• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 18 juli 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:3308
  • Zaaknummer: 200 191 699_01

Hof: bromfietser botst tegen boom, deskundigenbericht gelast ter vaststelling aansprakelijkheid wegbeheerder

Bromfietser botst in het donker na flauwe bocht op in de berm geplante boom en loopt letsel op. Hij stelt de provincie als wegbeheerder aansprakelijk. Het hof oordeelt dat noodzakelijk is dat duidelijk is wat voor de weggebruiker op het fietspad ter plaatse van het ongeval onder vergelijkbare (weers)omstandigheden waarneembaar is. Die duidelijkheid is er thans nog niet. Om te kunnen beoordelen of in het onderhavige geval sprake is van een gebrekkige opstal (artikel 6:174 BW) dan wel een onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW) acht het hof van belang op welke afstand, op zijn vroegst zichtbaar was dat het fietspad een bocht naar rechts maakt. Het hof acht in dit stadium, voordat verdere beslissingen worden genomen, op dit punt een deskundigenbericht noodzakelijk.

ECLI:NL:GHSHE:2017:3308

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak 18-07-2017
Datum publicatie 21-07-2017
Zaaknummer200 191 699_01

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:2598, Overig

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Ongeval met brommer. Is de provincie aansprakelijk ingevolge artikel 6:174 lid 1 BW dan wel artikel 6:162 BW? Het hof gelast nader onderzoek.

Wetsverwijzingen Burgerlijk Wetboek Boek 6 174, geldigheid: 2017-01-01

Burgerlijk Wetboek Boek 6 162, geldigheid: 2002-04-12

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Afdeling civiel recht

 

 

 

zaaknummer 200.191.699/01

 

 

 

 

arrest van 18 juli 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

hierna aan te duiden als [appellant] ,

 

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

Provincie Limburg,

 

zetelend te Maastricht,

 

geïntimeerde,

 

hierna aan te duiden als de Provincie,

 

advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem,

 

 

 

 

op het bij exploot van dagvaarding van 19 mei 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 maart 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en de Provincie als gedaagde.

 

 

 

 

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/202705/HA ZA 15-103)

 

 

 

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

 

 

 

 

2 Het geding in hoger beroep

 

 

 

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

 

de memorie van grieven met 27 producties;

 

de memorie van antwoord;

 

het pleidooi op 8 juni 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

 

de bij brief van 29 mei 2017 door [appellant] toegezonden producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

 

 

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

 

 

 

 

3 De beoordeling

 

 

 

3.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder r.o. 2.1 tot en met 2.19 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met de grieven 1 en 2 wordt deze vaststelling door [appellant] bestreden, zoals hierna (in r.o. 3.5.1 en 3.5.2) zal blijken onterecht. Het hof gaat uit van dezelfde feiten als de rechtbank. Daarnaast voegt het hof nog enkele passages toe uit de in r.o. 3.1.9 aangehaalde VOA rapportage (onder 3.2.1, 2e bolletje en 4.4.1 van die rapportage). Het gaat in deze zaak om het volgende.

 

 

3.1.1.

[appellant] is op 30 april 2011, als bestuurder van een bromfiets, in botsing gekomen met een in de groenvoorziening/berm geplaatste boom (hierna: het ongeval). Deze groenvoorziening/berm bevindt zich tussen de rijbaan en het, gezien vanuit de rijrichting van [appellant] , rechts van deze rijbaan gelegen door [appellant] bereden (brom)fietspad. Tot een aantal meters vóór het begin van deze groenvoorziening/berm loopt dit (brom)fietspad, zonder tussen gelegen andere groenvoorziening, parallel aan de rijbaan. Een aantal meters voor het begin van deze groenvoorziening/berm maakt het (brom)fietspad – niet scherpe – bochten naar rechts en meteen daarna naar links. Gemelde boom staat waar het (brom)fietspad weer parallel gaat verlopen aan de rijbaan. Het ongeval vond plaats omstreeks 21.50 uur op de Provincialeweg N 278, plaatselijk bekend als Rijksweg, te Margraten (gemeente Eijsden-Margraten) ter hoogte van hectometerpaal 5.8-5.9.

 

 

3.1.2.

[appellant] bereed ten tijde van het ongeval een bromfiets van het merk Yamaha, type SA 14, voorzien van het kenteken [kenteken] . De bromfiets was verzekerd bij de naamloze vennootschap [verzekeringsmaatschappij] N.V.

 

 

3.1.3.

[appellant] beschikte vanaf 14 april 2011 over een geldig rijbewijs voor het besturen van de betreffende bromfiets.

 

 

3.1.4.

Zowel [appellant] als zijn bijrijdster, mw. [bijrijdster] , hebben als gevolg van het ongeval (letsel)schade opgelopen.

 

 

3.1.5.

De Provincie is de ter plaatse verantwoordelijke wegbeheerder. Daags na het ongeval heeft de Provincie ter plaatse een waarschuwingsbord geplaatst. Voorts is het fietspad, enige tijd nadat het ongeval had plaatsgevonden, ter hoogte van de plaats van het ongeval een week afgesloten geweest in verband met reparatie van het wegdek.

 

 

3.1.6.

 

Blijkens het door de politie opgestelde proces-verbaal verhoor verdachte (met nummer [nummer 1] ) van 1 mei 2011 (productie 19 bij dagvaarding) heeft [appellant] (voor zover thans van belang) het volgende verklaard:

 

“(…) Ik reed eerst over een goed en makkelijk te rijden fietspad. Vrij snel werd het fietspad slecht hobbelig en smal. Ik reeds ongeveer 50 kilometer per uur. Het was erg donker zonder straatverlichting. Ik reed voorzichtig omdat ik voor me weinig kon zien. In het fietspad zat plotseling een bocht naar rechts. Doordat het fietspad zo slecht was kon ik niet meer remmen. Ik ben met mijn bromscooter van het fietspad de berm in gereden. Na enkele meters in de berm stond een boom die ik geraakt heb. (…) Mijn verlichting werkte goed. Ik had mijn scooter vrijdagmorgen 29 april 2011 teruggekregen nadat er een onderhoudsbeurt aan was uitgevoerd. (…) ”

 

 

 

3.1.7.

