• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Haag
  • 28 november 2017
  • ECLI:NL:GHDHA:2017:3304
  • Zaaknummer: 200.204.213/01

Hof: fietser valt over zwerfkat, geïntimeerden geen bezitter van de kat

Zwerfkatje steekt de weg over waardoor een fietser (appellant) ten val komt en bekken breekt. Hij spreekt geïntimeerden aan ex art 6:179 BW. Het hof oordeelt dat geïntimeerden niet kunnen worden aangemerkt als de bezitter van de kat. Door appellant is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat geïntimeerden de kat op enig moment in bezit hebben genomen. Er kan hooguit uit worden afgeleid dat geïntimeerden en dan met name hun jongste dochter (van 12 of 13 jaar oud) een zekere band hebben opgebouwd met de kat, die in de buurt was geboren en ook steeds in de buurt heeft geleefd. Dat wijst er echter niet op dat geïntimeerden de kat voor zichzelf zijn gaan houden.

ECLI:NL:GHDHA:2017:3304

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 28-11-2017
Datum publicatie28-11-2017 Zaaknummer200.204.213/01

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:4925

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Aansprakelijkheid voor dieren. Kat steekt de weg over waardoor een fietser (appellant) ten val komt. Hij spreekt Aangesproken partij kan niet worden aangemerkt als de bezitter van de kat.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF DEN HAAG

 

Afdeling Civiel recht

 

 

 

Zaaknummer : 200.204.213/01

 

 

 

 

Zaaknummer rechtbank : C/10/491581/HA ZA 15-1275

 

 

 

 

arrest van 28 november 2017 (bij vervroeging)

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

[appellant] ,

 

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

hierna te noemen: [appellant] ,

 

advocaat: mr. M.R.S.S. Soliman te Amsterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

1. [geïntimeerde 1] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

2. [geïntimeerde 2] ,

 

 

wonende te [woonplaats] ,

 

geïntimeerden,

 

hierna te noemen: [geïntimeerden] ,

 

advocaat: mr. P.J. klein Gunnewiek te Utrecht.

 

 

 

 

Het geding

 

 

 

 

Bij exploot van 28 september 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, team handel, tussen partijen gewezen vonnis van 29 juni 2016.

 

Bij memorie van grieven met een productie heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden.

 

 

 

 

Vervolgens hebben partijen op 6 november 2017 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.R.S.S. Soliman, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerden] door mr. P.J. klein Gunnewiek, advocaat te Utrecht, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Voorafgaand aan het pleidooi heeft het hof per e-mail van 12 oktober 2017 de overlegging (door [appellant] ) van bepaalde stukken verzocht, op welk verzoek namens [appellant] is gereageerd per brief van 20 oktober 2017 en namens [geïntimeerden] per brief van 23 oktober 2017, beide brieven zonder bijlagen. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

 

 

 

 

Beoordeling van het hoger beroep

 

 

 

 

De rechtbank heeft de tussen partijen vaststaande feiten opgesomd. Grief 1 klaagt erover dat de rechtbank de feiten te beperkt heeft weergegeven. De grief kan op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis leiden, omdat geen rechtsregel de rechter verplicht om alle feiten op te nemen. De weergave van de feiten dient slechts als schets van de feitelijke achtergrond van het geschil. Overigens zal het hof hierna de feiten vaststellen; met de door [appellant] in het kader van grief 1 aangevoerde omstandigheden zal daarbij waar nodig rekening worden gehouden althans deze zullen aan de orde komen bij de beoordeling van grief 2. Bij (verdere) beoordeling van grief 1 heeft [appellant] dus geen belang.

 

 

 

 

Het gaat in deze zaak om het volgende:

 

 

 

1. [geïntimeerden] zijn met hun twee kinderen woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] .

 

 

2. In de omgeving van het huis van [geïntimeerden] , namelijk op grens van de huisnummers […] en […], is rond 2006 een nestje met vier zwerfkittens gevonden. Op enig moment zijn de katten, al dan niet op verzoek van één van de buren van [geïntimeerden] , door de gemeente gevangen, gesteriliseerd of gecastreerd en weer uitgezet. De katten leefden in de omgeving van de [straatnaam] .

