• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 14 maart 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:1012
  • Zaaknummer: 200.187.843_01

Hof: cessie BGK- vordering rechtsgeldig; omvang BGK niet redelijk, aantal uren gematigd

Belangenbehartiger vordert niet betaalde BGK van € 8.010,98 van zijn cliënt (benadeelde) en van de WAM-verzekeraar; door verzekeraar was reeds € 2.668,55 betaald. 1. Het hof oordeelt dat de vordering ter zake de door belangenbehartiger te maken buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig door de cliënt aan de belangenbehartiger is gecedeerd. (r.o. 3.5.1). 2. De rechtbank stelt dat de declaraties betrekking hebben op de vaststelling van de omvang van de geleden schade en die werkzaamheden niet onredelijk waren. Voor zover de op de specificatie opgenomen werkzaamheden niet zijn gedocumenteerd, heeft belangenbehartiger niet aangetoond dat zij zijn verricht. Daarnaast laat het hof een aantal werkzaamheden buiten beschouwing die in redelijkheid niet rechtvaardigen dat daar nog eens 6 minuten tijd volgens het uurtarief van belangenbehartiger voor wordt berekend (zoals het zeer kort antwoorden op een ingekomen e-mail en het redigeren van een begeleidend briefje bij het toesturen van ontvangen correspondentie). Het hof overweegt voorts dat het kan voorkomen dat – achteraf – blijkt dat de omvang van de schade niet zo hoog is als oorspronkelijk werd vermoed. Dat doet echter niet af aan het feit dat kosten tot het vaststelling van de omvang van de schade zijn gemaakt. Een in dat geval bestaande wanverhouding tussen de BGK en de uiteindelijke schade levert dan geen grond op om de BGK te matigen. (r.o 3.8). Het hof acht het uurtarief van € 300,- hoog, maar niet ongebruikelijk. Het hof wijst een bedrag van € 5.025,13 toe.

ECLI:NL:GHSHE:2017:1012

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak 14-03-2017
Datum publicatie 17-03-2017
Zaaknummer200.187.843_01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke kosten. Dubbele redelijkheidstoets. Misbruik van procesrecht. Belang bij dagvaarding van gedaagde sub 2?
VindplaatsenRechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.187.843/01

arrest van 14 maart 2017

in de zaak van

 [Juristen] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,

tegen

1 Allianz Benelux N.V.,h.o.d.n. Allsecur,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] (België),

tevens kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

2. [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. C.W. Langereis te Arnhem,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als respectievelijk Allsecur en [geïntimeerde] ,

op het bij exploten van dagvaarding van 1 maart 2016 (Allsecur) en 2 maart 2016 ( [geïntimeerde] ) ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 december 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en Allsecur en [geïntimeerde] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4114134 CV EXPL 15-3866)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 10 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaardingen in hoger beroep;


de memorie van grieven d.d. 7 juni 2016 met vier producties, genummers 17 tot en met 20;


de memorie van antwoord zijdens Allsecur d.d. 19 juli 2016 met twee producties;


de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde] d.d. 19 juli 2016 met één productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.
In dit hoger beroep kan – voor zover relevant – worden uitgegaan van de volgende feiten.

a.Op 22 oktober 2011 is [geïntimeerde] het slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Zij heeft daarbij letsel opgelopen. Haar rechtsbijstandverzekeraar heeft op haar verzoek Allsecur als WAM-verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de door [geïntimeerde] geleden schade. Allsecur heeft de aansprakelijkheid erkend.

b.Vervolgens is tussen [geïntimeerde] en Allsecur een schaderegelingstraject ingezet. Dit heeft geleid tot een voorschotbetaling van € 2.500,= en in februari 2013 tot een aanbod voor een slotbetaling van € 10.000,=.

