• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 7 maart 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:1936
  • Zaaknummer: 200.092.405/01

Hof: causaal verband tussen nekklachten en incident in bus niet bewezen

Elfjarige jongen wordt in 2006 door begeleider hardhandig uit bus gezet. De jongen stelt dat hij als gevolg hiervan de rug- en nekklachten heeft. Het hof stelt vast dat de deskundige het causaal verband tussen de klachten en het incident in de bus (minst genomen) discutabel acht. De deskundige acht het waarschijnlijk dat de klachten zich ook zouden hebben voorgedaan indien het incident niet was gebeurd. Het hof ziet geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van het oordeel van de deskundige. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de deskundige deskundig is. Het hof acht het rapport van de deskundige consistent en de conclusies niet zijn weerlegd met een rapport van een partijdeskundige. Het hof oordeelt dat niet bewezen is dat sprake is van causaal verband tussen de nekklachten en het incident.

ECLI:NL:GHARL:2017:1936

 

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 07-03-2017
Datum publicatie 09-03-2017
Zaaknummer 200.092.405/01

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

 

Hof acht na deskundigenbericht niet bewezen dat de rug- en nekklachten van appellant het gevolg zijn van een incident in een schoolbus, waarbij appellant, als jongen van 11 jaar oud, door een begeleider hardhandig de bus uit is gezet.

 

Kosten deskundigenbericht komen wel voor rekening van geïntimeerden, nu sp0rake was van onrechtmatig handelen en daardoor enige schade is ontstaan, terwijl het deskundigenbericht noodzakelijk was om de omvang van de schade te kunnen begroten.

VindplaatsenRechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2017-0212

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN 

 

 

 

 

locatie Leeuwarden

 

 

 

 

afdeling civiel recht, handel

 

 

 

 

zaaknummer gerechtshof 200.092.405/01

 

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 107861 / HA ZA 09-154)

 

 

 

 

arrest van 7 maart 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [appellant] ,

 

wonende te [A] ,

 

appellant,

 

in eerste aanleg: eiser,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. H.A.Th. Yspeert, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 [geïntimeerde1] ,

 

 

wonende te [B] ,

 

hierna: [geïntimeerde1],

 

2. Stichting Schoolbestuur voor primair en voortgezet onderwijs tussen Lauwers en Eems-stichting,

 

gevestigd te [C] ,

 

hierna: de stichting,

 

geïntimeerden,

 

in eerste aanleg: gedaagden,

 

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

 

advocaat: mr. F.J. David, kantoorhoudend te Eindhoven, die ook heeft gepleit.

 

 

 

 

Het hof heeft voor het laatst op 10 november 2015 een tussenarrest gewezen en verwijst hiernaar.

 

 

 

 

1 Het verdere geding in hoger beroep

 

 

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof dr. [D] te [E] tot deskundige benoemd, ter beantwoording van een aantal in dat arrest geformuleerde vragen.

 

 

1.2

Dr. [D] (hierna: de deskundige) heeft zijn rapport d.d. 13 september 2016 gedeponeerd ter griffie.

Vervolgens hebben beide partijen een memorie na deskundigenbericht genomen, elk met een productie (in beide gevallen de reactie van de medisch adviseur op het rapport van de deskundige).

 

1.3

Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

 

 

 

2 De verdere beoordeling

 

 

2.1

In het tussenarrest van 3 juni 2014 heeft het hof overwogen en beslist dat ten aanzien van het incident in de bus in januari 2006 ( [appellant] was toen ruim 11 jaar oud) uitgegaan moet worden van de volgende toedracht:

– [appellant] is in de bus over twee stoelen geklommen, daarbij ten val gekomen en, zonder over de kop te slaan, in het gangpad in de bus terechtgekomen;

– [geïntimeerde1] heeft [appellant] vervolgens aan de kleding bij de nek omhoog getrokken en heeft [appellant] terwijl hij hem aan de kleding bij de nek vasthad hardhandig door het gangpad naar buiten getrokken.