 

 

3. De jongste dochter van [geïntimeerden] heeft geprobeerd met de katten in contact te komen, hetgeen bij twee van de vier katten na een tijdje ook is gelukt. Zij heeft deze katten een naam gegeven; [naam 1] en [naam 2] . De band tussen één van deze katten (door haar [naam 1] genoemd, hierna te noemen: de kat) en de jongste dochter van [geïntimeerden] is op enig moment hechter geworden nadat zij deze had gered uit een met ijs bedekte sloot.

 

 

4. Op 27 februari 2013 heeft [geïntimeerde 1] een foto van de kat op zijn Facebookprofiel geplaatst. Bij de foto zijn de volgende berichten geplaatst:

 

 

 

“ [geïntimeerde 1] , 27 februari 2013

 

Gelukkig de kat is ook weer terug, meisjes blij (…)

 

 

 

 

[betrokkene] , 27 februari 2013

 

 [naam 1] 

 

 

 

 

(persoon A), 27 februari 2013

 

Gelukkig!! Had geen dagboekje bij zich met waar ze heeft gezeten zeker?

 

 

 

 

(persoon B), 27 februari 2013

 

Je weet [geïntimeerde 1] , als de kat van huis is ………….!!!

 

 

 

 

(persoon C), 28 februari 2013

 

Vanaf zaterdagavond op stap, en nu pas terug. Een echte Peuter

 

 

 

 

(persoon D), 28 februari 2013

 

Aaaaaaaaaaaah diezzzz liefffff”

 

 

 

5. Op [datum] 2013 heeft de dochter van [geïntimeerden] een foto geplaatst op Twitter, waarop de kat in huis en in een dekentje gerold te zien is. De foto is voorzien van het bijschrift “[naam 1]” en een icoontje in de vorm van een hartje.

 

 

6. In de vroege ochtend van 26 mei 2015 is [appellant] op zijn fiets ter hoogte van de woning van [geïntimeerden] in botsing gekomen met de kat. [appellant] is ten val gekomen en naar het ziekenhuis gebracht. Geconstateerd is dat [appellant] onder meer het linkerbekken, een borstwervel en enkele rugwervels had gebroken. De kat is met een dierenambulance naar de dierenarts gebracht. De dierenarts heeft de kat onderzocht, geconstateerd dat deze zijn rug op drie plaatsen had gebroken en de kat een spuitje gegeven teneinde hem te laten inslapen.

 

 

7. Bij brief van 2 juli 2015 zijn [geïntimeerden] namens [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Bij brief van 5 juli 2015 hebben [geïntimeerden] aansprakelijkheid van de hand gewezen op de grond dat zij niet als bezitter van de kat kunnen worden aangemerkt.

 

 

8. [appellant] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerden] als bezitter van de kat aansprakelijk zijn voor de schade, nader op te maken bij staat, die [appellant] ten gevolge van het ongeval heeft geleden en in de toekomst zal lijden. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Tegen dit oordeel richten zich de grieven 2 en 3, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen. Bij de beoordeling wordt het volgende voorop gesteld.

 

 

9. Krachtens artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is, voor zover thans van belang, de bezitter van een dier aansprakelijk voor door het dier aangerichte schade. Tussen partijen is in geschil of [geïntimeerden] bezitter zijn van de kat; de rechtbank was van oordeel dat dit niet het geval is. Volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) rusten op [appellant] de stelplicht en de bewijslast – en daarmee het bewijsrisico – van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [geïntimeerden] bezitter zijn van de kat.

 

 

10. Tussen partijen staat vast dat de kat in het wild geboren is en in ieder geval enige tijd in het wild heeft geleefd. Artikel 6:179 BW is niet van toepassing op in het wild levende dieren, nu daarvan geen bezitter kan worden aangewezen. Willen [geïntimeerden] kunnen worden aangemerkt als bezitter van de kat, dan moeten zij de kat dus op enig moment in bezit hebben genomen door zich de feitelijke macht over de kat te verschaffen (als bedoeld in artikel 3:113 BW). Deze machtsuitoefening moet van dien aard zijn, dat dit naar verkeersopvatting en op grond van de uiterlijke feiten als bezit kan worden gekwalificeerd (artikel 3:108 BW). Ten aanzien van de inbezitneming van een zwerfkat die, zoals hier, zijn leefomgeving heeft rond de woning van mensen, gaat het daarbij om meer dan enkel het zich aantrekken van het lot van de zwerfkat; er moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de kat deel is gaan uitmaken van het huishouden van de betrokken personen. Daarbij is onder meer relevant of de kat door hen duurzaam wordt verzorgd, in de vorm van bijvoorbeeld bezoeken aan de dierenarts, ontvlooien, ontwormen, dagelijkse zorg voor eten en drinken voor de kat en het treffen van voorzieningen voor de kat tijdens (langere) afwezigheid.