c. [geïntimeerde] heeft het aanbod van Allsecur niet aanvaard en heeft [appellante] , handelend onder de naam “Misterclaim”, ingeschakeld. Hiertoe zijn een tweetal overeenkomsten opgesteld. Tussen [geïntimeerde] en [appellante] is in confesso dat de op 11 en 18 juni 2013 ondertekende overeenkomst waarin een succesfee is opgenomen (prod. 1 bij conclusie van antwoord) de afspraken bevat die tussen hen zijn gemaakt, waaronder de navolgende:

“Mevrouw [geïntimeerde] , machtigt hierbij en komt overeen met Misterclaim, het volgende:

(…)

5. Het rechtstreeks aan de wederpartij declareren van de buitengerechtelijke kosten die Misterclaim in uw zaak heeft gemaakt. De kosten vangen aan op het moment van het eerste contact tussen u en Misterclaim, en zijn gebaseerd op het standaarduurtarief van 300,– euro, excl. 6% kantoorkosten, verschotten en BTW.

Deze kosten worden door u bij voorbaat aan Misterclaim overgedragen en dus niet bij u in rekening gebracht.

6. Uitsluitend over het door Misterclaim in uw zaak behaalde resultaat bent u aan hem een vergoeding verschuldigd van 25% plus BTW. Deze wordt niet berekend over de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en daarop ook niet in mindering gebracht of mee verrekend.

7. Bovengenoemde financiële afspraken zijn alleen van toepassing indien de wederpartij aansprakelijkheid erkent of bereid is uw letselschade te betalen.”

Bij brief van 10 juni 2014 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst met [appellante] opgezegd en de zaak in handen gegeven van haar advocaat.

[appellante] heeft bij de door Allsecur ingeschakelde schaderegelaar declaraties ingediend van € 2.668,55 (op 24 september 2013), van € 4.166,27 (op 6 februari 2014) en van € 3.844,71 (op 19 juni 2014). Allsecur heeft de eerste declaratie voldaan, maar de laatste twee (tezamen € 8.010,98) niet.

3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [appellante] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair van Allsecur en subsidiair van [geïntimeerde] de betaling van een bedrag van € 8.010,98, te vermeerderen met € 775,55 wegens buitengerechtelijke incassokosten en verder te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in het petitum onder dagvaarding in eerste aanleg. Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht, waarvoor [geïntimeerde] genoemd bedrag verschuldigd is geworden. Op grond van de tussen haar en [appellante] gesloten overeenkomst kan [appellante] deze kosten direct declareren bij Allsecur.

3.2.2.
Allsecur en [geïntimeerde] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.
Nadat een comparitie van partijen was bevolen en gehouden, heeft de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep zowel de vorderingen tegen Allsecur als de vorderingen tegen [geïntimeerde] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de kosten van het geding.

3.3.1.
[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Met grief I beoogt [appellante] een nadere aanvulling op de vastgestelde feiten te verkrijgen. De grieven II en III zijn gericht tegen het beroepen vonnis, voor zover daarin de vordering tegen Allsecur is afgewezen. De grieven IV en V zijn gericht tegen de beslissing om de vordering tegen [geïntimeerde] af te wijzen en [appellante] te veroordelen in de door [geïntimeerde] daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.3.2.
Allsecur en [geïntimeerde] hebben ook in hoger beroep verweer gevoerd. Ook dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.4.
Met grief I heeft [appellante] beoogd een nadere in-/aanvulling te geven van de volgens haar relevante feiten. Het hof heeft hiervoor, met inachtneming van deze grief en de toelichting daarop, de relevante feiten vastgesteld. Deze grief behoeft dan ook verder geen bespreking meer. Voor zover de grief al terecht is voorgesteld hoeft dat bovendien op zich nog niet te leiden tot een ander oordeel dan in eerste aanleg gegeven.

3.5.1.

