• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 26 mei 2015
  • ECLI:NL:GHARL:2015:3744
  • Zaaknummer: 200.155.340-01

Hof: echtgenote mishandelt minnares: smartengeld € 1000,-

Vrouw wordt mishandeld door de echtgenote van de man met wie zij een relatie heeft. Zij loopt hierbij diverse schrammen en psychische klachten op. Het hof acht de echtgenote aansprakelijk voor de kosten van psychologische behandeling. Smartengeld: € 1000,-.

ECLI:NL:GHARL:2015:3744

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak 26-05-2015

Datum publicatie 28-05-2015

Zaaknummer 200.155.340-01

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Mishandeling van jonge vrouw door de echtgenote van een man met wie zij een relatie heeft. Kosten psychologische behandeling. Door kantonrechter toegekend smartengeldbedrag van € 1.000,- niet te hoog.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

 

 

 

locatie Leeuwarden

 

 

 

 

afdeling civiel recht

 

 

 

 

zaaknummer gerechtshof 200.155.340/01

 

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2069943 MC 13-5023)

 

 

 

 

arrest van de eerste kamer van 26 mei 2015

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[appellant],

 

wonende te [woonplaats 1], België,

 

appellante,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. E. Nieuwenhuizen, kantoorhoudend te Nieuwegein,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[geïntimeerde],

 

wonende te [woonplaats 2],

 

geïntimeerde,

 

in eerste aanleg: eiseres,

 

hierna: [geïntimeerde],

 

advocaat: mr. A.R. Ytsma, kantoorhoudend te Haarlem.

 

 

 

 

1 Het geding in eerste aanleg

 

 

 

 

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

8 januari en 30 april 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Almere (hierna: de kantonrechter).

 

 

 

 

2 Het geding in hoger beroep

 

 

 

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

 

– de dagvaarding in hoger beroep,

 

– de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging eis,

 

– de memorie van antwoord (met producties),

 

– een akte van [appellant],

 

– een akte van [geïntimeerde].

 

 

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

 

 

2.3

 

De vordering van [appellant] luidt (na wijziging van eis):

 

“Behage het Uw Hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

 

 

 

 

Primair:

 

 

 

 

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

 

 

 

 

De vonnissen gewezen door de Rechtbank Midden-Nederland d.d. 8 januari 2014 en

30 april 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van geïntimeerde af te wijzen als zijnde ongegrond; geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen reeds voldaan zou zijn ter uitvoering van het bestreden vonnis terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;

 

 

 

 

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

 

 

 

 

Subsidiair:

 

 

 

 

Ondergeschikt, voor zover Uw Hof, per impossibile, van oordeel zou zijn dat appellante wel deels aansprakelijk zou zijn voor de feiten die zich afspeelden op 8 augustus 2010, alvorens verder recht te doen een deskundige aan te stellen met het oog op de begroting van de schade, zowel materieel als immaterieel, te wijten aan de gebeurtenissen d.d.

8 augustus 2010, in hoofde van oorspronkelijk eiseres;

 

 

 

 

Dienvolgens te zeggen voor recht dat beide partijen evenveel verantwoordelijkheid dragen voor de gebeurlijke feiten en de vergoeding van de schade dan ook in gelijke proporties te verdelen;

 

 

 

 

Voor wat betreft materiële schadepost, met name de therapeutische behandeling, rekening te houden met een correcte berekening, zijnde maximaal een bedrag ten belope van

1.168,75 euro;

 

 

 

 

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.”.