Bij die toedracht kan ervan worden uitgegaan dat bij de val in het gangpad geen sprake is geweest van een geweldsinwerking op de nek en bij het naar buiten trekken van [appellant]

Het hof heeft verder overwogen dat de handelwijze van [geïntimeerde1] bij het verwijderen van [appellant] uit de bus, waarbij in elk geval enig letsel bij [appellant] is ontstaan – een bloeduitstorting -, onrechtmatig is jegens [appellant] .

Om te kunnen beoordelen of het handelen van [geïntimeerde1] alleen heeft geleid tot een bloeduitstorting of ook, zoals [appellant] stelt, tot de door [appellant] gestelde ernstige nekklachten achtte het hof een onderzoek door een deskundige noodzakelijk.

 

 

2.2

In het tussenarrest van 10 november 2015 heeft het hof vervolgens de deskundige benoemd en de door de deskundige te beantwoorden vragen geformuleerd.

 

 

2.3

 

In zijn rapport heeft de deskundige een overzicht gegeven van de medische voorgeschiedenis van [appellant] en een uitvoerige anamnese opgenomen. Ook heeft hij verslag gedaan van het door hem verrichte onderzoek en de door hem ontvangen medische informatie weergegeven. De deskundige heeft vervolgens de volgende samenvatting gegeven:

“Er is sprake geweest van een voorval op 16 januari 2006, waarbij betrokkene als

 

basisschoolleerling hardhandig uit een bus gezet is. Sedertdien heeft hij klachten van nekpijn en duizeligheid. De huisarts stelde een weke delen contusie vast. In verband met persisteren van de klachten werd hij uitgebreid onderzoek in de behandelende sector, waarbij men concludeert tot tendomyogene pijnklachten, zonder neurologische afwijkingen en normale bevindingen bij röntgenonderzoek en MRIonderzoek.

 

Hij werd onder andere behandeld door een fysiotherapeut en manueel therapeut. Hij geeft persisterende klachten aan in de nek en schouderregio aan beide kanten. Hij ervaart beperkingen, samenhangend met de pijnklachten. In de medische voorgeschiedenis gedurende ruim een halfjaar nekpijn. In elk geval nekpijn tot en met 12 oktober 2005. Het neurologisch onderzoek laat geen afwijkingen zien. Er zijn vooral diverse myofasciale tenderpoints.”

 

 

2.4

 

De deskundige heeft de hem voorgelegde vragen uitgebreid beantwoord. Bij de eerste vraag heeft hij opgemerkt dat hij beschikt over voldoende medische stukken en gegevens en dat hij daartoe de röntgendiagnostiek nog heeft opgevraagd.

 

De vragen over de situatie met ongeval heeft de deskundige als volgt beantwoord:

“Anamnese

 

1. 

Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen en de klachten die zich vóór of buiten het ongeval hebben voorgedaan op uw vakgebied?

 

 

Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

1.

 

De anamnese staat boven vermeld. Betrokkene geeft aan vanaf het begin nekpijn gehad te hebben, die tot heden persisteren. Hij werd behandeld met medicatie, fysiotherapie, manuele therapie, zwemt frequent. Het resultaat van de behandeling is dat de behandelingen de klachten niet hebben doen verdwijnen. Betrokkene geeft beperkingen aan op mijn vakgebied in de zin dat hij bij het opstaan kortdurend duizelig is, waarbij dit voorafgegaan wordt door een knapje en dan heeft hij enkele tellen een wazig gevoel. Vooral geeft hij beperking aan ten aanzien het langdurig in dezelfde houding zitten, waarbij hij toegenomen nekpijn heeft. Hij kan niet meer aan judo doen. Bij loonvormende arbeid zijn zware lichamelijke activiteiten leidend tot toename van de nekpijn.

 

 

Medische gegevens

 

2.

 

Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van;

 

– De medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

 

– De medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

 

 

2.