 

In het door de politie opgestelde proces-verbaal (met nummer [nummer 2] , productie 14 bij dagvaarding) staat onder het kopje ‘vermoedelijke toedracht’ het volgende:

 

“Uit een onderzoek ter plaatse is ons gebleken dat betrokkene [appellant] als bestuurder van een bromfiets gereden had over het fietspad, parallel gelegen aan de rijbaan van Rijksweg te Margraten, komende uit de richting van Maastricht. Betrokkene [appellant] reed in de richting van Margraten. Betrokkene [bijrijdster] zat als bijrijdster achterop de bromfiets. In dit fietspad, ter hoogte van hectometer 5.8 is een flauwe bocht gelegen, eerst naar rechts en vervolgens naar links. Ter hoogte van deze knik in het fietspad reed de bestuurder van de bromfiets rechtdoor in plaats van het verloop van de weg te volgen. Hierdoor botste hij tegen een boom welke in het verlengde van zijn rijrichting in berm stond. (…)”

 

Onder het kopje ‘constructiesnelheid’ staat het volgende:

 

“Bij technisch onderzoek is gebleken dat de bromfiets, betrokken bij het ongeval, niet voldeed aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximum constructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Uit onderzoek met betrekking tot de constructiesnelheid is namelijk gebleken dat na aftrek van de voorgeschreven wettelijke correctie van 9 km/uur resulteert tot een netto constructiesnelheid van 79 km/uur. (…)”

 

 

 

3.1.8.

 

Bij brief van 30 mei 2011 heeft [rechtsbijstand] Rechtsbijstand (hierna: [rechtsbijstand] ) namens [appellant] – kort gezegd – de Provincie als wegbeheerder aansprakelijk gesteld voor de

 

materiële en immateriële schade die [appellant] door het ongeval lijdt. In die brief wordt gesteld dat [appellant] ten val is gekomen doordat een stuk van het (brom)fietspad in slechte staat van onderhoud verkeerde. Ten gevolge van het ongeval heeft [appellant] letsel opgelopen, onder andere een gecompliceerde enkelfractuur en psychische klachten, aldus [rechtsbijstand] .

 

 

 

3.1.9.

 

In het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse (hierna: de VOA) met BVH-nummer [BVH-nummer] van 18 juni 2011 van de Politie Limburg-Zuid, Forensische opsporing, Verkeersongevalanalyse (productie 2 bij conclusie van antwoord) staat (voor zover thans van belang) het volgende:

 

“(…) 1.4 Conclusie / beantwoording

 

(…) Ad 2.

 

Doordat de bestuurder van de bromfiets het verloop van het voor hem verplichte (brom)fietspad niet volgde, kwam hij in botsing met een boom.

 

Ad 3.

 

De door de bestuurder van de betrokken bromfiets, voorafgaand aan de botsing gereden snelheid kon, vanwege het ontbreken van de daarvoor benodigde parameters, niet worden berekend.

 

Ad 4.

 

Het voertuig vertoonde gebreken, c.q. afwijkingen die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel de gevolgen van het ongeval, er was namelijk sprake van een te hoge constructiesnelheid en van een veranderde koplichtunit. (…)

 

Ad 5.

 

De bestuurder van de betrokken bromfiets reed met zijn voertuig over het vrijliggende rechter (brom)fietspad, behorende tot de provinciale weg N 278 te Margraten, komende uit de richting van Cadier en Keer en rijdende in de richting van Gulpen. Ter hoogte van hectometerpaal 5.8 volgde hij niet het verloop van het (brom)fietspad doch bleek zijn weg rechtdoor vervolgen en reed de groenstrook op. In deze groenstrook kwam hij met de rechterflank voor / voorzijde rechts van zijn voertuig in botsing met een boom. Ten gevolge van deze botsing kwam de bestuurder met zijn voertuig ten val en raakten bestuurder en de passagier los van het voertuig. (…)

 

2.2.1

 

Wegsituatie

 

(…) Het wegvak heeft een licht hellend (stijgend) verloop. Tussen de hoofdrijbaan en het bedoelde (brom)fietspad bestaat de scheiding uit een verhoogde betonnen rand. (…) Kort voor de hectometerpaal 5.8 verspringt de lijn van het (brom)fietspad naar rechts en kent dan weer een geheel recht parallel aan de hoofdrijbaan gericht, verloop. In het verlengde van de lijn van het oorspronkelijk verloop is een groenstrook gelegen, waarin bomen geplant zijn. Deze groenstrook vormt dan de scheiding tussen de rijbaan en het (bromfietspad. (…) bedroeg de toegestane maximum snelheid voor de bestuurder van de bromfiets van 40 kilometer per uur. Het betreffende weggedeelte was verhard middels beton en het wegvak was schoon en droog.

 

2.2.2

 

Onderhoud weg

 

Voor wat betreft de toestand van de weg heb ik wel bijzonderheden ontdekt die mogelijk van belang waren in de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval. Het (brom)fietspad was verhard door middel van betonplaten. De toplaag van een van de betonelementen was aangetast, (…), waardoor er losse (beton)deeltjes aanwezig waren. De toplaag had hierdoor niet meer een egaal oppervlak. Dit beschadigd weggedeelte begon kort na de bocht naar rechts en eindigde kort voorbij hectometerpaal 5.8. (…) Ondanks de beschadiging van het oppervlak kon het betreffende betonelement normaal bereden worden. Door de wegbeheerder zijn geen aanvullende maatregelen, i.c. waarschuwingen danwel markeringen geplaatst met betrekking tot het slechte wegdek en/of het verspringend verloop van het (brom)fietspad. (…)

 

2.2.3

 

Lichtgesteldheid

 

(…) Ten tijde van het ongeval was het reeds volledig donker.