 

 

 

 

3 De beoordeling van het geschil

wijziging van eis

 

3.1

[appellant] heeft bij memorie van grieven haar eis in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat zij een subsidiaire vordering aan haar primaire vordering heeft toegevoegd. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging en het hof ziet ook geen reden de wijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

 

 

3.2

Voor zover [appellant] met haar subsidiaire vordering bedoeld heeft dat het hof voor recht verklaart dat [geïntimeerde] de helft van de schade van [appellant] dient te dragen, ziet zij er aan voorbij dat zij in eerste aanleg geen reconventionele vordering heeft ingesteld. Zij kan niet voor het eerst in hoger beroep een reconventionele vordering instellen. In zoverre is zij niet-ontvankelijk in haar vordering. Het hof zal, voor zover de grieven van [appellant] daartoe ruimte bieden, wel ingaan op de aan de vordering ten grondslag liggende stelling, dat sprake is van eigen schuld bij [geïntimeerde].

bevoegdheid Nederlandse rechter

 

3.3

Deze procedure heeft een internationaal karakter, gelet op het feit dat [appellant] in België woont. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Nederlandse rechter, gelet op het bepaalde in artikel 5 lid 3 EEX-Vo, rechtsmacht heeft, nu de vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op een onrechtmatig handelen van [appellant] dat in Nederland heeft plaatsgevonden en ook in Nederland tot (letsel)schade heeft geleid.

vaststaande feiten

 

3.4

Het hof ziet reden zelf de feiten vast te stellen.

 

3.4.1

[geïntimeerde] (geboren op [geboortedatum]) heeft in 2010 een relatie gehad met de echtgenoot van [appellant].

 

3.4.2

[geïntimeerde] verbleef toen in een caravan op een recreatiepark in [woonplaats 2].

 

3.4.3

Op zondag 8 augustus 2010, toen de echtgenoot van [appellant] bij [geïntimeerde] in de caravan verbleef, is [appellant] naar de caravan van [geïntimeerde] gegaan en heeft zij met verf de woorden “Big Bitch” op de caravan geschreven.

 

3.4.4

[geïntimeerde] heeft aangifte gedaan van mishandeling door [appellant]. Zij heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte onder meer verklaard dat zij in de caravan zat en naar buiten is gelopen toen zij iemand buiten zag staan. Vervolgens heeft zij verklaard:

“Vanaf dat moment ging het allemaal heel snel. Voor ik het wist was de persoon opgestaan. Ik zag toen dat het [appellant] (toevoeging hof: [appellant]) was. Ik zag en voelde dat ze mij meteen aanvloog. Ik zag en voelde dat zij mij met de nagels van haar handen in mijn ogen krabte en met kracht in mijn ogen duwde. Ik voelde pijn aan mijn gezicht borst en armen. Ik stond in een hoek dus ik kon geen kant op. Wij vielen allebei op de grond. Ik viel achterover en [appellant] begon mij te schoppen en slaan en krabben. Ik probeerde mij te verweren door te slaan en te schoppen (…) [appellant] schopte steeds in de richting van mijn buik. Ik voelde pijn in mijn buik daardoor.”

 

3.4.5

[appellant] is door de politie aangehouden. Zij heeft als verdachte een verklaring afgelegd en heeft een bedrag van € 40,- aan de politie gegeven, ter dekking van de door [geïntimeerde] geleden schade. In het proces-verbaal betreffende haar verklaring is onder meer vermeld:

“Ik ben naar de caravan gegaan en heb met verf op de caravan geschreven Big Bitch. (…)

Hierna kwam zij naar buiten en heeft mij gezien. We hebben toen gevochten. U vraagt mij of ik haar gekrabd heb. Nee ik heb dat niet gedaan. Zij wel. Als twee meiden vechten grijpen ze elkaar en krabben met de nagels. Dat is wel gebeurd. Ik heb haar niet gestompt. (…)

U vraagt mij of ik haar geschopt heb of in de buik wilde schoppen. Nee, absoluut niet. (…) Ik ben tijdens het vechten wel gevallen toen zij mij vastpakte. Ik heb haar toen ook vastgepakt, maar ik lag op de grond. De andere is geloof ik niet op de grond gevallen.”