 

Op basis van het medisch dossier van onderzochte is er een voorgeschiedenis ten aanzien van de nek. Op diverse plaatsen staat aangegeven dat hij tevoren nekklachten heeft, onder andere in de gegevens van de Kinderneurologie en afdeling Revalidatie. Het jaar 2004 wordt daarin genoemd. In het journaal van de huisarts wordt in ieder geval in de periode april 2005 tot en met oktober 2005 beschreven dat hij aanhoudende nekpijnklachten heeft na een judotrauma. In die fase werd ook een röntgenfoto van de halswervelkolom gemaakt. De medische behandeling hiervan vond plaats in de vorm van pijnstilling, fysiotherapie. De behandeling van de klachten na januari 2006 bestond uit fysiotherapie en manuele therapie, het zelf uitvoeren van geïnstrueerde bewegingsoefeningen, de toepassing van het middel Amitriptyline, pijnstillers in de vorm van Diclofenac en Naproxen.

 

 

Medisch onderzoek

 

3.

 

Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel

 

hulponderzoek?

 

3.

 

Bij het elementair neurologisch onderzoek geen afwijking aan motoriek, sensibiliteit,

 

reflexen en coördinatie. Wel aanwijzingen voor diverse myofasciale tenderpoints, rond de halswervelkolom, maar ook aan de extremiteiten en thoracale/lumbale wervelkolom.

 

 

Consistentie

4.

 

Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? Vindt u aanwijzingen voor aggravatie, simulatie of dissimulatie?

 

Voor zover u deze vraag ontkennend beantwoordt, Wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

 

4.

 

Er is naar mijn oordeel sprake van een onderlinge samenhang, wanneer het gaat om informatie die is verkregen van onderzochte zelf en de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen. Eén kanttekening is te maken. Hij dacht zelf dat hij maar een week last had gehad van de nek na een judo-ongeval. Uit de correspondentie blijkt dat het minimaal een halfjaar geweest is. Zijn moeder zegt op dat moment inderdaad niet te kunnen uitsluiten dat het misschien wel langer was dan dat zij aanvankelijk aangaven. Zij kan zich niet herinneren dat er in die fase een foto gemaakt was. Hieruit concludeer ik dat de preexistente nekklachten langduriger aanwezig waren dan in de actuele perceptie van betrokkene het geval was.

 

 

Diagnose

 

5.

 

Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

 

5.

 

De diagnose op mijn vakgebied is gegeneraliseerde tendomyogene pijnklachten, rond de wervelkolom, maar ook de extremiteiten betreffend. Andere overwegingen heb ik niet. Ik kom in essentie niet tot een andere diagnose dan mijn collegae in de behandelende sector.

 

 

Beperkingen

 

6.

 

Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige ?

 

6.

 

Beperkingen bij dergelijke chronische tendomyalgiën worden in het algemeen niet aangegeven vanuit medische optiek. Er is juist grote terughoudendheid om beperkingen aan te nemen en het beleid is veel eerder gericht op activatie.

 

 

Medische eindsituatie

 

7.

 

Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde

 

letsel?

 

Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

 

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel

 

verslechtering verwacht?

 

Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 6)?

 

Heeft u nog therapeutische suggesties om het beloop te beïnvloeden?

 

7.

 

De huidige toestand van betrokkene is zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van een ongeval mogelijk zijn wanneer het ongeval plaats had in 2006. Ik verwacht geen verandering van de beperkingen in die zin dat ik nu reeds geen beperkingen vaststelde. Een verslechtering verwacht ik niet.

 

Als therapeutische suggestie zou ik nog willen noemen een bezoek aan een revalidatiearts, voor algemene adviezen ten aanzien van de klachten zoals hij nu heeft en toelichting.

 

 

 

 

Medische behandelingen

 

8.

 

Acht u alle noodzakelijke behandelingen ingesteld en voldoende uitgevoerd. Zo niet, kunt u aangeven wat daarvoor de reden was? Indien deze reden bestond uit een weigering van betrokkene om deze behandeling te ondergaan, kunt u dan aangeven in hoeverre de behandeling naar verwachting tot een sneller of beter herstel zou hebben geleid?