 

2.2.4

 

Wegverlichting

 

Ter hoogte van de plaats van het ongeval was geen openbare straatverlichting geplaatst. Voor het waarnemen van het wegverloop zijn bestuurders afhankelijk van hun eigen voertuigverlichting. (…)

 

2.2.5

 

Sporen op het wegdek

 

(…) Op het wegdek van het (brom)fietspad werden in het geheel geen relevante (banden)sporen aangetroffen. (…) In de groenstrook links van de betrokken boom werd een linker teenslipper aangetroffen. Deze teenslipper was onbeschadigd. (…) Op een afstand van ongeveer 32,5 meter voor de betrokken boom werd de rechter teenslipper aangetroffen. (…) Deze rechter teenslipper was beschadigd. (…)

 

3.2.1.

 

Voertuig, merk Yamaha

 

(…) Ik onderzocht het voertuig en zag het volgende.

 

 

(…)

 

De van fabriekswege aanwezige verlichting was vervangen door een laagspanning halogeenset zonder e-keurmerk. (…) Doordat de door het voertuig geleverde spanning (8.3 V) aanzienlijk minder was dan de noodzakelijke 12 V zullen de lampen een lagere lichtopbrengst dan gebruikelijk voor dit type lamp hebben gehad. In hoeverre deze mindere lichtopbrengst meer dan wel minder was dan de van fabriekswege aangebrachte lampen kon, vanwege het niet beschikbaar zijn van deze laatsten, niet worden onderzocht.

 

(…) Hierbij werd een bruto constructiesnelheid van respectievelijk 88 en 90 kilometer per uur vastgesteld.

 

Na aftrek van de voorgeschreven wettelijke correctie (zie bijlage) van 9 kilometer per uur, resulteert een netto constructiesnelheid van 79 kilometer per uur.

 

(…) De maximaal toegestane constructiesnelheid bedraagt derhalve 50 kilometer per uur. De vastgestelde netto constructiesnelheid betreft derhalve een overschrijding van de maximum toegestane waarde van (79 – 50 =) 29 kilometer per uur . (…)

 

4.2.1

 

Gloeilampen

 

(…) Gelet op de vastgestelde voortdurende spanning op de stroomvoerende draad, zullen de lampen ten tijde van het ongeval wel licht hebben uitgestraald. (…)

 

4.4.1

 

Snelheid

 

De door de bestuurder van de betrokken bromfiets, voorafgaand aan de botsing gereden snelheid kon, vanwege het ontbreken van de daarvoor benodigde parameters, niet worden berekend. Vanaf het begin van de bocht naar rechts in het (brom)fietspad tot aan de boom legde hij een afstand af van ongeveer 21 meter, waarvan hij ongeveer 12 meter door de groenstrook reed. Op enige afstand voor de bocht, welke afstand onder meer afhankelijk is van de door het betrokken voertuig uitgestraalde verlichting, had de betrokken bestuurder de verandering in het wegverloop kunnen waarnemen en had zijn reactie kunnen beginnen. Deze onbekende afstand is bij de onderstaande berekening buiten beschouwing gelaten.

 

Uitgaande van de ter plaatse geldende maximum snelheid van 40 kilometer per uur (oftewel 11,11 meter per seconde) had hij voor deze afstanden een tijd nodig van respectievelijk ongeveer 1,9 seconde en 1,1 seconde.

 

Uitgaande van de voor het voertuig geldende maximaal toegestane constructiesnelheid (inclusief verhoging) van 50 kilometer per uur (oftewel 13,89 meter per seconde) had hij voor deze afstanden een tijd nodig van respectievelijk ongeveer 1,5 seconde en 0,9 seconde.

 

Uitgaande van de vastgestelde netto constructiesnelheid van 79 kilometer per uur (oftewel 21,94 meter per seconde) had hij voor deze afstanden een tijd nodig van respectievelijk ongeveer 0,9 seconde en 0,5 seconde.

 

De reactietijd van personen in het verkeer is, uitgaande van de theorie van Burckhardt, gelegen tussen de 0,6 en 1,6 seconde.

 

Op basis van deze waarden, zonder dus rekening te houden met een verhoging van de beschikbare tijd vanwege het eerder kunnen waarnemen van de bocht naar rechts, had de betrokken bestuurder bij een gereden snelheid van niet meer dan de ter plaatse geldende maximum snelheid altijd een reactie, i.c. remmen en/of sturen, kunnen uitvoeren.

 

Bij een hogere gereden snelheid dan de toegestane maximum snelheid, was dit enkel mogelijk naar mate zijn reactietijd de minimale waarde van 0,6 seconde benaderde.

 

Bij het ingestelde onderzoek nam ik evenwel niets waar dat kon wijzen op een dergelijke reactie.

 

5.5

 

Vermijdbaarheid

 

Indien de bestuurder van de bromfiets meer aandacht had gehad voor het voor hem gelegen weggedeelte, danwel zijn snelheid zodanig had aangepast aan de omstandigheden ter plaatse (onverlicht weggedeelte) in combinatie met zijn lichtopbrengst van zijn voertuigverlichting (minder vanwege de te lage voedingsspanning), was hij in staat geweest het wegverloop te volgen, danwel had hij zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was en had het ongeval niet hoeven plaats te vinden.

 

De mate van het uitgestraalde koplicht is vanwege de ter plaatse ontbrekende openbare straatverlichting direct van invloed op, en noodzakelijk voor, het waarnemen van het voor de bestuurder liggende weggedeelte. Hij had derhalve zijn snelheid zodanig dienen aan te passen dat hij ook op onverwachte obstakels, i.c. het bochtige verloop, had kunnen reageren.

 

In hoeverre hij door een andere gebeurtenis werd afgeleid en daardoor minder aandacht had voor het voor hem gelegen weggedeelte kon uit het technisch onderzoek niet worden vast gesteld. (…)

 

5.6

 

Relevantie afgelegde verklaringen

 

(…) Verder valt in de door de bestuurder afgelegde verklaring enkel op dat hij spreekt over een smal en hobbelig (brom)fietspad. Er is evenwel geen sprake van een dergelijk smal (brom)fietspad en van het hobbelige deel (beschadigde toplaag) heeft hij maar feitelijk een klein gedeelte gevolgd, alvorens de berm in te rijden. Ook in deze berm zal er sprake zijn van “hobbelig” rijden. (…)”

 

 

 

3.1.10.

