• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Amsterdam
  • 4 april 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:1181
  • Zaaknummer: 200.177.091/01

Hof: burn-out, werknemer moet bewijzen dat hij voldoende heeft geklaagd over overbelasting

Werkgeversaansprakelijkheid. Werknemer – Hoofd Economisch-Administratieve Dienst -acht werkgever aansprakelijk voor burn-out als gevolg van ziekmakende omstandigheden, zoals extreem hoge werkdruk en onderbezetting. De rechtbank had zijn vordering afgewezen. 1. Het hof oordeelt dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing is. 2. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de door werknemer ontwikkelde klachten het gevolg zijn van overbelasting in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat die klachten uiteindelijk tot een burn-out hebben geleid, doet zich de vraag voor of werknemer op voldoende klemmende wijze heeft geklaagd over de overbelasting. Gelet op de gemotiveerde betwisting door werkgever is het aan werknemer zijn stelling te bewijzen.

ECLI:NL:GHAMS:2017:1181

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak

04-04-2017

Datum publicatie

06-09-2017

Zaaknummer

200.177.091/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBNHO:2014:12431. Werkgeversaansprakelijkheid. Bewijsopdracht aan werknemer dat hij voldoende heeft geklaagd over overbelasting.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

AR-Updates.nl 2017-1082

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

zaaknummer : 200.177.091/01

 

zaak- en rolnummer rechtbank (Noord-Holland) : 2835036 / CV EXPL 14-2021

 

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 april 2017

 

inzake

 

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. H.J. Hulsbergen te Hoofddorp,

 

t e g e n

 

STICHTING NIEUW UNICUM,

gevestigd te Zandvoort,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. Oskam te Amsterdam.

 

1

Het geding in hoger beroep

 

Partijen worden hierna [appellant] en SNU genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 20 maart 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, hierna ‘de kantonrechter’, van 24 december 2014, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen hem als eiser en SNU als gedaagde.

 

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

– memorie van grieven, met producties;

– memorie van antwoord.

 

Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 september 2016 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid heeft [appellant] nog twee producties (32 en 33) in het geding gebracht en zijn door of namens partijen enige vragen van het hof beantwoord.

 

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. a) voor recht zal verklaren dat [appellant] bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden en dat SNU daarvoor jegens hem aansprakelijk is;
  2. b) SNU zal veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;
  3. c) SNU zal veroordelen het loon van [appellant] over de periode van 14 maart 2013 tot 13 maart 2014 aan te vullen tot 100% van zijn laatstverdiende loon, zijnde € 8.330,75, vermeerderd met de procentuele loonstijging van de cao-lonen van de CAO Gehandicaptenzorg en vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 maart 2013;
  4. d) SNU zal veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het onder c) gevorderde;
  5. e) SNU zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het onder c) en d) gevorderde vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening;
  6. f) SNU zal veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte buitengerechtelijke kosten;
  7. g) SNU zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

 

SNU heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van (naar het hof begrijpt:) het hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente.

 

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

 

Ten slotte is arrest gevraagd.

 

2

Feiten

 

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “De feiten” – onder 1 tot en met 5 – een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. In dit geding gaat het om het volgende.

 

( i) SNU biedt professionele ondersteuning, behandeling en mogelijkheden voor verblijf aan mensen met lichamelijke en/of cognitieve beperkingen ten gevolge van neurologische aandoeningen. Zij heeft haar hoofdlocatie in Zandvoort en bestaat uit drie onderdelen, waarbij de financiële administratie is ondergebracht bij het onderdeel Staf en Facilitair, dat tot maart 2008 werd aangestuurd door [D.] (hierna: [D.] ) die ook leiding gaf aan de afdeling Financieel Economische Zaken (FEZ) en het hoofd van die afdeling, [W.] . Per 1 maart 2008 werd [appellant] aangetrokken, toen nog als zzp’er werkzaam binnen zijn eigen bedrijf [appellant] Interim Management B.V. Verwacht werd dat hij ongeveer twee jaar werkzaam zou blijven voor SNU op het gebied van planning & control, terwijl hij zich voorts ging bezighouden met het begeleiden en ondersteunen van de medewerkers van de Economisch Administratieve Dienst (EAD).