 

8.

 

Ja.

 

 

Blijvende Invaliditeit

 

9.

 

Kunt u aangeven welke mate van functieverlies uit de ongevalgerelateerde klachten en ongevalgerelateerde afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

 

Wilt u het ongevalgerelateerde blijvende functieverlies ongeacht het beroep en

 

uitgedrukt in een percentage van de gehele mens, gebaseerd op de richtlijnen neergelegd in de AMA-guides, 6e editie, en eventueel aangevuld met die van de NVN?

 

9.

 

De AMA-gids en de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, laten

 

hierbij niet toe een percentage blijvend functieverlies vast te stellen.”

 

 

De vragen over de situatie zonder ongeval heeft de deskundige als volgt beantwoord:

“1.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval.

 

Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw

 

vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

 

Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen

 

voortvloeien?

 

1.

 

Voor het ongeval, gedocumenteerd tot 2 maanden voor het ongeval, waarbij de klachten op dat moment 6 maanden bestonden (ongeveer 3 maanden voor het ongeval was er een röntgenfoto van de cervicale wervelkolom gemaakt), had hij reeds nekklachten en het gaat daarbij om klachten zoals betrokkene thans ook nog heeft. Beperkingen stel ik daarbij niet vast.

 

 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

 

2.

 

Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op

 

enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was

 

overkomen?

 

Wilt u in dat verband aandacht schenken aan de val van betrokkene meteen

 

voorafgaand aan het ongeval (uitgaande van hetgeen het hof in rechtsoverweging 2.15 over deze val heeft vastgesteld) ?

 

Zo ja, (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke

 

mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

 

Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

 

Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

 

Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

 

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

 

Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag b6).

 

 

2.

 

De klachten van nekpijn zouden er ook geweest zijn of hadden op enig moment ook kunnen ontstaan wanneer het ongeval onderzochte niet was overkomen. Wanneer er tot 2 maanden voor het incident gedocumenteerd sprake is van meer dan 6 maanden durende regionale pijnklachten, is te verwachten dat dergelijke klachten zich opnieuw kunnen voordoen. De val van betrokkene, meteen voorafgaande aan het ongeval, heeft op deze vaststelling geen invloed. De mate van waarschijnlijkheid acht ik hoog en als argument hiervoor is ook het volgende aan te houden. Naast klachten rond de wervelkolom is er sprake van drukgevoelige musculatuur op andere plaatsen, dat wil zeggen niet alleen rond de wervelkolom. Ook is er drukgevoeligheid bijvoorbeeld paravertebraal langs de wervelkolom. Het is niet voorstelbaar dat een ongeval zo uitgebreid tendomyalgiën uitlokt. Het gaat om klachten die ook ontstaan zouden zijn zonder het ongeval. De exacte oorzaak daarvan is feitelijk niet goed aan te geven, anders dan dat het als een endogeen proces beschouwd kan worden. Een verbetering van de klachten kan ik niet uitsluiten. Een verslechtering verwacht ik niet.

 

De termijn waarbij een eventuele verbetering optreedt, is niet met zekerheid aan te geven. In het algemeen moet aan een langere termijn gedacht worden, wanneer de klachten reeds lang bestaan.

 

Ten aanzien van de tendomyalgiën zou ik willen opmerken dat dergelijke klachten vaak gezien worden door neurologen, revalidatieartsen en reumatologen. Wat dat betreft is er een overlap en is het niet één specifiek vakgebied. Deze drie specialismen zien frequent personen met tendomyogene klachten.” 

 

 

Op de vraag of hij nog opmerkingen heeft die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van de zaak heeft de deskundige ontkennend geantwoord. De deskundige acht een onderzoek door een neuropsycholoog niet geïndiceerd. Hij merkt daarover op:

“Onderzoek door een neuropsycholoog is niet geïndiceerd. Bij het ongeval is er geen

 

cerebrale betrokkenheid geweest in die zin dat er geen schedeltrauma was. Bewustzijnsverlies is er ook niet geweest. Derhalve is een neuropsychologisch onderzoek niet geïndiceerd. Naar mijn mening zijn er geen klachten of afwijkingen buiten mijn vakgebied.” 