Bij brief van 23 juni 2011 heeft de Provincie – kort gezegd – om nadere informatie verzocht.

 

 

3.1.11.

Bij brief van 8 september 2011 heeft de Provincie aan [rechtsbijstand] – kort gezegd – laten weten de behandeling van de zaak aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar [aansprakelijkheidsverzekeraar] (hierna: [aansprakelijkheidsverzekeraar] ) te [plaats] te hebben overgedragen.

 

 

3.1.12.

 

Bij brief van 31 januari 2012 heeft [expertise] Expertise (hierna: [expertise] ) te

 

[plaats] aan [rechtsbijstand] laten weten dat [aansprakelijkheidsverzekeraar] Schadeverzekeringen N.V. haar heeft verzocht het dossier integraal voor haar verder te behandelen.

 

 

 

3.1.13.

Bij email van 10 oktober 2012 heeft [expertise] (mr. [medewerker expertise] ) aan [rechtsbijstand] – kort gezegd – laten weten vooralsnog te persisteren “in het eerder ingenomen afwijzende standpunt aangaande de aansprakelijkheid.” In de email staat verder: “Dat het fietspad ten tijde van het (…) ongeval in matige staat verkeerde wordt dezerzijds niet ontkend echter de oneffenheden werden aangegeven door middel van waarschuwingsborden. (…) De matige staat van het fietspad is naar mijn mening geen gebrek in juridische zin. (…)”

 

 

3.1.14.

Bij brief van 18 februari 2013 heeft [rechtsbijstand] aan [expertise] – kort gezegd – laten weten dat uit de VOA blijkt dat ter plaatse niet werd gewaarschuwd voor het slechte wegdek, het wegdek gebrekkig was en er evenmin werd gewaarschuwd voor het ongebruikelijk wegverloop. [rechtsbijstand] acht de Provincie onverkort aansprakelijk.

 

 

3.1.15.

Bij email van 1 mei 2013 heeft [expertise] (mr. [medewerker expertise] ) aan [rechtsbijstand] – kort gezegd – laten weten de VOA te hebben bestudeerd en van mening te zijn dat de oorzaak van het ongeval is toe te schrijven aan de snelheid waarmee gereden zou zijn en de staat van de bromfiets (die was opgevoerd en waarvan de koplichtunit niet voldeed aan de daartoe gestelde eisen, terwijl het ten tijde van het ongeval volledig donker was): “(…) De geringe lichtopbrengst van de bromfiets te samen met de gereden snelheid zijn als oorzaak van het ongeval aangeduid in de VOA. (…) Het is dan ook om de voornoemde redenen dat ik geen aansprakelijkheid in deze zal erkennen. (…)”.

 

 

3.1.16.

Bij brief van 1 juli 2013 heeft [rechtsbijstand] aan [expertise] – kort gezegd – laten weten dat (i) uit de VOA blijkt dat het verloop van het fietspad een belangrijke rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het ongeval, (ii) uit de VOA niet blijkt dat [appellant] te hard zou hebben gereden en (iii) niet is vastgesteld of de aanwezige verlichting minder lichtopbrengst had dan de van fabriekswege aangebrachte lampen.

 

 

3.1.17.

Bij brief van 3 september 2013 heeft [aansprakelijkheidsverzekeraar] aan [rechtsbijstand] – kort gezegd – laten weten de behandeling van het dossier weer over te nemen van [expertise] en dat zij aansprakelijkheid van de hand wijst.

 

 

3.1.18.

 

Bij brief van 7 mei 2014 (productie 20 bij dagvaarding) heeft [verkeersongevallendeskundige] (hierna: [verkeersongevallendeskundige] , re Verkeersongevallendeskundige LRGD geregistreerd Gerechtelijk deskundige), werkzaam bij [kantoor verkeersongevallendeskundige] (hierna: [kantoor verkeersongevallendeskundige] ) te [plaats] , aan de advocaat van [appellant] (kort gezegd) laten weten dat:

 

“ook ik van mening [ben], dat het uitbuigen van het brom/fietspad daar en uiteraard bij duisternis niet danwel niet tijdig kon worden opgemerkt. Erg belangrijk is hier toch ook het verwachtingspatroon, (…) Deze rijbaan en de bermpaaltjes blijven als het ware rechtdoor lopen, terwijl het fietspad dit juist niet doet. Kortom een situatie waar vooral bromfietsers vanwege de relatief hogere snelheden voor gewaarschuwd hadden moeten worden, middels bermmarkeringen, bakens, verlichting etc. Naast dit is het snelheidsverhaal van de bromfiets nog allemaal niet zeker. (…) Een belangrijk punt vind ik ook het relaas van de “VOA” waarbij het gaat om de mogelijkheden en tijden die men heeft berekend om op de situatie te reageren. Dit relaas is mijns inziens niet juist. Men rekent over een afstand van 23 meter; dan is de bromfietser al de berm in beland en tegen de boom gebotst. Om op de situatie te kunnen reageren, dient er gerekend te worden over de verharding van het fietspad en niet de berm (…). In dat geval wordt de afstand duidelijk korter (± 9 meter) en worden de reactietijden ook aanmerkelijk korter tot ontoereikend. (…) Daarbij geldt ook de mate van oneffenheid van de verharding juist in de bocht. (…)”

 

 

 

3.1.19.

 

In het rapport van 10 december 2014 van [kantoor verkeersongevallendeskundige] ( [verkeersongevallendeskundige] ), uitgevoerd in opdracht van (de advocaat van) [appellant] , heeft [verkeersongevallendeskundige] (voor zover thans van belang) het volgende geconcludeerd (productie 21 bij dagvaarding, p. 9):

 

“(…)

 

  1. Resumé:

 

  1. ter plaatse was sprake van een bij duisternis bijzonder gevaarlijke situatie, bestaande uit:

 

  1. een niet tijdig zichtbare uitbuiging van het fiets/bromfietspad.

 

  1. een niet te verwachten uitbuiging vanwege de attentie verhogende kantstreep van de direct links gelegen rijbaan, die qua oriëntatie een rechtdoorgaand verloop aangeeft.