De grieven II en III lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

In eerste aanleg heeft [appellante] aan haar vordering tegen Allsecur ten grondslag gelegd dat de door haar op grond van de overeenkomst met [geïntimeerde] gemaakte buitengerechtelijke kosten door [geïntimeerde] aan haar zijn gecedeerd. Naar het hof begrijpt ligt daaraan het standpunt ten grondslag dat deze kosten onderdeel uitmaken van de schade die Allsecur aan [geïntimeerde] dient te vergoeden en dat [geïntimeerde] gerechtigd is dit onderdeel van haar vordering op Allsecur aan [appellante] te cederen. Hoewel Allsecur bij conclusie van antwoord expliciet heeft betwist dat van een rechtsgeldige cessie sprake zou zijn geweest, heeft de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep geen enkele overweging gewijd aan het bestaan van de cessie. In hoger beroep hebben [appellante] en Allsecur het bestaan van een cessie opnieuw ter discussie gesteld.

3.5.2.
Het hof is van oordeel dat uit de tekst van de tussen [appellante] en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst, zoals hiervoor aangehaald, voldoende blijkt dat het de bedoeling van de bij die overeenkomst betrokken partijen is geweest dat [geïntimeerde] de door [appellante] voor zijn werkzaamheden in rekening te brengen buitengerechtelijke kosten niet zelf zou hoeven te voldoen. In het eerste deel van artikel 5 van de overeenkomst machtigt [geïntimeerde] [appellante] om de te maken kosten rechtstreeks bij Allsecur te declarereren. De laatste volzin van dit artikel kan, in samenhang met de eerste, niet anders worden gelezen dan dat [geïntimeerde] haar vordering met betrekking tot de daar genoemde kosten op Allsecur als aansprakelijke verzekeraar overdraagt aan [appellante] . Daarmee is aan de schriftelijkheidseis voldaan. De vordering is ook afdoende omschreven, omdat aan de hand van de declaraties van [appellante] en de onderliggende specificaties de kosten voldoende kunnen worden bepaald. Ten slotte is door Allsecur niet betwist dat haar mededeling is gedaan van de cessie. Artikel 5 staat vermeld in het exemplaar van de overeenkomst dat [appellante] aan Allsecur heeft doen toekomen. De slotsom is dat de vordering ter zake de door [appellante] te maken buitengerechtelijke kosten door [geïntimeerde] aan [appellante] is overgedragen. Allsecur heeft de aansprakelijkheid voor de door [geïntimeerde] geleden schade aanvaard en is daarom in beginsel gehouden tot betaling van deze kosten – die onderdeel uitmaken van de geleden schade – aan [appellante] , voor zover deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

3.6.1.
De verschuldigdheid van de factuur van 24 september 2013 met nummer [factuurnummer 1] is niet in geding. Deze factuur (€ 2.668,55) is door Allsecur betaald. Het hof passeert de stelling van [appellante] dat Allsecur door het (zonder protest) betalen van die factuur haar recht om op te komen tegen de (inhoud van) de twee overige, in deze procedure betrokken facturen heeft verwerkt. Die beide facturen dienen in dit geding op zichzelf te worden beoordeeld.

3.6.2.

Het hof heeft de bij de factuur van 6 februari 2014 met nummer [factuurnummer 2] gevoegde specificatie van verrichte werkzaamheden vergeleken met de als productie 18 bij memorie van grieven overgelegde documentatie van de verrichte werkzaamheden. Het betreft met name werkzaamheden die zijn gericht op de vaststelling van de omvang van de geleden schade: correspondentie en een bezoek aan een arbeidsdeskundige. Het verrichten van die werkzaamheden is niet onredelijk, omdat de omvang van de schade tussen partijen in geding was.

Voor zover de op de specificatie opgenomen werkzaamheden niet zijn gedocumenteerd, heeft [appellante] niet aangetoond dat zij zijn verricht. Voor zover de niet gedocumenteerde activiteiten al hebben plaatsgevonden, hebben die kennelijk geen aanleiding gegeven tot opening van het dossier en zijn zij dus niet van belang geweest voor de behandeling van de zaak. Daarnaast laat het hof een aantal werkzaamheden buiten beschouwing die in redelijkheid niet rechtvaardigen dat daar nog eens 6 minuten tijd volgens het uurtarief van [appellante] voor wordt berekend (zoals het zeer kort antwoorden op een ingekomen e-mail en het redigeren van een begeleidend briefje bij het toesturen van ontvangen correspondentie).