 

 

2.5

Het hof stelt vast dat naar het inzicht van de deskundige het causaal verband tussen de klachten van [appellant] en het incident in de bus (minst genomen) discutabel is. De deskundige acht het waarschijnlijk dat de klachten zich ook zouden hebben voorgedaan indien het incident niet was gebeurd. De deskundige legt een verband tussen de klachten van [appellant] en klachten die [appellant] voor het ongeval al had, als gevolg van een judo-ongeval. Aldus is volgens de deskundige waarschijnlijk sprake van pre-existente klachten. De deskundige baseert zijn oordeel op hetgeen bekend is over de aard en de duur van de klachten voorafgaand aan het incident en de aard van de klachten die [appellant] nu heeft, waarbij die klachten niet beperkt zijn tot de nek en de wervelkolom.

 

2.6

Volgens [appellant] is de deskundige niet consistent in de vaststelling van de pre-existente klachten. Die duurden niet tot twee maanden voor het incident. Ten tijde van het incident beoefende [appellant] weer volop de judosport en voetbalde hij weer volop. Om die reden is het niet aannemelijk dat de pre-existente klachten zich zonder het incident zouden hebben voorgedaan.

 

 

2.7

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Uit de, niet door [appellant] weersproken, weergave door de deskundige van de medische voorgeschiedenis van [appellant] volgt dat [appellant] nog op 30 september 2005 en 12 oktober 2005 (weliswaar geen twee maanden, maar iets meer dan drie maanden vóór het incident) heeft aangegeven dat hij toen nog steeds nekklachten had. Die nekklachten had hij toen al gedurende zes maanden. Hij was ervoor onder behandeling geweest van een fysiotherapeut en een manueel therapeut. Op 12 oktober 2005 heeft de huisarts gezegd dat hij geen bezwaar heeft tegen judo. [appellant] had toen nog steeds last van nekklachten. Onder die omstandigheden heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat hij ten tijde van het incident klachtenvrij was. Dat [appellant] toen weer judode, betekent niet dat hij klachtenvrij was. Uit hetgeen is vastgelegd over het gesprek met de huisarts op 12 oktober 2005 volgt immers dat het bestaan van nekklachten niet in de weg stond aan het hervatten van de judosport.

 

 

2.8

De deskundige heeft zijn oordeel niet alleen gebaseerd op de duur van de pre-existente klachten, maar ook op de aard van de klachten die [appellant] heeft. Die zijn, naar het hof de deskundige verstaat, niet te verklaren uit de aard van de geweldsinwerking op de nek bij het incident, maar liggen wel in lijn met de aard van de pre-existente klachten.

 

 

2.9

Al met al ziet het hof geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van het oordeel van de deskundige. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de deskundige deskundig is op het gebied van de aan hem voorgelegde vragen en dat het onderzoek zorgvuldig is verricht. Met inachtneming van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de duur van de pre-existente klachten acht het hof het rapport van de deskundige consistent – voor het overige is de consistentie van het rapport ook niet door [appellant] bestreden – en zijn conclusies zorgvuldig onderbouwd. Het hof neemt ook in aanmerking dat de conclusies van de deskundige niet zijn weerlegd met een rapport van een partijdeskundige. [appellant] heeft weliswaar een notitie van zijn medisch adviseur in het geding gebracht, maar die notitie betreft vooral het, voor de verdere beoordeling niet relevante, antwoord van de deskundige op de vraag of sprake is van beperkingen. Ten aanzien van de pre-existente klachten merkt de medisch adviseur van [appellant] slechts op, overigens zonder dat te onderbouwen, dat de pre-existente nekklachten door het incident zijn toegenomen. Het hof stelt vast dat de medisch adviseur daarin een minder vergaand standpunt inneemt dan [appellant] zelf, die betoogt heeft dat de klachten verdwenen waren en vervolgens weer zijn ontstaan. Dat de deskundige uitgaat van een periode van twee maanden voor het ongeval en niet van (ruim) drie maanden, doet aan het voorafgaande niets af. Feit blijft dat gedocumenteerd is dat [appellant] tot kort voor het ongeval klachten had die overeenkomen met de nu vastgestelde klachten.