 

(ii) [appellant] heeft zijn werkzaamheden van 1 maart 2008 tot april 2010 naar tevredenheid van SNU verricht. Eind 2009 veranderde [D.] van functie (zij werd Manager Behandelzaken en Innovatie). Per 1 april 2010 bereikten SNU en [appellant] overeenstemming over een arbeidsovereenkomst, waarna [appellant] de functie ging bekleden van Hoofd Economisch-Administratieve Dienst (HEAD). Deze functie heeft als kerndoel: leidinggeven aan de medewerkers van de afdeling Financieel Economische Zaken (vanaf 2010 EAD genaamd) met als doel een zorgvuldige administratie van inkomsten en uitgaven, een tijdige signalering van dreigende budgetoverschotten en de aanlevering van adequate managementinformatie. [appellant] ging een hoger salaris voor deze functie ontvangen dan gebruikelijk en hij bedong voorts vergoeding van de kosten van zijn leaseauto. Aanvankelijk werkte hij 27 uur per week, per 1 januari 2011 is hij op eigen verzoek 36 uur per week gaan werken. [appellant] gaf toen aan dat hij meer uren nodig had dan aanvankelijk was overeengekomen. Een deel van het overwerk (6 uur per week) is krachtens de toepasselijke CAO Gehandicaptenzorg inbegrepen in het salaris. De HEAD wordt onder meer geacht strategisch en tactisch financieel en administratief beleid binnen de organisatie te ontwikkelen en de Raad van Bestuur (waarvan [K.] deel uitmaakte) te adviseren met betrekking tot financieel economische resultaten en risico’s. Voorts wordt van de HEAD verwacht dat hij ingrijpende veranderingen in de organisatie kan uitvoeren.

 

(iii) Een maand na indiensttreding van [appellant] is [S.] (hierna: [S.] ) aangenomen als manager Vastgoed en bedrijfsvoering (de nieuwe naam voor het onderdeel Staf en Facilitair). Hiërarchisch kwam [appellant] onder [S.] te vallen, die op zijn beurt rechtstreeks viel onder de leiding van de Raad van Bestuur. [appellant] had vervolgens bij het op orde brengen van de aan het managementteam van SNU te verschaffen informatie met name te maken met [B.] , manager zorg en dagbesteding, en [A.] , hoofd Personeel & Organisatie.

 

(iv) Op 18 december 2011 heeft [appellant] aan de Raad van Bestuur van SNU en [S.] een notitie gestuurd waarin hij een aantal werkzaamheden en processen heeft opgesomd die volgens hem nog gedaan of verbeterd dienden te worden. De conclusie van dit stuk eindigt als volgt:

 

“Ik loop al een poosje langer mee en als ik kijk naar de organisaties, waar ik opdrachten heb vervuld en die ongeveer van gelijke grote zijn, dan is de bezetting bij NU zowel kwantitatief als kwalitatief slecht bemeten.

Verder kan ik mede delen, dat ik geen vertrouwen meer heb in de manager bedrijfsvoering en vastgoed, omdat ik vind dat hij een dolk in mijn rug heeft gestoken (…)”

 

( v) De Raad van Bestuur heeft hierop besloten de werkrelatie met [S.] te beëindigen. Op 15 maart 2012 heeft [appellant] zich ziek gemeld met klachten van overspannenheid, die ten tijde van de pleidooien in appel voortduurden.

 

(vi) Bij brief van 15 mei 2012 heeft [A.] , hoofd P&O, namens SNU aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

 

“Hedenmiddag hebben de heer [K.] , Raad van Bestuur en ondergetekende met u gesproken over het doel van uw re-integratie. Wij hebben u aangegeven, dat naar onze opvatting voortzetting van uw werkzaamheden in uw huidige functie, zoals u heeft aangegeven bij de bedrijfsarts niet mogelijk is.

Naast het ontbreken van leidinggevende capaciteiten, zoals onder andere delegeren en het creëren van draagvlak, bent u er ook niet in geslaagd de impliciete doelen, die in de functie van HEAD besloten liggen, te realiseren. De interne organisatie van EAD en de CIR is niet op orde en dit heeft geleid tot problemen in de communicatie, zowel intern als extern, tot het totaal ontbreken van financiële managementinformatie in 2011, mede omdat u de invoering van managementinformatie volledig onderschat heeft en tot fouten in de uitvoering van de werkzaamheden van de medewerkers van de EAD en de CIR, ondanks alle externe ondersteuning. Daarnaast bent u er niet in geslaagd om de control-functie binnen Nieuw Unicum adequaat in te vullen. De terugkoppeling, vanuit de zelfstandige signaalfunctie en advisering ten aanzien van externe ontwikkelingen in de wet- en regelgeving naar de Raad van Bestuur is onvoldoende geweest en en heeft, naar recentelijk aan het licht is gekomen, geleid tot forse cashflow- begrotings- en financieringsproblemen.

In de afgelopen 2 jaar heeft u zich in toenemende mate teruggetrokken in uw kantoor, waar het u niet lukte om uw eigen werkzaamheden op de juiste wijze te prioriteren. Langzaam maar zeker heeft u het contact met de organisatie verloren. In deze situatie bent u half maart 2012 overspannen geraakt en zit u ziek thuis.