 

3.4.6

[geïntimeerde] is op 9 augustus 2010 gezien door GGD-arts [arts], die een letselverklaring heeft opgesteld, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Bevindingen bij lichamelijk onderzoek (zichtbaar uitwendig letsel)

Op de linker wang bevindt zich een vijftal krassen met een lengte variërend van één tot vijf centimeter. Onder het linker oog, doorlopend tot op het linker bovenste ooglid, bevindt zich een vertikale kras met een lengte van ongeveer 4 centimeter (het oog van betrokkene werd naar verluidt dichtgedrukt terwijl het letsel werd toegebracht). Onder de kin een kras met een lengte van ongeveer 10 cm. Boven de linker borst twee schuine krassen met een lengte van ongeveer 8 centimeter. Op de buitenzijde van de rechter bovenarm, bovenaan een blauwe verkleuring van ongeveer twee centimeter doorsnee; in de verkleuring een kras. Op de binnenzijde van de rechter bovenarm, ook bovenaan, is een gebied van 4 bij 4 centimeter wisselend blauw verkleurd. Op de binnenzijde van de linker bovenarm drie blauwe verkleuringen met een doorsnee van 2-3 centimeter.”

 

3.4.7

[geïntimeerde] is in het najaar van 2010 tot begin 2011 onder psychiatrische behandeling geweest bij GGZ-instelling [instelling]. Haar behandelaar, [behandelaar], heeft naar aanleiding van een bezoek van [geïntimeerde] op 7 december 2010 de volgende aantekening gemaakt:

“Pte komt met moeder. Sinds vorige opname, maar mn afgelopen 3 weken gaat het slacht met patiënte. Heeft veel woedeuitbarstingen naar familie en vriend toe met hierbij ook slaan. Is continue bezig met ex-vriendin van vriend (deze ligt in scheiding en heeft kind). Is hierbij achterdochtig, hoort praten en ziet haar lopen achter het huis. Ex-vriendin zou haar achtervolgen.”

 

3.4.8

[geïntimeerde] is van 28 januari tot en met 1 februari 2011 opgenomen geweest op de psychiatrische afdeling van [ziekenhuis]. In het intakeformulier betreffende die opname is onder de anamnese onder meer het volgende vermeld:

“Op 8/9 gezien door de crisisdienst omdat patiënte veel boosheidsgevoelens uitte naar haar naasten, zoals familie, vriend, etc. nadat ex-vriendin van de vriend patiënte fysiek had aangevallen en verwond.”

 

3.4.9

Vanaf mei 2011 heeft [geïntimeerde] psychotherapeutische behandelingen ondergaan van de psych-hypnotherapeut [Y]. [Y] heeft daarover in een (ongedateerde) brief aan de advocaat van [geïntimeerde] het volgende geschreven:

“Mevrouw [geïntimeerde] is bij mij in de praktijk gekomen medio mei 2011 met ernstige stressgerelateerde klachten recidiverend. Oorzaak van deze klachten zijn een verlate verwerking (PTTS) van een ernstig bedreigende situatie welke haar is overkomen d.d. 8 augustus 2010.

Inhoudelijk kan ik u geen details verstrekken echter ik deel u mede dat in verband met deze klachten er 12 sessies van 90 minuten hebben plaats gevonden. De sessies hebben zich gericht op CGT, EMDR enkelvoudig trauma en hypnotherapie.

Mevrouw is thans redelijk hersteld en volgt nu eens per 6-8 weken therapeutische nazorg.

Op verzoek van cliënte deel ik u mede dat de kosten welke primair aan de 12 behandelsesseies zijn verbonden € 1710,- hebben bedragen.

Dit is exclusief het thans te volgen spoor van nazorg. De verwachte kosten hiervan zijn € 1710,-.”

 

3.4.10

In een brief van 31 oktober 2012 heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade en haar gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 5.000,-. [appellant] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

Procedure in eerste aanleg

 

3.5

[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard voor de kantonrechter en betaling gevorderd van een bedrag van € 5.000,- aan schadevergoeding(€ 1.710,- materiële en

€ 3.290,- immateriële schade). [appellant] heeft verweer gevoerd.