 

 

2.10

De slotsom is dat het hof, gelet op het deskundigenbericht, niet bewezen acht dat sprake is van causaal verband tussen de nekklachten van [appellant] en het incident in januari 2006. Voor zover grief I zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat niet bewezen is dat de nekklachten van [appellant] zijn ontstaan door toedoen van [geïntimeerde1] faalt de grief. Ook grief II, die zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde1] en de school alleen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade voor zover betrekking hebbend op een deel van de bloeduitstortingen, faalt.

 

 

2.11

Grief III betreft de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft de vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten afgewezen omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Het hof stelt vast dat [appellant] , ofschoon in eerste aanleg en in hoger beroep gemotiveerd verweer is gevoerd tegen de vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten, geen specificatie heeft verstrekt van de door zijn raadsman buiten rechte aan de zaak bestede tijd en het gehanteerde uurtarief. De enkele verwijzing naar het rapport Voorwerk II is naar het oordeel van het hof een onvoldoende onderbouwing voor een vordering betreffende buitengerechtelijke kosten in een letselschadezaak. Het is het hof onduidelijk gebleven welke activiteiten de raadsman van [appellant] buiten rechte heeft ondernomen met het oog op het vaststellen van de aansprakelijkheid en de omvang van de schade. Uit de overgelegde stukken volgt ook niet dat sprake is geweest van een substantieel buitengerechtelijk traject waarin is onderhandeld over de causaliteit en de omvang van de schade. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] zijn vordering onvoldoende onderbouwd. De grief faalt dan ook.

 

 

2.12

Het hof zal, nu de grieven grotendeels falen en voor zover grief I deels slaagt (voor wat betreft het oordeel van de rechtbank dat de nekklachten van [appellant] ook kunnen zijn veroorzaakt door de val in de bus) dit niet leidt tot een aantasting van het dictum van het eindvonnis, het eindvonnis onder verbetering van gronden bekrachtigen. Tegen het tussenvonnis zijn geen grieven gericht, zodat het beroep tegen dat vonnis ongegrond is.

 

 

2.13

[appellant] is in appel in het ongelijk gesteld. Hij zal dan ook worden verwezen in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief II), behoudens voor wat betreft de kosten van het deskundigenbericht. Vaststaat dat [geïntimeerden] c.s. uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens [appellant] en dat [appellant] door dit onrechtmatige handelen enige schade heeft geleden. Om de omvang van de schade te kunnen vaststellen, was een onderzoek door een deskundige noodzakelijk. Indien dat onderzoek buiten rechte zou hebben plaatsgevonden, zouden de kosten daarvan in beginsel voor rekening van [geïntimeerden] c.s. zijn gekomen. Het hof ziet niet in waarom de kosten nu het onderzoek niet buiten maar in rechte plaatsvindt wel voor rekening van [appellant] zouden moeten komen. De door [geïntimeerden] c.s. reeds voorgeschoten kosten van de deskundige blijven dan ook voor hun rekening.

 

 

 

 

 

3 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

 

 

verklaart het beroep tegen het tussenvonnis van 27 januari 2010 ongegrond;

 

 

 

bekrachtigt, onder verbetering van gronden, het eindvonnis van 18 mei 2011;

 

 

 

 

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep – behoudens voor wat betreft de kosten van het deskundigenbericht, die voor rekening van [geïntimeerden] c.s. komen -, en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. gevallen op € 284,- aan verschotten en op € 2.682,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

 

 

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. R.E. Weening en mr. J.N. Bartels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

 

dinsdag 7 maart 2017.