Het hof komt dan tot de slotsom dat wel degelijk een aantal uren inhoudelijk aan de behandeling van de zaak zijn besteed en daarmee voor vergoeding in aanmerking komen. Op de door [appellante] berekende tijd (10 uur en 24 minuten) zal het hof echter een correctie toepassen van 3,5 uur. Dat betekent dat het gefactureerde bedrag dient te worden verminderd met een bedrag van € 1.050,= exclusief kantoorkosten en btw, zijnde € 1.346,73 inclusief 6% kantoorkosten en btw.

3.6.3.
Het hof heeft de bij de factuur van 19 juni 2014 met nummer [factuurnummer 3] gevoegde specificatie van verrichte werkzaamheden vergeleken met de als productie 19 bij memorie van grieven overgelegde documentatie van de verrichte werkzaamheden. Ook met deze factuur worden werkzaamheden in rekening gebracht die te maken hebben met de vaststelling van de omvang van de schade en de afwikkeling daarvan. Het betreft e-mailwisselingen en correspondentie met de schaderegelaar die namens Allsecur optrad, met medisch adviseurs en met [geïntimeerde] . Ook op deze factuur staan echter werkzaamheden die niet gedocumenteerd zijn en werkzaamheden die in redelijkheid niet rechtvaardigen dat daar apart tijd conform het uurtarief van [appellante] voor in rekening wordt gebracht, zoals het simpel doorsturen of kort reageren op de ontvangst van e-mails, het sturen van rappellen zonder bijzondere inhoud etc. Voorts laat het hof de correspondentie tussen partijen met betrekking tot de discussie over de wijze waarop [appellante] zijn werk uitvoerde buiten beschouwing, omdat de daarmee gemoeide tijd niet ziet op vaststelling van de omvang van de schade. Alles overziend zal het hof op deze factuur een correctie toepassen van vier uren. Dat betekent dat het gefactureerde bedrag dient te worden verminderd met een bedrag van € 1.200,= exclusief kantoorkosten en btw, zijnde € 1.539,12 inclusief 6% kantoorkosten en btw. Vanwege het voor de reiskosten gehanteerde onredelijke tarief zal het hof het gefactureerde bedrag verder nog verminderen met totaal € 100,–.

3.7.

Wanneer tussen partijen een discussie ontstaat over de omvang van een geleden schade, kan de noodzaak tot vaststelling daarvan met zich meebrengen dat nadere onderzoeken dienen plaats te vinden en (medische) gegevens opgevraagd moeten worden. Wanneer daartoe wordt overgegaan, is dat in beginsel redelijk, tenzij van meet af aan duidelijk is dat er geen of nauwelijks relevante (letsel)schade is. Dat laatste is echter door Allsecur niet gesteld.

De kosten die samenhangen met een onderzoek naar de omvang van opgelopen letsel en de daarmee gemoeide schade zijn in beginsel kosten tot vaststelling van de omvang van de schade als bedoeld in artikel 6:96, lid 2 sub b BW die bovendien gemaakt worden tot verkrijging van voldoening buiten rechte. Voor zover zij ook qua omvang redelijk zijn, komen zij als onderdeel van de door [geïntimeerde] geleden voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kan het voorkomen dat – achteraf – blijkt dat de omvang van de schade niet zo hoog is als oorspronkelijk werd vermoed. Dat doet echter niet af aan het feit dat kosten tot het vaststelling van de omvang van de schade zijn gemaakt. Een in dat geval bestaande wanverhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de uiteindelijke schade levert dan geen grond op om de buitengerechtelijke kosten te matigen.