 

  1. een toplaag die de mogelijke aandacht trekt en vanwege los liggende deeltjes noopt om niet te sturen en te remmen.

 

  1. een berm met een obstakel (de boom), waardoor niet voldoende gelegenheid is om conflictvrij te kunnen redresseren

 

 

Dit totaalbeeld kan juist bij duisternis en voor bromfietsers leiden tot een niet te verwachten plotseling opdoemende gevaarlijke situatie, welke situatie zich ook ten tijde van onderhavig evenement heeft gerealiseerd.

 

Deze bij duisternis gevaarlijke situatie had tijdens de realisatie/aanleg van het fiets/bromfietspad al onderkend kunnen c.q. moeten worden en had op een relatief eenvoudige wijze opgeheven kunnen worden door aldaar bijvoorbeeld een bebakeningsbord te plaatsen. Dit bord werd eerst na onderhavig ongeval daar geplaatst.

 

  1. De conclusies die de “VOA” in het “VOA” pv uitspreekt zijn, als het gaat om gereden snelheid tijdens het voorval en de mogelijkheden om het ongeval te voorkomen, gebaseerd op zaken die niet vaststaan en daardoor wat mij betreft niet geldig, immers:

 

  1. De snelheid van de bromfiets kon op basis van de ter plaatse aangetroffen situatie niet worden bepaald vanwege het ontbreken van technische feiten. In dat geval mag de constructiesnelheid van de bromfiets geen aanleiding zijn om toch een relatie te leggen naar een te hoge snelheid ten tijde van het voorval.

 

  1. De onbekendheid van de mate van uitstraling van de lichtbundel van het koplicht van de bromfiets en de onbekendheid van een aan te houden reactiefase (in relatie tot de plaatselijke omstandigheid) zijn juist vanwege deze onbekendheid ook geen basis voor het doen van uitspraken over de mogelijkheden om tijdig en daarmee voorkomend op de plotseling opdoemende situatie te reageren en te handelen.

 

Ik ben het dan ook niet eens met de conclusie/stelling van de “VOA”, dat de bromfietser bij een snelheid van niet meer dan de plaatselijk geldende snelheid (40 km/h) altijd een reactie i.c. remmen en/of sturen had kunnen uitvoeren. Mijn inziens is deze conclusie veel te stellig, omdat juist de waarden op basis waarvan men zoiets kan stellen helemaal niet zo bekend c.q. vaststaand zijn als kennelijk wordt gedacht. Indien het waarnemen en vooral ook het herkennen van het niet te verwachten gevaar (denk aan de oriëntatie ten opzichte van de rechtdoor lopende kantlijn van de rijbaan) een relatief langere tijdspanne vergt, dan was deze bromfietser ook bij 40 km/h de berm in geraakt. (…)”.

 

 

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd:

 

– de Provincie te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval van 30 april 2011, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2011 tot het moment van voldoening, de schade nader op te maken bij staat;

 

– de Provincie te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 4.224,11, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding;

 

– de Provincie te veroordelen in de proceskosten inclusief het nasalaris van de raadsman, met de bepaling dat bij niet betaling vanaf 14 dagen na het vonnis over deze kosten wettelijke rente is verschuldigd.

 

 

Aan zijn vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat ter plaatse van het ongeval sprake was van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW dan wel onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW).

 

De Provincie heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

 

 

 

3.3.

 

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het (brom)fietspad ten tijde van het ongeval aan de veiligheidseisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en is van een gebrek aan de openbare weg of van onrechtmatige gevaarzetting geen sprake geweest, zodat de Provincie niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval voor [appellant] .

 

De rechtbank oordeelde daartoe, kort gezegd, als volgt. Hoewel één betonelement ter plaatse lag waarvan de toplaag was aangetast, blijkt uit de VOA genoegzaam dat dat betonelement desondanks normaal kon worden bereden. De suggestie van [verkeersongevallendeskundige] dat de toplaag mogelijk de aandacht trok en noopte tot niet sturen en niet remmen, is niet onderbouwd. Datzelfde geldt voor de stelling van [appellant] dat het betonelement niet voldeed aan de CROW richtlijnen (hof: CROW-richtlijnen zijn richtlijnen die worden opgesteld door CROW, een kennisplatform en netwerkorganisatie voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, in nauw overleg met de brancheorganisaties, en zijn te beschouwen als

 

een uitwerking van de wettelijke regels en bepalingen voor veilige arbeidsomstandigheden (Arbowet en Arbobesluit) en voor een veilig gebruik van de weg (Wegenverkeerswet, RVV 1990 en BABW)).

 

 

Verder heeft de Provincie onweersproken aangevoerd dat het betonelement kort na de flauwe bocht naar rechts begon en [appellant] de bocht dus al had moeten waarnemen voordat hij op het betonelement kwam. De aantasting van de toplaag van het betonelement heeft niet te gelden als een (gevaarzettend) gebrek in de openbare weg (4.10.1).

 

In het algemeen zal een (brom)fietsbestuurder rekening dienen te houden met een afbuigend verloop van het (brom)fietspad. Dat geldt te meer nu er kort voor de plaats van het ongeval eenzelfde uitbuiging naar rechts en weer terug is. Daarbij heeft de Provincie onweersproken aangevoerd dat deze wegindeling al minimaal 20 jaar bestaat. Onder verwijzing naar een ongevallenregistratie heeft de Provincie aangevoerd dat eerder zich ter plaatse geen ongevallen hebben voorgedaan. De Provincie heeft daaruit kunnen afleiden dat de kans op ongevallen ter plekke allesbehalve groot is (4.10.2).

 

In het algemeen zal een (brom)fietsbestuurder rekening dienen te houden met het feit dat een (brom)fietspad buiten de bebouwde kom onverlicht is en mag van een bestuurder die in het donker rijdt extra oplettendheid worden verwacht. Dit geldt in deze zaak te meer nu [appellant] onbekend was met de situatie ter plekke, hij een onervaren bromfietser was, hij de bromfiets nog maar kort in zijn bezit had en hij blijkens zijn eigen verklaring harder reed dan de ter plekke toegestane 40 kilometer per uur. Uit het enkele feit dat de Provincie na het ongeval waarschuwingsborden heeft geplaatst kan niet worden afgeleid dat de situatie ter plaatse onveilig was (4.10.3).

