheden in de eigen auto uit te voeren, of dat hij van [bedrijfsnaam] de instructie had gekregen om bij uitvoering van de werkzaamheden gebruik te maken van de bedrijfsauto. Voor zover er geen sprake was van een dergelijke instructie is het van belang of [appellant] er van op de hoogte kon zijn dat voor de bedrijfsauto geen inzittendenschadeverzekering was afgesloten, zodat hij het risico bij gebruik van de bedrijfsauto kon afwegen (rov. 4.11);

– beantwoording van de hiervoor geformuleerde vragen, vergt nader onderzoek en bewijslevering door [appellant], waarvoor de deelgeschilprocedure niet geschikt is (rov. 4.12);

– daarom worden de punten 1 en 2 van het verzoek afgewezen (rov. 4.12).

 

5.7

[appellant] heeft tegen de deelgeschilbeschikking vier grieven aangevoerd.

 

5.8

Met grief 1 bestrijdt [appellant] rov. 4.4 waarin de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit is gegaan dat het ongeval aan [appellant] is overkomen tijdens werkzaamheden die hij verrichtte ter uitvoering van een opdracht van [bedrijfsnaam]. [appellant] voert in grief 1 aan dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat voldoende aannemelijk is dat sprake was van ‘werk-werkverkeer’ c.q. vervoer ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ van [appellant], dan wel, subsidiair, dat (minstens) sprake was van ‘bijzonder’ woon-werkverkeer dat daarmee op één lijn valt te stellen. Verder voert [appellant] in grief 1 aan dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat – niet veronderstellenderwijs maar – daadwerkelijk sprake was van werkzaamheden van [appellant] ‘in de uitoefening van het bedrijf’ van [bedrijfsnaam].

 

5.9

In grief 2 klaagt [appellant] dat de rechtbank bij de weergave in de rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 van het arrest Davelaar/Allspan (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616) het woordje ‘mede’ is vergeten, dat de rechtbank (daardoor) een te beperkt toetsingscriterium heeft aangelegd bij de vraag of [appellant] bij de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van het [bedrijfsnaam] en dat de rechtbank niet kenbaar alle relevante gezichtspunten bij de beoordeling heeft betrokken.

 

5.10

Hier sluit grief 3 bij aan. Volgens deze grief legt de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 een onjuiste maatstaf aan door een tweetal ‘nieuwe’ vereisten te introduceren, namelijk een eventuele keuzemogelijkheid/instructie inzake het gebruik van de bedrijfsauto én eventuele wetenschap over het ontbreken van adequate verzekeringsdekking. [appellant] betoogt dat [bedrijfsnaam] ook los daarvan jegens [appellant] gehouden was zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering.

 

5.11

In grief 4 ten slotte richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het verzoek tot veroordeling van Reaal in de kosten van het deelgeschil zal worden afgewezen, nu de aansprakelijkheid van Reaal niet vast staat.

 

5.12

De vraag die thans aan de orde is, betreft de vraag of de deelgeschilrechter hier bindende eindbeslissingen heeft gegeven omtrent de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Een bindende eindbeslissing is een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent een juridisch of feitelijk geschilpunt. De grieven bestrijden niet een dergelijke bindende eindbeslissing. Allereerst is de deelgeschilrechter er veronderstellenderwijs van uit gegaan dat aan [appellant] het ongeluk is overkomen tijdens werkzaamheden die hij verrichtte ter uitvoering van een opdracht van [bedrijfsnaam], in het kader van de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam]. Op dit geschilpunt heeft de rechtbank dus juist géén bindende eindbeslissing gegeven – zij heeft de gegrondheid van de ter zake door [appellant] aangevoerde stellingen in het midden gelaten (‘veronderstellenderwijs’) om vervolgens tot het oordeel te komen dat óók uitgaande van die stellingen er in het deelgeschil nog instructie nodig was, reden waarom de verzoeken werden afgewezen. In de grieven 2 en 3 bestrijdt [appellant] vervolgens de argumentatie van de rechtbank vanaf rechtsoverweging 4.7, met name eigenlijk de rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12. Ook hier heeft de rechtbank geen bindende eindbeslissingen gegeven. De rechtbank heeft juist geoordeeld dat nog instructie nodig was. Ook [appellant] onderkent (onder 116 MvG) dat de rechtbank geen definitieve beslissing heeft gegeven omtrent de behoorlijke verzekeringsplicht van [bedrijfsnaam]. Dat de rechtbank voor haar beoordeling onder meer een aantal nader benoemde aspecten relevant heeft geoordeeld (te weten de vraag of [appellant] is geïnstrueerd de bedrijfsauto te gebruiken, de vraag of hij een keuze had en de vraag of hij bekend was met het feit dat voor de bedrijfsauto geen inzittendenschadeverzekering was afgesloten), brengt op zich nog niet mee dat de rechtbank een bindende eindbeslissing heeft genomen. Grief 4 ten slotte mist in dit kader zelfstandige betekenis.

 

5.13

De conclusie van het voorgaande is dat hier sprake is van een deelgeschilbeschikking op de veronderstellenderwijs voor juist aangenomen stelling dat [appellant] het ongeval kreeg, kort gezegd, in de uitoefening van werkzaamheden voor het [bedrijfsnaam], terwijl de deelgeschilrechter tot de conclusie is gekomen dat de verzoeken moeten worden afgewezen omdat nadere instructie nodig is. Nu de grieven in wezen aanvoeren dat de deelgeschilrechter ten onrechte géén bindende eindbeslissingen heeft genomen, maar zich overigens niet richten tegen in de beschikking als zodanig aan te wijzen bindende eindbeslissingen omtrent de materiële rechtsverhouding, moet de conclusie zijn dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep.

 

5.14

De vraag is wat dit betekent voor het incidenteel hoger beroep van Reaal. Reaal voert in haar (enige) grief in het incidenteel hoger beroep aan dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vordering jegens Reaal omdat, kort gezegd, er voor het risico dat zich heeft verwezenlijkt geen sprake is van dekking onder de AVB-polis van [bedrijfsnaam]. Ook hiermee richt Reaal zich niet tegen een bindende eindbeslissing omtrent de materiële rechtsverhouding tussen haar en [appellant]. Zij is dan ook niet-ontvankelijk in haar vordering in het incidenteel hoger beroep. Zij zal dit verweer in de bodemprocedure aan de orde kunnen stellen.

 

6

De slotsom

 

[appellant] is niet ontvankelijk in het principaal hoger beroep. Reaal is niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep. De kosten van de procedure in hoger beroep zullen worden aangehouden opdat de rechtbank te zijner tijd omtrent die kosten een beslissing zal geven.

 

7

De beslissing

 

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

in het principaal hoger beroep

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van de tussen partijen gewezen deelbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 juli 2013;

 

in het incidenteel hoger beroep

verklaart Reaal niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van de tussen partijen gewezen deelbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 juli 2013;

 

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan totdat eindvonnis wordt gewezen.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, A.E.B. ter Heide en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2017.