3.8.
Allsecur heeft gesteld dat de gefactureerde kosten disproportioneel zijn in verhouding tot de uiteindelijke schade. In dit verband heeft Allsecur gewezen op een door [geïntimeerde] opgestelde schadestaat die sloot op € 2.688,30, op de omstandigheid dat [geïntimeerde] nog thuis woonde, dat zij vóór het ongeval een 0‑urencontract had en nadien een uitkering op grond van de ziektewet en de WIA. Dat sluit echter naar het oordeel van het hof niet uit dat de geleden schade aanzienlijk kan zijn, want het toekennen van een WIA‑uitkering kan een indicatie zijn dat een deel van de toekomstige verdiencapaciteit van [geïntimeerde] verloren is gegaan. In die omstandigheid zou een aanzienlijke schade gelegen kunnen zijn en het uitzoeken daarvan rechtvaardigt het maken van kosten, bijvoorbeeld zoals in dit geval van een arbeidsdeskundige.

3.9.
Allsecur heeft voorts nog aangevoerd dat het door [appellante] gerekende uurtarief niet redelijk zou zijn. Het hof deelt die mening niet. Het tarief is hoog, maar niet ongebruikelijk voor rechtshulpverleners in letselschadezaken. Voor zover Allsecur zich erover heeft beklaagd dat het tarief ook is toegepast voor handelingen die een dergelijk tarief niet rechtvaardigen heeft het hof hiervoor al overwogen dat het de facturen met inachtneming van dat argument zal corrigeren.

3.10.
Het voorgaande voert het hof tot de slotsom dat de kantonrechter de gevorderde hoofdsom ten onrechte volledig heeft afgewezen. Het vonnis waarvan beroep kan dan ook niet in stand blijven. Van de factuur van 6 februari 2014 met nummer [factuurnummer 2] komt een bedrag van € 2.719,54 als vergoeding voor redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW voor toewijzing in aanmerking. Ten aanzien van de factuur van 19 juni 2014 betreft dat een bedrag van € 2.305,59. Tezamen levert dit een toewijsbaar bedrag op van € 5.025,13.

3.11.

Behalve betaling van de hiervoor genoemde facturen, heeft [appellante] van Allsecur ook betaling gevorderd van een bedrag van € 775,55 wegens buitengerechtelijke incassokosten. In eerste aanleg heeft [appellante] niet onderbouwd waar deze vordering op berust. In de dagvaarding is niets anders gesteld ten aanzien van kosten die [appellante] heeft moeten maken om betaling buiten rechte van Allsecur te verkrijgen dan dat zij op 12 maart 2015 een enkele brief heeft gestuurd met een concept-dagvaarding. De kosten die samenhangen met een enkele aanmaning tot betaling behoren tot de kosten tot voorbereiding van een geding, waarvoor de vergoeding is inbegrepen in de proceskostenbeslissing.

In haar memorie van grieven stelt [appellante] dat zij incassokosten heeft moeten maken, maar ook hier laat zij na deze nader te onderbouwen. [appellante] verwijst enkel naar een redelijke begroting overeenkomstig de wettelijke regeling omtrent buitengerechtelijke incassokosten. Dienaangaande heeft Allsecur bij memorie van antwoord terecht opgemerkt dat het desbetreffende besluit niet van toepassing is op vorderingen als de onderhavige (schadevergoeding). Dat [appellante] haar vordering ter incasso uit handen heeft moeten geven en dat haar daarvoor kosten in rekening zijn gebracht, heeft [appellante] niet gesteld. Dat zij schade in de vorm van buitengerechtelijke incassokosten heeft geleden is daarom niet gebleken. De vordering tot vergoeding daarvan is dan ook terecht afgewezen.

3.12.1.
Ten slotte heeft [appellante] de wettelijke rente gevorderd over het toe te wijzen bedrag vanaf de vervaldata van de facturen. Allsecur heeft de verschuldigdheid daarvan betwist. Zij voert aan dat de facturen nimmer aan haar zijn verzonden en dat zij ook nimmer ingebreke is gesteld.