 

Ten slotte zal een (brom)fietsbestuurder in het algemeen rekening dienen te houden met het feit dat er in de berm naast de rijweg dan wel het (brom)fietspad bomen staan, hetgeen in Nederland niet ongebruikelijk is. Het feit dat [appellant] tegen de in de berm staande boom is gereden is in zijn algemeenheid onvoldoende om daaruit te concluderen dat de weg waarover hij reed reeds daarom onveilig was en dat de Provincie daarvoor had moeten waarschuwen (4.10.4). Aldus het vonnis waarvan beroep.

 

 

 

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn.

 

 

 

Bezwaren tegen de weergave van het geschil in het bestreden vonnis. Grieven 1, 2 en 5.

 

 

 

3.5.1.

In de eerste grief stelt [appellant] dat de rechtbank onder r.o. 2.1 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft vermeld dat het (brom)fietspad tot een aantal meters voor het begin van de groenvoorziening/berm, zonder tussen gelegen andere groenvoorziening, parallel loopt aan de rijbaan. [appellant] voert in dat kader aan dat uit de door hem overgelegde foto’s blijkt dat sprake was van een vrij liggend fietspad, van de hoofdrijbaan gescheiden door een betonnen opstaande rand, met daarop een groenvoorziening, althans een begroeiing van groen. Het hof volgt [appellant] hierin niet. De door [appellant] bedoelde feitenvaststelling door de rechtbank heeft betrekking op de situatie ter plaatse vóórdat het fietspad in een bocht naar rechts afbuigt en gescheiden wordt van de rijbaan door een groenvoorziening. De Provincie betwist dat vóór genoemde bocht (bezien vanuit de rijrichting van [appellant] ) het fietspad van de rijbaan werd gescheiden door een groenvoorziening en op geen van de overgelegde foto’s (van de VOA noch de rapportage van [verkeersongevallendeskundige] ) is een zodanige groenvoorziening te zien. De eerste grief faalt.

 

 

3.5.2.

 

In zijn tweede grief stelt [appellant] dat de rechtbank bij de feitenvaststelling ten onrechte geen melding maakt van de e-mail van de heer [verkeersongevallendeskundige] van 18 augustus 2015 die aan het proces-verbaal van de comparitie van partijen is gehecht. Naar de mening van [appellant] heeft de rechtbank hiermee de indruk gewekt bij de beoordeling van het geschil geen kennis te hebben genomen van voornoemde e-mail.

 

Het is aan de rechter om uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken die hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Het enkele feit dat de rechtbank in het onderhavige geval voornoemde e-mail niet bij de vaststaande feiten heeft vermeld, betekent niet dat zij geen kennis heeft genomen van dat feit. Bovendien blijkt uit het bestreden vonnis (4.10.2) dat de rechtbank de betreffende e-mail bij haar oordeel heeft betrokken. De tweede grief faalt eveneens.

 

 

 

3.5.3.

 

[appellant] stelt in zijn vijfde grief dat de rechtbank in r.o. 4.8 het verweer van [appellant] (bedoeld zal zijn de onderbouwing door [appellant] van zijn vorderingen) onvolledig heeft weergegeven. Volgens [appellant] heeft de rechtbank met name onvermeld gelaten dat sprake was van een onverlichte weg, dat het ongeval in de avonduren plaatsvond en het pikdonker was en dat ten tijde van het ongeval de boom in de loop van de rijrichting stond zonder dat deze boom was beschermd, terwijl na het ongeval door de Provincie een schrikhek voor de boom is geplaatst.

 

Het hof overweegt dat geen rechtsregel bestaat die een rechter verplicht om bij de weergave van de standpunten van partijen álle stellingen die een partij aanvoert ter onderbouwing van haar standpunt weer te geven. Het gaat erom dat uit de overwegingen die aan het oordeel van een rechter ten grondslag liggen blijkt dat de (voor de beoordeling relevante) stellingen zijn meegenomen in de beoordeling van de vorderingen. Dat de rechtbank de betreffende stellingen van [appellant] in zijn beoordeling heeft betrokken, blijkt in ieder geval uit r.o. 4.10.3 (ontbreken van verlichting en het rijden in het donker), r.o. 4.10.4 (de aanwezigheid van de boom in de berm) en r.o. 4.10.5 (de door de Provincie getroffen maatregelen na het ongeval).

 

De vijfde grief slaagt dus evenmin.

 

 

 

 

Is sprake van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW dan wel van een onrechtmatige gevaarzetting in de zin van artikel 6:162 BW? Grieven 3, 4 en 6.

 

 

 

3.6.

 

In grief 3 stelt [appellant] dat de rechtbank de te hanteren maatstaf onvolledig en te beperkt heeft weergegeven. Grief 4 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de stelplicht en bewijslast van de stelling dat de Provincie aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade, berust bij [appellant] . [appellant] doet in dit verband een beroep op de omkeringsregel. De zesde grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verweer van de Provincie slaagt en de vorderingen van [appellant] heeft afgewezen.

 

Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

 

 

 

3.7.

 

Zoals hierboven overwogen, heeft [appellant] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat ter plaatse van het ongeval sprake was van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW dan wel onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW).