 

 

3.6

In zijn vonnis van 8 januari 2014 heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Ook heeft hij overwogen dat meer informatie nodig is om te kunnen beslissen over de omvang van de schade.

 

 

3.7

Nadat [geïntimeerde] meer informatie had verstrekt en in dat verband had aangegeven dat de kosten van de behandeling door de hypnotherapeut geen € 1.710,- maar € 1.508,14 hebben bedragen, maar dat zij ook materiële schade heeft geleden bestaande uit de reparatiekosten van de caravan ad € 418,70, heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis de vordering toewijsbaar geacht tot een bedrag van € 1.000,- (€ 750,- voor “psychische schade en € 250,- vanwege de littekens) aan immateriële schade en een bedrag van € 1.926,84 aan materiële schade. Hij heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van deze bedragen, vermeerderd met rente en proceskosten.

Bespreking van de grieven

 

3.8

[appellant] heeft haar grieven tegen de vonnissen van de kantonrechter helaas niet als zodanig aangeduid en genummerd. Het hof zal de stellingen van [appellant] die de strekking hebben op te komen tegen de vonnissen als grief opvatten en achtereenvolgens bespreken.

 

 

3.9

[appellant] voert allereerst aan dat zij niet (voor het geheel) verantwoordelijk

is voor de gebeurtenissen op 8 augustus 2010 en, naar het hof haar stellingen begrijpt, om die reden niet (volledig) aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] hysterisch gereageerd op, naar het hof begrijpt, de aanwezigheid van [appellant] bij de caravan van [geïntimeerde].

 

 

3.10

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant] op 8 augustus 2010 vanuit België naar de caravan van [geïntimeerde] te [woonplaats 2] is gereisd om de caravan te bekladden. Het handgemeen tussen partijen is ontstaan toen [geïntimeerde] [appellant] bij het bekladden van de caravan trof. Het bekladden van de caravan van [geïntimeerde] door [appellant] was onrechtmatig. Het feit dat [geïntimeerde] een relatie was begonnen met de echtgenoot van [appellant] vormt daarvoor geen rechtvaardiging. [geïntimeerde] heeft, anders dan [appellant] meent, dit bekladden dan ook niet “uitgelokt”, in die zin dat het handelen van [appellant] juridisch verschoonbaar is.

 

 

3.11

[geïntimeerde] heeft uitdrukkelijk gesteld dat [appellant] is begonnen met de handtastelijkheden. [geïntimeerde] heeft zich vervolgens, zo goed en zo kwaad als dat ging, verdedigd. [appellant] heeft deze lezing van [geïntimeerde] niet uitdrukkelijk bestreden. Zij heeft in het vage gelaten wie er is begonnen. In de memorie van grieven heeft zij gesteld dat “onduidelijk” is wie de aanval tegen wie heeft ingezet. Daarmee heeft zij de op dit punt heldere stellingen van [geïntimeerde], die ook wel passen in het beeld van een [appellant] als een vrouw die de bewuste dag “op oorlogspad” was, onvoldoende weersproken.

 

 

3.12

Het hof gaat er dan ook vanuit dat [appellant] [geïntimeerde] heeft aangevallen en dat indien [geïntimeerde] geweld heeft gebruikt zij dat heeft gedaan om zich te verdedigen. Dat [geïntimeerde] daarbij buitenproportioneel geweld heeft toegepast, is gesteld noch gebleken. Dat [appellant] daarbij enige verwonding heeft opgelopen evenmin.

 

 

3.13

De slotsom is dat [appellant] ook door [geïntimeerde] aan te vallen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [appellant] is geheel aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. Van eigen schuld – stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die het bestaan van eigen schuld kunnen dragen, rusten overigens op [appellant] – bij [geïntimeerde] is geen sprake. Deze grief faalt.