Uw arbeidsongeschiktheid is duidelijk werk gerelateerd. (…)”

 

(vii) [appellant] is door het UWV met ingang van 2 augustus 2015 volledig arbeidsongeschikt geacht. Hij ontvangt een IVA-uitkering op basis van 80-100 % arbeidsongeschiktheid.

 

3

Beoordeling

 

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg – kort gezegd – gevorderd dat SNU wordt veroordeeld aan hem te voldoen de schade die hij heeft geleden als gevolg van langdurige en ernstige overbelasting op het werk. Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd, samengevat, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder extreem ziekmakende omstandigheden: binnen de EAD was sprake van een enorme chaos, extreem hoge werkdruk en onderbezetting waardoor [appellant] overbelast werd met als gevolg dat hij spanningsklachten ging ontwikkelen en de eerste symptomen van hartklachten. Uiteindelijk is [appellant] ten gevolge van een burn out uitgevallen en ontstonden er in juli 2012 ernstige hartklachten. Volgens [appellant] zijn de druk en de eenzaamheid van de functie van HEAD alsmede het feit dat de organisatie hem aan zijn lot overliet, de oorzaken van de klachten.

 

3.2

SNU heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met negen grieven op. SNU heeft de grieven bestreden.

 

3.3

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij strekken ten betoge dat:

( a) [appellant] zijn werkzaamheden voor SNU heeft verricht onder ziekmakende omstandigheden;

( b) SNU van deze ziekmakende werkomstandigheden op de hoogte was, althans had behoren te zijn, en zij daartegen niets heeft gedaan, althans te weinig om het ontstaan van schade te voorkomen;

( c) [appellant] ten gevolge van de ziekmakende werkomstandigheden klachten is gaan ontwikkelen die tot een burn-out hebben geleid met uitval als gevolg en dat aldus sprake is van causaal verband tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsschade, althans dat voldoende aanleiding is voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel;

( d) het hof zo nodig een deskundige dient te benoemen die zich uitspreekt over de causaliteit en schade en in dat kader zich tevens uitlaat over de vraag of de causaliteit is doorbroken door de hartklachten.

 

3.4

Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:658 lid 2 BW het aan [appellant] is te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor SNU. Indien vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, kan de werkgever zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde verplichtingen is nagekomen. Daarbij geldt wel dat wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel, de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’, is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending van de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.

 

3.5

Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en hetgeen overigens ten processe is gebleken, kan niet worden opgemaakt dat de werkzaamheden van [appellant] naar objectieve maatstaven zodanig psychisch belastend waren dat het aannemelijk is dat hij daardoor (psychisch) letsel heeft opgelopen. Daarbij komt dat psychisch letsel in het algemeen multifactorieel van aard en sterk individueel bepaald is, waardoor het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald is. De inhoud van het advies van 22 oktober 2015 van [M.] , als arts-medisch adviseur verbonden aan Medisch Adviesbureau Triage te ‘s-Hertogenbosch, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dit advies, gelet op de wijze van totstandkoming, als een partijrapport moet worden gekwalificeerd, neemt [M.] daarin tot uitgangspunt de door [appellant] gestelde werkomstandigheden die tussen partijen evenwel niet vaststaan. Van een door [M.] zelf gedaan onderzoek naar de werkomstandigheden is niet gebleken terwijl het advies voorts onvoldoende onderscheid maakt tussen de werkomstandigheden enerzijds en de inhoudelijke kant van het werk anderzijds. Anders dan [appellant] heeft betoogd, kan de hiervoor gedeeltelijk weergegeven brief van 15 mei 2012 van SNU evenmin worden opgevat als een erkenning van SNU dat de werkomstandigheden ziekmakend waren en dat daardoor bij [appellant] blijvende gezondheidsklachten zijn veroorzaakt. SNU heeft terecht aangevoerd dat het feit dat [appellant] gedurende de tijd dat hij voor SNU werkzaam was, gezondheidsklachten heeft ontwikkeld nog niet meebrengt dat de werkomstandigheden ziekmakend waren. Met betrekking tot de door [appellant] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van [S.] , toenmalig leidinggevende van [appellant] , van 26 november 2013 oordeelt het hof dat op grond van deze verklaring niet kan worden vastgesteld dat de werkomstandigheden ziekmakend waren aangezien SNU de inhoud van de verklaring gemotiveerd heeft betwist en de verklaring bovendien niet goed valt te rijmen met het feit dat [appellant] in zijn hiervoor in overweging 2 onder iv gedeeltelijk geciteerde brief van 18 december 2011 aan de Raad van Bestuur niet zijn beklag heeft gedaan over zijn persoonlijke arbeidssituatie. Ook de stelling van [appellant] dat SNU als werkgever de Arbeidsomstandighedenwet en de CAO Gehandicaptenzorg en andere regelingen heeft geschonden en dat door die normschendingen SNU een risico in het leven heeft geroepen waardoor de gezondheidsschade door [appellant] geleden kon worden, wordt verworpen. [appellant] heeft die stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door SNU, onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd. Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor toepassing van de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’. Voor zover de grieven daartoe strekken, falen zij.