 

[appellant] heeft in dat kader, kort samengevat, gesteld dat de Provincie als wegbeheerder heeft nagelaten om zorg te dragen voor een veilige verkeerssituatie. [appellant] meent dat geen sprake was van een veilige verkeerssituatie, nu er ten tijde van het ongeval geen straat-/wegverlichting aanwezig was met als gevolg dat het pikdonker was, het fietspad ter plaatse van het ongeval met een bocht naar rechts en vervolgens met een bocht naar links liep zonder dat daarvoor van tevoren werd gewaarschuwd en dat vlak vóór de inzet van de bocht in het fietspad sprake was van een beschadigd betonelement waarvoor evenmin van tevoren werd gewaarschuwd. Daar komt volgens [appellant] bij dat de naastgelegen rijbaan, in tegenstelling tot het fietspad, ter plaatse rechtdoor blijft lopen. Het bermpaaltje en de onderbroken kantstreep aan de rechterkant van de rijbaan deden volgens [appellant] vermoeden dat het fietspad ook rechtdoor bleef lopen. [appellant] stelt dat hij als gevolg van de onveilige situatie rechtdoor in plaats van met de bocht in het fietspad mee reed en tegen een niet afgeschermde, onbebakende boom die in de berm stond reed. De situatie ter plekke voldeed ook niet aan de in de CROW-richtlijn gestelde eisen, aldus [appellant] . Ten slotte voert [appellant] aan dat het feit dat de Provincie kort na het ongeval de situatie ter plekke heeft aangepast – zo is er onder andere een waarschuwingsbord geplaatst, is er voor de boom een schrikhek geplaatst en is de staat van het fietspad ter plaatse hersteld – erop wijst dat de Provincie zelf ook heeft ingezien dat sprake was van een onveilige verkeerssituatie.

 

 

 

3.8.

De Provincie heeft gemotiveerd betwist dat sprake was van een gevaarlijke situatie. Zij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat het betreffende betonelement in het fietspad weliswaar was aangetast maar normaal kon worden bereden. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de flauwe bocht naar rechts in het fietspad geen gevaarlijke situatie of gebrek in de zin van artikel 6:174 BW opleverde. Volgens de Provincie is het beleid om fietspaden buiten de bebouwde kom zo mogelijk te scheiden van de voor auto’s bestemde rijbaan door een berm met daarin bomen en bestaat de situatie ter plaatse al 20 jaar en heeft deze nimmer voor ongelukken gezorgd. Verder heeft de Provincie tegen het door [appellant] gestelde ingebracht dat vlak voor de betreffende bocht het fietspad al eerder in een vergelijkbare bocht loopt, dat de afbuiging in het fietspad in het donker niet zó laat zichtbaar is dat een (brom)fietser niet meer tijdig kan reageren en dat er een reflecterend bermpaaltje ter plaatse in de berm staat waar het fietspad naar rechts buigt. Naar de mening van de Provincie had [appellant] , gelet op de afstand van de boom ten opzichte van het begin van de berm, voldoende gelegenheid om bij te sturen en een botsing met de boom te vermijden. Ten slotte is het volgens de Provincie beleidstechnisch niet verantwoord om haar beperkt beschikbare financiële middelen in te zetten voor waarschuwingen op plaatsen waar de kans op ongevallen minimaal is en waar de situatie voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De oorzaak van het ongeval ligt, aldus de Provincie, in het rijgedrag van [appellant] .

 

 

3.9.

 

[appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep over de toedracht van het ongeval het volgende verklaard. Nadat hij met zijn bromfiets was gekeerd en de Provinciale weg ter hoogte van de Amerikaanse begraafplaats was overgestoken om het fietspad in de juiste richting te vervolgen, begon de bromfiets na ongeveer 200 meter te trillen. [appellant] keek in een reflex naar beneden en zag dat de weg anders was dan daarvoor. De bromfiets begon toen nog harder te trillen en [appellant] merkte op dat moment dat hij op gras, althans niet meer op het fietspad reed. Voordat hij het wist, kwam hij met de bromfiets in botsing met de boom in de berm.

 

[appellant] heeft verder verklaard dat hij, voordat hij door het trillen van de bromfiets naar beneden keek, steeds vooruit keek om op het verloop van de weg te kunnen anticiperen en dat hij steeds een recht wegverloop zag. [appellant] heeft ten slotte verklaard dat hij nu niet meer durft te zeggen hoeveel meter hij van de weg kon zien, dat hij de weg zag voor zover de verlichting van zijn bromfiets dat toeliet en dat hij voor zijn gevoel wel steeds voldoende zicht had.

 

 

 

3.10.

 

Het hof stelt het volgende voorop.

 

Op grond van artikel 6:174 BW is de Provincie als wegbeheerder aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een gebrek aan de openbare weg of de weguitrusting. Van een gebrek is sprake indien de weguitrusting naar objectieve maatstaven gemeten niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor een gevaar oplevert voor personen of zaken. Of dit het geval is hangt volgens vaste jurisprudentie af van het antwoord op de vraag of die weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans is op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te verlangen zijn. In dat kader komt onder meer betekenis toe aan de beleidsvrijheid die de Provincie heeft en de haar ter beschikking staande financiële middelen. De omstandigheid dat een opstal in algemene zin voldoet aan geldende veiligheidsvoorschriften, staat niet in de weg aan het oordeel dat de opstal (niettemin) niet aan bedoelde eisen voldoet en derhalve gebrekkig is in de zin van artikel 6:174 lid 1 BW (ECLI:NL:HR:2010:BN6236, Wilnis en ECLI:NL:HR:2014:831).

 

Voorts moet bij de beantwoording van de vraag of aan iemand, die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is (artikel 6:162 BW), de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt, niet alleen worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (vgl. HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 Kelderluik; en voorts onder meer ECLI:NL:HR:2004:AO4224 Jetblast en ECLI:NL:HR:2013:47). Verder is voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar van doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden (vgl het hiervoor aangehaalde Jetblast arrest).

 

 

 

3.11.1.

Tegen de achtergrond van deze maatstaf is naar het oordeel van het hof noodzakelijk dat duidelijk is wat voor de weggebruiker op het fietspad ter plaatse van het ongeval onder vergelijkbare (weers)omstandigheden waarneembaar is. Die duidelijkheid is er thans nog niet. Om te kunnen beoordelen of in het onderhavige geval sprake is van een gebrekkige opstal (artikel 6:174 BW) dan wel een onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW) acht het hof van belang op welke afstand, gemeten vanaf het begin van de plaats waar destijds het beschadigde betonelement in het fietspad lag, op zijn vroegst zichtbaar was dat het fietspad een bocht naar rechts maakt. Het hof acht in dit stadium, voordat verdere beslissingen worden genomen, op dit punt een deskundigenbericht noodzakelijk.