 

 

3.14

[appellant] heeft vervolgens het causaal verband tussen haar handelen en de door [geïntimeerde] gestelde schade bestreden. Zij heeft een en ander echter niet uitgewerkt, zodat deze grief faalt. Voor zover bij de bespreking van de verschillende schadeposten causale aspecten een rol spelen, zal het hof die daar bespreken.

 

 

3.15

[appellant] komt vervolgens op tegen de door de kantonrechter toegekende vergoeding voor immateriële schade. Het hof stelt vast dat de kantonrechter een bedrag van

€ 1.000,- heeft toegekend. Bij het antwoord op de vraag of dit bedrag te hoog is, zoals [appellant] betoogt, neemt het hof het volgende in aanmerking:

– [appellant] heeft [geïntimeerde] onverhoeds aangevallen en belaagd in haar eigen woonomgeving. Het ligt voor de hand dat [geïntimeerde] daar erg van is geschrokken en zich vervolgens enige tijd onveilig heeft gevoeld;

– Uit de overgelegde stukken betreffende de geestelijke gezondheid van [geïntimeerde] volgt dat [geïntimeerde] ten tijde van de aanval door [appellant] een kwetsbare vrouw was. Zij was bekend met verschillende psychiatrische klachten. [appellant] heeft daar zelf op gewezen. Onder deze omstandigheden is het niet verwonderlijk dat gebeurtenissen op

8 augustus 2010 een forse negatieve invloed hebben gehad op de – toch al fragiele – psychische gezondheid van [geïntimeerde]. De aangehaalde passages uit het medisch dossier van [geïntimeerde] bieden daarvoor steun;

– Uit het door de GGD-arts op 9 augustus 2010 opgestelde rapport volgt dat [geïntimeerde] diverse (weliswaar lichte) verwondingen heeft opgelopen bij de schermutselingen met [appellant]. Er is niet sprake van een enkele schram, maar van meerdere schrammen op verschillende plekken op het gezicht, de hals en de borst. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde kleurenfoto’s volgt ook dat de schrammen duidelijk zichtbaar waren. Het betreft, anders dan [appellant] beweert, foto’s die door de politie zijn gemaakt kort na de aangifte (een afdruk van dezelfde foto’s bevindt zich bij het proces-verbaal van politie). Daarnaast heeft [geïntimeerde] een aantal blauwe plekken opgelopen.

Op basis van deze feiten en omstandigheden kan geconcludeerd worden dat [geïntimeerde] verschillende oppervlakkige verwondingen heeft opgelopen bij de aanval door [appellant] en dat deze aanval een negatieve invloed heeft gehad op haar psychisch welbevinden,

zeker ook gezien het feit dat [geïntimeerde] een zwakke psychische gezondheid had. Onder deze omstandigheden en rekening houdend met de bedragen die in soortgelijke gevallen door Nederlandse rechters aan smartengeld plegen te worden toegekend, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat de laatste twee jaren hogere bedragen worden toegekend, acht het hof een bedrag van € 1.000,- aan smartengeld in dit geval zeker niet te hoog. De grieven falen om die reden. Het hof ziet geen enkele reden voor een onderzoek door een deskundige naar de omvang van de psychische schade, nu het door de rechtbank toegewezen bedrag gerechtvaardigd is op grond van de hiervoor door het hof reeds vastgestelde feiten en omstandigheden. Het hof laat dan nog daar dat [appellant] geen enkel belang heeft bij een dergelijk onderzoek, omdat de kosten daarvan, die vermoedelijk hoger zijn dan het toegewezen bedrag aan smartengeld, voor haar rekening zouden komen.

 

 

3.16

[appellant] komt ook op tegen de beslissing van de kantonrechter betreffende de kosten van de hypnotherapeut. Zij voert allereerst aan dat deze kosten niet in causaal verband staan tot de gebeurtenissen van 8 augustus 2010. Volgens haar was [geïntimeerde] bekend met borderlineproblematiek en hebben de behandelingen daarop betrekking.