3.12.2.
Hoewel [appellante] geen specifieke grief heeft gericht tegen de afwijzing van de gevorderde rente door de kantonrechter en zij ook in de toelichting op haar grieven II en III niets opmerkt over de verschuldigdheid van rente, volgt uit het petitum onder de memorie van grieven dat zij volhardt bij haar vordering in eerste aanleg, die mede de vergoeding van de wettelijke rente omvat. Het hof leidt daaruit af dat [appellante] (impliciet) ook grieft tegen de afwijzing van de wettelijke rente in eerste aanleg.

3.12.3.
Als productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellante] kopieën van de aanbiedingsbrieven in het geding gebracht waarbij zij de drie facturen in kwestie heeft toegestuurd aan [Schadeservices] Schadeservices, de schaderegelaar die namens Allsecur bij het regelen van de schade optrad. Gelet op de omstandigheid dat [Schadeservices] optrad namens Allsecur, is daarmee voldoende gebleken dat de facturen waarvan nu betaling wordt gevorderd bij brieven van respectievelijk 6 februari 2014 en 19 juni 2014 aan Allsecur zijn toegestuurd. Uit de omstandigheid dat de eerste aldus aan Allsecur gezonden factuur is betaald, volgt dat de facturen Allsecur ook via [Schadeservices] konden bereiken. De facturen vermelden dat vanaf 30 dagen na de factuurdatum aanspraak zal worden gemaakt op de wettelijke rente. Het hof is van oordeel dat Allsecur na afloop van de betalingstermijn in verzuim is geraakt, zonder dat daartoe nog een afzonderlijke ingebrekestelling noodzakelijk was. De verlangde betaling van de wettelijke rente is dan ook toewijsbaar als gevorderd.

3.13.
Nu het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd, moet ook de door [appellante] verlangde proceskostenveroordeling opnieuw beoordeeld worden. Hoewel Allsecur voor een deel terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de omvang van de ingediende facturen, heeft zij toch als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij te gelden. Haar verweer dat zij in het geheel niets verschuldigd is, wordt immers verworpen. Om die reden zal het hof Allsecur veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg.

3.14.
Ook in hoger beroep heeft Allsecur ten opzichte van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij te gelden. Om die reden zal het hof haar ook veroordelen in de proceskosten van [appellante] in hoger beroep.

3.15.

[appellante] heeft haar vorderingen tegen [geïntimeerde] subsidiair ingesteld, voor het geval dat de vorderingen tegen Allsecur niet toewijsbaar zouden zijn. Dienaangaande heeft [appellante] in de dagvaarding in eerste aanleg opgemerkt:

“Het kan immers niet zo zijn dat [geïntimeerde] door [appellante] is gevrijwaard van het restant bgk dat Allianz niet aan [appellante] zou dienen te voldoen op grond van de hiervoor aangevoerde argumenten.”

Uit deze formulering leidt het hof af dat [appellante] subsidiair van [geïntimeerde] betaling verlangt van al hetgeen niet toewijsbaar is tegen Allsecur. Omdat de van Allsecur gevorderde hoofdsom deels wordt afgewezen, dient voor dat deel te worden beoordeeld of [geïntimeerde] gehouden is dit te voldoen. Dat betreft een bedrag van € 2.985,85. Grief IV is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] niets meer te vorderen heeft van [geïntimeerde] . Deze grief faalt en daartoe overweegt het hof het navolgende.

3.16.

In artikel 5 van de tussen partijen gesloten overeenkomst is onder meer het navolgende beding opgenomen:

“Deze kosten worden door u bij voorbaat aan Misterclaim overgedragen en dus niet bij u in rekening gebracht.”