 

 

11. Ter onderbouwing van zijn betoog dat [geïntimeerden] (in ieder geval sinds 2013) bezitter zijn van de kat heeft [appellant] op de volgende omstandigheden gewezen:

 

– De kat rende voorafgaand aan het ongeval naar het woonhuis van [geïntimeerden] ;

 

– Na het ongeval kwam mevrouw [geïntimeerde 2] als eerste naar buiten en ontfermde zich niet over de kermend van de pijn op de grond liggende [appellant] , maar over de kat, die zij naar binnen droeg, haar eigen huis in;

 

– De dochter van [geïntimeerden] kwam na het ongeval ook naar buiten en werd boos op [appellant] omdat hij – volgens [appellant] in haar woorden: – [naam 1] had aangereden;

 

– De heer [geïntimeerde 1] heeft de kosten van de dierenarts voor zijn rekening genomen, de dierenarts heeft met de heer [geïntimeerde 1] contact gehad over de vraag wat er met de kat moest gebeuren en de heer [geïntimeerde 1] heeft besloten de kat verder te laten onderzoeken;

 

– Uit het bericht op Facebook en de reacties hierop (zie onder 4.) volgt dat het huis van [geïntimeerden] wordt aangemerkt als het huis van de kat, dat een afwezigheid van de kat van vier dagen tot onvrede leidde bij de meisjes en voor de heer [geïntimeerde 1] voldoende was om hierover een bericht op Facebook te plaatsen, terwijl de kat kennelijk voor de Facebookvrienden van de heer [geïntimeerde 1] onderdeel uitmaakte van het gezin;

 

– de door de dochter van [geïntimeerden] op Twitter geplaatste foto verduidelijkt dat [geïntimeerden] bezitter zijn van de kat: de kat ligt hier onder een dekentje, in een huiselijke omgeving;

 

– de deur van de woning van [geïntimeerden] stond altijd open en de kat was meermaals in zijn woning te vinden, waarbij het in ieder geval een keer is gebeurd dat de deuren van de woning zijn dichtgedaan terwijl de kat in de woning aanwezig was; en

 

– De dochter van [geïntimeerden] heeft de kat heeft een naam gegeven.

 

 

 

Daarnaast heeft [appellant] een verklaring overgelegd van een mevrouw [x] , die verklaart dat zij in de ochtend van 26 mei 2015 op een Facebookpagina heeft gelezen dat een mevrouw (van wie zij zich de naam niet herinnert) aldaar heeft geschreven dat het haar kat was die bij het ongeluk was betrokken.

 

 

 

12. [geïntimeerden] hebben ook in hoger beroep betwist dat zij bezitter zijn van de kat, waarbij zij naar voren hebben gebracht (samengevat) dat nimmer sprake is geweest van duurzame verzorging van de kat: ze hebben de kat geen onderdak geboden, er is geen kattenluik, [geïntimeerden] hebben de kat niet laten ontvlooien of ontwormen of naar de dierenarts gebracht en de kat niet dagelijks gevoerd en evenmin voorzieningen getroffen voor de kat als zij met vakantie gingen. De foto die op Twitter is gezet is een foto van de kat toen zij heel ziek was; anders dan gebruikelijk was de kat hierdoor benaderbaar voor de dochter van [geïntimeerden] Zij heeft de kat in een doos onder een dekentje gelegd en er een foto van gemaakt.