 

 

3.17

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Uit de hiervoor aangehaalde brief van de hypnotherapeut volgt dat hij [geïntimeerde] niet heeft behandeld voor haar borderlineproblematiek, maar voor recidiverende stressgerelateerde klachten als gevolg van de gebeurtenissen op 8 augustus 2010. Dat deze gebeurtenissen, gelet op het ingrijpende karakter ervan – [geïntimeerde] is in haar thuisomgeving aangevallen door iemand die het juist op haar gemunt had – en de labiele psychische situatie van [geïntimeerde], tot stress bij haar hebben geleid, acht het hof alleszins aannemelijk en wordt ook onderbouwd door de brief van therapeut en het medisch dossier van [geïntimeerde]. In het licht hiervan heeft [appellant] het causaal verband tussen de gebeurtenissen op 8 augustus 2010 en de (noodzaak van de) behandeling door de hypnotherapeut onvoldoende betwist.

 

 

3.18

[appellant] heeft ook de omvang van de schade vanwege de kosten van de gevolgde therapie bestreden. Zij komt op basis van de overgelegde facturen tot de conclusie dat de schade € 1.168,75 bedraagt. [geïntimeerde] heeft deze stelling van [appellant] niet weersproken, zodat deze “grief’ slaagt.

 

 

3.19

[appellant] heeft, ten slotte, bezwaar gemaakt tegen toewijzing van de vordering betreffende de herstelkosten van de caravan door de rechtbank. Volgens [appellant] is deze schade niet “tegensprekelijk begroot”. Wat [appellant] met deze opmerking bedoelt, is het hof niet precies duidelijk. Indien [appellant] van oordeel is dat de schadepost onvoldoende is onderbouwd, faalt dit betoog. Vast staat dat [appellant] de caravan heeft bespoten met verf. [geïntimeerde] heeft een factuur d.d. 31 augustus 2010 in het geding gebracht van schildersbedrijf [bedrijf] te [woonplaats 2], waarin dit schildersbedrijf een bedrag van € 418,70 in rekening heeft gebracht betreffende het herstellen van “grafiti schade” aan de caravan van [geïntimeerde]. Dat de in rekening gebrachte werkzaamheden niet noodzakelijk waren voor het herstel van de caravan, heeft [appellant] niet aangevoerd, dat de kosten voor deze werkzaamheden te hoog zijn evenmin. Aldus heeft [appellant] deze schadepost ook in appel onvoldoende weersproken. Dat [appellant] niet is betrokken bij het herstel, doet daaraan niet af. [geïntimeerde] was daartoe niet gehouden. Deze stelling van [appellant] faalt dan ook.

 

 

3.20

De slotsom is dat de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar is tot een bedrag van

€ 1.000,- + € 1.168,75 + € 418,70 = € 2.587,45, te vermeerderen met wettelijke rente. Voor zover de kantonrechter meer heeft toegewezen, dient het vonnis te worden vernietigd, voor het overige kan het worden bekrachtigd.

 

 

3.21

[appellant] is ook in appel grotendeels in het ongelijk gesteld. Zij zal om die reden worden verwezen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1,5 punt tarief I).

 

 

 

4 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 30 april 2014 en het vonnis van 3 juli 2014, dat laatste vonnis behoudens voor zover in hoofdsom meer dan een bedrag van € 2.587,45, met wettelijke rente over € 1.418,70 vanaf 8 augustus 2010 en over € 1.168,75 vanaf 19 april 2013 is toegewezen;

vernietigt het vonnis voor zover in hoofdsom meer is toegewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen op € 308,- aan verschotten en op € 948,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

 

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. L. Groefsema en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 mei 2015.

 

 

 

 

 

Mrs. De Hek, Groefsema, Weening