 

 

3.11.2.

Met betrekking tot dit uit te voeren onderzoek is het volgende van belang:

 

 

  1. de deskundige zal in de gelegenheid moeten worden gesteld om ter beantwoording van voornoemde vraag onder dezelfde weersomstandigheden en bij vergelijkbare duisternis als die ten tijde van het ongeval (30 april 2011 om omstreeks 21.50 uur) onderzoek ter plaatse te doen, in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden. De deskundige zal moeten kunnen beschikken over een soortgelijke brommer (merk Yamaha, type SA14) als [appellant] ten tijde van het ongeval bereed, zie proces-verbaal VOA 3.2.1. Deze brommer dient voorzien te zijn van soortgelijke verlichting (een laagspanning halogeenset zonder e-keurmerk), zie proces-verbaal VOA foto’s 51 t/m 54. Tevens dient de deskundige te kunnen beschikken over een soortgelijke helm als [appellant] droeg (cross model merk MT), zie proces-verbaal VOA foto’s 55 en 56. De brommer met verlichting en de helm dienen door [appellant] ter beschikking te worden gesteld. De deskundige zal tijdens het onderzoek zoveel mogelijk moeten rijden als een normaal oplettende brommerrijder, waarbij de deskundige verschillende snelheden dient aan te houden (zie hierna onder iii), óók indien een bepaalde snelheid wat de deskundige betreft onder genoemde (weers)omstandigheden niet zou passen bij normaal oplettend rijgedrag, in welk geval de deskundige dat in zijn rapportage dient te vermelden.

 

 

Omdat de situatie ter plaatse van het ongeval inmiddels is veranderd, acht het hof het wenselijk dat deze ten behoeve van het onderzoek zoveel mogelijk in dezelfde toestand zal worden gebracht als die was ten tijde van het ongeval. Dit betekent onder andere dat het bebakeningsbord, dat na het ongeval ter hoogte van hectometerpaal 5.8 is geplaatst (vgl. foto’s 1 tot en met 4 bij het rapport van [kantoor verkeersongevallendeskundige] van 10 december 2014), weggehaald zal dienen te worden, dat de na het ongeval aangebrachte kantbelijning onzichtbaar wordt gemaakt en op zodanige wijze dat dit oppervlak dezelfde aanblik en dezelfde weerkaatsing geeft als het wegdek van het fietspad en dat twee paaltjes met rode reflectoren teruggeplaatst dienen te worden op de plaats waar zij ten tijde van het ongeval stonden (zie foto’s 1 en 4 VOA). Ook zal aangegeven moeten worden waar in het fietspad zich destijds het beschadigde betonelement bevond. De Provincie is daarvoor verantwoordelijk en tevens voor het zoveel mogelijk terugbrengen van de situatie ter plaatse in de staat zoals die was op 30 april 2011.

 

 

Niet staat vast met welke snelheid [appellant] de brommer voorafgaande aan de botsing met de boom bereed. Blijkens de door de politie opgemaakte VOA kon deze snelheid vanwege het ontbreken van parameters niet worden vastgesteld. Gelet op de verklaring van [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep dat hij voorafgaande aan de botsing in ieder geval geen 20 kilometer per uur of langzamer reed en zijn betwisting dat hij 60 kilometer per uur of harder reed, zal de deskundige worden verzocht het onderzoek uit te voeren met een rijsnelheid van 30, 40 resp. 50 kilometer per uur.

 

 

De deskundige zal verder worden verzocht de verschillende ritten te filmen met een camera die zo dicht mogelijk bij de ogen van de bestuurder van de brommer is geplaatst, zodat een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld kan worden verkregen van de afstand waarop de bocht in het fietspad voor de weggebruiker op dat fietspad op zijn vroegst te zien was, en het beeldmateriaal tegelijk met het deskundigenbericht te deponeren bij de griffie van dit hof.

 

De deskundige zal daarnaast worden verzocht de afstand(en) waarop de bocht te zien is weer te geven op de situatieschets die bij de inleidende dagvaarding als productie 1 is overgelegd en deze situatieschets tevens te voegen bij het deskundigenbericht. Een kleurenafdruk van deze situatieschets dient door [appellant] ter beschikking gesteld te worden aan de deskundige.

 

 

3.11.3.

Het hof is voornemens de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:

 

1.Op welke afstand, gemeten vanaf het begin van de plaats waar destijds het beschadigde betonelement in het fietspad lag, heeft u op zijn vroegst kunnen waarnemen dat het fietspad een bocht naar rechts maakt?

 

 

2.Wilt u deze vraag beantwoorden voor de situatie dat u 30, 40 resp. 50 km/u reed en, indien de snelheid voor het antwoord op de vraag zou uitmaken, vermelden op welke wijze en/of in welke mate?

 

 

3.Zijn er andere omstandigheden die van belang zijn of aanvullende opmerkingen die u van belang acht om te maken? Zo ja, wilt u die dan toelichten?

 

 

3.11.4.

Het hof is voornemens de heer ing. [deskundige] van [b.v.] B.V. te benoemen tot deskundige. Het hof zal partijen bij gelijktijdige akte in de gelegenheid stellen zich over de persoon van de deskundige en de vraagstelling uit te laten en de zaak daartoe naar de rol verwijzen.

 

 

3.11.5.

[appellant] zal, als degene op wie de bewijslast rust van het gestelde gebrek (artikel 6:174 BW) c.q. de gestelde onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW), te zijner tijd het voorschot ten behoeve van de deskundige dienen te betalen.

 

 

3.11.6.

Het hof geeft partijen in overweging om ter besparing van verdere kosten en gelet op het wederzijdse procesrisico de procedure door middel van een minnelijke regeling te beëindigen.

 

 

3.12.

Iedere verdere behandeling van de grieven zal worden aangehouden.

 

 

 

4 De uitspraak

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

verwijst de zaak naar de rol van 19 september 2017 met het hiervoor onder r.o. 3.11.4 weergegeven doel;

 

 

 

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.A. Wabeke en B.E.L.J.C. Verbunt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 juli 2017.

 

 

 

 

griffier rolraadsheer