Het hof is van oordeel dat, zo dat al niet de bedoeling is geweest van partijen, hiermee in elk geval bij [geïntimeerde] het vertrouwen is gewekt dat zij, behoudens de vergoeding van artikel 6 (succesfee) verder geen kosten aan [appellante] verschuldigd zou zijn. Een uitzondering voor niet op Allsecur verhaalbaar blijkende kosten is hier niet gemaakt. Bovendien geldt hier dat buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen voorzover ze de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. De reden om een deel van de gevorderde hoofdsom af te wijzen is gelegen in het oordeel dat de vordering voor dat deel niet aan die toets voldoet. Dat geldt ten aanzien van [geïntimeerde] evenzeer als voor Allsecur.

3.17.1.
Tot slot heeft [appellante] met grief V de beslissing van de rechtbank aangevochten om haar te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijk bij [geïntimeerde] in rekening gebrachte kosten voor het verlenen van rechtsbijstand. Hoewel het hof begrip kan opbrengen voor het oordeel van de kantonrechter zoals weergegeven in r.o. 4.14 van het bestreden vonnis, heeft de kantonrechter hiermee miskend dat in eerste aanleg ook de vraag ter discussie stond of een rechtsgeldige cessie had plaatsgevonden. De vrijwaring van een aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten in de laatste volzin van artikel 5 is blijkens de tekst daarvan onlosmakelijk verbonden aan de overdracht van de vordering tot vergoeding van die kosten aan [appellante] . Zou in rechte worden geoordeeld dat een rechtsgeldige overdracht van die vordering niet had plaatsgevonden, dan had [appellante] voor dat geval wel degelijk een rechtens te respecteren belang om (subsidiair) [geïntimeerde] in rechte te betrekken. [appellante] kon hierdoor ook voor dat geval snel en op efficiënte wijze een titel verkrijgen om haar vordering te kunnen incasseren, zonder dat daartoe een afzonderlijke vervolgprocedure tegen [geïntimeerde] gestart had moeten worden. Dat betekent dat het dagvaarden van [geïntimeerde] in de onderhavige procedure niet kan worden beschouwd als misbruik van procesrecht: niet is voldaan aan de maatstaf die de Hoge Raad daarvoor heeft geformuleerd (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, r.o. 4.5).

3.17.2.
Het voorgaande betekent dat de beslissing in het bestreden vonnis om [appellante] te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijk door [geïntimeerde] gemaakte kosten van rechtsbijstand geen stand kan houden. Uit hetgeen het hof in deze zaak heeft overwogen volgt evenwel dat de vorderingen van [appellante] in eerste aanleg tegen [geïntimeerde] terecht zijn afgewezen, zodat [appellante] ook terecht in de kosten van het geding in eerste aanleg, voor zover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, is veroordeeld. In hoger beroep wordt [appellante] voor wat betreft het van [geïntimeerde] gevorderde deel van de hoofdsom in het ongelijk gesteld. Voor wat betreft de veroordeling tot vergoeding van de proceskosten bestaat geen grond om anders te oordelen dan in eerste aanleg gedaan, met dien verstande dat [appellante] terecht klaagt over de omvang van het toegewezen bedrag. Het hof is echter van oordeel dat dit van ondergeschikt belang is en dat [appellante] desondanks ook in hoger beroep ten opzichte van [geïntimeerde] als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Om die reden zal het hof [appellante] veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep.

3.18.
De slotsom luidt dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en dat beslist moet worden als na te melden.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Allsecur om ter zake voormeld tegen kwijting aan [appellante] te betalen de somma van € 5.025,13 (zegge: vijfduizend en vijfentwintig euro, dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de vervaldata der afzonderlijke facturen tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt Allsecur in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep aan de zijde van [appellante] gevallen, en begroot die kosten tot op heden op € 90,34 aan explootkosten, op € 466,= aan griffierecht en op € 500,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 87,33 aan dagvaardingskosten, op € 718,= aan griffierecht en op € 632,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, en begroot die kosten tot op heden op € 500,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 314,= aan griffierecht en op € 632,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af het door [appellante] meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2017.

griffier rolraadsheer