 

3.6

[appellant] stelt dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder de hiervoor onder 3.1 genoemde – in zijn visie – ziekmakende omstandigheden en dat hij ten gevolge daarvan klachten is gaan ontwikkelen en uiteindelijk door een burn-out is uitgevallen. Hij stelt dat SNU op de hoogte was van de ziekmakende omstandigheden en dat zij niets heeft gedaan met de signalen die haar tot actie hadden moeten bewegen. In dit verband verwijst [appellant] onder meer naar de reeds genoemde schriftelijke verklaring van [S.] van 26 november 2013. SNU heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Volgens haar was [appellant] niet geschikt voor zijn werk en had zijn uitval niets te maken met de werkomstandigheden, die naar de mening van SNU normaal waren.

 

3.7

Voor zover [appellant] met de grieven betoogt dat de omstandigheden waaronder hij het zijn werk als HEAD moest verrichten ziekmakend waren en dat SNU dit had behoren te weten, faalt dat betoog. Tegenover de betwisting van de stelling dat [appellant] onder ziekmakende omstandigheden zijn werk verrichtte en bezien in het licht van het feit dat [appellant] vóór zijn dienstverband bij SNU als zzp’er soortgelijke werkzaamheden had verricht voor SNU zonder dat dit tot klachten had geleid, heeft [appellant] geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat het voor SNU kenbaar had moeten zijn dat [appellant] structureel werd overbelast en dat dit zonder het treffen van maatregelen tot schade zou kunnen lijden. Anders dan [M.] in zijn genoemde advies van 22 oktober 2015 vermeldt, is het hof van oordeel dat het honoreren van het verzoek van [appellant] tot uitbreiding van de werktijd, het niet inhoudelijk reageren op de brief van 18 december 2011, het feit dat [appellant] geen of weinig vakantiedagen heeft opgenomen, en de door SNU geuite kritiek op het functioneren van [appellant] geen omstandigheden zijn die SNU in dit verband tot actie hadden moeten bewegen.

 

3.8

SNU heeft nog aangevoerd dat de niet-causale hartklachten zelfstandig tot arbeidsongeschiktheid zouden hebben geleid en dat de causaliteit daarom met het ontstaan van de hartklachten in juli 2012 is doorbroken. Voor zover SNU daarmee heeft bedoeld te betogen dat de vordering reeds hierop moet stranden, verwerpt het hof dit betoog. Hoewel tussen partijen vaststaat dat de hartklachten van [appellant] niet het gevolg zijn van de verrichte werkzaamheden voor SNU en de gevolgen van die klachten daarmee voor risico van [appellant] behoren te blijven, kan bij gebreke van nadere deskundige voorlichting thans niet worden gezegd dat de bestaande arbeidsongeschiktheid geheel is veroorzaakt door de later opgetreden hartklachten.

 

3.9

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de door [appellant] ontwikkelde klachten het gevolg zijn van overbelasting in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat die klachten uiteindelijk tot een burn-out hebben geleid, doet zich in dit geding de vraag voor of [appellant] , naar het hof zijn stelling begrijpt, bij SNU op voldoende klemmende wijze heeft geklaagd over de door hem ervaren overbelasting als gevolg van de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden verrichtte. Gelet op de gemotiveerde betwisting door SNU, is het aan [appellant] zijn stelling dienaangaande te bewijzen. [appellant] zal dan ook overeenkomstig zijn aanbod worden toegelaten tot het bewijs daarvan.

 

3.10

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

 

4

Beslissing

 

Het hof:

 

laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling dat hij bij SNU op voldoende klemmende wijze heeft geklaagd over de door hem ervaren overbelasting tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij SNU;

 

beveelt dat, indien [appellant] getuigen wil horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. M.L.D. Akkaya, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op woensdag 17 mei 2017 te 09.30 uur;

 

bepaalt dat de advocaat van [appellant] dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door SNU voor te brengen getuigen (maximaal drie op een dag) op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 18 april 2017 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de maanden mei 2017 tot en met juli 2017 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, R.J.F. Thiessen en A.M.A. Verscheure, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 april 201