 

 

13. De grieven van [appellant] kunnen niet slagen. Weliswaar heeft [appellant] een groot aantal concrete feiten en omstandigheden gesteld (zoals hiervoor weergegeven onder punt 11.), maar naar het oordeel van het hof kan uit dit samenstel van feiten en omstandigheden niet in overtuigende mate worden geconcludeerd dat [geïntimeerden] de kat duurzaam verzorgden en dat zij daarmee op enig moment bezit hebben genomen van de kat (als bedoeld in artikel 3:113 BW). Een groot deel van hetgeen [appellant] in hoger beroep aan argumenten heeft aangedragen betreft voornamelijk betwistingen van het verweer van [geïntimeerden] dat zij de kat niet hebben verzorgd, nooit hebben laten ontvlooien, ontwormen of chippen, nooit met de kat naar de dierenarts zijn geweest, geen kattenluik hadden en geen voorzieningen troffen wanneer zij met vakantie gingen betwist. Dit terwijl het juist op de weg ligt van [appellant] – die zich immers op de rechtsgevolgen beroept – om (aanvullende) feiten en omstandigheden aan te dragen die zijn standpunt dat [geïntimeerden] bezitter waren van de kat ondersteunen. Om dezelfde reden wordt voorbij gegaan aan het verweer van [appellant] tegen de door [geïntimeerden] in het geding gebrachte verklaringen van buurtgenoten dat de kat een zwerfkat is, wat van dit verweer verder ook zij.

 

 

14. Zoals hiervoor overwogen, zijn de door [appellant] (wel) gestelde feiten en omstandigheden mede gelet op het verweer van [geïntimeerden] onvoldoende om aan te nemen dat [geïntimeerden] de kat op enig moment in bezit hebben genomen. Er kan hooguit uit worden afgeleid dat [geïntimeerden] en dan met name hun jongste dochter (zij was ten tijde van het ongeval 12 of 13 jaar oud) een zekere band hebben opgebouwd met de kat, die in de buurt was geboren en ook steeds in de buurt heeft geleefd. Dat wijst er echter niet op dat [geïntimeerden] de kat voor zichzelf zijn gaan houden. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [geïntimeerden] na het ongeluk de kat onder hun hoede hebben genomen en naar de dierenarts hebben laten brengen. Bij pleidooi is toegelicht dat de kat zijn rug op drie plaatsen had gebroken en niet in staat was om te lopen. Dat onder die omstandigheden verantwoordelijkheid wordt genomen voor het welzijn van de kat betekent niet dat [geïntimeerden] de kat voor zichzelf hielden. Daarbij kan in het midden blijven of [geïntimeerden] of de dierenarts de beslissing hebben genomen de kat te laten inslapen.

 

 

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding om, zoals [appellant] in hoger beroep bepleit, voorshands aan te nemen dat [geïntimeerden] bezitter waren van de kat. Evenmin is er reden de bewijslast om te draaien.

 

 

16. Hetgeen overigens nog door [appellant] is gesteld kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat geldt ook voor de overgelegde verklaring van mevrouw [x] ; zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is deze verklaring te vaag om daaruit de conclusie te kunnen trekken dat [geïntimeerden] bezitter waren van de kat, en kan die verklaring evenmin bijdragen ter onderbouwing van de stellingen daartoe.

 

 

17. In hoger beroep heeft [appellant] de grondslag van zijn vordering gewijzigd; hij legt thans ook artikel 6:162 BW ten grondslag aan zijn vordering. Volgens [appellant] hebben [geïntimeerden] onrechtmatig gehandeld door in strijd met hun wettelijke plicht ex artikel 5:5 BW na te laten aangifte te doen van de vondst van de kat.

 

 

18. Dit betoog faalt. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen dat de kat ten tijde van de aanrijding een zwerfkat was en dus aan niemand toebehoorde. Reeds om die reden kan van toepassing van artikel 5:5 BW geen sprake zijn; dat artikel (en de daarop volgende artikelen 5:6 tot en met 5:12 BW) heeft (hebben) betrekking op gevonden zaken (en dieren, vgl. artikel 3:2a lid 2 BW) en niet op aan niemand toebehorende zaken (en dieren), op de eigendomsverkrijging waarvan artikel 5:4 BW ziet. Nog afgezien daarvan voeren [geïntimeerden] terecht aan dat de norm van artikel 5:5 BW niet strekt ter bescherming van de door [appellant] geleden schade.

 

 

19. De conclusie is dat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

 

 

 

Beslissing

 

 

 

 

Het hof:

 

 

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, team handel van 29 juni 2016;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 314 aan verschotten en € 2.682 aan salaris advocaat;

 

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Damsteegt-Molier, M.J. van Cleef-Metsaars en L. Reurich en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.